Boekweit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Boekweit
Boekweitbloemen met honingbij
Boekweitbloemen met honingbij
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Geavanceerde tweezaadlobbigen
Orde: Caryophyllales
Familie: Polygonaceae (Duizendknoopfamilie)
Geslacht: Fagopyrum (Boekweit)
Soort
Fagopyrum esculentum
Moench (1794)
boekweit tussen gele lupine
boekweit tussen gele lupine
Bloeiende plant
Bloeiende plant
Bloemen
Bloemen
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Oogst van een grote, alleenstaande plant
Dopvruchten en losse vruchtwanden
Grutten (gedopte boekweit)
Boekweitdoppen
Boekweitmeel
Opslag door bij de oogst uitgevallen zaad

Boekweit (Fagopyrum esculentum) is een plant uit de duizendknoopfamilie (Polygonaceae). Polen en in mindere mate Frankrijk zijn nog belangrijke Europese productielanden van boekweit als voedselgewas.

Het is een eenjarige plant met een holle rechtopgaande, zich meermalen vertakkende, rode stengel. De bladeren zijn driehoekig tot hartvormig en bevinden zich verspreid op de knopen. Het wortelstelsel omvat een zich sterk vertakkende penwortel.

De bloei begint al in een jong stadium, soms al na zes weken, en gaat dan vijfentwintig tot dertig dagen door. De bloemen zijn in langstelige pluimen gegroepeerd, wit tot roze van kleur, en bevatten veel nectar. Op arme gronden bereikt boekweit een hoogte van 50 cm. Voordat de bloei ten einde is zijn er al rijpe vruchten.

Het eetbare zaad zit aan dunne steeltjes die in rijpe toestand makkelijk loslaten. Het heeft een meel- en eiwitrijke inhoud, overeenkomend met die van klaver. Er waren vroeger twee rassen bekend: op de veengronden de Staphorster bruinzwarte en op de zandgronden de Brabantse grijze boekweit. De huidige rassen produceren minder nectar dan de oude rassen. Bij het bewaren moet het zaad droog zijn want het schimmelt gemakkelijk. Eén kilo zaad bevat ± 45.000 zaden.

De vorm van het boekweitzaad komt sterk overeen met die van beukennootjes, al zijn ze beduidend kleiner, ongeveer 6 mm lang. Het zaad werd tot meel gemalen, hoewel boekweit beslist geen graan is. Boekweit is een 'pseudograan': de zaden, het meel en alle andere afgeleide producten van boekweit bevatten geen gluten.

Boekweitmeel bevat veel magnesium, kalium en fosfor. Het is voedzaam en licht verteerbaar. Tegenwoordig wordt het ook geteeld voor de geneeskunde.

Boekweit lijkt een graanproduct, maar is het dus niet. Het meel ervan kan goed worden gemengd met dat van granen, bijvoorbeeld als basis voor pannenkoeken. Geroosterde boekweitkorrels heten ook wel 'kasha' en zijn bekend uit de Oost-Europese keuken.

Benaming[bewerken]

De botanische naam Fagopyrum betekent beuktarwe (fagus = beuk (de boom) en puros = tarwe). In gewestelijk Nederlands staat boek voor beuk en weit voor tarwe. In andere talen kent boekweit overeenkomstige namen: 'bokwiet' (Afrikaans), 'buckwheat' (Engels), 'Buchweizen' (Duits) en 'boghvede' (Deens).

Boekweit werd gedurende enkele eeuwen in Europa op vrij grote schaal verbouwd, maar wordt thans nauwelijks nog geteeld wegens de bewerkelijkheid en kwetsbaarheid van de cultuur en wegens de geringe opbrengst per oppervlakte-eenheid.

Boekweitmeel en boekweitgrutten bevatten evenveel eiwit (10 g per 100 g) als tarwe- en roggemeel, en meer koolhydraten. Ze bevatten minder vet, minder mineralen en minder vitamines uit de B-groep dan tarwemeel. Boekweit is een goed ‘bijengewas’, bijen voeden zich er graag mee. Het levert een aromatische honing op die zeer geliefd is.

Boekweit was een uitkomst voor "arme boeren" die geen mogelijkheden hadden om te investeren. Zij konden door boekweit te verbouwen boer zijn zonder vee of kapitaal. Het was makkelijk te verbouwen, maar boekweit was zeer gevoelig voor weersinvloeden waardoor oogsten toch vaak tegenvielen en de armoede groot bleef.

Er waren lucratieve jaren in de boekweitteelt, maar als er nachtvorst voorkwam kon de hele oogst van dat jaar verloren gaan. Niet voor niets stond boekweit ook bekend als 'jammerkoren'.

