Lievevrouwebedstro

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Lievevrouwebedstro
Waldmeister.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Lamiiden
Orde: Gentianales
Familie: Rubiaceae (Sterbladigenfamilie)
Geslacht: Galium (Walstro)
Soort
Galium odoratum
(L.) Scop. (1771)
Lievevrouwebedstro
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Lievevrouwebedstro (Galium odoratum; synoniem: Asperula odorata) is een overblijvende, winterharde, kruidachtige plant uit de sterbladigenfamilie (Rubiaceae).

Daar de plant zich door haar kruipende wortelstok vlug vermeerdert, komt zij steeds in grote hoeveelheden voor en vormt als het ware één groot groen tapijt met een massa witte sterretjes.

De vegetatieve delen van de plant zijn reukloos, maar de bloemen verspreiden een zoete geur. In gedroogde toestand zijn het de bladeren die naar gemaaid hooi ruiken door de cumarine die bij het verwelken vrijkomt.

De plant heeft een dunne, kruipende wortel met veel uitlopers. De vierkantige, rechtopstaande stengel is 10-30 cm hoog, teer, onvertakt en alleen op de knopen behaard. De zes tot negen enkelvoudige, lancetvormige blaadjes zijn 1-4 cm lang en schijnbaar sterbladig. Eigenlijk zijn er maar twee blaadjes, de overige zijn steunblaadjes die echter een soortgelijke vorm en functie hebben. Ze staan als spaken rond een wiel.

De sterachtige bloemen zijn wit en staan in meertakkige bijschermen op een lange steel. Ze zijn buis- tot trechtervormig, vergroeidbladig en meestal vierlippig. Ze bevatten veel nectar en bloeien in april en mei. De kogelvormige, tweedelige splitvruchten zijn 2-3 mm groot en voorzien van haakvormige borsteltjes. Bestuiving geschiedt door vliegen en andere insecten.

Vindplaats[bewerken]

Lievevrouwebedstro komt vrij algemeen voor in alle landen van Europa en in Klein-Azië, met uitzondering van Portugal en IJsland. In België komt de soort vrij algemeen voor in beukenbossen en in Nederland vooral in Zuid-Limburg.

Alhoewel de schaduwminnende plant beter in de gematigde streken gedijt, treft men hem ook in het zuiden aan. De vindplaats strekt zich uit van het laagland tot in de bergen.

Over de grondsoort waarop het lievevrouwebedstro in de natuur groeit, lopen de meningen uiteen. Ze variëren van een “eerder droge” naar een “alleszins vochtige” grond, van een “niet zure” tot een met een zuurgraad pH van 4,5-5,5. Een feit is dat het kruid een schaduwrijke plaats verkiest, een losse, goed doorluchte en voedselrijke grond met goede humusvorming en vooral in de lente wat vocht.

De plant komt het meeste voor in een laaggelegen bostype, het zogenoemde eiken-haagbeukenbos. De volgende bomen zijn er karakteristiek: zomereik, haagbeuk, zoete kers of boskriek, beuk en es. We vinden lievevrouwebedstro in de kruidlaag van het droge gedeelte van dit bos, op horizontale of zwak glooiende terreinen. Hij groeit er samen in een plantengemeenschap met grootbloemige muur, witte klaverzuring, gulden boterbloem, bosanemoon, ruig klokje, gevlekte aronskelk, veelbloemige salomonszegel, slanke sleutelbloem, eenbes en wilde kamperfoelie.

Plantengemeenschap[bewerken]

Lievevrouwebedstro is een kensoort voor het eiken-haagbeukenbos (Stellario-Carpinetum).

Teelt[bewerken]

Standplaats[bewerken]

Lievevrouwebedstro is een bosplant, die dus een schaduwplekje vraagt op losse, vochtige, humusrijke grond. In de zon worden de blaadjes lichtgroen, waardoor de witte stervormige bloempjes bijna geen contrast meer vormen met de bladeren en de plant veel van zijn decoratieve waarde verliest. Op een zonnige en tegelijkertijd droge standplaats wordt de plant bruin en sterft af.

Vermeerdering[bewerken]

Men kan de plant vermeerderen door zaaien. Nieuw zaad ontkiemt goed, maar oud zaad kan wel een jaar in de grond blijven zitten.

Daar lievevrouwebedstro van nature weinig zaad produceert, maar veel ondergrondse uitlopers heeft, is het gebruikelijker de plant te stekken of te scheuren.

Neem in het voorjaar of in het najaar stekken van een volwassen plant. Kies stevige stengels van ca. 10 cm lang en verwijder de onderste blaadjes. Doop de stekken eerst in water en dan in een groeistof. Plant deze, met het kale gedeelte volledig bedekt, in een bak, gevuld met vochtig grof zand. Houd het zand vochtig en zet de recipiënt in de schaduw. De stekjes schieten binnen drie weken wortel. Plant ze daarna uit.

