Ringslangplatstaart

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ringslangplatstaart
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2010)
Digitale schets van de ringslangplatstaart
Digitale schets van de ringslangplatstaart
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Orde: Squamata (Schubreptielen)
Onderorde: Serpentes (Slangen)
Superfamilie: Colubroidea
Familie: Elapidae (Koraalslangachtigen)
Geslacht: Laticauda (Platstaarten)
Soort
Laticauda colubrina
(Schneider, 1799)
Originele combinatie
Hydrus colubrinus
Afbeeldingen Ringslangplatstaart op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Ringslangplatstaart op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

De ringslangplatstaart[2] (Laticauda colubrina) is een slang uit de familie koraalslangachtigen (Elapidae).[3]

De slang kan zowel 's nachts als overdag actief zijn. De ringslangplatstaart is een zeebewoner, maar kan ook op het land worden aangetroffen. De paring en de eileg vinden plaats op het land. Het verspreidingsgebied loopt van zuidelijk Azië en Australië tot delen van Midden-Amerika.

De lichaamskleur is zwart met witte banden over het gehele lichaam, de staart is duidelijk sterk verbreed. De kop is deels zwart van kleur maar heeft een masker van gele kleuren. De lichaamslengte is ongeveer een meter tot 1,5 meter, de mannetjes blijven kleiner. De allergrootste exemplaren kunnen een totale lichaamslengte van meer dan drie meter bereiken.

De ringslangplatstaart is een zeer giftige soort, maar het dier is niet agressief en bijt alleen als het wordt aangevallen. De slang leeft van vissen en hoofdzakelijk van palingen. In Azië worden vissers vaak geconfronteerd met de slang als ze hun netten leeghalen maar beten van de ringslangplatstaart zijn zeldzaam. De slang wordt ook bewust gevangen om het vlees en de huid.

Naamgeving en taxonomie[bewerken]

De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst gepubliceerd door Johann Gottlob Schneider in 1799. Oorspronkelijk werd de soort in het geslacht Hydrus geplaatst, en was de volledige naam Hydrus colubrinus. Later werd de slang in de geslachten Coluber, Anguis, Hydrophis en Platurus toegekend. Afhankelijk van het grammaticaal geslacht van de geslachtsnaam is het epitheton colubrinus of colubrina.

De naam Laticauda betekent vrij vertaald 'brede staart'; het is een samentrekking van de Latijnse woorden latus (breed) en cauda (staart). De soortnaam 'colubrina' betekent slangachtig.[4]

De Nederlandstalige naam ring-slang-plat-staart slaat op de ringvormige banden over het gehele lichaam en het feit dat de staart peddel-achtig is afgeplat. Ook in andere talen wordt vaak verwezen naar de opvallende bandering op het lichaam, zoals het Engelse 'banded sea krait'. In de Engelse taal wordt de soort ook wel 'yellow-lipped sea krait' (geel-lip zeekrait) genoemd, wat een verwijzing is naar de gele voorzijde van de kop. In het Duits wordt de slang 'nattern-plattschwanz' genoemd, naar de afgeplatte staartpunt. De Chinese naam is 黃唇青斑海蛇 en betekent geellippige (黃唇) wit gestreepte (青斑) zeeslang (海蛇).[4]

De ringslangplatstaart is een vertegenwoordiger van de familie koraalslangachtigen (Elapidae), waartoe ook de cobra's en de mamba's behoren. Het is een in zee levende slang, maar behoort niet tot de zeeslangen (onderfamilie Hydrophiinae). De slang wordt tot het geslacht van de platstaarten (Laticauda) gerekend; dit is een groep van acht soorten die veel op elkaar lijken en allemaal rond Azië leven. Platstaarten kunnen aangemerkt worden als in zee levend als het om de voedselgewoonten betreft, maar ze vertoeven de rest van hun tijd op het land.[5] De 'echte' zeeslangen uit de onderfamilie Hydrophiinae zijn veel sterker aan het leven in de zee aangepast. Zeeslangen zijn permanente zeebewoners die zelfs hun jongen levend baren in de zee. Ze hebben veel beter ontwikkelde zoutklieren zodat ze zeewater als drinkwater kunnen gebruiken.

