Bokkenrijders

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Bonderkuil in Wellen waar in 1776 negentien bokkenrijders werden terechtgesteld

Bokkenrijders waren volgens het volksgeloof personen of geesten, die op bokken door de lucht reden. In de 18e eeuw was dit de naam die gegeven werd aan een bende dieven, afpersers en plegers van gewelddadige berovingen in de Landen van Overmaas en het voormalige graafschap Loon. De bokkenrijdersbendes waren met onderbrekingen actief in de periode tussen 1740 en 1798 in het tegenwoordige Nederlands Zuid-Limburg, delen van Belgisch-Limburg en de Kempen, de Belgische Voerstreek, het Land van Herve, de streek rond Luik en enkele gebieden vlak over de Duitse grens nabij Herzogenrath.

De strooptochten en afperserijen waren over het algemeen gericht tegen boerderijen en pastorieën op het platteland. Later kregen de bokkenrijders bij sommigen een Robin Hood-achtige status. Tegenwoordig gelooft men dat er sprake was van diverse criminele bendes en individuen, die geen connecties met elkaar hadden. Ook acht men een groot deel van de circa 1200 beschuldigden en circa 500 veroordeelden onschuldig, omdat de meeste bekentenissen werden afgedwongen door middel van martelingen.

Bokkenrijders behoren thans tot het immaterieel cultureel erfgoed van Limburg.

Geschiedenis[bewerken]

De naam bokkenrijders[bewerken]

Bokkenrijders op een 12e-eeuws kapiteel in de abdij van Mozac

Het rijden op een bok wordt al eeuwenlang geassocieerd met de duivel. Volgens oude volksverhalen bewogen mensen die een pact met de duivel hadden gesloten zich 's nachts voort op bokken. Daarbij werd de volgende toverspreuk uitgesproken: "Over huis, over tuin, over staak, en dat tot Keulen in de wijnkelder!" Eenmaal per jaar reden de bokkenrijders naar de Mookerheide, naar hun meester, de duivel.[1]

De naam 'bokkenrijders' wordt in verband met de Limburgse roversbendes voor het eerst gebruikt in het proces van 1774 in het Haspengouwse Wellen.[bron?] Volgens dat proces had de beschuldigde, ene Johan van Muysen, een zogenaamde brandbrief onder de deur van de landbouwer Wouters in Ulbeek geschoven. Diens huis zou worden platgebrand als hij geen geld zou geven. In de brief stelde Van Muysen zich voor als lid van de 'bokkenrijders', waarbij hij drie keer het woord duivel gebruikte. In het Wellense proces werd de naam bokkenrijders daarna meerdere keren gebruikt en later ook in het Antwerpse proces tegen Philip Mertens, een brandbrieflegger uit Ophoven-Geistingen. Waarschijnlijk werd deze naam gekozen om de bevolking te beangstigen.[2]

In de Overmase processen wordt de term 'bokkenrijders' eerst laat genoemd, waarschijnlijk onder invloed van het proces in Wellen. Wel duikt het woord 'geitenbok' hier in 1773 in een proces op. Mathijs Smeets uit Beek beweerde in dat proces 's nachts met 42 anderen plaatsgenomen te hebben op één grote geitenbok en door de lucht naar Venlo te zijn gevlogen om daar een misdaad te plegen.[3]

De eerste vermelding van de term 'bokkenrijders' (bockereyders) in een historiografisch geschrift, staat in het boekwerkje Oorzaeke, bewys en ondekkinge van een goddelooze, bezwoorne bende nagtdieven en knevelaers binnen de Landen van Overmaeze en aenpalende landstreeken, geschreven in 1779 door S.J.P. Sleinada, een pseudoniem van pastoor A. Daniels (lees de naam van achter naar voren). Daniels was pastoor van de parochie Schaesberg, nabij Heerlen. Hij kende verschillende veroordeelde bendeleden persoonlijk en leek goed op de hoogte van de procesvoering.[4]

Bokkenrijdersprocessen[bewerken]

De processen tegen de bokkenrijders onderscheidden zich van 'gewone' criminele procedures, doordat er in veel gevallen een zogenaamde 'goddeloze eed' in voorkwam ("Ik zweer god af en de duivel aan"). Deze goddeloze eed, in de overlevering typerend voor bokkenrijders, zou ontstaan zijn in de Landen van Overmaas (volgens het proces tegen Hendrik Becx in Nieuwstadt in 1743) en waaide daarna over naar Loon.[bron?] Het veroordelen van mensen omwille van een goddeloze eed of hun vermeende verbond met de duivel, kan vergeleken worden met de heksenprocessen in Europa tussen 1450 en 1750. De vervolging was meedogenloos, zelfs naar de normen van die tijd. De meeste bekentenissen werden verkregen door marteling of de dreiging daarmee. Bijna de helft van de aangeklaagden bekende schuld en werd veroordeeld. Meer dan 90% van de veroordeelden kreeg de doodstraf.