In de lente of in het vroege najaar kan men het kruid ook scheuren. Men doet dit door de wortels van de opgegraven plantjes met een kammende beweging van de vingers te verdelen (zorg ervoor dat er zo weinig mogelijk wortels breken) en uit elkaar te trekken. Graaf nieuwe plantgaten waar de wortelkluiten goed in passen. Breng in ieder gat een 5 tot 10 cm dikke compostlaag aan. Plant de nieuwe pollen even hoog als voorheen en 20 à 30 cm uit elkaar. Regelmatig begieten tot ze weer goed ingeworteld zijn. Maak het vooral niet te drassig.

Lievevrouwebedstro is een ideale bodembedekker voor moeilijke plaatsen in de tuin. Het groeit bijvoorbeeld in een droge beschaduwde grond onder een boom, of zo maar op een boomstronk. Bedstro is een mooie plant, zowel voor de wilde als voor de siertuin.

In de zomer kan men lievevrouwebedstro ook in bloempotten in huis halen. Hij verlangt dan een vochtige goed gedraineerde potgrond, een koele temperatuur en minstens 5 uur per dag indirect zonlicht.

Etymologie en mythologie[bewerken]

Walstro betekent wiegstro – wal is Middelduits voor wieg. Bedstro werd in de Middeleeuwen als strooikruid in wiegen gebruikt. Lievevrouwebedstro werd vroeger gebruikt op de feestdag van Sint-Barnabas voor het maken van slingers, die in de kerk en het woonhuis werden opgehangen. Ook werd er de vloer mee bestrooid.

Vroeger werd dit kruid opgedragen aan Freya, de godin van de natuur en de liefde. Later, na de kerstening, werd het bedstro aan Maria gewijd. In 1543 noemde Fuchs het in zijn “Neu Kreuterbuch” voor het eerst “Onser Vrouwe Bedstroo”. Bedstro slaat op het oude gebruik van dit plantje, dat als strooikruid in de slaapkamers diende en dat bij ziekte boven het bed werd opgehangen.

In zijn “Cruydeboek” schrijft Rembert Dodoens, 10 jaar nadat Fuchs het “Onser Vrouwe Bedstroo” doopte, nog steeds over “Walmeester”. Walmeester komt van het Duits Waldmeyster (modern Waldmeister) = meester van het woud.

100 jaar later vinden we bij Stephaan Blanckaart in “Den Nederlandschen Herbarius” (1698) de volgende namen: Asperula odorata, ofte wel-riekende Walmeester en onser Vrouwen-Bed-stroo, of onse lieve Vrouwen Wieg-stroo.

Volksnamen[bewerken]

Kruidenkussen bedstro werd als vulling van kussens en matrassen gebruikt
Mottekruid hield motten op afstand
Ruwkruid ruwachtige bladeren
Nierkruid of Leverkruid verwijst naar de (vermeende) geneeskrachtige eigenschappen
Sterleverkruid stervormige bloempjes
Meikruid of Meyerkruid bedstro is aan Maria gewijd. Meimaand is Mariamaand
Maagdenkussen liefdeopwekkend kruid
Donka of Toenka associatie met tonkabonen die dezelfde geur hebben

Legenden over lievevrouwebedstro[bewerken]

Legende betreffende de kleur van de bloemen[bewerken]

In die tijd dat Maria zou baren, had zij de kribbe reeds klaarstaan, gedekt met kruiden en wat hooi. Nadat Jezus geboren was, werd hij in doeken gewikkeld en in de kribbe gelegd. Bij de eerste kreten van het pasgeboren kind begon het bedstro meteen te bloeien. Als dank hiervoor mocht het zijn verdere leven gouden (witte) bloemen dragen. (in een Middelnederlands woordenboek vinden we als uitleg: gulden cruut = gedroogd geurig kruid).

Legende over de naamgeving[bewerken]

Over het ontstaan van de naam lievevrouwebedstro doet de volgende legende de ronde: de heilige Anna (de moeder van Maria) had een groot probleem, want haar dochter kon de slaap maar niet vatten. Hoe ze ook haar best deed, niets mocht baten. De kleine Maria bleef wakker. Diep hierover nadenkend liep Anna door de velden en zag plots een bedstro-plantje staan. Ze plukte de bloempjes en stak ze in een zak. Na een tijdje waren ze verwelkt en begonnen ze heerlijk te geuren. Moeder Anna legde de zak als een matrasje onder haar baby en vanaf dan sliep Maria als een roos. Als dank mocht het plantje vanaf dat ogenblik lievevrouwebedstro heten.

Legende over het bewaren van de jeugd[bewerken]

Er was eens een koning die zijn lijfartsen rijkelijk betaalde om hem van middeltjes te voorzien die hem voor de dood behoedden. Op een dag kreeg de koning een beker walstro, hét middel, volgens zijn artsen. Nu was er in het paleis een knecht die ook wel heel lang wou leven. Hij nam er stiekem een flinke teug uit. De dief werd spoedig gegrepen en ter dood veroordeeld. Toen zei de knecht: “Als u mij doodt, dan sterf ik jong en dan weet u dat uw artsen u voor de gek houden." De koning dacht diep na en vond uiteindelijk dat hij dit risico niet kon nemen. Hij liet de knecht daarop vrij. Beiden stierven toch, maar wel op hoge leeftijd. Sindsdien ontstond het spreekwoord “Tegen de dood is geen kruid gewassen.”

