Vluchtelingen in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vraagteken
Er wordt getwijfeld aan de juistheid van een of meer onderdelen van dit artikel.
Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan.
Opgegeven reden: Titel en samenvatting dekken de inhoud niet. Verwarrend gebruik van terminologie: een genaturaliseerde Nederlander is per definitie geen vluchteling (maar heeft migratie-achtergrond). POV woordgebruik zoals "stroom". Historie ontbreekt grotendeels (Hugenoten, koloniale verleden, wereldoorlogen). Is dit een poging een essay te schrijven? Inhoudelijk overlap met immigratie in Nederland
Dit sjabloon is geplaatst op 3 juli 2017.
Vraagteken

Zie ook[bewerken]

Er zijn in het midden van de jaren tien van de 21e eeuw zo'n 200 tot 250 duizend vluchtelingen in Nederland, ofwel gedefinieerd als mensen met een vluchtelingachtergrond. De meesten van hen zijn inmiddels genaturaliseerde Nederlanders. Er is een jaarlijkse toestroom van asielzoekers, dat zijn degenen die voor verblijfsstatus als erkende vluchteling in aanmerking willen komen. Het aantal asielverzoeken in Nederland heeft per jaar sterk gevarieerd. Zo waren het er in 1994 ruim 52.000, in 2004 en 2007 nog geen 10.000, terwijl er in 2015 49.500 nieuwe asielverzoeken inclusief gezinshereniging werden gedaan (59.100 inclusief herhaalde verzoeken). Vluchtelingen zijn in Nederland vaak onderwerp geweest van maatschappelijk en politiek debat.

Herkomstlanden[bewerken]

Vluchtelingen vormen het overgrote deel van enkele grote in Nederland toegelaten groepen vreemdelingen, vooral die uit Afghanistan (in totaal 44.000), Ethiopië (12.500), Irak (55.000), Iran (37.000), Somalië (39:000), Syrië (23.700) en voormalig Joegoslavië (52.300) (de cijfers zijn van 2014).[1][2]

Met afstand het belangrijkste herkomstland van asielvragers in 2015 was, op een totaal van ruim 56.000 asielverzoeken en herhaalde verzoeken, Syrië (48% van de verzoeken), als gevolg van de Syrische burgeroorlog die in 2011 uitbrak. Andere belangrijke herkomstlanden waren dat jaar Eritrea (14%), Irak (6%), Afghanistan (4%), Iran (3%) en Somalië 2%.[3]

Om de asielprocedures te versnellen, bracht de regering in november 2015 een lijst uit van herkomstlanden die als veilig kunnen worden beschouwd.[4][5] Een asielzoeker uit een land op de lijst zal met een 'zwaardere bewijslast' moeten komen om zijn gevaar aan te tonen. Met de lijst loopt de regering vooruit op een Europese lijst van veilige landen. Op de lijst staan onder meer Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kosovo, Macedonië, Montenegro en Servië. De Nederlandse overheid gaat ervan uit dat inwoners van deze landen in principe geen gegronde vrees voor vervolging kunnen hebben en daarom niet in aanmerking komen voor een vluchtelingenstatus.

Asiel[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook de artikelen Asielaanvraag in Nederland en Asielrecht.

De procedure[bewerken]

In het kort is de procedure:

  • De asielzoeker meldt zich in Ter Apel of (als alleenstaande minderjarige asielzoeker) op Schiphol,
  • gaat een paar dagen later naar een van de vier landelijke aanmeldcentra,
  • wordt daar ondervraagd (‘eerste’ en ‘nader’ gehoor),
  • krijgt een tijdelijke verblijfsvergunning, eventueel ook voor familieleden.
  • of krijgt een afwijzing en moet binnen vier weken Nederland verlaten, maar kan in beroep gaan.[6]

Een positieve beslissing valt veelal binnen enkele weken.[7][bron?] Een negatieve kan binnen acht dagen komen, bijvoorbeeld als de asielzoeker terug moet naar een ander Europees land waar hij of zij asiel kon krijgen volgens de Dublinverordening, of als het asielverzoek ‘kennelijk ongegrond’ is bijvoorbeeld omdat de asielzoeker uit een veilig geacht land afkomstig is.[8][bron?] Als de asielzoeker alle mogelijkheden van beroep benut, kan de procedure maanden, zo niet jaren, duren c.q. voortslepen.[9].

