Zavel (Brussel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zavel
Sablon
Wijk van Brussel
Zavel (Brussel)
Zavel (Brussel)
Kerngegevens
Gemeente Brussel
Stadsdeel historische centrum aan de rand van de 12e-eeuwse versterkingen
Coördinaten 50° 50′ NB, 4° 21′ OL
Inwoners (2011) 2706

De Zavel (Frans le Sablon) is een wijk in het historische hart van Brussel, aan de rand van de 12e-eeuwse versterkingen.

Zeer waarschijnlijk won men hier in het verleden zand (zavel is kleihoudend zand). In 1304 verkocht het Sint-Jansgasthuis dit terrein aan de gilde van de kruisboogschutters die hier een kerk bouwden. Voorheen had de plaats gediend om de doden van het hospitaal te begraven. De Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavelkerk valt op door haar 14 m hoge glasramen; de middelen om een toren te bouwen ontbraken.

Geschiedenis[bewerken]

De Zavel was ooit een grote verlaten vlakte, afgewisseld met waterrijke gebieden, graslanden en zand. Er leefde een kluizenaar en het Sint-Jansgasthuis begroef er in de dertiende eeuw de doden voor wie op de eigen kleine begraafplaats geen plaats overbleef. De bouw van de Onze-Lieve-Vrouwekapel in 1304 door de schutters was het sein voor de omvorming van deze woestenij. Er trokken vromen en pelgrims heen om een wonderbaarlijk beeldje te vereren, door een vrouw in 1348 uit een kerk in Antwerpen ontvreemd en naar Brussel gebracht. Huizen stonden opgesteld in de onmiddellijke nabijheid van de kapel en rond de poel in het midden van de Grote Zavel.

In de vijftiende eeuw werd de wijk aanzienlijk uitgebreid. De Onze-Lieve-Vrouwekapel werd in een fraaie stijl opnieuw opgebouwd. In 1470 gaf hertog Karel de Stoute de Rekenkamer de opdracht een straat aan te leggen tussen zijn Paleis op de Koudenberg en de kerk. Bij de doop van prinses Maria volgde de stoet in 1505 niet langer het aloude traject naar de Sint-Goedelekerk, maar die naar de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavel. Margaretha van Oostenrijk beoefende er haar devotionele bezigheden. In 1530 riep zij de grote julioptocht in ‘t leven. Deze blijken van vorstelijke gunst stonden garant voor de blijvende voorspoed van de Zavelwijk en de eraan grenzende Wolweide (de huidige Wolstraat), die zich uitstrekte tot aan de helling van de Galgenberg, waar veel later het huidige Paleis van Justitie werd opgetrokken.

In de zestiende eeuw vestigden zich enkele der meest vooraanstaande edellieden bovenaan de Zavel en in de Wolstraat: de Egmonts, Culemborgs, Brederodes en Mansfelds. De Lannoys, De Lalaing, Thurn und Taxis, en de Solres volgden hen na, zodat de Zavelwijk in de zeventiende eeuw tot de meest aristocratische en welvarendste van de stad was uitgegroeid. Feesten en optochten volgden elkaar op. Isabella van Spanje schoot er in 1615 de hoofdvogel en werd zo koningin van het gilde van de kruisboogschutters. Aartshertog Leopold Willem van Oostenrijk werd er toegejuicht en op zijn beurt uitgeroepen tot schutterskoning. Diens hofschilder, David Teniers de Jonge, schilderde naar aanleiding van deze gedenkwaardige gebeurtenis in 1652 een van zijn beste werken. Antoon Sallaert schilderde de kleurrijke optochten die rond het gebedshuis plaatshadden, terwijl een onbekende graficus zes prenten etste ter herdenking van de belangrijke feesten naar aanleiding van de inname van Boeda, die de prins van Thurn und Taxis in 1686 in zijn stadspaleis aan de Zavel had gehouden.

De meeste van deze fraaie huizen zijn verdwenen. Het Hôtel Thurn und Taxis bestaat niet meer. Dat van de Bournonville geraakte opgedeeld. Ook de ruime woningen aan de Grote Zavel werden opgedeeld, omgebouwd of verminkt. Het paleis van Arenberg of Egmont, op de top van de Kleine Zavel, en een aantal hôtels in de Wolstraat, zijn de laatste getuigen van de pracht en praal van weleer.

