Mosasauridae

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Mosasauridae
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Fossiel voorkomen: Laat-Krijt
Hainosaurus
Hainosaurus
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Orde: Squamata (Schubreptielen)
Onderorde: Lacertilia (Hagedissen)
Familie
Mosasauridae
Gervais, 1853
Tylosaurus
Tylosaurus
Mosasauridae op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Reptielen

De Mosasauridae, ook wel maashagedissen genoemd, zijn een familie van uitgestorven zeereptielen uit de orde schubreptielen (Squamata). De familie dankt zijn naam aan de rivier de Maas (Latijn: Mosa), aangezien in de kalksteengroeven nabij Maastricht in 1766 de eerste fossielen van mosasauriërs werden gevonden.

Inhoud

Anatomie en morfologie [bewerken]

Alle leden van de familie volgden hetzelfde bouwplan: een slank lichaam dat overging in een lange staart met een vin en zijdelings vier flippers. De mosasauriërs bewogen zich voort met behulp van bewegingen van de staart en stuurden met de flippers. Het waren veelal grote en waarschijnlijk krachtige roofdieren. Van enkele exemplaren is alleen de kop al zo'n drie meter lang en daarmee behoren ze tot de grootste dieren die ooit hebben geleefd. Sommige mosasauriërs hadden een extra rij tanden in hun gehemelte, waarmee ze waarschijnlijk prooi vasthielden terwijl de kaken voorwaarts bewogen om de prooi door te slikken. De schedelvorm van de mosasauriërs wijst op een verwantschap met de varanen. De kleinst bekende mosasauriër is Carinodens belgicus, die ongeveer drie meter lang was en zich vermoedelijk voedde met schelpdieren en ammonieten. Hainosaurus was met een lengte tot 17,5 meter en een mogelijk gewicht van 20 ton de grootste van de mosasauriërs.

De nieuwe reconstructie [bewerken]

Skelet-reconstructie van Platecarpus, waarin de nieuwe houding van de staart duidelijk zichtbaar is.

Vroeger werd altijd gedacht dat mosasauriërs peddels aan hun staart bezaten, maar nieuw bewijs lijkt aan te tonen dat de mosasauriërs net als de ichthyosauriërs en de metriorhynchiden een soort staartvin te hebben. De staartbotten aan het einde van de staart buigen hierbij naar beneden, waardoor er boven deze botten een ruimte vrijkomt voor een dikke huidflap om weerstand te bieden in het water. Hierdoor kan het dier sneller voortbewegen als het de staart heen en weer beweegt in het water. Sommige dieren als haaien gebruiken hierbij een slangachtige beweging, waarbij het hele lichaam meekronkelt. De mosasauriërs hielden hun lichaam, en waarschijnlijk ook de staart, vrij stijf en zwiepten de laatste vermoedelijk continu rustig heen en weer om naar de bodem zinken te voorkomen en zo toch vrij stil in het water te hangen, voor een eventuele hinderlaag. Als een nietsvermoedende prooi langskwam schoten zij waarschijnlijk met een paar krachtige slagen van de staart snel naar voren om de prooi niet de kans te geven te vluchten.

Warmbloedigheid [bewerken]

Eerst werd er aangenomen dat mariene reptielen zoals ichthyosauriërs, plesiosauriërs en ook mosasauriërs koudbloedig waren. Na een onderzoek van Laboratoire PaléoEnvironnements et PaléobioSphère aan de universiteit van Lyon in samenwerking met Muséum National d'Histoire Naturelle and the École Normale Supérieure door naar de tanden te kijken van alle drie de geslachten van mariene reptielen zag men bepaalde groefjes die endothermie (warmbloedigheid) aanduiden. Uit het onderzoek kwam ook tevoorschijn dat mosasauriërs in een primitiever stadium van endothermie verkeerden dan ichthyosauriërs en plesiosauriërs. Het onderzoek werd op 11 juni 2010 in het wetenschappelijke tijdschrift Science gepubliceerd.

Voeding [bewerken]

Vrijwel alle andere zeedieren konden ten prooi vallen aan grote mosasauriërs als Hainosaurus en Tylosaurus: allerlei vissen waaronder ook de haaien en de grote roofvis Xiphactinus, zeevogels zoals Hesperornis, andere zeereptielen zoals Elasmosaurus en zelfs andere mosasauriërs.

Andere geslachten als Globidens, Carinodens en Prognathodon hadden ronde en stompe tanden waarmee ze waarschijnlijk de schalen van schaaldieren en schelpdieren kraakten.

Evolutie [bewerken]

Reconstructie van Dallasaurus.