In de veengebieden rond Emmen lagen de beste boekweitjaren zo tussen 1870 en 1890 toen de opbrengst groeide van 20.000 mud naar 22.000 mud. In 1838 had Emmen 1353 hectare veenboekweit en dat groeide uit tot 2200 hectare in 1851. Rond 1889 was dit alweer geslonken tot 1400 hectare en na 1927 werd er in Emmen helemaal geen boekweit meer verbouwd.

In het midden van de negentiende eeuw besloeg boekweit in heel Nederland nog acht procent van het landbouwareaal (65.000 ha), na de Tweede Wereldoorlog is het praktisch verdwenen.

Herkomst[bewerken]

Boekweit is een cultuurgewas dat waarschijnlijk afkomstig is uit een tamelijk droog deel van China en meer in het bijzonder een gebied grenzend aan Mantsjoerije, Mongolië of Tibet. Boekweit is afkomstig uit Centraal- of Oost-Azië en werd volgens sommige geleerden via de zijderoute door de Mongolen aan het eind van de middeleeuwen naar Oost-Europa gebracht en later van daaruit naar Midden- en West-Europa. Uit stuifmeelonderzoek is echter ook gebleken dat boekweit al voor het begin van de jaartelling in Nederland voorkwam.

Archiefonderzoek leert dat er al vanaf 1390 een snelle introductie van boekweit plaatsvond in de Nederlanden. De centra hiervan zijn de Kempen en de IJsselvallei. Taalkundige gegevens doen vermoeden dat de boekweit langs drie zijden West-Europa binnenkwam: een noordelijke route, mogelijk via de Hanze, met als naamtype boekweit, een oostelijke handelsweg met naamtype 'Heidenkorn' of 'Pohanka', en een zuidelijke route met als naamtype 'Saraceens' of 'Moors graan'.

Grondsoort en grondbewerking[bewerken]

Boekweit is een gewas van de arme gronden, de zandgronden en de dalgronden van hoogveen. Op vruchtbare grond is de groei te weelderig en wordt het wel een meter hoog. Er komt dan te veel blad aan de plant en de zaadvorming vermindert, bovendien gaat boekweit dan eerder plat liggen. Op boekweitland werd geen mest gebracht. Natte en zware gronden zijn ongeschikt voor boekweit; het is daar alleen als groenbemesting te gebruiken.

Boekweit verlangt een diep losgemaakte bouwvoor, de penwortel krijgt dan gemakkelijker gelegenheid om te groeien. Diep ploegen vraagt veel trekkracht. De spreuk "boekweit wordt verbouwd op paardenzweet" vindt hierin zijn oorsprong. Boekweitland op zandgrond werd vaak twee keer geploegd. Eind februari of begin maart werd diep geploegd, en bij of voor het zaaien gebeurde dit nogmaals, maar dan zeer ondiep.

Boekweit stelt geen bijzondere eisen aan vruchtwisseling, maar heeft wel een voorkeur voor planten die veel stikstof achtergelaten hebben in de grond.

Voor de teelt van boekweit op veengrond vond weinig grondbewerking plaats. De bovenste laag van de grond, die in het voorjaar droog was, werd verbrand waardoor voedingsstoffen vrijkwamen. Dit 'boekweitbranden' gaf zoveel rookontwikkeling dat de Drentse veenbranden bij noordoostenwind zelfs vanuit Holland voor klachten zorgde.

Vanwege de sterk wisselende opbrengsten van het gewas kende men het spreekwoord: "boekweitzoad en vrouwluuproat, eens in de zeuven joar goed". Dit werd trouwens ook van struikheide gezegd.

Bij boekweit zijn geen ziekten of plagen bekend, wel treedt bij afrijping vogelschade op.

Teelt[bewerken]

Boekweit is uitsluitend een zomergewas. Het is zeer gevoelig voor nachtvorst en heeft een korte groeiperiode van drie maanden (er werd ook wel gesproken van 100 dagen). Het gewas is gevoelig voor harde wind, regen en hagel. Onderploegen en herzaai is soms nodig.

De zaaitijd ligt tussen half mei (na de ijsheiligen) en half juni, soms zelfs nog na de langste dag. Het kan breedwerpig of in rijen met een afstand van 30 cm gezaaid worden en 3 cm diep. Door de vlugge groei is het een goede bodembedekker. Men ondervond wel last van het onkruid Europese hanenpoot. Als het gewas ongeveer 10 cm hoog was werd er wel eens gewied. Dit moest zeer voorzichtig gebeuren want boekweit is een teer gewas dat gauw beschadigd raakt.