Oorlogsmisdadigers zijn uitgesloten van asiel, volgens Artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Enkele honderden asielzoekers in Nederland zijn aangemerkt als ‘1F- er’.[10]

Wisselende aantallen asielzoekers[bewerken]

Het aantal asielverzoeken in Nederland heeft per jaar sterk gevarieerd. In de periode 1993-2014 was dat aantal het hoogst in 1994 (52.000) en het laagst in 2004 en 2007 (10.000). In de ‘topperiode’ 1995-2001 varieerde het aantal van 22.000 tot 45.000, in de ‘lage’ periode 2002-2013 varieerde het van 10.000 tot 15.000. In 2015 werden ruim 50.000 nieuwe asielverzoeken gedaan (inclusief herhaalde verzoeken was het aantal ruim 56.000).[11][12]

Het aantal asielzoekers in de asielzoekerscentra en andere centrale opvang wisselde ook sterk. In de periode van 1996-2015 was dat aantal het hoogst in 2001 (83.800) en het laagst in 2012 (14.600). In de ‘hoge’ periode 1998-2003 varieerde het van ruim 50.000 tot ruim 80.000, in de ‘lage’ periode 2007-2013 tussen ruim 14.000 en ruim 21.000. Eind 2015 stond het aantal asielzoekers in centrale opvang op ruim 45.000.[13]

Ook de aantallen asielzoekers uit een bepaald land hebben sterk gevarieerd. Zo kwamen er tot 2014 maar heel weinig asielzoekers uit Eritrea. In april 2014 kwamen er ruim 1000 Eritreeërs, in juni 2014 slechts 200, in november 2015 echter 1200. Syrische asielzoekers waren er nauwelijks tot 2012, toen er zich 450 meldden; hun aantal liep op tot meer dan 20.000 in 2015. In de jaren rond 1995 meldden zich meer dan 50.000 asielzoekers uit voormalig Joegoslavië, dat aantal was in 2015 gedaald tot enkele honderden.[12]

Belangrijke politieke factoren in de komst van veel asielzoekers waren onder meer, in chronologie:[14]

Toelating[bewerken]

Gemiddeld is in de eerste jaren van de 21e eeuw ongeveer de helft van het aantal asielaanvragers toegelaten, op grond van vrees voor vervolging of op humanitaire gronden. De toelatingsratio varieerde van 40 tot 70 procent in de jaren 2008-2015.[15] De toekenning van verblijfsvergunning verschilde sterk per nationaliteit. In 2015 is van de asielzoekers uit Syrië en Eritra zo’n 90 procent toegelaten. Het toelatingspercentage lag voor asielzoekers uit Irak, Iran en Somalië op of boven de 50 procent, maar was minder dan 10 procent voor asielzoekers uit Albanië, Bosnië-Herzegovina, Georgië, Macedonië en Servië.[16]

Een uitgangspunt van de Dublinverordening is dat het eerste EU-land waar de asielzoeker aankomt, verantwoordelijk is voor de asielprocedure. Door betere controle door Frontex en registratie aan de buitengrenzen willen EU-landen ervoor zorgen dat de Dublinverordening tot beperking van de instroom leidt.[17]

Binnen drie maanden na het verkrijgen van een verblijfsvergunning kan een vluchteling een visum aanvragen voor gezinsleden die hij of zij wil laten overkomen. Voordat een partner of gezinslid komt, moeten die met documenten de gezinsband kunnen aantonen. De kosten van het laten overkomen van familieleden zijn in principe voor de asielzoeker. Er geldt geen "voldoende middelen" vereiste bij gezinshereniging, zoals dat bij "gewone" immigratie van bijvoorbeeld een huwelijkspartner geldt. Als VluchtelingenWerk de aanvrager begeleidt, is een gedeeltelijke vergoeding van toepassing uit het Vluchtelingenfonds.[18] Kindhuwelijken worden bij die aanvraag niet erkend.[19]

Cijfers in internationaal perspectief[bewerken]

Verhoudingsgewijs gaat het bij asielzoekers in Nederland om beperkte aantallen.

