Eiken-haagbeukenbos
| Eiken-haagbeukenbos | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Syntaxonomische indeling | ||||||
| ||||||
| Associatie | ||||||
| Stellario-Carpinetum Oberd. 1957 | ||||||
| Afbeeldingen op |
Het eiken-haagbeukenbos, gewoon eiken-haagbeukenbos of eiken-haagbeukenbos sensu stricto (Stellario-Carpinetum) is een associatie uit het haagbeuk-verbond (Carpinion betuli). De associatie omvat loofbossen op mesotrofe, lemige bodems, en gekenmerkt wordt door de dominantie van zomereik, haagbeuk, hazelaar en een zeer diverse voorjaarsflora.
Naamgeving en codering
[bewerken | brontekst bewerken]| Synoniemen | ||
|---|---|---|
| Stellario-Carpinetum betuli (Tx. 1930) Oberd. 1957 | ||
| Stellario holosteae-Carpinetum betuli Oberd. 1957 | ||
| Stellario-Carpinetum oxalidetosum Stort. et al. 1999 | ||
- Syntaxoncode voor Nederland (rVvN): r46Ab03
- Corine-code: 41.24 : Sub-Atlantic stitchwort oak-hornbeam forests
- Natura2000-habitattypecode (EU-code): H9160
- BWK-karteringscodes: qa, qk

De wetenschappelijke naam Stellario-Carpinetum is afgeleid van de botanische namen van respectievelijk grote muur (Stellaria holostea) en haagbeuk (Carpinus betulus). De Nederlandse triviale naam 'eiken-haagbeukenbos' verwijst naar de historische structuur van deze bossen, waarin zomereik en/of wintereik als overstaander groei(d)en tussen een hoge hakhoutlaag van haagbeuk.[1]
Fysiognomie
[bewerken | brontekst bewerken]Het eiken-haagbeukenbos kent een tamelijk complexe fysiognomie. De associatie manifesteert zich in de regel in de formatie van een loofbos. De gemeenschap is structuur- en soortenrijk. Het zijn hoog opgaande bossen met een boomlaag die een hoogte tot ± 25 m kan bereiken. Van oudsher bestond het eiken-haagbeukenbos uit een hoge boomlaag waarin zomereik en/of wintereik als overstaander groeiden tussen een hakhoutlaag van haagbeuk. Het traditionele eiken-haagbeukenbos zag eruit als een middenbos. De struiklaag is zeer goed ontwikkeld, met een groot aandeel van hazelaar. De kruidlaag kan bijzonder soortenrijk zijn en telt vooral veel soorten die in de lente bloeien, waardoor de associatie uitgesproken seizoensaspecten kent. De moslaag is meestal niet goed ontwikkeld.
Ecologie
[bewerken | brontekst bewerken]Het eiken-haagbeukenbos groeit op mesotrofe, vrij zure bodems met periodiek wisselende grondwaterstanden. Het kan gaat om zware leembodems, lössbodems al dan niet gemengd met grover terrasmateriaal, beekleem van fluviatiele oorsprong, maar ook keileem met daarop een dekzandpakket, waarop een dikke laag mull of moder is ontstaan. De bodemvochtigheid is meestal hoog in de winter en in het voorjaar, maar veel lager in de zomer.
Het eiken-haagbeukenbos is beperkt tot oude bosgroeiplaatsen. Het vormt het eindstadium in de natuurlijke successie, de climaxvegetatie, ontstaan uit een opeenvolging van struweelgemeenschappen en andere bosgemeenschappen door de geleidelijke toename van de voedselrijkdom (humus) in de bodem.
Subassociaties in Nederland en Vlaanderen
[bewerken | brontekst bewerken]Binnen het eiken-haagbeukenbos worden in Nederland en Vlaanderen twee formele subassociaties onderscheiden. Deze tweedeling weerspiegelt de verschillen in de hydrologie, trofiegraad en pH van de bodem.
Typische subassociatie
[bewerken | brontekst bewerken]
De typische subassociatie (Stellario-Carpinetum typicum) omvat de vleugel met de relatief hoogste trofiegraad en hoogste pH. Deze subassociatie heeft geen differentiërende taxa. Zij wordt floristisch gekarakteriseerd doordat de kentaxa voor het bovenliggende verbond, de orde en de klasse hier met hoge presentie optreden. De syntaxoncode voor Nederland (conform de rVvN) is r46Ab03a.
Subassociatie met dalkruid
[bewerken | brontekst bewerken]
Een subassociatie met dalkruid (Stellario-Carpinetum maianthemetosum) omvat de vleugel met een net iets lagere trofiegraad alsmede een net iets lagere pH en GHG. Dit syntaxon vormt een afbuiging richting het zomereik-verbond. Het is in het bijzonder verwant aan de subassociatie met lelietje-van-dalen van het beuken-eikenbos. Differentiërende taxa zijn dalkruid, adelaarsvaren, lelietje-van-dalen, blauwe bosbes, bochtige smele en fraai haarmos. Zij kunnen slechts plaatselijk een hoge bedekkinggraad bereiken. De syntaxoncode voor Nederland (conform de rVvN) is r46Ab03b.