Verspreidingsgebied en habitat[bewerken]

Verspreidingsgebied in het rood.

De ringslangplatstaart heeft het grootste verspreidingsgebied van alle soorten platstaarten uit het geslacht Laticauda.[3]

De soort komt voor in delen van zuidelijk en zuidoostelijk Azië, langs de kust van de Indische Oceaan aan de kust van China (Taiwan) India, Indonesië, Nieuw-Guinea, Maleisië, Myanmar (= Birma), Oost-Timor, Sri Lanka en Vietnam. Daarnaast is de slang te vinden op de eilandengroepen Andamanen, Melanesië, Nicobaren, Polynesië, Vanuatu en de Salomonseilanden. In Japan is de slang aangetroffen op de Riukiu-eilanden. Daarnaast is de slang te vinden in delen van kustgebieden van Midden-Amerika en zuidelijk Noord-Amerika in de landen El Salvador, Mexico en Nicaragua. Tenslotte komt de slang ook voor langs de kust van Australië (in de staten Nieuw-Zuid-Wales en Queensland), Nieuw-Zeeland, de Fiji-eilanden en Nieuw-Caledonië.[3]

Het is een bewoner van tropische wateren, meer specifiek mangroven en op koraalriffen in kuststreken van tropische gebieden. Op open zee wordt de slang alleen migrerend aangetroffen.[6] De ringslangplatstaart is op sommige eilanden zeer talrijk en kan onder vrijwel ieder object op de bodem worden aangetroffen. Vaak worden planten, koraal en rotsspleten als schuilplaats gebruikt. De slang kan landinwaarts tot op een hoogte van veertig meter boven zeeniveau worden gevonden.

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

De ringslangplatstaart heeft een typisch slangachtig lichaam met een afgeronde kop en een taps toelopende, maar naar het einde verbrede staart. De lichaamskleuren zijn opvallend, maar komen ook bij andere soorten platstaarten voor.

Kop[bewerken]

De kop is afgerond en heeft een overwegend zwarte kleur maar er is een maskerachtige gele tekening aanwezig; delen van de voorzijde van de kop zijn geel van kleur. De bovenzijde van de kop is voornamelijk zwart; de gele kleur loopt aan de dorsale zijde van de snuitpunt aan de voorzijde tot aan de voorzijde van de frontaalschub. De onderzijde van de kop is zwart en ook is er een zwarte oogstreep aanwezig die loopt van het oog tot in de nek.

Net als andere slangen is het patroon, de vorm en de aantallen van de schubben op het lichaam uniek voor de soort. Vooral de schubben aan de kop verschillen per soort wat betreft de configuratie en hebben ook bijna allemaal een aparte naam.

Aan de bovenzijde van de kop is de frontaalschub gelegen, dit is de grootste schub van de kop en bedekt het grootste deel van de bovenzijde van de kop. Achter de frontale schub zijn twee grote parietale schubben gelegen, die een niervormige contour hebben.

De ogen zijn rond van vorm en van gemiddelde grootte, de pupil is rond. Aan de bovenzijde van het oog is een grote schub aanwezig, de supraoculaire (supra = boven, oculair = oog) schub. Voor het oog is een enkele preoculaire (pre = voor) schub gelegen, veel slangen hebben meer van deze schubben. Achter het oog zijn twee postoculaire (post = achter) schubben gepositioneerd.

De neusgaten zijn aan de zijkant van de kop gepositioneerd. De neusgaten hebben een soort ventielachtig klepje zodat zeewater niet zomaar binnen kan dringen. Ieder neusgat is gelegen in een nasaalschub. Tussen de nasaalschubben aan weerszijden van de kop zijn twee internasaalschubben (inter = tussen) aanwezig. Achter de internasalen is vaak een ongedeelde schub gelegen. Dit is een verschil met de kop van gewone platstaart (Laticauda laticaudata), die nooit een dergelijke 'extra' schub heeft.[7]

Het lichaam is cilindrisch en de kop is afgeplat.