  • De 200.000-250.000 mensen met een vluchtelingachtergrond in Nederland vormen 1,5% van de bevolking.[20]. Niet-westerse allochtonen zijn in Nederland ruim 12% van de bevolking.[21]
  • De 50.000 nieuwe asielverzoeken in 2015 ingediend in Nederland staan gelijk aan 0,08 procent van het wereldwijde aantal vluchtelingen en ontheemden (60 miljoen) en 5 procent van het aantal asielverzoeken in de Europese Unie (1 miljoen).[22]
  • In de eerste helft van 2015 stond Nederland op de 9e plaats voor het absolute aantal asielaanvragen in vergelijking met andere landen in de Europese Unie. Gemeten naar het aantal inwoners stond Nederland begin 2015 op de 11e plaats en begin 2017 op de 15e plaats.[23]
  • De 1 miljoen asielzoekers in 2015 in de Europese Unie staan gelijk aan 0,2 procent van de EU-bevolking (500 miljoen).
  • Volgens de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR waren er in Nederland in 2015 per duizend inwoners 5 vluchtelingen/asielzoekers. In Turkije zijn dat er 25, in Libanon 200.[24]
  • Wereldwijd blijft 95 procent van de vluchtelingen in eigen land of vlucht niet verder dan naar een naburig land.[25]
  • Van de wereldbevolking is 3,3% migrant, migratie vertoont een stijgende lijn.[26]. In de periode 2000-2015 stonden de aantallen vluchtelingen gelijk aan 0,5 tot 0,9% van de wereldbevolking.

Categorieën vluchtelingen en vreemdelingen[bewerken]

Uitgenodigde vluchtelingen[bewerken]

De wereldvluchtelingenorganisatie UNHCR heeft een programma om vluchtelingen in andere landen te hervestigen. Het gaat meestal om mensen die eerder langdurig in vluchtelingenkampen hebben verbleven. Kwetsbare personen (zoals mensen met een psychotrauma of handicap en kinderen) krijgen voorrang.[27] Nederland heeft sinds 1986 een quotum van 500 uitgenodigde vluchtelingen per jaar. Pas in 2005 is dat aantal voor het eerst daadwerkelijk gehaald. In 2014 zijn 790 vluchtelingen op uitnodiging naar Nederland gekomen, onder hen 245 uit Syrië.[28]

Alleenstaande minderjarige vreemdelingen[bewerken]

In de jaren negentig kwamen steeds meer alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's, later alleenstaande minderjarige vreemdelingen genoemd) naar Europa. Zij werden soms 'vooruit gezonden' omdat men de kans voor een kind om asiel te krijgen groter acht dan voor een volwassene.[29] In Nederland steeg het aantal alleenstaande minderjarige asielzoekers tot 7.800 in 2000, vooral uit Angola, China, Sierra Leone en Guinee. Als reactie daarop werd het beleid veel strenger en daalde hun aantal tot enkele honderden per jaar. Slechts aan heel weinig ama's is de vluchtelingenstatus verleend.[30] Pas in 2015 steeg hun aantal weer, tot rond 3500, vooral afkomstig uit Syrië, Eritrea, Afghanistan en Irak.[31]

Uitgeprocedeerde asielzoekers en ongedocumenteerden[bewerken]

In Nederland zouden 25 tot 50 duizend illegalen verblijven, mensen zonder een geldige verblijfstitel.[32] Dat cijfer is een ruwe schatting.

Het strafbaar stellen van illegaal verblijf is herhaaldelijk voorgesteld, maar in 2014 zag de Nederlandse regering af van de invoering ervan.[33] De term ‘illegaal’ is dan ook feitelijk onjuist; organisaties spreken liever van ‘irreguliere’ of ‘ongedocumenteerde’ vreemdelingen. Van hen heeft 60% ooit vergeefs een asielverzoek ingediend.[34]

Tot illegaliteit vervielen onder meer ook: buitenlandse vrouwen met kinderen die door hun (Nederlandse) partner zijn verlaten, slachtoffers van mensenhandel die geen aangifte hebben durven doen, staatlozen die niet kunnen terugkeren naar het land van geboorte, familieleden van migranten die zorg behoeven en die in het herkomstland niet kunnen krijgen.[35]

