Bokkenrijders
Volgens het volksgeloof waren de Bokkenrijders geesten, die op bokken door de lucht reden. Van dit volksgeloof maakte een bende gauwdieven en inbrekers in met name Zuid-Limburg gebruik, om de bevolking te beangstigen.[1] Deze laatstgenoemde Bokkenrijders waren een bende rovers die in de 18e eeuw de Landen van Overmaas (het tegenwoordige Nederlands Zuid-Limburg, Belgische Voerstreek en Land van Herve) evenals de regio rond Luik, de gebieden vlak over de Duitse grens en de Kempen onveilig maakten. De strooptochten waren over het algemeen gericht tegen boerderijen en pastorieën.
De eerste vermelding van de term Bokkenrijders (oude spelling "Bockereyders") komt uit het boekwerk: Oorzaeke, bewys en ondekkinge van een goddelooze, bezwoorne bende nagtdieven en knevelaers binnen de Landen van Overmaeze en aenpalende landstreeken, geschreven in 1779 door S.J.P. Sleinada (een pseudoniem van Pastoor A. Daniels - lees de naam van achter naar voren). Deze was pastoor van de parochie Schaesberg tegenwoordig onderdeel van Landgraaf. Hij kende verschillende bendeleden persoonlijk en was goed op de hoogte van de procesvoering[2]. De sage wil dat de rovers een pact met de duivel hadden gesloten en zich 's nachts op bokken voortbewogen. Het volk vertelde dat ze door de lucht vlogens, als ze de volgende spreuk opzegden: 'Over huis, ovee tuin, over staak, en dat tot Keulen in de wijnkelder!' Eenmaal per jaar reden ze naar de Mookerheide, naar hun meester, de duivel.[3]
Later hebben de Bokkenrijders door allerlei verhalen en de mystiek om de bende een Robin Hood-achtige status gekregen. Tegenwoordig gelooft men eerder dat er sprake was van diverse benden die inbraken en overvallen pleegden. Ook acht men een groot deel van de 600 opgepakte en veroordeelde mensen onschuldig, omdat een bekentenis afgedwongen werd met tortuur.
Inhoud |
[bewerken] Bokkenrijders in Limburg
Bokkenrijders gingen tot het geestelijk cultuurpatrimonium van Limburg behoren. Het fenomeen kwam voor in de achttiende eeuw en alleen in de Maasgouwen: het oude hertogdom Limburg, de Landen van Overmaas en het oude graafschap Loon, wat we nu de Euregio noemen.
De processen tegen de bokkenrijders onderscheiden zich van een ‘gewone’ criminele procedure wanneer er een zogenaamde ‘goddeloze eed’ in voorkwam: Ik zweer god af en de duivel aan…’ De ‘goddeloze eed’ die typisch is voor bokkenrijders ontstaat in Overmaas (Hendrik Becx in Nieuwstadt 1743) en waait over naar Loon, waar echter de naam ‘bokkenrijders’ voor het eerst wordt gebruikt. Door het veroordelen van mensen omwille van een goddeloze eed of een verbond met de duivel, kan men hier spreken van een late vorm van heksenprocessen. De vervolging was meedogenloos, zelfs naar de normen van die tijd. Meer dan 90% van de veroordeelden kregen de doodstraf, veelal op basis van onder tortuur, of de angst daarvoor, verkregen bekentenissen.
Op basis van die eed zijn er zeven vervolgingsperiodes te onderscheiden, de eerste van 1743 tot 1745, de laatste in 1793 - 1794. [4]
| Bendeleiders | Epicentrum | Proces (jaar) | Aantal+ | Beschuldigd |
|---|---|---|---|---|
| Overmaas | ||||
| 1. Mathias Ponts | Land van 's Hertogenrade-Nieuwstadt | 1743 - 1745 | 87 | 140 |
| 2. de Gaverelle- de Preez | Schinnen-Geleen | 1749 - 1751 | 31 | 45 |
| 3. Broers Kerckhoffs (Joseph Kirchhoffs) | Land van 's-Hertogenrade-Valkenburg | 1771 - 1776 | 230 | 450 |
| Loon | ||||
| 4. Voortmans - Van Muysen | Wellen en Haspengouw | 1774 - 1776 | 31 | 350 |
| 5. Philip Mertens-H. Houben | Ophoven-Geistingen-Maaseik | 1785 - 1786 | 16 | 45 |
| 6. Nolleke van Geleen | Bree-Bocholt-Gruitrode | 1789 - 1791 | 23 | 60 |
| 7. Pelsers-Bollen | Neeroeteren-Maaseik | 1793 - 1794 | 50 | 80 |
De eerste schriftelijke neerslag, afgezien van de processen, duikt op in het Haspengouwse Wellen. Op 2 januari 1774 schuift Johan Van Muysen een brandbrief onder de deur van boer Wouters in Ulbeek. Hij eist geld te leggen of anders wordt zijn huis platgebrand. In die brief stelt Van Muysen zich voor als lid van de bokkenrijders en tot drie keer toe gebruikt hij het woord duivel.
