Maagdelijke geboorte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Deel van een serie artikelen over het
christendom
Christendom
..Pijlers
..Christelijke feesten

Portaal  Portaalicoon  Christendom

Deel van de serie over
Maria
Mariabeeld
moeder van
Jezus

De maagdelijke geboorte van Jezus Christus is de christelijke voorstelling dat Jezus zonder toedoen van een man uit Maria is geboren. In de Rooms-katholieke Kerk en Oosters-orthodoxe Kerk betreft de maagdelijke geboorte niet alleen de maagdelijkheid van Maria vóór en tijdens de geboorte van Jezus, maar ook na de geboorte. De maagdelijke geboorte van Jezus wordt met Kerstmis gevierd. Men verwart de maagdelijke geboorte vaak met de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.

Maagdelijke geboorte en parthogenese[bewerken]

In de natuur komt maagdelijke voortplanting (parthenogenese) voor, maar niet bij de mens. Het resultaat is bovendien zelfs met de meest moderne technieken nooit een jongen. Binnen het christendom ziet men de maagdelijke geboorte als een wonder dat niet biologisch kan worden verklaard en dus niet gelijkgesteld kan worden aan maagdelijke voortplanting.

Bijbel[bewerken]

De gedachte van de maagdelijke geboorte komt voor in de Bijbel. In Lucas 1:35 staat dat Jezus geboren zal worden doordat de Heilige Geest over Maria zal komen en de kracht van de Allerhoogste Maria zal overschaduwen. In Matteüs 1:20 staat dat het kind dat Maria draagt verwekt is door de heilige Geest. Volgens de evangelist is dit de vervulling van een profetie van Jesaja (Jes. 7:14) over een maagd die zwanger zou worden (Mt. 1:22-23).

Klassieke theologie[bewerken]

De maagdelijke geboorte van Jezus was al in de 2e eeuw bestanddeel van de proto-orhodoxe geloofsleer. Maar bijvoorbeeld de Ebionieten verwierpen deze voorstelling. In 2e-eeuwse antichristelijke polemiek (zie de Talmoed en Celsus) beweerde men dat Jezus eigenlijk een bastaardkind zou zijn geweest en dat christenen dat zouden hebben willen verbloemen.

Op de concilies van Nicea (325) en Constantinopel (381) krijgt de maagdelijke geboorte haar definitieve plaats in de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Ook komt zij voor in de De twaalf artikelen van het geloof. Tegenwoordig onderschrijven vrijwel alle kerken de maagdelijke geboorte

De Rooms-katholieke Kerk en Oosters-orthodoxe Kerk onderschrijven de blijvende maagdelijkheid van Maria (dus ook na de geboorte van Jezus). Zij baseren dit enerzijds op de traditie (met name de zienswijze van kerkvaders uit de eerste eeuwen zoals Origenes) en anderzijds op enkele apocriefen. De blijvende maagdelijkheid van Maria wordt door de protestante kerken niet onderschreven omdat dit niet expliciet in de Bijbel staat. Een klassieke controverse tussen protestanten en katholieken is of de "broers" van Jezus uit het evangelie broers, stiefbroers of neven waren.

Historische kritiek[bewerken]

In het historisch-kritisch Bijbelonderzoek is de maagdelijke geboorte, net als de meeste wonderen uit het Nieuwe Testament, geproblematiseerd. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol:

  • Zelfs als een wonder niet principieel kan worden uitgesloten, is het een zeer onwaarschijnlijke verklaring.
  • De maagdelijke geboorte komt niet voor in de vroege lagen van het Nieuwe Testament en heeft buiten de geboorteverhalen van Matteüs en Lucas geen sporen nagelaten.
  • De maagdelijke geboorte kwam ook voor in de Umwelt in verhalen over bijzondere personen.
  • Verscheidene Bijbelpassages lijken Jozef van Nazareth aan te wijzen als Jezus' biologische vader. De genealogieën van Jezus beschreven in Lucas 3:23–38 en Matteüs 1:1–17, die elkaar overigens tegenspreken, stellen allebei dat Jezus via Jozef in mannelijke lijn afstamde van Koning David. Ook in het verhaal van Christus in de tempel (Lucas 2:42-51) wordt naar Jozef en Maria verwezen als "zijn ouders" (2:43; in andere tekstvarianten veranderd in "Jozef en zijn moeder") en de ongeruste Maria zegt tegen Jezus: "Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht" (2:48). Hoe de genealogieën oorspronkelijk ook bedoeld zijn voordat zij werden opgenomen in de evangeliën, waarschijnlijk is dat de evangelisten Jozef als Jezus' wettige (maar niet biologische) vader zagen.

Kritische Bijbelwetenschappers verwerpen om deze redenen de maagdelijke geboorte als historisch feit en zien de verhalen erover als legenden. De maagdelijke geboorte is een verklaring achteraf die ontstaan is uit het geloof de vroege christenen dat Jezus de Zoon van God was. Met de voorstelling van de maagdelijke geboorte wilden ze uitdrukken dat Jezus al vanaf het begin Zoon van God was.

Moderne theologie[bewerken]

Veel moderne theologen accepteren het kritische Bijbelonderzoek en verwerpen dus de maagdelijke geboorte van Jezus als historisch feit. Volgens hen gaat het niet om het biologische wonder, maar om de gedachte die erin uitgedrukt is, namelijk dat Jezus van goddelijke oorsprong is. De protestantse theoloog Hendrikus Berkhof schrijft bijvoorbeeld in zijn handboek Christelijk Geloof dat de maagdelijke geboorte "een latere verrijking van de overlevering was, om concreet uitdrukking te geven aan de belijdenis dat Jezus, de Zoon bij uitstek, niet door de mens kan worden verwekt." Berkhof betreurt bovendien dat de maagdelijke geboorte in de geloofsbelijdenissen centraal is komen te staan.[1]

Volgens de klassieke theologie is het Zoonschap van Jezus ook niet afhankelijk van de maagdelijke geboorte. De Rooms-katholieke theoloog Joseph Ratzinger (paus Benedictus XVI) bestrijdt in zijn boek Introduction to Christianity de opvatting dat Jezus de biologische Zoon van God is. "Volgens het geloof van de kerk rust het Zoonschap van Jezus niet op het feit dat hij geen menselijke vader had. De leer van Jezus’ goddelijkheid wordt niet aangetast als Jezus het resultaat van een normaal huwelijk zou zijn geweest. Want het Zoonschap waarover het geloof spreekt is niet een biologisch maar een ontologisch feit, niet in tijd maar in Gods eeuwigheid.”[2]

Voetnoten[bewerken]

  1. H. Berkhof, Christelijk geloof. Kampen, 2007 (9e druk), 291.
  2. "According to the faith of the Church, the Sonship of Jesus does not rest on the fact that Jesus had no human father: the doctrine of Jesus’ divinity would not be affected if Jesus had been the product of a normal human marriage. For the Sonship of which faith speaks is not a biological but an ontological fact, an event not in time but in God's eternity." J. Ratzinger, Introduction to Christianity. San Francisco, 2004, 274-275.