Vegetatiezonering
[bewerken | brontekst bewerken]In de vegetatiezonering kan het eiken-haagbeukenbos contactgemeenschappen vormen met verscheidene andere syntaxa uit uiteenlopende klassen. In de zonering van loofbossyntaxa – in het bijzonder die van hellingbossen – bezet de associatie vaak de plek tussen de hogergelegen gemeenschappen uit de klasse van eiken- en beukenbossen op voedselarme grond en de lagergelegen (andere) gemeenschappen uit de klasse van eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond. Aan de bovenzijde gaat het in het bijzonder om het beuken-eikenbos en aan de onderzijde vooral om het Primulo-Carpinetum.
Langs bosranden, bospaden en open plekken van het eiken-haagbeukenbos kan de bosgemeenschap geflankeerd worden door hoogwaardige mantelgemeenschappen uit het verbond van wijfjesvaren en framboos, in het bijzonder de associatie van schaduwkruiskruid en tere woudbraam. Wanneer het eiken-haagbeukenbos op dergelijke plekken geen mantel heeft staat doorgaans in direct contact staan met zoomvegetatie. Onder de zoomgemeenschappen is de schaduwgras-associatie de meest karakteristieke contactgemeenschap;[1] verder betreft het vaak ruigten uit de klasse van nitrofiele zomen, maar soms ook de wilgenroosje-associatie. Alle voornoemde mantel- en zoomgemeenschappen kunnen ook als cyclische inslaggemeenschap tot ontwikkeling komen op plekken waar relatief recent hakhoutbeheer is uitgevoerd.
Onder de epifytische microgemeenschappen treden vooral gemeenschappen op uit de kringmos-klasse, de schriftmos-klasse en de klasse van vertakt bekermos en neptunusmos.
Biogeografie
[bewerken | brontekst bewerken]Het exacte verspreidingsgebied van het eiken-haagbeukenbos op de Aarde is nog niet helemaal bekend. De belangrijkste oorzaak hiervan is de gecompliceerde syntaxonomie van het haagbeuk-verbond, waarbij vegetatiekundigen niet allemaal dezelfde opvatting delen over wat precies tot welke associatie of subassociatie gerekend zou moeten worden. Waarschijnlijk heeft de associatie een betrekkelijk klein, subatlantisch verspreidingsgebied dat zich ruwweg uitstrekt van het noorden van Frankrijk tot in het noordwesten van Duitsland. In Centraal-Europa is het eiken-haagbeukenbos verreweg de meest algemene associatie uit het haagbeuk-verbond.
In Nederland komt het eiken-haagbeukenbos hoofdzakelijk in de oostelijke helft van het land voor. Het gaat vooral om Zuid-Limburg, het Drents Plateau, Twente, de Achterhoek en het Rijk van Nijmegen. In West-Nederland is de associatie zeer zeldzaam; hier komt het slechts op een enkele plaats voor zoals aan de binnenduinranden bij Den Haag. Het eiken-haagbeukenbos is de enige associatie uit het haagbeuk-verbond die in Nederland geen onmiskenbaar zwaartepunt vindt in Zuid-Limburg.[2]
Diagnostische taxa voor Nederland en Vlaanderen
[bewerken | brontekst bewerken]In de onderstaande synoptische tabel staan per vegetatielaag de belangrijkste diagnostische taxa voor het eiken-haagbeukenbos in Nederland en Vlaanderen.