De rostraalschub (rostrum = snuit) is de voorste schub van de bovenkaak, de schub is precies boven de mondopening gelegen. De rostraalschub is ongedeeld en bestaat uit een enkele plaat. De rostraalschub is bij deze soort hoger dan breed. Aan de onderkaak is de mentale schub aanwezig aan de voorzijde. Achter het rostrum (aan de bovenzijde ) zijn de bovenlipschubben of supralabiaalschubben gelegen. De derde en vierde supralabiaalschub vormen een deel van de rand om het oog. De ringslangplatstaart heeft zeven tot acht supralabialen. De schubben aan de onderste mondrand worden de onderlipschubben of infralabiaalschubben genoemd, dit zijn er altijd vijf.

Een belangrijke aanpassing van de kop zijn twee zoutklieren die dienen om overtollig zout af te voeren. Deze zoutklieren zijn onder de tong van de slang gelegen.[8] De tong is gevorkt en wordt gebruikt om geurdeeltjes te analyseren. Zo kan de slang zijn prooien waarnemen maar ook exemplaren van het andere geslacht worden met de goed ontwikkelde reukzin opgespoord tijdens de voortplantingstijd.

Lichaam[bewerken]

De ringslangplatstaart heeft een vrijwel cilindrisch lichaam dat in doorsnede vrijwel rond is. Dit in tegenstelling tot de meeste slangen, die een duidelijk afgeplat lichaam hebben.

De huid van deze slang is grijsblauw met zwarte dwarsbanden. De dwarsbanden worden nauwer naar de buikzijde toe en lopen vaak door over de buikzijde. Sommige banden of zelfs alle banden kunnen aan de buikzijde ook onderbroken zijn. De huid heeft nooit een zig-zag patroon van banden zoals bij andere slangen bekend is. De kleur van de buikzijde is verder geelachtig van kleur.

De mannetjes bereiken een totale lichaamslengte tot 87 centimeter waarvan zo'n 13 cm bestaat uit de staart. De vrouwtjes worden aanzienlijk groter tot 1,42 meter waarvan ongeveer 14,5 cm bestaat uit de staart. Uitschieters kunnen nog langer worden tot twee meter en het allerlangste exemplaar had een lengte van 3,6 meter.[6] Mannetjes wegen ongeveer 600 gram, de vrouwtjes kunnen drie keer zo zwaar worden tot 1800 gram.

De slang heeft meerdere rijen schubben aan de rug, de dorsale schubben, en een enkele rij schubben aan de buik, de ventrale schubben. Op het midden van het lichaam zijn 21 tot 23 dorsale schubbenrijen in de lengte gelegen, heel zelden zijn het 25 rijen. De gewone platstaart (Laticada laticaudata) heeft een vast aantal van negentien rijen en is hieraan te onderscheiden.[9] De dorsale schubben van de slang zijn glad, ze dragen geen kielen. De schubben overlappen elkaar deels zodat ze een stevig pantser vormen.
De buikschubben aan de onderzijde van het lichaam zijn een derde tot meer dan de helft van de breedte van het lichaam, dit is relatief breed in vergelijking met andere soorten. Ze zijn rechthoekig van vorm en vier keer zo breed als lang. De ringslangplatstaart heeft 213 tot 243 buikschubben, van de keel tot aan de cloaca waar de staart begint.

Staart en cloaca[bewerken]

De staart is afgeplat en zwart van kleur, op het gele uiteinde na.

De slang heeft een afgeplatte, peddelvormige staart. De staart wordt gebruikt om het lichaam voort te stuwen en dient ook om de bewegingsrichting te bepalen, het is dus een soort roer. De staart is geheel zwart op het uiteinde na, hier is een gele band aanwezig. Omdat ook de voorzijde van de kop geel is lijken de kop en staart op elkaar. Dit is geen toeval; de staartpunt wordt namelijk gebruikt om vijanden te misleiden, zie ook onder het kopje vijanden en verdediging.