Ongedocumenteerden hebben verbleven op diverse locaties zoals een ‘vluchtgarage’ en ‘vluchtflat’, waar hun ervaringen zijn gedocumenteerd door het initiatief Vluchtverhalen.[36] Een heel klein deel van de illegalen of ongedocumenteerden in Nederland verblijft op locaties die de overheid heeft ingericht. Een ander, ook heel klein deel leeft op straat.[37]

Op grond van internationale verdragen hebben alle kinderen jonger dan 18 jaar recht op onderwijs en zijn ze in Nederland leerplichtig. Illegaal verblijvende kinderen kunnen op alle scholen terecht en een opleiding die ze voor het achttiende jaar begonnen, afmaken. Hun gegevens mogen niet worden doorgegeven aan instanties die de Vreemdelingenwet handhaven.[35]

In 2014 stelde het Europees Comité voor Sociale Rechten dat Nederland het recht van 'ongedocumenteerde vreemdelingen op voedsel, kleding en onderdak als noodzakelijke voorziening ter bescherming van hun menselijke waardigheid' moet garanderen. In Nederland staat dat bekend als de 'bed-bad-broodregeling'.[38][39] Over de interpretatie van de uitspraak raakten de regeringspartijen VVD en PvdA in conflict. In juni 2015 bereikten ze een compromis.[40]

Illegalen kunnen geen zorgverzekering afsluiten, maar krijgen wel medisch noodzakelijke zorg. De overheid trekt jaarlijks 32 miljoen euro uit voor medische zorg aan illegalen. Als zorgverleners de kosten niet (volledig) kunnen verhalen op de patiënt, kunnen zij een bijdrage vragen aan het Zorginstituut Nederland.[41][42]

Vreemdelingendetentie[bewerken]

Asielzoekers die zijn afgewezen, en anderen zonder geldige verblijfsvergunning, kunnen in vreemdelingenbewaring worden geplaatst. In principe is dat in afwachting van uitzetting. Om praktische redenen komt dat er lang niet altijd van, vreemdelingen kunnen dan soms aanzienlijke tijd gevangen worden gezet.[43] Critici stellen stelt dat vreemdelingen alleen mogen worden gedetineerd voor zover en voor zolang dat strikt noodzakelijk is om redenen van veiligheid en handhaving van de orde, en dat kinderen niet in detentie behoren te zijn.[44][45]

Het aantal mensen in vreemdelingendetentie in Nederland is afgenomen, van 7.547 vreemdelingen in 2010 tot 2.467 vreemdelingen in 2014.[46] Een wetsvoorstel dat sinds 2013 in behandeling is moet leiden tot verbetering van het regime en meer vrijheid voor de gedetineerden.[47] Daarmee zijn echter volgens critici de orde- en strafmaatregelen niet ingeperkt, het nieuwe ‘beheersregime’ zou onder meer visitatie (fouillering tot op de huid) ruimer mogelijk maken.[48]

Geschiedenis van het maatschappelijk debat over vluchtelingen[bewerken]

De ‘wassende toevloed’ van de jaren dertig[bewerken]