Toepassingen[bewerken]

Toxiciteit en bijwerkingen[bewerken]

Walstro wordt wel in de kruidengeneeskunde gebruikt; door een zeker gehalte aan cumarinen is dit niet geheel zonder risico (effecten op de bloedstolling, mogelijke teratogene effecten). In de reguliere geneeskunde vindt het tegenwoordig geen toepassing meer.

In vroeger eeuwen werd lievevrouwebedstro voor vele doeleinden gebruikt, onder andere om kleding geurig te maken en om wijn smaak te geven. Lievevrouwebedstro stond van oudsher bekend als “antimagisch” kruid om boze geesten op afstand te houden. Zie ook afweerkruid.

  • Zo werd het in de Middeleeuwen in bundels naast de ramen gehangen om de woning te vrijwaren van pest. In Engeland gebeurde dit langs de oostkust, de kant van het vasteland, omdat volgens hen de “kwade wind” uit die hoek kwam.
  • In de Eifel was het de gewoonte om bij elke geboorte in de zomer een bosje bedstro boven de wieg te hangen om geesten en slechte invloeden te weren.
  • Om de zwangerschap goed te laten verlopen legde men het kruid bij zwangere vrouwen in bed.
  • Een bos bedstro werd ook boven het bed van een zieke gehangen om de ziekte te weren, tot Bonifatius dat in 743 als een heidens gebruik verbood.
  • De plant maakte deel uit van de “negenderhanden kruiden”, anti-magische kruiden die in de vorm van tuilen op 15 augustus in de kerk gewijd werden. Op die dag bezaten volgens de overleveringen alle kruiden hun grootste heelkracht.
  • Lievevrouwebedstro werd ook als rookplant gebruikt, eveneens met antimagische krachten, nl. het verdrijven van duivels, heksen en tovenaars. De verbranding moest gebeuren gedurende de rooknachten.

Lievevrouwebedstro wordt vandaag de dag vooral gebruikt om meibowls te kruiden – de befaamde Maitrank. Deze is gemakkelijk zelf te maken (maar bv. in 1970 in Duitsland wettelijk aan banden gelegd wegens zorgen om de mogelijke toxiciteit ervan, zie boven).

Zie voor enkele recepten het wiki Kookboek: Maitrank en Bowl van lievevrouwebedstro

Handelsvormen[bewerken]

  • De plant komt voor in bepaalde tabletten die tegen nierstenen zouden werken
  • Lievevrouwebedstro wordt in de handel verkocht onder de vorm van drogerij “Herba matrisilvae” d.i. een bloedzuiverende thee.
  • “Herba Asperulae”: voor het geuren van o.a. linnenkasten.

Externe links[bewerken]

Stinsenplant en bijgoed
Kenmerkende stinsenplanten: Adderwortel · Blauwe anemoon · Blauwe druifjes · Bosanemoon · Boerenkrokus · Bonte krokus · Bosgeelster · Daslook · Gele anemoon · Gevlekt longkruid · Gevlekte aronskelk · Gewone vogelmelk · Gewoon sneeuwklokje · Grote bosaardbei · Holwortel · Herfsttijloos · Italiaanse aronskelk · Haarlems klokkenspel · Knikkende vogelmelk · Kievitsbloem · Kraailook · Lelietje-van-dalen · Lenteklokje · Mansoor · Oosterse sterhyacint · Trompetnarcis · Vingerhelmbloem · Vroege sterhyacint · Wilde hyacint · Wilde narcis · Winterakoniet
Bijkomende soorten Alpenbes · Armbloemig look · Beemdooievaarsbek · Bergbeemdgras · Blauwe anemoon · Bloedzuring · Bosvergeet-mij-nietje · Daglelies · Donkere ooievaarsbek · Dikkemanskruid · Elfenbloempje · Fluitenkruid · Gele dovenetel · Gevlekte dovenetel · Grote sneeuwroem · Gebroken hartje · Gulden sleutelbloem · Japans hoefblad · Japanse duizendknoop · Maarts viooltje · Monnikskap · Kaukasisch sneeuwklokje · Keizerskroon · Kleine maagdenpalm · Kleine sneeuwroem · Kruipend zenegroen · Lievevrouwebedstro · Leverbloempje · Oosterse anemoon · Overblijvende ossentong · Prachtframboos · Pastinaak · Robertskruid · Roomse kervel · Salomonszegel · Slanke sleutelbloem · Sneeuwbes · Speenkruid · Stinkend nieskruid · Struisvaren · Stengelloze sleutelbloem · Turkse lelie · Tuinkamperfoelie · Voorjaarszonnebloem · Voorjaarshelmkruid · Wilde akelei · Wit hoefblad · Wrangwortel · Zevenblad · Zomerklokje