Vanaf de bovenzijde is het moeilijk te zien waar het lichaam ophoudt en de staart begint, maar aan de onderzijde is dit makkelijk af te lezen aan de positie van de cloaca. De cloaca is een lichaamsopening die gebruikt wordt voor de paring en ook om zich te ontlasten. De cloacaopening wordt beschermd door een plaat die de anaalplaat wordt genoemd. Bij de ringslangplatstaart is de anaalplaat gespleten en bestaat dus uit twee delen. Achter de cloaca zijn de caudale schubben gelegen, de schubben aan de onderzijde van de staart. Bij de mannetjes is er een rij van 37 tot 47 schubben aanwezig en bij de vrouwtjes zijn dit er 29 tot 35.[9]

Mannetjes hebben net als andere slangen een hemipenis die gevorkt is zodat de slang aan beide zijden contact kan maken met de cloaca van het vrouwtje. De hemipenis van de ringslangplatstaart is aan het uiteinde gevorkt. De penis is bezet met kleine, korte en langere stekeltjes die dienen om de penis te ankeren tijdens de eigenlijke copulatie. De basis van de penis bevat langere en dunnere stekels dan het uiteinde en de stekels zijn bovendien verder uit elkaar gelegen. Aan het uiteinde van de hemipenis zijn de stekels relatief kort en dik en daarnaast ook talrijker.[9]

Onderscheid met andere soorten[bewerken]

De geringde slangaal imiteert de ringslangplatstaart.

De ringslangplatstaart is met name te verwarren met soorten uit het geslacht platstaarten, waartoe de slang zelf ook behoort. Van alle platstaarten is de ringslangplatstaart de grootste soort. Veel andere soorten hebben een veel kleiner verspreidingsgebied, zoals Laticauda guineai, die alleen in het uiterste zuidwesten van de kust van Papoea-Nieuw-Guinea voorkomt. De soort Laticauda crockeri wordt exclusief gevonden op de Salomonseilanden, en dan alleen op het eiland Rennell. Laticauda saintgironsi komt voor op Nieuw-Caledonië en de nabij gelegen Loyaliteitseilanden. Deze laatste soort is daarnaast duidelijk te herkennen aan de gele tot oranjerode lichaamskleur in plaats van grijsblauw zoals bij veel andere soorten voorkomt.
De ringslangplatstaart is ook de grootste soort, de gewone platstaart (Laticauda laticaudata) bereikt een totale lengte van 91 tot 107 cm. Exemplaren van Laticauda crockeri blijven met 61 tot 79 cm nog aanzienlijk kleiner.

Sommige zeeslangen hebben ook een blauw-wit met zwarte bandering op het lichaam, zoals soorten uit het geslacht roerstaartzeeslangen (Hydrophis). Deze soorten zijn gemakkelijk te onderscheiden doordat de rij buikschubben ongeveer net zo breed is als de rijen dorsale schubben.
De wrattenslang Acrochordus granulatus lijkt enigszins op de ringslangplatstaart vanwege de zwarte strepen op het lichaam.[10] Deze slang heeft echter eerder een zig-zagtekening dan een bandering.
Ook de geringde slangaal, die tot de palingachtigen behoort, lijkt door het langgerekte lichaam en de duidelijke zwart-witte banden sterk op een slang uit het geslacht van de platstaarten. Deze vis heeft echter een duidelijke kam over de gehele bovenzijde die bij in zee levende slangen nooit voorkomt.

Levenswijze[bewerken]

De ringslangplatstaart is een zeebewoner die vaak op het land komt.

De slang is zowel overdag als 's nachts actief,[7] maar foerageert meestal 's nachts. De ringslangplatstaart heeft een amfibische levenswijze; de slang leeft deels op het land en deels in de zee.