Het maatschappelijk en politiek debat over vluchtelingen en asielzoekers bestaat in Nederland al sinds 1933. Met de opkomst van het nationaalsocialisme in Duitsland kreeg Nederland, vooral na 1933, een groeiende stroom Duitse vluchtelingen te verwerken: communisten, socialisten en joden. Het aantal joodse vluchtelingen groeide vanaf 1933 tot 35.000, een veel groter aantal werd niet toegelaten.[49] Minister van Justitie Josef van Schaik zei van de Duitse vluchtelingen in 1933 dat 'behoudens enkele gevallen, in het algemeen geen beroep op asylrecht kan worden gedaan. De positie der joden in Duitsland moge betreurenswaardig zijn; om voor asylrecht in aanmerking te komen, is meer nodig.' De minister waarschuwde ook tegen de 'wassende toevloed': 'Voorshands speelt een rol de vraag of deze invasie - die op blijvende vestiging dreigt uit te lopen - wel gewenst is op ras-, economische en sociale overwegingen.' 'Laat men thans de aanwezige Joden hier, dan zal het hoe langer hoe bezwaarlijker worden, hen kwijt te raken.' Joden die uit Polen afkomstig waren of stateloos, moesten 'zoveel doenlijk naar het land waarvan zij laatstelijk onderdaan waren, of naar elders... afreizen'. In februari 1934 vroeg de minister zich af 'of, nu de toestand in Duitsland zich meer geconsolideerd heeft, ons land maar steeds voor de bedoelde vluchtelingen moet blijven openstaan'. Op grond van Van Schaiks mededeling besloot de ministerraad tot een beleid dat de binnenkomst van vluchtelingen zou tegengaan. Het kabinet gebruikte toen termen als 'stromen', 'toestroom' en 'vloed'.[50] In 1936 verscheen een nota voor de ministerraad waarin een onderscheid werd gemaakt tussen twee soorten vluchtelingen: zij die 'uit hoofde van hun politieke overtuiging, hun godsdienst of hun ras vervolgd waren of vervolging vreesden'; en zij die 'in hun bestaan werden bedreigd. Dit zijn vluchtelingen om economische redenen... geen eigenlijke vluchtelingen'. Vanuit de bevolking rees protest tegen het restrictief beleid, zoals in een petitie aan de Staten-Generaal die getekend werd door 50.000 mensen.[51]

Nota Vluchtelingenbeleid 1986-1987[bewerken]

Op 15 september 1986 werd de Nota Vluchtelingenbeleid aan de Tweede Kamer aangeboden.[52] Bij gelegenheid daarvan zei de staatssecretaris van Justitie, Virginie Korte-van Hemel, 'Vaak maak ik mij meer zorgen om vluchtelingen die ik wél heb toegelaten.'[53] In de media waren de meningen verdeeld. Een commentaar in De Telegraaf stelde dat Nederland 'niet kon achterblijven bij de maatregelen van andere West-Europese landen om de toelating te beperken. Anders gaat van een te grote souplesse een aanzuigende werking uit.' NRC Handelsblad stelde: 'Het is opmerkelijk dat bij pogingen de toevloed naar ons land in te dammen toch vaak toevlucht wordt gezocht tot strikte toepassing van de regels. "Het kaf van het koren scheiden", zo noemde premier Ruud Lubbers het na kabinetsberaad over noodsignalen van het asielfront.'[54] Wordt Vervolgd, het maandblad van Amnesty International, stelde: 'Nederlandse grenzen vrijwel dicht voor vluchtelingen [...] Het treurige is dat het nieuwe beleid niet wordt ingegeven door een weloverwogen analyse, maar door een paniekreactie op het gestegen aantal asielverzoeken.'[55] De maatregelen waaraan de Tweede Kamer in april 1987 haar goedkeuring hechtte, waren onder meer: slechts één land zal een asielverzoek in behandeling nemen; wie in een westers land asiel had kunnen vragen wordt niet in een volgend land toegelaten; asielzoekers met 'duidelijk ongegronde asielverzoeken' worden in principe dezelfde dag nog verwijderd; luchtvaartmaatschappijen die asielzoekers zonder visum aanvoeren worden beboet. Deze maatregelen werden in de praktijk niet toegepast. Ze werden in later jaren opnieuw gepresenteerd en gedeeltelijk ook doorgevoerd.[56]

De Vreemdelingenwet 2000[57][bewerken]

In 2000 vroegen 43.500 mensen asiel aan. Er zaten 65.000 asielzoekers in de centrale opvang, van hen 10 procent al langer dan drie jaar. Staatssecretaris van Justitie Job Cohen sprak van een ‘ontploffend asielstelsel’.[58] De regering zocht de oplossing in het aanpakken van asielprocedures: die moesten sneller en korter. Voorstanders van een ruimhartiger beleid, GroenLinks en SP, vormden in de Tweede Kamer slechts een kleine minderheid. VVD en CDA achtten het Vluchtelingenverdrag achterhaald omdat het verdrag zou voorzien in opvang van individuen, niet van grote groepen.[59].