In de geschiedschrijving ontstaan twee tegenovergestelde percepties, naargelang het al dan niet aanvaarden van de verklaringen die op de pijnbank door justitie worden afgedwongen. Twee visies komen naar voren:
- Een grote, goddeloze bende: zij die geloven dat de bokkenrijders werkelijk zo een grote bende hebben gevormd en nog niet hard genoeg zijn gestraft.
- Een (gedeeltelijke) hersenschim van de toenmalige justitie. Kritische historici die de tortuurverklaringen niet zomaar accepteren, beschouwen de bestraffing als overdreven. De pionier van die strekking, procureur-generaal Gaspard de Limpens schrijft in 1774: “Ze zijn te hard gestraft en het merendeel is onschuldig.” De tortuur doet de ondervraagden bekennen wat justitie wil horen. Hun verklaringen staan bol van tegenstrijdigheden, variërende versies en inbreuken op de logica en de wetten van de zwaartekracht.[4]
De eerste schriftelijke neerslag duikt op in het Haspengouwse Wellen. Op 2 januari 1774 schuift Johan Van Muysen een brandbrief onder de deur van boer Wouters in Ulbeek. Hij eist geld te leggen of anders wordt zijn huis platgebrand. In die brief stelt Van Muysen zich voor als lid van de bokkenrijders en tot drie keer toe gebruikt hij het woord duivel. In het Wellense proces wordt de naam ‘bokkenrijders’ openlijk gebruikt en later ook in het Antwerpse proces tegen Philip Mertens, een brandbrieflegger uit Ophoven-Geistingen. In de Overmaase processen komt de term ‘bokkenrijders’ zeer laat voor onder invloed van de gebeurtenissen in Wellen. Hier duikt echter het woord ‘geitenbok’ voor het eerst in de processen op. Mathijs Smeets uit Beek beweert in september 1773 dat ze ’s nachts eens met 42 personen op één grote geitenbok plaatsnamen en door de lucht naar Venlo vlogen om daar een misdaad te plegen.
[bewerken] De vergelijking met heksenprocessen
Concentrerend op het louter historische verhaal en de hoger gestelde definitie toepassen, namelijk mensen die mee veroordeeld worden omwille van een goddeloze eed of een verbond met de duivel, gaat het om een late vorm van heksenprocessen. Het fenomeen ‘Bokkenrijders in Limburg’ is een naspel in een reeks schijnprocessen in de Europese geschiedenis: de tempeliers, de ketters, de heksen, de bokkenrijders. Limburg had de bedenkelijke eer de laatste Europese regio te zijn waar dergelijke bijgelovige, juridische excessen zich massaal afspeelden. Heksen vlogen niet op een bezem door de lucht en hebben dus niet bestaan, maar heksenprocessen zijn er wel geweest. In de ogen van justitie waren ze een realiteit, werden ze op die basis veroordeeld en betaalden ze dat met hun leven. Bokkenrijders hebben niet bestaan in de zin dat ze op bokken door de lucht vliegen en krachten van de duivel krijgen. De meeste misdaden die ze moeten bekennen, hebben ze niet zelf bedreven. Dat hadden anderen gedaan, maar zij werden ervoor veroordeeld. Hoewel er geen bokkenrijders –geen grote bende, geen duivelsrituelen- zijn geweest, waren er zeven bokkenrijdersprocessen. In het proces Wellen-Haspengouw is er in de processtukken zwart op wit sprake van. Een geijkte vraag daar is: “Ben jij niet lid van de bende van over de Maas, de zogenaamde bokkenrijders?” Daarom spreekt men wel over bokkenrijders in de zin dat het verdachten en veroordeelden zijn van in die zin gevoerde monsterprocessen.