Hoewel de slang niet vaak klimt, kan het dier ook in bomen worden aangetroffen. De ringslangplatstaart komt op het land vaak voor op dezelfde stranden als de gewone platstaart (Laticauda laticaudata).[3] Geschat wordt dat de slang zo'n 50 procent van zijn tijd op het land doorbrengt.
De slang is een goede zwemmer, door het lichaam te kronkelen komt de slang vooruit, de staartpunt wordt bij het zwemmen gebruikt bij de voortstuwing en als roer. In de zee schuilt en jaagt de slang vaak in koraalriffen en kusten met mangrovebossen tussen de koralen en planten. Op het land kruipt de slang op eenzelfde manier als andere slangen. Als de ondergrond bestaat uit los materiaal, waar de slang moeilijk grip op krijgt, kan de ringslangplatstaart zich op voortbewegen door te side-winden, zoals bekend is van woestijnbewonende slangen.[6]

De ringslangplatstaart is eierleggend en zowel de eigenlijke paring als de afzet van de eieren vinden plaats op het land. Ook om te drinken moeten de slangen het land betreden. De platstaarten uit het geslacht Laticauda hebben wel zoutafscheidende klieren maar zijn niet in staat om voldoende zout uit zeewater te halen zodat het als drinkwater kan worden gebruikt. De slang neemt overdag vaak een zonnebad door op rotsen, stranden of op mangroven te kruipen.[5] Een andere reden waarom de slang het land betreed is om te vervellen.[8] Voorafgaand aan de vervelling is de slang kwetsbaarder omdat het gezichtsvermogen vermindert. Het dier zoekt daarom een beschutte plaats op op het land tot na de vervelling.

De slang brengt ongeveer de helft van zijn tijd door in de zee. Hier wordt naar voedsel gezocht en ook migreert de slang jaarlijks van het voedselgebied naar de voortplantingswateren, en weer terug.

Voedsel en jacht[bewerken]

De slang zoekt zijn voedsel tussen koralen in de zee.

Het voedsel bestaat uit in het water levende gewervelde dieren. De slang eet alleen vissen en de prooi bestaat vrijwel altijd uit palingachtigen (Anguilliformes). Aangezien de slang in de zee leeft worden alleen zeebewonende palingen gegeten, zoals soorten uit de familie van de murenen (Muraenidae), zeepalingen (Congridae) en slangalen (Ophichthidae) en niet de bekendere zoetwaterpaling.

Uit onderzoek naar de maaginhoud van de slang blijkt dat een klein deel van het voedsel bestaat uit andere vissen, zoals hagedisvissen (familie Synodontidae) en koraaljuffertjes (familie Pomacentridae).[6]

De prooi wordt in het water opgespoord en vervolgens met de bek gegrepen waarbij gif wordt geïnjecteerd door de giftanden. Vaak wacht de slang met de paling in zijn bek tot de prooi verdoofd is en verstijft. Het komt ook wel voor dat de slang zijn prooi laat gaan en het lijk korte tijd later opspoort als het gif zijn werk heeft gedaan. Vermoed wordt dat de grotere prooien eerst aan land worden gebracht waarna ze worden opgegeten.[10] De prooi wordt altijd in één keer doorgeslikt.

Een foeragerende ringslangplatstaart kan worden aangetroffen tot een diepte tot 150 meter onder het wateroppervlak. Veel exemplaren duiken echter nooit dieper dan 60 meter en de meeste dieren komen niet verder dan 20 meter.[7] Het zijn vaak de grotere vrouwtjes die dieper kunnen duiken, hierdoor kunnen ze ook de wat grotere palingen buitmaken zoals congeralen. Een bijkomend voordeel hiervan is dat de vrouwtjes hierdoor voedselconcurrentie met de mannetjes voorkomen; deze zijn kleiner en duiken minder diep zodat kleinere palingen worden gegeten zoals murenen. De slang kan ongeveer een half uur zonder atmosferische lucht, vaak wordt echter iedere vijf minuten het wateroppervlak opgezocht om te ademen.[10] Een aanpassing op het vele duiken is de sacculaire long; dit is een verlengd deel van de long dat dient om meer lucht op te slaan in het lichaam tijdens het duiken. Hierdoor kan de slang langer onder water blijven.