Kwesties sinds 2011[bewerken]

Werkloosheid en integratie[bewerken]

Een half jaar na indiening van het asielverzoek mag een asielzoeker in Nederland 24 weken per jaar werken. Een asielzoeker heeft recht op dezelfde beloning als Nederlanders. Onder toegelaten vluchtelingen is de werkloosheid gemiddeld hoog. Oorzaken van de vluchtelingenwerkloosheid zijn onder meer dat diploma's niet gelden, gezondheidsproblemen, psychische klachten vanwege traumatische gebeurtenissen uit het verleden en het ontbreken van een sociaal netwerk. Ook factoren als lage opleiding, analfabetisme en gebrekkige integratie worden door sommigen genoemd om de werkloosheid te verklaren. [60] [61] Rond 40% van de werkenden uit de vluchtelingengroepen geeft aan voor de huidige functie te hoog zijn opgeleid. Afghaanse, Iraakse en vooral Somalische werknemers werken vaker in laagbetaalde banen dan Turkse en Marokkaanse werknemers. Dit geldt niet voor Iraanse werknemers. De helft van de vluchtlingenhuishoudens loopt risico op armoede. [62]

Voordat ze een verblijfsvergunning hebben, krijgen volwassen asielzoekers geen Nederlandse les. Na een (tijdelijke) verblijfsvergunning moet de asielzoeker binnen drie jaar inburgeringsexamen doen.[63] Dit examen bestaat uit lezen, luisteren, spreken en schrijven in het Nederlands. Ook toetst het examen kennis van de Nederlandse maatschappij.

Feitelijke inburgering komt onder meer tot uiting in veiligheidsgevoelens en onderwijs. Meer dan 90% van de Afghaanse, Iraakse, Iraanse en Somalische migranten in Nederland voelt zich veilig in Nederland, aldus onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2011. Personen uit de vluchtelingengroepen onderhouden vaker contacten met autochtonen dan de Turkse en Marokkaanse Nederlanders. Ongeveer driekwart van de Afghaanse, Iraakse en Iraanse migranten geeft aan dat ze niet meer in het land van herkomst willen wonen. Een hoog aandeel leerlingen van Iraanse (49%) en Afghaanse (42%) origine volgt een opleiding op havo/vwo-niveau. Het aandeel Iraanse leerlingen op dit niveau is gelijk aan dat van autochtone leerlingen. Iraakse leerlingen blijven hier bij achter: 35% (dit aandeel komt overeen met de Surinaamse groep). 17% van de leerlingen van Somalische origine volgt een opleiding op havo- of vwo-niveau, dit is lager dan bij Turks- en MarokkaansNederlandse leerlingen.[64]

Volgens een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbnbureau uit december 2015 verloopt de integratie onder migranten moeizaam. De afstand van bijvoorbeeld Somalische vluchtelingen tot de Nederlandse samenleving uit zich vooral op het gebied van de arbeidsmarkt en scholing, in mindere mate ook op het religieuze en sociaal-culturele vlak.[65]

Woonruimte en kosten[bewerken]

De Nederlandse regering stelt dat woningzoekenden in principe niet langer op een woning zullen moeten wachten door de komst van asielzoekers met een verblijfsvergunning.[66] Om woningnood te vorkomen kan de gemeente kiezen om asielzoekers met een verblijfsvergunning een (sociale) huurwoning of andere woonruimte aan te bieden, bijvoorbeeld in lege kantoren. Ze kan vergunninghouders ook woonruimte aanbieden bij particuliere verhuurders of in containerwoningen, of meerdere mensen onderbrengen in één woning. Een gemeente mag vergunninghouders ook tijdelijk andere (niet-permanente) woonruimte aanbieden, bijvoorbeeld in een bungalowpark. Dit is geregeld in het gemeentelijk versnellingsarrangement (GVA).[67]

Asielzoekers kostten Nederland in 2014 ruim 860 miljoen euro.[68] Meer dan de helft daarvan, 485 miljoen, ging naar het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kreeg 197,7 miljoen, de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) 72 miljoen. Een aantal organisaties dat opkomt voor de belangen van vluchtelingen kregen ruim 30 miljoen euro subsidies, daaronder Vluchtelingenwerk Nederland (6,3 miljoen) en Stichting NIDOS voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (23,8 miljoen). Onderwijs aan asielzoekers (basisschool en voortgezet onderwijs) kostte in totaal 56,3 miljoen euro. De zorgkosten liggen gemiddeld op 6,160 euro per asielzoeker per jaar. De kosten van de opvang drukken het eerste jaar grotendeels op de begroting voor ontwikkelingssamenwerking: als ze toenemen gaat de hulp aan het buitenland omlaag. [69]

Per persoon zijn de initiële kosten van aanvraag, opname en 1e integratie (taalcursus, enige basisscholing) van vluchtelingen begroot op zo’n 30 a 50.000 euro.[70] In Duitse onderzoeken worden vergelijkbare cijfers genoemd.[bron?]