| Diagnostiek | Triviale naam | Botanische naam | Opmerking |
|---|---|---|---|
| verbondskentaxa | haagbeuk | Carpinus betulus | |
| winterlinde | Tilia cordata | ||
| klassekentaxa | gewone es | Fraxinus excelsior | |
| beuk | Fagus sylvatica | ||
| zoete kers | Prunus avium | ||
| Spaanse aak | Acer campestre | ||
| begeleidende taxa | zomereik | Quercus robur | constant |
| gewone esdoorn | Acer pseudoplatanus | ||
| zwarte els | Alnus glutinosa |
| Diagnostiek | Triviale naam | Botanische naam | Opmerking |
|---|---|---|---|
| klassekentaxa | hazelaar | Corylus avellana | constant |
| gewone vlier | Sambucus nigra | ||
| Gelderse roos | Viburnum opulus | ||
| differentiërende taxa | wilde lijsterbes | Sorbus aucuparia | constant |
| hulst | Ilex aquifolium | ||
| sporkehout | Frangula alnus | ||
| begeleidende taxa | eenstijlige meidoorn | Crataegus monogyna | |
| tweestijlige meidoorn | Crataegus laevigata | ||
| basterdmeidoorn | Crataegus ×media |
| Diagnostiek | Triviale naam | Botanische naam | Opmerking |
|---|---|---|---|
| associatiekentaxa | witte klaverzuring | Oxalis acetosella | formatie |
| grote muur | Stellaria holostea | formatie | |
| verbondskentaxa | lelietje-van-dalen | Convallaria majalis | |
| kleine maagdenpalm | Vinca minor | ||
| boszegge | Carex sylvatica | ||
| klassekentaxa | klimop | Hedera helix | constant |
| gewone salomonszegel | Polygonatum multiflorum | constant | |
| bosanemoon | Anemone nemorosa | ||
| aalbes | Ribes rubrum | ||
| venijnboom | Taxus baccata | ||
| wilde kardinaalsmuts | Euonymus europaeus | ||
| drienerfmuur | Moehringia trinervia | ||
| wijfjesvaren | Athyrium filix-femina | formatie | |
| schaduwgras | Poa nemoralis | formatie | |
| gevlekte aronskelk | Arum maculatum | formatie | |
| differentiërende taxa | gladde witbol | Holcus mollis | |
| hulst | Ilex aquifolium | ||
| begeleidende taxa | zwarte braam | Rubus sect. Rubus | constant |
| wilde kamperfoelie | Lonicera periclymenum | constant | |
| dalkruid | Maianthemum bifolium | ||
| bosgierstgras | Milium effusum | ||
| gewone esdoorn | Acer pseudoplatanus | ||
| ruwe smele | Deschampsia cespitosa | ||
| schedegeelster | Gagea spathacea |
| Diagnostiek | Triviale naam | Botanische naam | Opmerking |
|---|---|---|---|
| klassekentaxa | geplooid snavelmos | Eurhynchium striatum | |
| klein snavelmos | Microeurhynchium pumilum | ||
| gerimpeld boogsterrenmos | Plagiomnium undulatum | ||
| begeleidende taxa | gewoon sterrenmos | Mnium hornum | |
| groot rimpelmos | Atrichum undulatum | ||
| fijn laddermos | Kindbergia praelonga | ||
| gewoon dikkopmos | Brachythecium rutabulum |
Bedreiging en bescherming
[bewerken | brontekst bewerken]De meeste eiken-haagbeukenbossen bevinden zich op voedselrijkere gronden, zijn daardoor weinig gevoelig voor voedselaanrijking, verdroging en verzuring en gedijen het best met een nulbeheer. Het eiken-haagbeukenbos is van belang omwille van het grote aandeel van monumentale bomen in dit bostype.
Fotogalerij
[bewerken | brontekst bewerken]- Lenteaspect van een hellingbos van de typische subassociatie.
- Herfstaspect van een lege vorm van het eiken-haagbeukenbos.
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]Externe links
[bewerken | brontekst bewerken]- J.Schaminée, K.Sýkora, N.Smits & M.Horsthuis, 2010: Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland. KNNV Uitgeverij, Zeist.
- K.Sýkora, 2008: Field Guide Dutch Plant Communities. Species composition and ecology
- Decleer, K. (red.), 2007: Europees beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgisch deel van de Noordzee. Habitattypen, dier- en plantensoorten. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.M.2007.01, Brussel, 584 p., ISBN 978-90-403-0267-1
- L.Durwael, B.Roelandt, L.De Keersmaeker & N.Lust, 2002: Systematiek van natuurtypen voor Vlaanderen: 10. Bossen. Verslag van het Instituut voor Natuurbehoud 2002.
- Cornelis J., Hermy M., De Keersmaeker L. & Vandekerkhove K. (2007): Bosplantengemeenschappen in Vlaanderen. Een typologie van bossen op basis van de kruidachtige vegetatie. Rapport INBO.R.2007.1. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en K.U.Leuven, afdeling Bos, Natuur en Landschap in opdracht van de Vlaamse Overheid, agentschap voor Natuur en Bos, Brussel.
- Vriens L., Bosch H., De Knijf G., De Saeger S., Guelinckx R., Oosterlynck P., Van Hove M. & Paelinckx D. (2011). De Biologische Waarderingskaart. Biotopen en hun verspreiding in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.M.2011.1, Brussel, ISBN 9789040303142
- 1 2 Hommel, P.W.F.M., Haveman, R. & De Ronde, I. (2017). Querco-Fagetea. In: Schaminée, J.H.J. et al., Revisie Vegetatie van Nederland (pp. 185–188). Westerlaan Publisher, Lichtenvoorde.
- ↑ Schaminée, J.H.J. et al. (2019). Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland (pp. 430–431). KNNV.