De ringslangplatstaart leeft op sommige eilanden vaak samen met de Laticauda crockeri op het eiland Rennell, behorend tot de Salomonseilanden. De twee slangen hebben een andere voedselkeuze; de ringslangplatstaart leeft van palingen terwijl Laticauda crockeri voornamelijk slaapgrondels (familie Eleotridae) eet.[10]

Overdag neemt de slang een zonnebad op het land wat de spijsvertering bevordert. Daarnaast is de slang in het water erg langzaam nadat een prooidier is opgegeten. Het dier is dan kwetsbaar voor vijanden en schuilt op het land tot het voedsel is verteerd.

Vijanden en verdediging[bewerken]

De staartpunt (onder) lijkt enigszins op de kop wat ter verdediging wordt gebruikt.

Belangrijke vijanden zijn haaien en sommige vogels. Veel haaien mijden de slang liever, maar van de tijgerhaai (Galeocerdo cuvier) is bekend dat deze regelmatig slangen eet, waaronder deze soort.

Roofvogels waarvan bekend is dat ze regelmatig een ringslangplatstaart eten zijn de Brahmaanse wouw (Haliastur indus) en de witbuikzeearend (Haliaeetus leucogaster). Kleinere exemplaren van de slang worden soms buitgemaakt door zwemkrabben (familie Portunidae), die de slang met hun scharen doden. De belangrijkste verdediging van de ringslangplatstaart is de opvallende kleur, die aangeeft dat de slang gevaarlijk of onsmakelijk is. Een dergelijke afschrikwekkende kleur wordt wel een aposematische kleuring genoemd.

Met name tijdens het zoeken naar voedsel is de slang kwetsbaar voor aanvallen van haaien, omdat de kop dan tussen de koralen zit en de staart aan de achterzijde zichtbaar is. De ringslangplatstaart heeft een staartuiteinde die wat lijkt op de kop; de staart is zwart met een gele band. De staart kan ook wat gedraaid worden zodat deze minder plat lijkt. Hierdoor lijkt de staartpunt op de kop van de slang. Predatoren vallen liever de kwetsbare staart aan om een beet te voorkomen, en raken hierdoor verward. Als de slang al zwemmend een vijand ziet naderen wordt een complexer gedrag vertoond; de slang zwemt dan achteruit terwijl de kop stil wordt gehouden en de staartpunt heen- en weer wordt bewogen. Ook dit gedrag dient om verwarring te veroorzaken bij vijanden. Een dergelijke aanpassing waarbij een lichaamsdeel op een ander lichaamsdeel lijkt, wordt wel mimicry genoemd. Mimicry is ook bekend van andere slangen en hagedissen maar komt meestal voor bij niet-giftige soorten die giftige soorten imiteren om vijanden te misleiden. Bij giftige soorten komt mimicry minder vaak voor.[11]

Parasieten[bewerken]

Naast directe vijanden heeft de ringslangplatstaart ook te lijden van verschillende parasieten. De meeste parasieten die op of in de slang worden gevonden zijn mariene soorten, maar ook typische landbewoners kunnen zich manifesteren op de slang.[12]

Ook teken die op het land leven worden aangetroffen op de huid van de slang. Bij exemplaren die in het noorden werden aangetroffen bleek dat ze geïnfesteerd waren door vele teken. Het is niet bekend hoe de teken, die tot de landbewonende spinachtigen behoren, kunnen ademen als de slang zich onder water bevindt.[12]

In de slang zijn verschillende endoparasieten aangetroffen, dit zijn parasieten die binnenin het lichaam leven en niet op de huid. Vooral parasitaire mijten werden aangetroffen, deze nestelen zich in de luchtpijp en de longzak van de slang. Daarnaast werden andere parasieten gevonden zoals nematoden, zuigwormen en lintwormen.[6]