Daarna komen de langdurige vervolgkosten als gevolg van het gebruik van de sociale voorzieningen door niet-westerse allochtonen, hetgeen lastiger te berekenen is. Het CPB komt niettemin tot een vergelijkbare conclusie als het Nyfer t.a.v. de 1e generatie gastarbeiders. Een 25-jarige immigrant kost de Nederlandse staat gedurende de rest van zijn leven gemiddeld 43.000 euro. Een gemiddelde autochtone Nederlander van 25 draagt in de rest van zijn leven juist 76.000 euro bij aan de schatkist.[71]

Criminaliteit onder asielzoekers[bewerken]

Er zijn weinig harde gegevens over criminaliteit onder asielzoekers, omdat die in de misdaadstatistieken niet als groep worden geregistreerd. Onderzoeker Willem de Haan stelde in 2002: ‘De dreiging van een asielzoekerscentrum voor zijn omgeving wordt gemakkelijk overschat, terwijl het gevaar voor zijn bewoners wordt onderschat.’[72] In 2006 verscheen het onderzoeksrapport ‘Asielmigratie en Criminaliteit’[73] dat stelt dat van de asielzoekers die toen nog in een asielprocedure zaten, 5 procent werd verdacht van een misdrijf. Onder asielzoekers met een verblijfsvergunning was het 3 procent (het gemiddelde van de Nederlandse bevolking is 1,5 procent). Asielzoekers maakten zich in de onderzochte periode 1996 tot 2004 vooral schuldig aan (winkel)diefstal en valsheid in geschrifte met reisdocumenten. Naar verhouding worden asielmigranten gemiddeld vaker verdacht van criminaliteit dan de Nederlandse bevolking, maar minder vaak dan allochtone herkomstgroepen zoals Antillianen, Joegoslaven, Marokkanen of Surinamers.[74]. De geschatte criminaliteitsgraad van illegalen en uitgeprocedeerde asielzoekers is met 10 procent wel hoger. Het betreft vaak ‘overlevingscriminaliteit’ om in Nederland te kunnen blijven binnen de zeer beperkte legale bestaansmogelijkheden.[75]

In oktober 2015 stelde onderzoeker Godfried Engbersen dat het niet onveiliger is rondom een asielzoekerscentrum en dat zware criminaliteit er niet is aangetroffen. De NOS sprak die maand met ruim twintig van de 33 gemeenten die een groot asielzoekerscentrum (azc) op hun grondgebied hebben.[76] Hun gezamenlijke ervaring bleek te zijn dat er vooraf bezorgdheid is, maar dat er zich weinig tot geen incidenten hebben voorgedaan waarbij mensen van buiten het azc gedupeerd werden. Volgens de gemeenten nam de criminaliteit niet toe. Wel zijn er incidenten op de azc-terrein zelf, zoals vechtpartijen. Ook kunnen inwoners overlast ervaren door grote groepen mensen in het straatbeeld.

Mensenhandel[bewerken]

Er is steeds meer aandacht gekomen voor het herkennen van mensenhandel in asiel.[77] Er zijn aanwijzingen dat mensenhandel zich voordoet onder meer onder asielzoekers uit Eritrea[78] en alleenstaande minderjarige asielzoekers.[79] Alleenstaande minderjarige vluchtelingen verdwenen door de jaren heen op grote schaal uit de opvang. Ze zijn een makkelijk doelwit, omdat ze weinig geld hebben, makkelijk te overtuigen zijn en de weg in Nederland nog niet kennen. De aangiftebereidheid is in het algemeen laag. Er zijn gevallen gemeld van mensenhandelaars die zich ophielden bij asielzoekerscentra met de bedoeling meisjes te werven voor prostitutie.[80]

