Steeplechase

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Steeplechase
Wereldrecords
Mannen 7.53,63 Saif Saaeed Shaheen
Vrouwen 8.58,81 Goelnara Samitova-Galkina
Europese records
Mannen 8.00,09 Mahiedine Mekhissi-Benabbad
Vrouwen 8.58,81 Goelnara Samitova-Galkina
Belgische records
Mannen 8.10,01 William Van Dijck
Vrouwen 9.28,47 Veerle Dejaeghere
Nederlandse records
Mannen 8.04,95 Simon Vroemen
Vrouwen 9.38,40 Miranda Boonstra
Portaal  Portaalicoon   Atletiek
Steeplechase in 1912 in Celtic Park, New York
Steeplechase in de paardensport

De steeplechase (ook wel hindernisloop of steeple genoemd), is een atletiekonderdeel bestaande uit een hardloopwedstrijd van 3000 meter die op een van hindernissen voorziene baan wordt gelopen. In totaal moet de loper 28 op horden gelijkende hindernissen en zeven maal een waterbak passeren.

Geschiedenis[bewerken]

De steeplechase is een moderne tak van sport. De eerste hindernisloop schijnt in 1837 in het plaatsje Steeplechase bij Rugby (Engeland) te zijn gelopen. Volgens kronieken uit Ierland schijnt men daar al eerder de hindernisloop te hebben gekend. Een vaststaand feit is echter dat de hindernisloop in 1845 aan de universiteiten van Cambridge en Oxford uitermate populair was.

Op de tweede Olympische Spelen in Parijs (1900) werd het nummer officieel ingevoerd over de afstanden 2500 en 4000 meter. In 1904 ging de hindernisloop alleen over 2500 meter. Vier jaar later koos men als afstand twee Engelse mijl en in 1912 werd het zelfs 8000 meter. Pas op de spelen van Antwerpen in 1920 werd de ook nu nog geldende afstand van 3000 meter gelopen.

Tot voor kort was de steeplechase een van de weinige atletiekdisciplines die enkel door mannen werd beoefend. Op het WK atletiek in 2005 stond deze discipline bij de vrouwen voor het eerst op het programma. Pas in 2008 kreeg het ook een Olympische status.

Wedstrijdbaan en regels[bewerken]

Hoewel de steeplechase op een 400-meterbaan wordt gelopen, ligt de waterbak in elk geval -om technische redenen- binnen of buiten de ovaal van de baan. Dat heeft een verlenging of verkorting van de baan tot gevolg. Afhankelijk van de positie van de waterbak wordt de start gegeven tussen 20 meter voor de 200 m-startlijn (bak aan de binnenzijde van de baan) tot 50 meter voor de finishlijn (bak aan de buitenzijde van de baan). Meestal ligt de waterbak aan de binnenzijde van de baan.

De loop gaat over 3000 meter met 28 horden en zeven 'sloten'. In elke ronde van 400 meter moeten vijf hindernissen (vier balken en een balk met waterbak) genomen worden. De hindernis is een op een horde lijkende balk, die tussen de 80 en 100 kilogram weegt. De officiële hoogte voor de balken is vastgesteld op 36 inch (91,44 cm) voor mannen en 30 inch (76,20 cm) voor vrouwen. Achter de vierde horde ligt onmiddellijk de waterbak. Deze is aan de kant van de horde maximaal 90 cm diep en loopt over een afstand van 3,66 m langzaam op tot het niveau van de baan. Aan het einde van de bak ligt een mat van zacht materiaal over de gehele breedte van de sloot. De loper mag de hindernis op zijn eigen manier passeren. Men mag daarbij zijn handen gebruiken, met de voeten op de balk gaan staan, met een voet aanraken of er gewoon over heen springen.

Techniek[bewerken]

Terwijl de techniek van hordelopen een vast pasritme vraagt, ligt dat bij de hindernisloop anders. De loper moet zijn pasritme vrijwel voortdurend wijzigen. Bij het nemen van de hindernissen speelt de hordetechniek een zeer belangrijke rol. Het los overspringen van de horden vergt uiteraard minder kracht en snelheid dan het plaatsen van de voet op de horde. Bij het passeren van de waterbak ligt dat anders. Bij het aanlopen naar de hindernis voert de atleet het tempo op om tot een lichte, maar zekere opstap van de hindernis te komen, waarna een krachtige, vlakke en verre afsprong kan volgen. Er zijn slechts zeer weinig hindernislopers, die de waterbak droog willen passeren, daarom ligt de mat ook tot anderhalve meter in het water. Het maken van een zo ver mogelijke sprong over de waterbak kost onnodig veel kracht, dit kan de loper na twee of drie ronden reeds opbreken.

Zoals bij alle lange afstandnummers is het ook bij de steeplechase belangrijk hoe men de krachten verdeeld. Een ervaren loper zal er altijd naar streven een zo constant mogelijk tempo te lopen, om ook in de laatste ronden wanneer vermoeidheidsverschijnselen gaan optreden zijn techniek te behouden. Een goede hindernisloper moet de techniek van een 400 meter hordespecialist hebben en de conditie van een vijf kilometerloper.

Externe link[bewerken]