Beet en giftigheid[bewerken]

De ringslangplatstaart is niet agressief en bijt zelden. Alleen als het dier wordt aangevallen of opgepakt vertoont het agressief gedrag. Bij een beet wordt slechts een kleine hoeveelheid gif ingespoten.[5] De slang draagt echter een zeer potent vergif dat fataal kan zijn voor mensen. Van de ringslangplatstaart zijn nog geen geregistreerde dodelijke gevallen bekend bij mensen. Het tegengif van deze slang werd in de jaren zestig alleen in het Duitse Naturmuseum Senckenberg bewaard.[2]

Voortplanting en ontwikkeling[bewerken]

Om te paren en de eieren af te zetten moet de slang het land betreden.

Vanwege het grote verspreidingsgebied verschilt de duur van de voortplantingstijd. In de Filipijnen kunnen de slangen zich het gehele jaar door voortplanten. In andere delen echter, zoals op Fiji planten de slangen zich alleen voort in het natte seizoen van september tot december.

De slangen trekken naar de kust om te paren en de eieren af te zetten. Ze verzamelen zich in de diepere wateren buiten de kust, soms in grote aantallen. De mannetjes trekken eerst naar de ondiepe kustwateren van de voortplantingswateren, waar ze de vrouwtjes opwachten. Een passerend vrouwtje wordt het hof gemaakt door het mannetje, hij achtervolgt haar en wrijft met zijn kop over haar rug. Vaak zijn er meerdere mannetjes die een vrouwtje achterna zitten. Als er één succesvol is, druipen de andere mannetjes af en gaan op zoek naar een ander vrouwtje. De mannetjes vechten nooit met elkaar, in tegenstelling tot veel andere slangen waarbij de mannetjes elkaar juist fel bestrijden.

De mannetjes en vrouwtjes komen aan land om te paren. De slang kan op enige afstand van het water worden aangetroffen. De slang schuilt hierbij onder rotsen, in spleten, onder houtblokken of droog koraal en in holtes onder de grond. Het land wordt ook betreden om van de ene naar de andere toegang tot de zee te trekken, waarbij grote afstanden kunnen worden afgelegd. De meeste exemplaren die op het land verblijven trekken naar andere wateren. Op het land vertoevende exemplaren zijn schuw en jagen nooit op prooien.[5]

De ringslangplatstaart is een eierleggende soort, per jaar worden gemiddeld zes tot achttien eieren afgezet.[10] Het aantal eieren verschilt echter per regio; in Fiji worden ongeveer vier tot tien eieren per legsel afgezet en in Nieuw-Caledonië varieert het aantal van veertien tot twintig.[6]

De eieren worden op het land afgezet in rotsspleten boven de vloedlijn zodat ze niet overstromen. In dergelijke holtes is de temperatuur constant en is het permanent vochtig wat belangrijk is voor de ontwikkeling van de eieren. Vaak gebruiken meerdere vrouwtjes dezelfde holte en dergelijke holten bevatten meestal ook eierschalen van voorgaande jaren.[10]

Na ongeveer 16 tot 20 weken komen de eieren uit en verschijnen de juvenielen. De jonge dieren lijken wat betreft lichaamsvorm en kleurpatroon al direct op de ouders, al zijn ze veel kleiner. De kleuren van de juvenielen zijn helderder en sterker afgegrensd dan die van volwassen dieren. De mannetjes zijn seksueel volwassen na anderhalf jaar en de vrouwtjes doen er gemiddeld iets langer over en zijn na twee jaar volwassen.[8]

Relatie tot de mens[bewerken]

De slang kan worden aangetroffen op het strand.