In het 18e-eeuwse Overmaas en Loon zijn zeven vervolgingsperiodes te onderscheiden. De eerste processen vonden plaats van 1743 tot 1745, de laatste van 1793 tot 1794.[3]

Bendeleiders Epicentrum Proces (jaar) Aantal bendeleden
Veroordeeld Beschuldigd
Overmaas
1. Mathias Ponts Land van 's-Hertogenrade-Nieuwstadt 1743 - 1745 87 140
2. de Gaverelle- de Preez Schinnen-Geleen 1749 - 1751 31 45
3. Broers Kerckhoffs (Joseph Kirchhoffs) Land van 's-Hertogenrade-Valkenburg 1771 - 1776 230 450
Loon
4. Voortmans - Van Muysen Wellen en Haspengouw 1774 - 1776 31 350
5. Philip Mertens-H. Houben Ophoven-Geistingen-Maaseik 1785 - 1786 16 45
6. Nolleke van Geleen Bree-Bocholt-Gruitrode 1789 - 1791 23 60
7. Pelsers-Bollen Neeroeteren-Maaseik 1793 - 1794 50 80

Bekende veroordeelde bokkenrijders[bewerken]

Hedendaags perspectief[bewerken]

Martelwerktuigen uit de 18e eeuw, Maaseik

In de geschiedschrijving ontstaan twee tegenovergestelde waarnemingen over de bokkenrijders, die op de pijnbank door justitie werden afgedwongen. De bokkenrijders zouden bestaan uit:

  1. Een grote, goddeloze bende: zij die geloven dat de bokkenrijders werkelijk zo een grote bende hebben gevormd en nog niet hard genoeg zijn gestraft.
  2. Ofwel: een (gedeeltelijke) hersenschim van de toenmalige justitie. Kritische historici die de martelverklaringen niet zomaar accepteren, beschouwen de bestraffing als overdreven. De pionier van die strekking, procureur-generaal Gaspard de Limpens, schreef in 1774: "Hun verklaringen staan bol van tegenstrijdigheden, variërende versies en inbreuken op de logica en de wetten van de zwaartekracht." "Ze zijn te hard gestraft en het merendeel is onschuldig." "De tortuur doet de ondervraagden bekennen wat justitie wil horen."[3]

Als naar de historische gebeurtenissen rond de bokkenrijders wordt gekeken, namelijk dat mensen omwille van een goddeloze eed of een verbond met de duivel worden veroordeeld, kan gesproken worden van een overeenkomst met heksenprocessen.

Het fenomeen ‘bokkenrijders in Limburg’ is een naspel in een reeks schijnprocessen in de Europese geschiedenis: de tempeliers, de ketters, de heksen en tot slot de bokkenrijders. Limburg had de bedenkelijke eer de laatste Europese regio te zijn waar dergelijke bijgelovige, juridische excessen zich massaal afspeelden.

De heksen uit de volksgedachte (zij die op een bezem door de lucht vlogen) hebben niet bestaan, maar heksenprocessen zijn er wel geweest. In de ogen van justitie waren heksen een realiteit, werden ze op die basis veroordeeld en betaalden ze dat met hun leven. Bokkenrijders hebben niet bestaan in de zin dat ze op bokken door de lucht vlogen en krachten van de duivel kregen. De meeste misdaden die ze moesten bekennen, hebben ze niet zelf bedreven. Dat hadden anderen gedaan, maar zij werden ervoor veroordeeld. Hoewel er geen bokkenrijders – geen grote bende, geen duivelsrituelen - zijn geweest, waren er zeven bokkenrijdersprocessen. In het proces Wellen-Haspengouw is er in de processtukken zwart op wit sprake van. Een geijkte vraag daar is: “Zijt gij niet lid van de bende van over de Maas, de zogenaamde bokkenrijders?” Daarom spreekt men wel over bokkenrijders in de zin dat het verdachten en veroordeelden zijn van in die zin gevoerde monsterprocessen.