Bereidheid tot opvang van vluchtelingen[bewerken]

Volgens een peiling van Maurice de Hond uit september 2015 was ongeveer een op de acht Nederlanders (13 procent) bereid om vluchtelingen in huis op te nemen, waarvan een derde dat wil 'zolang als het nodig is'. 300.000 huishoudens gaven aan dat ze een of enkele vluchtelingen wilden opvangen. Bijna 40 procent van de ondervraagden vond dat Nederland meer vluchtelingen moet opnemen dan tot nu toe was toegezegd. Onder de VVD-kiezers was dat 21 procent en onder de PvdA'ers 55 procent.[81]

Alle Nederlandse gemeenten huisvesten vluchtelingen (met een verblijfsstatus). In september 2015 riepen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten alle gemeenten op mee te werken aan de opvang van asielzoekers.[82] In 2015 bleek een groeiend aantal gemeenten bereid vluchtelingen op te vangen. Volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten was het draagvlak onder gemeentebesturen om vluchtelingen op te vangen toegenomen.[83] Brabantse gemeenten bleken bereid om vluchtelingen op te vangen als het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers een beroep op hen deed.[84] In september 2015 bleken ten minste zeventig Nederlandse gemeenten bereid tot (extra) opvang, vaak wel tegen de wens van de eigen bewoners in.[85]

Protesten tegen asielzoekerscentra[bewerken]

De komst van asielzoekerscentra is herhaaldelijk gestuit op protest, van de plaatselijke bevolking en mensen daarbuiten. Dergelijk protest deed zich al voor toen 14 miljoen ontheemden direct na de Tweede Wereldoorlog in West-Europa asiel zochten. Met de komst van Tamil-vluchtelingen die in begin jaren-1980 Sri Lanka ontvluchtten, kwam het tot publieke protesten en ongeregeldheden rond Nederlandse opvangplekken.[86] In 1987, toen in Nederland voor het eerst asielzoekerscentra werden opgericht, waren er protesten in onder meer Stevensbeek en Slagharen. Daarbij kwam het tot politieoptreden. Sommige ouders uit Stevensbeek zeiden dat ze hun kinderen niet meer langs het asielzoekerscentrum naar school durfden te sturen.[87] De protesten hebben niet voorkomen dat de asielzoekerscentra er kwamen. Wel werden in Stevensbeek minder asielzoekers opgevangen dan gepland.

Protestacties waren er opnieuw vanaf 2013, toen de toestroom van vooral Syrische asielzoekers in een versnelling raakte. Het burgercomité Eindhoven, dat het initiatief nam tot landelijke samenwerking in de protesten, stelde dat ‘bij het opzetten van nieuwe asielzoekerscentra burgers worden overvallen en buitenspel gezet’.[88] De bezwaren waren vaak meer gericht tegen hoge aantallen of oplegde beslissingen dan tegen de asielzoekerscentra als zodanig.[89] Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers verklaarde zich te willen richten op overleg in platforms waarin omwonenden zitten, samen met gemeente en politie. De protesten, manifestaties en ongeregeldheden namen echter in aantal toe.[90] Er waren protesten in tientallen steden en dorpen, ongeregeldheden bij en buiten de asielzoekerscentra deden zich voor in onder meer Zuidlaren, Almere, Voorst, Weert, Oss, Enschede, Almelo, Woerden, Utrecht, Purmerend en Heesch.

Literatuur[bewerken]

  • "Asiel & migrantenrecht" (tijdschrift). Utrecht: Forum.
  • Barendrecht, Annelies & Gerjan Crebolder (2012). "Buren van ver. Vijftien portretten van vluchtelingen", Barneveld: BDU Uitgeverij.
  • Bronkhorst, Daan (1990). "Een tijd van komen. Geschiedenis van vluchtelingen in Nederland", Utrecht: VON.
  • Busser, Annemarie (2005). "Gevangen tussen grenzen", Amsterdam: Atlas.
  • Geuijen, Karin (2004). "De asielcontroverse. Argumenteren over mensenrechten en nationale belangen", Amsterdam: Dutch University Press.
  • "Van Heuven Goedhartlezing" (jaarlijks). Den Haag: Stichting Vluchteling.

Zie ook[bewerken]