De slang wordt bedreigd door menselijke activiteiten, zoals het kappen van bossen en vervuiling van het milieu. Een mogelijke bedreiging is klimaatverandering, dat onder andere leidt tot verdroging. De slang is afhankelijk van zoet of hooguit zeer licht brak water om te drinken. Klimaatverandering kan ook leiden tot de afbraak van koraalriffen, wat het foerageergebied is van de ringslangplatstaart.[1]

Een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de populaties is het vangen van de slangen voor consumptie. In de handel in exotische dieren is de slang nooit populair geweest omdat het dier in gevangenschap niet in leven te houden is. Het vlees wordt gegeten en de huid wordt verwerkt tot slangenleer. Met name in Japan was slangenleer afkomstig van 'zeeslangen' vroeger erg populair. In Aziatische landen worden ook de eieren van de slang verzameld voor consumptie. Organen zoals de galblaas worden door de lokale bevolking gezien als heilzaam, het eten ervan zou onder andere het gezichtsvermogen verbeteren. Op verschillende eilanden zijn de slangen in grote aantallen gedood voor het vlees, de huid en de organen.

De ringslangplatstaart is samen met andere in zee levende slangen een toppredator binnen het ecosysteem. De slang is populair bij duikers en speelt een belangrijke rol in het ecotoerisme van verschillende landen. De ringslangplatstaart is niet schuw en kan gemakkelijk worden benaderd. Het gif van slangen die behoren tot de koraalslangachtigen, waaronder deze soort, wordt onderzocht op mogelijke toepassingen in de geneeskunde.

Externe links[bewerken]

Bronvermelding[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
Referenties
  1. a b (en) Ringslangplatstaart op de IUCN Red List of Threatened Species.
  2. a b Bernhard Grzimek, Het Leven Der Dieren Deel VI: Reptielen, Kindler Verlag AG, 1971, Pagina 523 ISBN 90 274 8626 3.
  3. a b c d Peter Uetz & Jakob Hallermann. The Reptile Database - Laticauda colubrina
  4. a b Snakes of Taiwan. Laticauda colubrina
  5. a b c d John Marais, Fascinerende slangen, R&B, Lisse, 1995, Pagina 140 ISBN 90 396 0175 5.
  6. a b c d e f Animal Diversity Web. Laticauda colubrina
  7. a b c Alan E. Leviton, Guinevere O.U. Wogan, Michelle S. Koo, George R. Zug, Rhonda S. Lucas en Jens V. Vindum. The Dangerously Venomous Snakes of Myanmar
  8. a b c Arkive. Laticauda colubrina
  9. a b c M A Smith. Fauna of British India. Reptilia and Amphibia
  10. a b c d e f David Alderton, Valerie Davis & Chris Mattison, Snakes and Reptiles of the World, Grange Books, 2007, 2007, Pagina 444 ISBN 978-1-84013-919-8.
  11. Science Daily. Venomous Sea Snakes Play Heads Or Tails With Their Predators
  12. a b Tropical Research and Conservation Centre. Sea Snake Parasites
Bronnen
  • (en) - Peter Uetz & Jakob Hallermann - The Reptile Database – Laticauda colubrina - Website Geconsulteerd 16 januari 2015
  • (nl) - David Burnie (2001) - Animals, Dorling Kindersley Limited, London. ISBN 90-18-01564-4 (naar het Nederlands vertaald door Jaap Bouwman en Henk J. Nieuwenkamp).
  • (nl) - Bernhard Grzimek - Het leven der dieren deel VI: Reptielen - Pagina 523 - Kindler Verlag AG - 1971 - ISBN 90 274 8626 3
  • (nl) - John Marais - Fascinerende slangen (1995) – Pagina 140 - R&B, Lisse - ISBN 90 396 0175 5
  • (en) - David Alderton, Valerie Davis & Chris Mattison - Snakes and Reptiles of the World - Yellow-lipped sea krait - Jaar: 2007 - Pagina 444 - Grange Books - ISBN 978-1-84013-919-8
  • (en) - Animal Diversity Web - Laticauda colubrina - Website
  • (en) - Arkive – Laticauda colubrinaWebsite