Petrus Camper
Petrus Camper of Petrus van Campen (Leiden, 11 mei 1721 - Den Haag, 7 april 1789) was een Nederlandse arts, anatoom, fysioloog, verloskundige, zoöloog, antropoloog, paleontoloog in de tweede helft van de 18e eeuw.
Camper hield zich bezig met de techniek van het amputeren van ledematen. Zijn onderzoek naar de orang-oetans en de schedel van een walvis, zijn publicaties over de kop van een rinoceros en de zang van de kikker maakten hem in heel Europa beroemd. Goethe, noemde hem ein Meteor von Geist, Wissenschaft, Talent und Thätigkeit.[1] Hij werd als lid benoemd van de Franse Academie van Wetenschappen en de Engelse Royal Society. Camper won zoveel prijsvragen dat hem het verzoek werd gedaan niet langer mee te dingen. Hij was niet bepaald het prototype van een saaie studeerkamerprofessor. Camper was geïnteresseerd in architectuur, tekenen, wiskunde, meubelmaken en beeldhouwkunst. Hij leidde een bourgondisch leven en gaf meer dan eens blijk van een opvliegend karakter. Thomas Rosenboom gebruikte veel materiaal uit het leven van Camper voor zijn roman Gewassen vlees.
Inhoud |
[bewerken] Biografie
Camper was de zoon van een welgestelde predikant in Leiden. Zijn vader had fortuin gemaakt in Indië. Hij studeerde in zijn woonplaats en promoveerde op dezelfde dag in de filosofie en medicijnen. Op wijsgerig gebied is Camper, samen met Frans Hemsterhuis, een levenslange vriend, een vertegenwoordiger van de proefondervindelijke wijsbegeerte van Sir Isaac Newton, in Nederland verbreid door Willem Jacob 's Gravesande en Petrus van Musschenbroek. In 1748 maakte hij een studiereis naar London en Parijs. Camper werd in 1749 hoogleraar aan de universiteit van Franeker en kreeg als opdracht wijsbegeerte, anatomie en chirurgie te doceren. Hij trouwde met Johanna Bourboom, de rijke weduwe van een burgemeester uit Harlingen, voorheen zijn patiënt.[2] Camper kreeg ruzie met een collega over de rangorde in de academische stoet.[3]
[bewerken] Amsterdam
Camper vertrok naar het Athenaeum Illustre in Amsterdam (1755-1761), en betrok een pand in de Warmoesstraat. Hij deed onderzoek naar de oorzaak van liesbreuken, de knieschijf en de beste schoen. Een van zijn leerlingen was David van Gesscher. Camper zou per jaar 200 lijken, die hij van het Amsterdamse Binnengasthuis betrok, hebben ontleed om de doodsoorzaak vast te stellen.[4] Omdat zijn vrouw terug wilde, betrok hij opnieuw Klein-Lankum in Franeker. In zijn afscheidsrede deelde hij mede dat hij meer dan 50 lichamen in het openbaar had ontleed, waaronder een negerjongetje van twaalf jaar.
[bewerken] Groningen
In 1763 werd hij benoemd aan de universiteit in Groningen en doceerde fysiologie, verloskunde, farmacologie, chirurgie en gerechtelijke geneeskunde. Camper was een groot spreker en verluchtigde zijn colleges met eigen tekeningen. Het aantal afgestudeerde studenten nam snel toe. Een van zijn studenten was de patriot François Adriaan van der Kemp, die Camper raadpleegde toen hij last kreeg van zijn rug. Camper was de eerste die een chirurgische polikliniek opende. Hij was deskundig op het gebied van de bestrijding van de runderpest (vroeger ook wel veepest), die in 1768 op het platteland woedde. Camper werkte samen met Wouter van Doeveren en bouwde daarbij voort op de resultaten van Geert Reinders, die experimenteel onderzoek aan deze ziekte gedaan had.
[bewerken] Camper en de biologie
In 1773 nam Camper afscheid als hoogleraar in Groningen en deed thuis onderzoek naar de overeenkomsten in skeletten van gewervelden, zowel mens als dier, waarmee hij de basis legde van de zoölogie. In 1774 werd een olifant, afkomstig uit de stadhouderlijke menagerie per trekschuit naar Klein-Lankum vervoerd. In 1777 correspondeerde hij met David van Gesscher over het voordeel der Doorsneede van de Schaambeenderen, om, met behoud van het leven beide van moeder en kind, moeijelyk geklemde hoofden te redden: en de Keizerlyke sneede, of den haak, te vermyden en borstkanker.[5] In 1777 was Camper de eerste die de resten van een orang-oetang onderzocht, eveneens afkomstig uit de stadhouderlijke dierentuin.[6] [7] Nadat hij acht dieren had ontleed, publiceerde hij in 1782 zijn laatste verhandeling, een standaardwerk tot ver in de 19e eeuw. Camper was een scherp criticus van Linnaeus en Buffon vanwege de door hen veroorzaakte chaos in de naamgeving van de grote apen.[8] In 1787 deed hij onderzoek op twee schedels van de vrijwel uitgestorven Javaanse neushoorn.