Culturele en historische erfenis[bewerken]

Bokkenrijders in de volkscultuur[bewerken]

In de 19e eeuw ontstond onder invloed van de romantiek een vloedgolf aan verhalen over bokkenrijders, met als pionier de Sittardse auteur Pieter Ecrevisse. Anno 2015 zijn er meer dan 1300 titels over het onderwerp verschenen. In het bokkenrijdersverhaal wordt misdaad aan magie gekoppeld. Die populaire thema’s zorgden voor een bonte verzameling volksverhalen, waarbij het onderwerp steeds verder van de historische feiten is komen te staan.[3]

Overige bewerkingen[bewerken]

Uitleg over bokkenrijders in Villa Volta in de Efteling

Willy Vandersteen verwerkte in 1948 de bokkenrijders in de stripreeks over Suske en Wiske (nummer 136) met als titel De bokkerijders.

In de jaren 90 van de vorige eeuw verscheen de jeugdserie De Legende van de Bokkenrijders op de Nederlandse televisie. Deze serie is gebaseerd op het boek Ontsnapt aan de galg van Ton van Reen.

De attractie Villa Volta in de Efteling is een huis (madhouse) dat door de 'bokkenrijder' Hugo van den Loonsche Duynen bewoond zou zijn geweest. Het betreft hier een door de Efteling bedachte sage.

Componist Rob Goorhuis schreef het fanfarewerk Innocent Condemned ("Onschuldig veroordeeld"), gebaseerd op verhalen over de bokkenrijders.

Monumenten, herinneringsplaquettes[bewerken]

Aan de gevel van het Museum Land van Valkenburg, vroeger het raadhuis van Valkenburg en in de 18e eeuw het toneel van de Valkenburgse bokkenrijdersprocessen, is in 1999 een plaquette aangebracht ter herinnering aan de vele onschuldig veroordeelden. In de Valkenburgse folklore spelen de bokkenrijders een grote rol. Zo worden de bewoners van het Geulstadje in carnavalstijd aangeduid als bök ("bokken").In het park bij kasteel Den Halder staat een bronzen beeld van een bok. In Sint Joost (gemeente Echt-Susteren) heet de lokale carnavalsvereniging De Bôkkeriejers. In het centrum van Schaesberg in de gemeente Landgraaf staat een beeld van een bokkenrijder. In het Amsterdamse Oosterpark staat het beeld De Bokkenrijder van Gerrit Bolhuis uit 1957, dat echter geen link heeft met de Limburgse bokkenrijders.

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • AUGUSTUS L. Vervolgingsbeleid en procesvoering tegen de Bokkerijders. Het ontstaan van een waandenkbeeld. Publications, 1991.
  • BLOK A. De Bokkerijders. Roversbenden en geheime genootschappen in de landen van Overmaas (1730-1774). Amsterdam, 1991.
  • CORSTJENS J. - SIMONS B. Barbertje moet hangen!? De ‘Bokkerijders’ uit Groot-Bree. Bree, z.d.
  • DOBBELEERS D. Het proces Philippus Mertens. Een bokkenrijder berecht in Antwerpen. Antwerpen, 2005.
  • GIERLICHS W. De geschiedenis van de Bokkenrijders in het voormalige land van 's Hertogenrode. Roermond-Maaseik 1940.
  • PIJLS H. De Bokkenrijders met de doode hand. Sittard, 1924
  • RAMAEKERS G & PASING T. De woeste avonturen van de Bokkenrijders. Heerlen 1972.
  • VAN GEHUCHTEN F. Bokkenrijders: Late heksenprocessen in Limburg. Het proces van vier bokkenrijdersgroepen in Limburg (1773-1795). Opglabbeek 2002.
  • WIEERS T. Wij zullen u met assen lonen! De bokkerijders in het Maasland. Nieuwerkerken 1985.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Folkloristisch Woordenboek, 1949, p. 43.
  2. 'Bokkerijders', in: Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams België/ K. ter Laan, 1949, pp. 43.
  3. a b c d VAN GEHUCHTEN F. Bokkenrijders: Late heksenprocessen in Limburg. Het proces van vier bokkenrijdersgroepen in Limburg (1773-1795). Opglabbeek 2002.
  4. Anton Blok, De Bokkenrijders, roversbenden en geheime genootschappen in de Landen van Overmaas (1730-1774). (Prometheus, Amsterdam, 1991) p. 33.