Boekweit heeft veel warmte nodig en liefst droog rustig weer tijdens de bloei. Het is niet erg droogtegevoelig, veel neerslag bevordert de vegetatieve groei ten koste van de korrelrijping. Per hectare is 30-45 kg zaad nodig, bij breedwerpig zaaien 10 kg meer.

Oogst[bewerken]

Het oogsten gebeurt afhankelijk van de zomerse omstandigheden vanaf juli tot september. Door de onregelmatige rijping kan niet gewacht worden tot alle zaden rijp zijn. Dit in tegenstelling tot echte granen, waar de korrels gelijktijdig rijp zijn. Toch hadden de wilde voorouderrassen uit het Nabije Oosten van deze granen ook een verspreide rijping. Voor de plant is dit in verband met nakomelingschap veiliger. De mens heeft de granen echter beter aan zijn wensen aangepast dan boekweit.

Bij de oogst is een deel van stengel en bladeren nog groen. Het maaien gebeurde met de zeis, zicht of sikkel al naargelang de streek. Ook werd de plant wel getrokken. Het maaien moest voorzichtig gebeuren, omdat boekweit bij droog weer bij afrijping gauw last heeft van zaaduitval. Het maaien gebeurde dan vaak bij avond, 's nachts of in de vroege morgen, als de luchtvochtigheid hoger was, waardoor er minder zaad verloren ging. Dan was het uiteraard handig als er een volle maan was. Nu komt de maan in september enige avonden achtereen vrijwel op hetzelfde moment op, terwijl de vuistregel is dat hij elke avond ongeveer 50 minuten later opkomt. Men noemde deze maan daarom boekweitmaan (ook wel oogstmaan). Het maaien 's nachts had dus niets met een of ander bijgeloof te maken.

Na het maaien is drogen nodig op het land, losliggend of de bossen gestapeld of aan schoven gezet.

Dorsen gebeurde op het land met dorsstok of vlegel, plaatselijk ook 's winters in de schuur. Dit gebeurde op het dorskleed op een vlakke ondergrond. Ook werd het zaad betreden met klompen of dikke sokken (boekweitsokken) om het onrijpe zaad los te krijgen. Door verontreinigingen met groene plantendelen moest nadroging plaatsvinden op zolder of in de schuur. Het in een dunne laag uitgespreide zaad werd regelmatig omgeschept om broei te voorkomen. Na 1945 werd boekweit ook gedorst met aflegger, graanmaaier of maaidorser.

De zaadopbrengst kon 2000 kg per ha bedragen, maar was meestal voor zandboekweit 1000 tot 1500 kg per ha, en voor veenboekweit nog veel minder. Dit hangt vooral samen met de grote vorstgevoeligheid, de gevoeligheid voor zaaduitval, de slechte zaadzetting bij nat weer tijdens de bloei en bij vroege legering.

Verwerking tot meel[bewerken]

Boekweit werd vroeger gemalen op een grutmolen. Dit was een rosmolen met een eest voor het drogen van de boekweit, zeefwerk, een gruttensteen, een meelsteen en een waaierij. De breekzeef, bestaande uit een zevental bovenelkaar liggende zeven, scheidde na het breken op de gruttensteen de doppen van de grutten. De grutten werden tegelijkertijd gesorteerd in grove, middelgrove, fijne grutten en meel. De grutten werden verder geschoond in de waaierij waar de grutten van de lichte stukjes dop en de vliesjes werden gescheiden. De eest werd oorspronkelijk gestookt met de boekweitdoppen, maar later met cokes. De gruttensteen dopte de boekweit tot grutten en de meelsteen maalde de grutten tot meel. Het malen tot meel moest voorzichtig gebeuren. Bij warm worden treedt bij boekweit gemakkelijk verbranden op waardoor verkleuring ontstaat.

Toepassingen[bewerken]

In sommige vooral arme streken van Nederland, waar "boekweite uut de kuns verbouwd kon worn", vormden de boekweitproducten een belangrijk deel van de dagelijkse gerechten, vooral 's zomers. Omdat boekweitmeel geen gluten bevat is het voor gistdeeg (bijvoorbeeld brooddeeg) alleen in combinatie met een andere glutenrijke meel- of bloemsoort te gebruiken. Gemengd met rogge- of tarwemeel werd boekweitmeel gebruikt om (spek)pannenkoeken van te bakken. Voor het bakken van brood is het minder geschikt, het kan alleen in kleine hoeveelheden toegevoegd worden. Het meel werd ook gebruikt om balkenbrij en andere vleeswaren mee af te maken. Hiervoor werden grote hoeveelheden meel toegevoegd aan goed gekookt en gemalen kwalitatief minder vlees, zoals van de kop of van sommige organen.

Boekweitzaad kan lichtgekleurd (alleen gedroogd) of bruin (gedroogd en geroosterd) zijn, beide soorten kunnen gekookt worden in water, vruchtensap of bouillon. De harde, onverteerbare omhulsels van de boekweitzaadjes worden voor consumptie altijd verwijderd. Boekweitzaad heeft een enigszins nootachtige smaak, die door roosteren versterkt wordt.

In China, Japan, Korea, en andere Aziatische landen wordt boekweitmeel gebruikt voor noedels, de bekendste zijn de soba-noedels die een belangrijk deel van het Japanse voedsel uitmaken. Niet alle soba-noedels zijn glutenvrij, soms wordt er voor een deel ander meel in verwerkt.

In Rusland is 'kasha' ('kasja') een verzamelnaam voor gerechten die gemaakt zijn van allerlei soorten gekookte grutten. Als basis wordt melk, room, vleesbouillon of visbouillon, gebruikt. De kasha bevat onder meer vaak vlees, vis, lever, paddenstoelen en/of uien. Het was tot voor kort onmogelijk om kasha uit de Russische keuken weg te denken. Er is zelfs een spreekwoord over: "Het is onmogelijk om een Rus te voeden zonder kasha".

De grutten (gepelde zaden) werden gebruikt om er pap van te maken. De grutten werden in water geweekt en gekookt, karnemelk werd pas op het laatst bij gedaan, om schiften tegen te gaan.

Boekweit wordt ook gebruikt voor het maken van boekweitbier.

De doppen die bij de grutter overbleven werden soms gebruikt als vulsel in kinderbedjes. Tegenwoordig worden ze wel in kussens, zoals meditatiekussens, gebruikt. Sommige mensen zijn echter allergisch voor boekweitdoppen.

Het zaad werd vroeger veel gebruikt als kuikenvoer, en wordt tegenwoordig nog in vogelvoer verwerkt. Als veevoer heeft boekweit weinig waarde. De farmacie gebruikt boekweit voor de winning van rutine.

Boekweit en het veen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Veenbrandcultuur

Voordat men boekweit op de hoogvenen kon verbouwen moest er eerst wel wat gebeuren. Het hoogveen was te nat om er iets te kunnen verbouwen. Daarom ontwaterde men de bovenste veenlaag door het graven van lange greppels. Nadat het veen voldoende gedroogd was, hetgeen 2 tot 3 jaar kon duren, werd de bovenste 30 cm met een veenhouw opengehakt om de grond wat losser te maken. Dit werd het jaar erna vaak herhaald. Belangrijk was dat het veen niet te ver indroogde, men stak namelijk, meestal in de periode van april tot juni, de bovenste verdroogde veenlaag in brand. Om het vuur aan te leggen nam de boer in een vuurpot gloeiende kolen mee naar het veld. Hij begon met vuurleggen aan de rand van het veld en van de wind af: het was vooral zaak dat het veen ging smeulen zonder vlammen. De ideale omstandigheden voor het veen 'smeulen' was een aanhoudende oostenwind en een heldere hemel. Het mocht vooral niet gaan regenen omdat dan het vuur kon doven en men opnieuw moest beginnen. De veenas die na het smeulen overbleef diende als meststof. Nadat het vuur was gedoofd werd de grond nogmaals losgemaakt met een krabber, waarna de boekweit verbouwd kon worden. Eind juni moest de zaak zijn afgerond omdat de groeiperiode drie maanden bedroeg en de oogst niet later dan september mocht plaatsvinden, omdat daarna de kans op nachtvorst toenam. Na het zaaien kon men weinig meer doen dan afwachten en hopen op goed weer en dus geen zware regens, storm of nachtvorst. Tijdens de bloei in augustus kleurde de akker geheel wit en daarna kon de boekweit worden gemaaid.

Nu moet men niet te licht denken over dat branden van het veen. De rook was verschrikkelijk en verstikkend. Hele gebieden kregen te maken met zonsverduistering. De rook drong overal in door, in huizen en kleren en ogen, en veroorzaakte daardoor veel overlast. Na maximaal 10 jaar raakten de op deze wijze ontgonnen gronden uitgeput, waarna er nieuwe gronden ontgonnen moesten worden.