[bewerken] Bokkenrijders in volkskunde en romans
In het bokkenrijdersverhaal wordt misdaad aan magie gekoppeld of gruwel aan griezel. Die populaire thema’s zorgen nadien voor veelvuldige vertellingen, waarbij de bokkenrijders luchtgeesten worden. Daarop speelt de romantiek van de negentiende eeuw in –met de Sittardse auteur Ecrévisse als pionier- en er ontstaat een vloedgolf aan fictie-lectuur tot ver buiten de grenzen van Limburg. Op dit ogenblik zijn er meer dan 1300 titels in boeken en tijdschriften over het onderwerp geregistreerd. Die volkscultuur verwijdert het onderwerp nog verder van zijn oorspronkelijk verhaal. [4]
[bewerken] De naam Bokkenrijders
In het Wellense proces van 1774 wordt de naam ‘bokkenrijders’ openlijk gebruikt en later ook in het Antwerpse proces tegen Philip Mertens, een brandbrieflegger uit Ophoven-Geistingen. In de Overmaase processen komt de term ‘bokkenrijders’ zeer laat voor onder invloed van de gebeurtenissen in Wellen. Hier duikt echter het woord ‘geitenbok’ voor het eerst in de processen op. Mathijs Smeets uit Beek beweert in september 1773 dat ze ’s nachts eens met 42 personen op één grote geitenbok plaatsnamen en door de lucht naar Venlo vlogen om daar een misdaad te plegen. De ondervragers noteren het bloedstollende verhaal met verbijstering.[4]
[bewerken] Fictionele adaptaties
De Bokkenrijdersverhalen zijn veelvuldig bewerkt. Ze duiken o.a. op in pretpark de Efteling, de albums van Suske en Wiske en talrijke romans.
[bewerken] Veroordeelde leden
- Gabriël Brühl, executie door ophanging op 10 september 1743.
- Geerling Daniels, overleden aan de gevolgen van twee zelf aangebrachte steekwonden op 28 januari 1751.
- Joseph Kirchhoffs, executie door ophanging op 11 mei 1772.
- Joannes Arnold van de Wal, executie door ophanging op 21 september 1789.
[bewerken] Externe links
- Bokkenrijdersgenootschap Kring die zich bezighoudt met de historische bokkenrijders en die tot doel heeft het cultureel erfgoed Bokkenrijders blijvend onder de aandacht houden en het steunen van initiatieven die dit beogen.
[bewerken] Literatuur
- AUGUSTUS L. Vervolgingsbeleid en procesvoering tegen de Bokkerijders. Het ontstaan van een waandenkbeeld. Publications, 1991.
- BLOK A. De Bokkerijders. Roversbenden en geheime genootschappen in de landen van Overmaas (1730-1774). Amsterdam, 1991.
- CORSTJENS J. - SIMONS B. Barbertje moet hangen!? De ‘Bokkerijders’ uit Groot-Bree. Bree, z.d.
- DOBBELEERS D. Het proces Philippus Mertens. Een bokkenrijder berecht in Antwerpen. Antwerpen, 2005.
- GIERLICHS W. De geschiedenis van de Bokkenrijders in het voormalige land van 's Hertogenrode. Roermond-Maaseik 1940.
- PIJLS H. De Bokkenrijders met de doode hand. Sittard, 1924
- RAMAEKERS G & PASING T. De woeste avonturen van de Bokkenrijders. Heerlen 1972.
- VAN GEHUCHTEN F. Bokkenrijders: Late heksenprocessen in Limburg. Het proces van vier bokkenrijdersgroepen in Limburg (1773-1795). Opglabbeek 2002.
- WIEERS T. Wij zullen u met assen lonen! De bokkerijders in het Maasland. Nieuwerkerken 1985.
[bewerken] Noten en referenties
- ↑ 'Bokkerijders', in: Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams België/ K. ter Laan, 1949, pp. 43.
- ↑ Anton Blok, De Bokkenrijders, roversbenden en geheime genootschappen in de Landen van Overmaas (1730-1774). (Prometheus, Amsterdam. 1991) blz. 33
- ↑ Folkloristisch Woordenboek, 1949, pp. 43.
- ↑ a b c d VAN GEHUCHTEN F. Bokkenrijders: Late heksenprocessen in Limburg. Het proces van vier bokkenrijdersgroepen in Limburg (1773-1795). Opglabbeek 2002.