Camper deed onderzoek naar antropologische kenmerken en vergelijkende anatomie.[9] In een geruchtmakende publicatie on der de titel Redevoering over den oorsprong en kleur der zwarten ... had Camper de traditionele opvatting dat de zwarte huidskleur van de neger een teken van inferioriteit was naar het rijk der fabelen verwezen.[10] De huidskleur van Adam en Eva kon niet worden vastgesteld.[11]
Petrus Campers had een belangrijk aandeel in het concept van de gelijkheid van Vertebrata en zijn grafische verbeelding maakte grote indruk op Denis Diderot en Johann Wolfgang Goethe. Hij bestreed de opvattingen en tekeningen van Bernhard Siegfried Albinus. Camper had grote invloed op het werk van Georges Cuvier en Louis-Jean-Marie Daubenton. Professor Samuel Thomas von Sömmerring kwam bij hem thuis op bezoek. Camper wordt een paar keren vermeld in Kants "Kritik der Urteilskraft" uit 1791.
[bewerken] Camper en de politiek
Camper werd bestuurlijk actief in 1762 als volmacht voor Idaarderadeel naar de Friese Staten. In 1776 kreeg hij ruzie met Carel George van Wassenaer Obdam over het herstel van de zeedijken, een kostbaar project naar zijn mening. In 1782 vertegenwoordigde hij Ferwerderadeel. In 1783 is hij benoemd tot burgemeester van Workum. Het stadje had destijds vier burgemeesters, die een keer per week vergaderden.[12] Vanwege zijn drukke werkzaamheden was Camper waarschijnlijk vaak absent, maar zeker aanwezig bij belangrijke benoemingen. Hij werd afgevaardigde naar de Admiraliteit van Friesland, een post die door onderlinge ruiling langer kon worden bezet dan de bedoeling.[1]
Camper was een exponent van het stadhouderlijk stelsel, heftig bekritiseerd onder stadhouder Willem V. In 1783 verzette Camper zich tegen de voorstellen van Court Lambertus van Beyma om de stadhouder niet langer voordrachten te zenden, en een roulatiesysteem op te zetten voor belangrijke functies in de Provinciale Staten en bij de Admiraliteit. In maart 1785, toen een omslag nabij leek, bleek hij samen met Charles Bigot voor het invoeren van meer democratie te zijn.[13] Hij stemde in het najaar voor het aan scherpen van de stadsregeringsreglementen, zodat niet-gereformeerden buiten de vroedschap konden worden gehouden en in september 1786 voor de beperking van censuur en vrijheid van vergadering.[14] In maart 1787 werd hij door de Gedeputeerde Lamoraal Rengers als onbetrouwbaar gekwalificeerd; Camper was volledig van mening veranderd.[15] In september 1787 liet hij zijn verzameling fossielen in veiligheid brengen. De mineralen, waaronder een meteoriet uit Siberië, liet hij waar ze waren. Na de Pruisische inval werd hij benoemd tot voorzitter van het Hof van Holland of de Raad van State en sprak de prins en de prinses een klein uur met warme woorden toe. Hij gaf te kennen dat gevaarlijke personen zouden moeten worden verbannen.[16] Petrus Camper was betrokken bij het opstellen van de Acte van Garantie in 1788.
[bewerken] Camper en de kunst
In 1747 tekende hij de neushoorn Clara. Als regelmatige bezoeker tekende Camper de twee olifanten "Hans en Parkie" in de menagerie van de stadhouder Willem V.[17] Camper kon goed overweg met timmergereedschap en de draaibank, een nuttige vaardigheid die hij ook als medicus inzette. Bovendien was hij actief als beeldhouwer. Al in een vroeg stadium maakte hij een reeks van terracotta modellen, beïnvloed door de theorieën van Johann Joachim Winckelmann. Rond 1780 nam hij les van Anthony Ziezenis en de Franse beeldhouwer Étienne-Maurice Falconet.[18] Camper is rond 1781 geportretteerd door Wilhelmina van Pruisen, nadat hij een van haar dochters met succes tegen de pokken had ingeënt.[19] In Amsterdam was hij beschermheer van de stadstekenacademie en hield evenals Cornelis Ploos van Amstel redevoeringen in Felix Meritis. Camper maakte tien tekeningen van hunebedden van groot documentair belang. Tijdens een verblijf in Düsseldorf ontmoette hij de schilder Adriaan de Lelie en raadde hem aan om zich in Amsterdam als portretschilder te vestigen.[20]
Sinds de oprichting van burgergenootschappen waren prijsvragen in iedere stad populair. Rond 1782 was hij de initiatiefnemer van een prijsvraag voor het ontwerp van het stadhuis van Groningen.[21] Ook de 17-jarige Bilderdijk deed mee.[22] Camper trad op als beoordelaar van de inzendingen. De winnaar werd Jacob Otten Husly.
Aan het eind van zijn leven kreeg hij pleuritis. Camper dronk een stevig glas champagne en stierf.[23] Hij werd in Leiden in de Pieterskerk begraven. Zijn zoon schreef in 1791 een levensschets. Die gaf in 1803 het werk van zijn vader in Parijs uit. In 1811 was Klein-Lankum nog steeds als anatomisch, geologisch en mineralogisch kabinet ingericht.[24] Rond 1830 is Klein-Lankum gesloopt.
Referenties
|
[bewerken] Literatuur
- C.E. Daniels, Het leven en de verdiensten van Petrus Camper (Utrecht 1880);
- R.P.W. Visser, The zoological work of Petrus Camper, diss. Utrecht (Amsterdam 1985).
- J.Schuller tot Peursum-Meijer en W.R.H. Koops (red.) Petrus Camper 1722-1789, onderzoeker van nature (Groningen, 1989)
[bewerken] Externe links
- (nl) Rijksuniversiteit Groningen
- (es) La Lección de Anatomía del Dr. Petrus Camper
- (en) Uitvoerige biografie
| Zie de categorie Petrus Camper van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |
