Scuderia Ferrari

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Scuderia Ferrari
Formule 1-team
Ferrari F14 T
Ferrari F14 T
Algemene informatie
Nationaliteit Vlag van Italië Italië
Basis Maranello, Italië
Oprichter(s) Enzo Ferrari
Leiding Marco Mattiacci
Technisch directeur James Allison
Budget €199 miljoen (2011)[1]
Actieve jaren 1950 - heden
Sportieve prestaties
Aantal F1-races 870
Coureurs-kampioenschap(pen) 15 (laatste uit 2007)
Constructeurs-kampioenschap(pen) 16 (laatste uit 2008)
Overwinningen 221
Aantal podia 678
Totaal punten 6550,27
Aantal polepositions 207
Aantal snelste rondes 230
Eerste grand prix Monaco 1950
Eerste overwinning Groot-Brittannië 1951
Laatste overwinning Spanje 2013
Formule 1 in 2014
Coureurs 14. Vlag van Spanje Fernando Alonso
7. Vlag van Finland Kimi Räikkönen
Chassis F14 T
Motor Ferrari
Banden Pirelli
Portaal  Portaalicoon   Autosport

Scuderia Ferrari is het oudste raceteam in de Formule 1. Het team is volledig in handen van het Italiaanse Ferrari en behaalde successen met coureurs als Alberto Ascari, Juan Manuel Fangio, Niki Lauda, Jody Scheckter, Michael Schumacher en Kimi Räikkönen.

Geschiedenis[bewerken]

1929 - 1938[bewerken]

Alfa Romeo 8C 2900 Scuderia Ferrari

In 1929 richt Enzo Ferrari samen met Alfredo Caniato en Mario Tadini Scuderia Ferrari op in Modena met als doel coureurs een kans te geven in de autosport. Als wagens gebruikt hij vooral Alfa Romeo's en Scuderia Ferrari groeit uit tot de officiële racedivisie van Alfa Romeo in 1933. In 1938 neemt Alfa Romeo weer zelf de racedivisie in handen en wordt de racedivisie omgedoopt naar Alfa Corse. Enzo verlaat Alfa Romeo in 1939, maar moest hen beloven dat hij de naam Scuderia Ferrari niet zou gebruiken in de komende vijf jaar. Hij gebruikte aanvankelijk de naam Auto Avio Costruzioni. Na de Tweede Wereldoorlog begint hij dan eindelijk met het ontwikkelen van zijn eigen wagens onder de naam Scuderia Ferrari.

1950 - 1964[bewerken]

Ferrari debuteert in de Formule 1 in 1950 bij de Grand Prix van Monaco met een F1 versie van de Ferrari 125. Ze zijn hiermee het oudste team dat nog steeds actief is in de Formule 1. Veel potten werden er echter nog niet gebroken in het eerste jaar, Alfa Romeo domineert het hele seizoen. Op 14 juli 1951 breekt Froilán González op Silverstone de zegereeks van Alfa en zorgt voor de eerste overwinning van Ferrari. In 1952 wint Alberto Ascari zes Grand Prix achter elkaar en wordt Ascari de eerste wereldkampioen in een Ferrari. Een jaar later is hij opnieuw de beste coureur en wint hij vijf races. Hierna neemt de overmacht van Ferrari tijdelijk af.

Ferrari 500 uit 1953/54

In 1956 gaat Ferrari samenwerken met Lancia. Het heeft direct resultaat, want Juan Manuel Fangio wordt onmiddellijk wereldkampioen. Omdat Fangio niet goed met Enzo Ferrari kan opschieten, vertrekt hij na één seizoen. Ferrari beleeft een rampjaar en behaalt geen enkele zege. In 1958 wordt alles weer goed gemaakt. Met slechts één overwinning, maar met vijf tweede plaatsen wordt Mike Hawthorn zeer verrassend de derde wereldkampioen voor Ferrari. In de volgende twee jaren zijn er nog wat kleine successen te vieren, maar geen kampioenschappen meer.

In 1961 behaalt Ferrari voor het eerst de constructeurstitel. De titel bij de coureurs lijkt naar de Ferrari-coureur Wolfgang von Trips te gaan, maar in Monza verongelukt hij dodelijk en zijn teamgenoot Phil Hill wordt wereldkampioen. Het seizoen daarna is een slecht seizoen voor Ferrari. Een tweede plaats voor Hill in Monaco is het beste resultaat. In 1963 haalt John Surtees de enige zege voor Ferrari, het jaar daar op wordt Surtees wereldkampioen.

1965 - 1995[bewerken]

Ferrari 412 T2 F1 bolide uit 1995 (Jean Alesi aan het stuur)

In 1968 verkocht de stichter, Enzo Ferrari, 90% van zijn personenwagenzaak en 50% van de Scuderia Ferrari aan Fiat. In dat jaar zorgde de Belg Jacky Ickx voor de enige overwinning van het team. In 1970 won Jacky Ickx in zijn Ferrari nog drie Grote Prijzen en werd tweede in het kampioenschap. Van 1971 tot 1974 was het echter crisis bij Ferrari: soms was het team gewoon niet competitief genoeg, dan weer misten ze de titel op een haar na. De terugkeer van hun ware kracht kwam in 1974. De vier daaropvolgende jaren won Ferrari de constructeurstitel. Niki Lauda werd bovendien wereldkampioen in 1975 en 1977. In 1976 was dit waarschijnlijk ook het feit geweest als hij zijn ongeluk op de Nürburgring niet had gehad (Lauda eindigde het seizoen met 1 punt achterstand op James Hunt). Ferrari eindigde de jaren ’70 in stijl. Jody Scheckter werd wereldkampioen en het rode team won ook de constructeurstitel. Deze vele titels zouden de laatste zijn voor een lange periode. In de jaren '80 kon slechts tweemaal de constructeurstitel behaald worden en in de eerste helft van de jaren '90 werd vrijwel niks behaald.

1996 - heden[bewerken]

Michael Schumacher, de meest succesvolle Ferrari Formule 1 rijder in actie te Monaco in 2006

In 1996 arriveerde Michael Schumacher bij het rode team. Vanaf dat moment begon het team weer op te leven. Er zou een opmars volgen die in 1997 Ferrari dicht bij de rijderstitel bracht, maar uiteindelijk ging Williams er samen met Jacques Villeneuve mee lopen. Het volgende jaar kon Schumacher wereldkampioen worden tot de laatste race, maar weer liep het mis.

In 1998 kwam Luca Badoer bij het team die vanaf dat moment testrijder is geworden bij het team van Ferrari, alleen in het jaar 1999 reed hij een seizoen voor het team van Minardi maar daarna bleef hij testen voor Ferrari.

In 1999 brak Schumacher zijn been in de Grand Prix op Silverstone. Hij kon geen rol van betekenis meer spelen in het wereldkampioenschap. Teamgenoot Eddie Irvine greep net naast de titel. Ferrari veroverde wel sinds lang opnieuw de constructeurstitel. 2000 was het einde van de 17-jarige lijdensweg van de Scuderia: Schumacher won zijn 3de rijderstitel.

Het volgende jaar was goed voor twee titels. In 2002 zorgde de uitermate dominante F2002 bolide dat Ferrari 15 van de 17 races kon winnen, waarvan Michael Schumacher er 11 behaalde, goed voor zijn 5de wereldtitel. Aanvankelijk leek 2003 niet zo succesvol te worden maar uiteindelijk slaagde Ferrari er toch in zowel de rijderstitel als de constructeurstitel te bemachtigen.

2004 was opnieuw "makkelijk" voor het Italiaanse team: Schumacher zorgde voor 13 overwinningen en de rijderstitel. In 2005 belandde het rode team opnieuw in een diepe put. Het Italiaanse team kon slechts 1 Grand Prix winnen: de farce-race van Indianapolis waar slechts 6 wagens aan de start kwamen.

In 2005 heeft het team het seizoen afgesloten op een 3de plaats.

In 2006 boekte het team betere resultaten, zo won Schumacher zeven races en de nieuw in het team gekomen Felipe Massa twee races. Desondanks besloot Schumacher te stoppen met de Formule 1. Zijn opvolger was de Fin Kimi Räikkönen.

In 2007 won Ferrari zowel de rijderstitel met Räikkönen als de constructeurstitel.

In het daaropvolgende seizoen 2008 greep teamgenoot Felipe Massa net naast de titel nadat Räikkönen eerder al was afgehaakt. Wel bezorgden zij dat jaar Ferrari de constructeurstitel door concurrent McLaren voor te blijven in het kampioenschap.

Kimi Räikkönen aan het stuur
(Grote Prijs van Duitsland - 2009)

In 2009 waren de prestaties van het team een schaduw van de jaren ervoor. Deels werd dit geweten aan het feit dat men in 2008 zo druk was met het behalen met het kampioenschap dat de ontwikkeling van de auto voor 2009 op de achtergrond raakte. Naast het feit dat de prestaties tegen vielen was er nog een tegenvaller: het ongeluk van Felipe Massa (een losgeraakt onderdeel van de auto van Rubens Barrichello raakte zijn helm) waardoor hij voor langere tijd uitgeschakeld was. Luca Badoer verving Felipe voor 2 races, maar wegens tegenvallende prestaties werd hij vervangen door Giancarlo Fisichella. In september 2009 steken de geruchten over een overstap naar van Alonso naar Ferrari in 2010 de kop op. Kimi Räikkönen zou zijn contract dan niet afmaken. Dit gerucht werd bevestigd op 30 september, toen Ferrari naar buiten bracht dat Alonso een driejarig contract heeft getekend bij de Italiaanse renstal, met een optie voor twee extra jaren.

Op 16 januari 2013 werd bekend gemaakt dat Pedro de la Rosa testrijder gaat worden voor 2013.

Resultaten[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Grand-prixresultaten van Ferrari voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het team is één van de succesvolste zo niet het succesvolste Formule 1 team. Ze zijn houder van een lange lijst met belangrijke records. Wat hier wel bij meewerkt, is dat zij het enige Formule 1-team zijn dat vanaf het begin in 1950 onafgebroken deelneemt aan het kampioenschap. Na Ferrari is McLaren de langste deelnemer aan het kampioenschap. McLaren doet pas echter sinds 1966 mee. Een verschil van zestien jaar is natuurlijk enorm.

  • De meeste constructeurskampioenschappen: 16 (1961, 1964, 1975, 1976, 1977, 1979, 1982, 1983, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2007 en 2008)
  • De meeste coureurskampioenschappen: 15 (1952, 1953, 1956, 1958, 1961, 1964, 1975, 1977, 1979, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004 en 2007)
  • De meeste constructeurskampioenschap punten: 4,507.5
  • De meeste coureurskampioenschap punten: 5,409.27
  • De meeste Grand Prix deelnames: 812
  • De meeste races gewonnen: 215
  • De meeste races gewonnen in één seizoen: 15 (gedeeld met McLaren)
  • De meeste podiums: 643
  • De meeste podiums in één seizoen: 29
  • Het vaakst geëindigd als eerste en tweede: 81
  • De meeste polepositions: 205
  • De meeste snelle rondes: 225
  • Het hoogste winstpercentage (door teams die ten minste 10 keer gewonnen hebben): ~25%
  • De meeste doden op hun naam als F1 team: 7 (4 race, 1 kwalificatie, 2 testen)

Formule 1-wagens[bewerken]

Model Jaar Motor Vermogen
125 F1 1948 1497 cc 60° V12 (supercharged) 230 pk (bij 7.000 rpm)
275 F1 1950 3322 cc 60° V12 300 pk (bij 7.300 rpm)
340 F1 1950 4102 cc 60° V12 335 pk (bij 7.000 rpm)
375 F1 1950 4494 cc 60° V12 330 pk (bij 7.000 rpm)
553 F1 1954 2498 cc 4 cilinders in lijn 260 pk (bij 7.500 rpm)
625 F1 1954 2498 cc 4 cilinders in lijn 250 pk (bij 7.200 rpm)
555 F1 1955 2498 cc 4 cilinders in lijn 260 pk (bij 7.200 rpm)
D50 1955 2486 cc 90° V8 265 pk (bij 8.000 rpm)
801 F1 1957 2493 cc 90° V8 285 pk (bij 8.800 rpm)
412 MI 1958 4023 cc 60° V12 415 pk (bij 8.000 rpm)
246 F1 1958 2417 cc 65° V6 280 pk (bij 8.500 rpm)
256 F1 1959 2475 cc 65° V6 295 pk (bij 8.600 rpm)
156 F1 1961 1496 cc 65° V6 200 pk (bij 10.500 rpm)
156 F1 1963 1477 cc 120° V6 205 pk (bij 10.500 rpm)
158 F1 1964 1489 cc 90° V8 210 pk (bij 11.000 rpm)
512 F1 1964 1490 cc 180° V12 220 pk (bij 12.000 rpm)
312 F1 1966 2990 cc 60° V12 360 pk (bij 10.000 rpm)
312 B 1970 2991 cc 180° V12 460 pk (bij 12.000 rpm)
312 B2 1971 2992 cc 180° V12 470 pk (bij 12.600 rpm)
312 B3 1973 2992 cc 180° V12 485 pk (bij 12.500 rpm)
312 B3 1974 2992 cc 180° V12 495 pk (bij 12.600 rpm)
312 T 1975 2992 cc 180° V12 495 pk (bij 12.200 rpm)
312 T2 1976 2992 cc 180° V12 500 pk (bij 12.200 rpm)
312 T3 1978 2992 cc 180° V12 510 pk (bij 12.200 rpm)
312 T4 1979 2992 cc 180° V12 515 pk (bij 12.300 rpm)
312 T5 1980 2992 cc 180° V12 515 pk (bij 12.300 rpm)
126 C 1981 1496 cc 120° V6 (turbo) 580 pk (bij 11.500 rpm)
126 C2 1982 1496 cc 120° V6 (turbo) 580 pk (bij 11.000 rpm)
126 C3 1983 1496 cc 120° V6 (turbo) 600 pk (bij 10.500 rpm)
126 C4 1984 1496 cc 120° V6 (turbo) 660 pk (bij 11.000 rpm)
156/85 1985 1496 cc 120° V6 (turbo) 780 pk (bij 11.000 rpm)
F1/86 1986 1496 cc 120° V6 (turbo) 850 pk (bij 11.500 rpm)
F1/87 1987 1496 cc 90° V6 (turbo) 880 pk (bij 11.500 rpm)
F1/87-88C 1988 1496 cc 90° V6 (turbo) 620 pk (bij 12.500 rpm)
F1/89 1989 3498 cc 65° V12 600 pk (bij 12.500 rpm)
F1 641 1990 3498 cc 65° V12 680 pk (bij 12.750 rpm)
F1 642 1991 3499 cc 65° V12 720 pk (bij 13.800 rpm)
F1 643 1991 3496 cc 65° V12 735 pk (bij 14.800 rpm)
F92 A 1992 3479 cc 65° V12 700 pk (bij 14.700 rpm)
F93 A 1993 3498 cc 65° V12 730 pk (bij 14.700 rpm)
412 T1 1994 3498 cc 65° V12 780 pk (bij 15.000 rpm)
412 T2 1995 2997 cc 75° V12 700 pk (bij 17.000 rpm)
F310 1996 2998 cc 75° V10 700 pk (bij 16.000 rpm)
F310 B 1997 2998 cc 75° V10 750 pk (bij 17.000 rpm)
F300 1998 2998 cc 80° V10 760 pk (bij 17.600 rpm)
F399 1999 2997 cc 80° V10 800 pk (bij 17.500 rpm)
F1 2000 2000 2997 cc 90° V10 810 pk (bij 17.600 rpm)
F2001 2001 2997 cc 90° V10 840 pk (bij 18.000 rpm)
F2002 2002 2997 cc 90° V10 850 pk (bij 18.000 rpm)
F2003-GA 2003 2997 cc 90° V10 830 pk (bij 18.500 rpm)
F2004 2004 2997 cc 90° V10 900 pk (bij 18.800 rpm)
F2005 2005 2997 cc 90° V10 900 pk (bij 18.800 rpm)
248 F1 2006 2398 cc 90° V8 730 pk (bij 19.600 rpm)
F2007 2007 2398 cc 90° V8 730 pk (bij 19.000 rpm)[2]
F2008 2008 2398 cc 90° V8 730 pk (bij 19.000 rpm)[2]
F60 2009 2398 cc 90° V8 730 pk (bij 18.000 rpm)[3][4]
F10 2010 2398 cc 90° V8 730 pk (bij 18.000 rpm)
150° Italia 2011 2398 cc 90° V8 730 pk (bij 18.000 rpm)
F2012 2012 2398 cc 90° V8 730 pk (bij 18.000 rpm)
F138 2013 2398 cc 90° V8 730 pk (bij 18.000 rpm)
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Nieuwsbericht n.a.v. Business book GP 2011, 29 april 2011.
  2. a b Maximaal toegestane toerental is 19.000rpm
  3. Maximaal toegestane toerental is 18.000rpm
  4. Uitgerust met KERS
Voorganger:
Cooper
Wereldkampioen Constructeurs Formule 1
1961
Opvolger:
BRM
Voorganger:
Lotus
Wereldkampioen Constructeurs Formule 1
1964
Opvolger:
Lotus
Voorganger:
McLaren
Wereldkampioen Constructeurs Formule 1
1975-1976-1977
Opvolger:
Lotus
Voorganger:
Lotus
Wereldkampioen Constructeurs Formule 1
1979
Opvolger:
Williams
Voorganger:
Williams
Wereldkampioen Constructeurs Formule 1
1982-1983
Opvolger:
McLaren
Voorganger:
McLaren
Wereldkampioen Constructeurs Formule 1
1999-2000-2001-2002-2003-2004
Opvolger:
Renault
Voorganger:
Renault
Wereldkampioen Constructeurs Formule 1
2007-2008
Opvolger:
Brawn GP