De mosasuriërs zijn in de loop van het Krijt ontstaan uit hagedisachtige voorouders, vermoedelijk de voorouders van de moderne varanen. In november 2005 werd de vondst van een tussenvorm tussen de meer basale oervaranen en de mosasauriërs bekendgemaakt. Deze "missing link" kreeg de naam Dallasaurus, naar de Amerikaanse stad Dallas waar het fossiel was gevonden. Door het uitsterven van verschillende grote zeereptielen zoals de ichthyosauriërs en de meeste pliosauriërs zoals Kronosaurus en Liopleurodon in de eerste helft van het Krijt, lagen verschillende niches open in de mariene ecosystemen. Het waren vooral de mosasauriërs die hun kans grepen en tegen het einde van het Krijt waren deze reptielen de belangrijkste zeeroofdieren. Alle mosasauriërs stierven 65 miljoen jaar geleden uit in de uitstervingsgolf die ook het einde van de dinosauriërs betekende.

Vondsten [bewerken]

Fossielen van mosasauriërs zijn over de gehele wereld gevonden: Nederland, België, Zweden, Marokko, Libanon, Australië, Nieuw-Zeeland, Vega Island nabij Antarctica, Centraal-Amerika, Canada en de VS.

Taxonomie [bewerken]

Mosasauridae incerta sedis

Een stamboom van de Mosasauridae van Bell en Polcyn, 2005:

Mosasauroidea 
 Aigialosauridae 

Aigialosaurus dalmaticus



 Mosasauridae 
 Mosasaurinae

Dallasaurus turneri





Clidastes KU-liodontus



Clidastes YP-liodontus





Clidastes moorevillensis




Clidastes novum sp.




Clidastes propython






Globidens alabamaensis



Globidens dakotensis





Prognathodon overtoni




Plesiotylosaurus crassidens



Prognathodon rapax







Mosasaurus conodon




Mosasaurus missouriensis





Mosasaurus indet.



Mosasaurus maximus





Plotosaurus bensoni



Plotosaurus tuckeri














Haasiasaurus gittelmani



 Halisauromorpha 

Trieste aigialosaur





Halisaurus novum sp.



Halisaurus platyspondylus





Halisaurus sternbergi



Halisaurus cf. sternbergi





 Russellosaurina 




Ectenosaurus clidastoides



Ectenosaurus YPcomposit





Platecarpus planifrons




Angolasaurus bocagei




Platecarpus 600tympaniticus




Platecarpus 8769tympaniticus




Plioplatecarpus AMNH sp.



Plioplatecarpus RMM sp.










Tylosaurus novum sp.




Tylosaurus nepaeolicus



Tylosaurus proriger







Tethysaurus nopcsai




Yaguarasaurus columbianus



Russellosaurus coheni









Ontdekkingsgeschiedenis [bewerken]

De fossielen van mosasauriden behoren niet tot de allereerste die aan vroegmoderne Europese verzamelingen werden toegevoegd, maar een aantal spectaculaire vondsten juist op het moment dat tijdens de Verlichting het besef begon door te dringen dat de Aarde in vroegere perioden door geheel andere leefgemeenschappen bevolkt werd, maakte dat ze een centrale rol speelden in de vroege filosofische en natuurhistorische discussies over uitsterven en evolutie. In 1766 werden in de Sint Pietersberg bij Maastricht schedeldelen gevonden van Mosasaurus die nu nog tot de verzameling behoren van het Teylers Museum te Haarlem. Tussen 1770 en 1774 werd een tweede schedel geborgen die veel sterker de aandacht trok. In 1794 voerde het revolutionaire Franse leger die als oorlogsbuit van Maastricht naar Parijs. Terwijl eerder nog gedacht werd dat het ging om een krokodil, vis of walvis, begreep in 1799 Adriaan Gilles Camper als eerste dat het een reusachtige uitgestorven hagedis betrof, een verwant van de varaan. Zijn hypothese werd overgenomen door Georges Cuvier die haar een deel maakte van een algemeen model voor het uitsterven van hele faunae, het catastrofisme. Camper was ook de eerste die opmerkte dat er, gezien de verschillen in de gevonden fossielen, een tweede soort van dit type dieren in de lagen van Maastricht aanwezig moest zijn.

Mosasaurus kreeg pas in 1822 zijn naam, toen het geslacht benoemd werd door William Conybeare.[1] In 1853 werd de familie Mosasauridae benoemd door Paul Gervais.[2]

Al vroeg werden er ook buiten Europa vondsten van mosasauriden gedaan. Rond 1829 werd door majoor Benjamin O'Fallon in South Dakota bij Fort Lookout een exemplaar gevonden van wat later Mosasaurus missouriensis zou heten. Deze eerste Amerikaanse ontdekking werd naar Bonn overgebracht nadat het fossiel door prins Maximiliaan van Wied gekocht was.

In het begin van de negentiende eeuw werd Mosasaurus als een landbewonende hagedis gezien die zich op normale poten voortbewoog. Pas in 1854 begreep Hermann Schlegel dat de mosasauriden zeedieren waren die voorzien waren van vinnen.

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd een groot aantal vondsten van mosasauriden gedaan in de Verenigde Staten van Amerika. Duizenden exemplaren werden opgegraven, op basis waarvan onder anderen Edward Drinker Cope en Othniel Charles Marsh vele geslachten en soorten benoemden waaronder Clidastes, Platecarpus, Halisaurus en Tylosaurus. De bouw van de diergroep werd zo veel beter bekend. Iets latere Amerikaanse vondsten waren Ectenosaurus, Prognathodon en Globidens. De strata van de oorspronkelijke vondsten in de Lage Landen bleven echter fossielen opleveren die wel niet zo talrijk waren als die uit de Nieuwe Wereld maar toch belangrijke nieuwe soorten vertegenwoordigden. Louis Dollo kon zo rond de eeuwwisseling Hainosaurus, Plioplatecarpus en Compressidens (later hernoemd tot Carinodens) benoemen.

Externe links [bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Literatuur

  • Gould, S. J., & Andrews, P., & Benton, M., & Janis, C., & Sepkoski Jr., J. J., & Stringer, C. (1993) Verslag van het leven. Evolutie als aangrijpend drama van selectie, overleven en uitsterven. Schuyt & Co, Haarlem. ISBN 9060973453
  • Czerkas, S. J., & Czerkas, S. A. (1990). De oerwereld van de dinosauriërs. Tirion, Baarn. ISBN 90-5121-448-0
  • Colagrande, J. (2000). In het spoor van de dinosaurussen. TIME-LIFE boeken. ISBN 9053900292
  • Malam, J., & Parker, S (2003). Dinosaurussen en andere prehistorische dieren. Parragon. ISBN 1405413158
  • Palmer, D.,& Cox, B.,& Gardiner, B.,& Harrison, C.,& Savage, R. J. G. (2000). De geïlustreerde encyclopedie van dinosauriërs en prehistorische dieren. Köneman, Keulen. ISBN 3 8290 6747 X
  • Parker, S. (2005). De complete gids over dinosauriërs. Veltman uitgevers, Utrecht. ISBN 9059204301
  • Benton, M. J. (2001). Cassel's atlas of evolution. Cassel & co, London. ISBN 0-304-35511-9
  • Palmer, D. (2006). Atlas van de prehistorische wereld. Uitgeverij Elmar, Rijswijk. ISBN 9789059471634 ISBN 9059471636
  • Palmer, D. (2009). Evolutie. Historisch panorama van het leven op aarde. Tirion natuur, Baarn. ISBN 978 90 5210 782 0
  • Everhart, M. (2009). Zeemonsters. Prehistorische wezens uit de diepte. National Geographic. ISBN 9059560612
  • Marven, N., & James, J. (2003). Zeemonsters. Predatoren uit de prehistorie. BBC books, Londen. ISBN 9789089270191
  • Haines, T., & Chambers, P. (2005). The complete guide to prehistoric life BBC books, Londen. ISBN 978 0 563 52219 5 10 9 8 7 6 5 4 3
  • Palmer, D., & Brasier, M., & Burnie, D., & Cleal, C., & Crane, P., & Thomas, B. A., & Buttler, C., & Cope, J. C. W., Owens, R. M., & Anderson, J., & Benson, R., & Brusatte, S., & Clack, J., & Dennis-Bryan, K., & Duffin, C., & Hone, D., & Johanson, Z., & Milner, A., & Naish, D., & Parsons, K., & Prothero, D., & Xing, X., & McNamara, K., & Coward, F., & Beatty, R. (2009) Prehistoric Life Dorling Kindersley, London. ISBN 978 0 7566 5573 0
  • Lambert, D., & Naish, D., & Wyse, E. (2002) Lexikon der Dinosaurier und anderer Tiere der Urzeit. Dorling Kindersley, München. ISBN 3-8310-0342-4
  • Werner, H. 1000 dinosaurier. NGV, Frankfurt. ISBN 978-3-625-11519-9

Noten

  1. Conybeare, W.D., 1822, "Fossil crocodiles and other saurian animals", in: Parkinson, J., Outlines of oryctology. An introduction to the study of fossil organic remains; especially those found in the British strata: intended to aid the student in his enquiries respecting the nature of fossils, and their connection with the formation of the earth 7. Printed for the author (Londen): 284-304
  2. P. Gervais, 1853, "Observations relatives aux Reptiles fossiles de France (deuxième partie)", Comptes Rendus de l'Académie des Sciences à Paris, 36(11): 470-474