Het verdwijnen van de teelt[bewerken]

Boekweit had zijn bestaan te danken aan de omstandigheid dat het op schrale grond nog een redelijke opbrengst gaf, ondanks de nadelen die aan het gewas kleefden. Het was een weersgevoelig en daarmee onzeker gewas. "Het is een boekweitenverbouw" werd gezegd als er sprake was van een riskante onderneming. Verder was de oogst en het bewaren van boekweit bewerkelijker dan van rogge en haver.

Toen de omstandigheden veranderden viel voor boekweit het doek. Door grondverbetering en bemesting steeg de productie van de graangewassen belangrijk, terwijl bij boekweit eerder het tegendeel het geval was. Zodoende daalde het rendement ten opzichte van granen. Door het beschikbaar komen van goedkoop graan veranderde ook het voedingspatroon.

Bijen en boekweit[bewerken]

In tegenstelling tot de huidige bijenteelt die vooral op de voorjaarsdrachten is toegespitst, was de oude korfimkerij voor de honingoogst gericht op de heide. De voorjaars- en vroege zomeroogsten waren voor de volken nodig om op sterkte te komen en om in de zwermtijd voldoende zwermen te krijgen. Op de heide kon dan de dure heidehoning gehaald worden.

Een uitzondering hierop was de boekweit. De in augustus bloeiende boekweit kon onder gunstige omstandigheden al een goede honingdracht opleveren. Bij de oogst werden de raten uitgesneden, de honingraten opzij gelegd en het broed werd soms van twee volken tegelijk in een nieuwe korf gespijld. Hierna gingen de bijen alsnog naar de heide (of konden blijven staan).

Voor de verspreiding van boekweit(zaad) zijn vogels belangrijk, al zagen de boeren ze liever verdwijnen. Voor de bestuiving zijn de bijen de belangrijkste insecten. De bloemen bloeien maar één dag, alleen in de morgen gaan ze open en direct na de middag weer dicht. De bijen bevliegen de boekweit tussen negen en twaalf uur 's morgens (wintertijd). Ze halen zowel nectar als stuifmeel. De bruine aromatische boekweithoning was zeer gewild. De optimale nectarafscheiding vindt plaats tussen de 16-26 °C en duurt een tot vier uur.

Fototoxiciteit[bewerken]

De groene delen van boekweit bevatten veel fluorescerende pigmenten met het giftige fagopyrine. Het consumeren van grotere hoeveelheden daarvan kan fotodermatitis veroorzaken. Bij blootstelling van de huid aan zonlicht ontstaan dan huidklachten. Het gaat daarbij niet om het ultraviolette licht, maar om licht met een golflengte van circa 540-610 nm (het groene tot oranje bereik)[1].
In boekweitmeel en grutten komt echter maar heel weinig fagopyrine voor en deze zullen meestal geen problemen veroorzaken.

Huidig gebruik[bewerken]

Boekweitproducten zijn nog steeds vrij goed verkrijgbaar, veel supermarkten verkopen boekweitmeel, biologische winkels en korenmolens verkopen daarnaast ook grutten. Boekweitdoppen zijn verkrijgbaar op enkele korenmolens, zoals De Vlijt in Wageningen. Pannenkoekmeel verkocht op korenmolens bevat vaak naast tarwebloem en soms roggemeel ook boekweitmeel. Goed zaaizaad is met een beetje moeite bij handelaren te verkrijgen.

In het Zeeuws-Vlaamse dorp Zuiddorpe worden ieder jaar in de maand augustus de Boekweitfeesten gehouden ter ere van de aldaar ooit eens zo belangrijke boekweitteelt.

In de Limburgse Kempen is boekweitpannenkoek met spek een gewild traditioneel gerecht. Ook de Bretoense pannenkoeken worden met boekweitmeel gemaakt.

Boekweit wordt ook gebruikt om bier te brouwen, als alternatief voor graan, in wat men een stijlvariatie op tarwebier zou kunnen noemen. In België gebeurt dit bijvoorbeeld door Brasserie de Silenrieux.

Het meel dat voor poffertjes wordt gebruikt, is een combinatie van boekweit en tarwemeel.

Trivia[bewerken]

  • Het wapen van Hilversum toont vier boekweitkorrels van goud op een blauw veld. In de zestiende eeuw was boekweit een belangrijke voedingsbron voor de plaatselijke bevolking. Boekweit gedijt namelijk prima op schapenmest. En schapenmest was in grote hoeveelheden aanwezig, vanwege de talloze kuddes schapen die ronddwaalden op de uitgestrekte heidevelden rond Hilversum. Toen in de 20e eeuw de schapenmest echter overal werd vervangen door kunstmest, werd de boekweitbouw steeds minder rendabel om uiteindelijk helemaal te verdwijnen.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Ecologisch tuinieren - Boekweit.