Terwijl de adel van de Spaanse Nederlanden de omgeving van de Zavelkerk opzocht, bouwden de lagere standen hun bescheiden woningen naast de kerk zelf, in de richting van de Kleine Zavel en de Bodenbroek. Op dezelfde kant stond de Reusenschuere, waar de reuzen van de Ommegang na elke optocht werden opgeborgen. In de buurt van het portaal had een kluizenaarswoning gestaan, ooit in de Zavelvlakte opgericht door een eenling. In 1605 kreeg Margaretha Gramaye, zus van de geschiedkundige, de toestemming op de begraafplaats, naar het zuiden, weer een kluis te bouwen, teneinde "een venster te hebben dat op de kerk uitkijkt en de devotie vergemakkelijkt." Twee andere kluizenaars sloten zich bij haar aan. Alle drie leefden ze van aalmoezen. Toen de laatste heremiet van deze stichting in 1756 overleed, liet de aartsbisschop niemand meer toe. De Magistraat liet vervolgens de oude kluizenaarswoning afbreken.

De aanleg van de Regentschapsstraat, eerst van het Koningsplein tot aan de kerk in 1827 en dan van de kerk naar het Paleis van Justitie in 1872, veranderde het uiterlijk van de Kleine Zavel en resulteerde in de verdwijning van de huizen die de rechterzijbeuk van de kerk aan het gezicht onttrokken. Het grote portaal werd in 1878 vrijgemaakt.

Fotogalerij[bewerken]

Kleine Zavel[bewerken]

Op het hoogste punt van de Zavel dat zich uitstrekt tot aan het Paleis van Egmont legde men de Kleine Zavel aan: een park waarin negentiende-eeuwse beeldhouwers in brons 48 oude ambachten uitbeeldden.

Het parkje werd opengesteld in 1890 en is het werk van bouwmeester Hendrik Beyaert (1823-1894). Het plantsoen is omgeven door een fraai uitgewerkte smeedijzeren afsluiting. Op regelmatige afstanden wordt die onderbroken door (neo-)gotische zuiltjes, die elk verschillen en elegante bronzen beeldjes dragen die de Brusselse gilden voorstellen. Deze afsluiting is een nabootsing van die van de hand van de laat vijftiende-eeuwse beeldhouwer Jan Borreman om het Baliënplein heen (ongeveer waar thans het Koningsplein staat) van het oude hertogelijke Paleis op de Koudenberg.

Te beginnen bij de ingang die zich bevindt tegenover het zuidelijke zijportaal van de kerk:

  • 1. Het ambacht van de Vier Gekroonden, dat in één gilde de metsers, steenkappers, beeldhouwers en leidekkers verenigde. De ambachtsman houdt in de rechterhand een kompas, in de linker een ontrolde werktekening; aan zijn voeten liggen een stuk beeldhouwwerk en het gereedschap van een metser en een schaliedekker. Het beeld is van de hand van Godefroid Van den Kerckhove, die het de gelaatstrekken van architect Beyaert meegaf.
  • 2. De Wapensmeden, Helmmakers en Zwaardvegers, door Godefroid Van den Kerckhove. Een jongeman bekijkt een degen; aan zijn voeten ligt een helm.
  • 3. De Tinslagers-Loodgieters, door Jean Cuypers. Kenmerken: een loden rol en een blaasbalg.
  • 4. De Lei- of Pannendekkers, door Albert Desenfans. Kenmerk: een ladder.
  • 5. De Blekers, door Jef Lambeaux. Kenmerk: een schep.
  • 6. De Ketelmakers of Koperslagers en Bronsgieters, door Jef Lambeaux. Kenmerken: pot, kan en hamer.
  • 7. De Stoeldraaiers, Mandenmakers, Stucwerkers en Rietdekkers, door Antoine Van Rasbourgh. Kenmerken: gedraaide spijl en een rieten mand.
  • 8. De Hoedenmakers, Volders en Brandewijnstokers, door Jean Cuypers. Kenmerk: een hoed.
  • 9. De Huidevetters of Leerlooiers, van Albert Desenfans. Kenmerk: runderhuid.
  • 10. De Stoelenmakers in Spaans leer en Pruikenmakers, door Jules Courroit. Kenmerk: een stoel.
  • 11. De Haakbusdragers of Geweermakers, door Jean Van den Kerckhove. Kenmerk: haakbus en aambeeld.
  • 12. De Schoenlappers, door Jean Laumans. Kenmerk: een paar schoenen.
  • 13. De Zoetwatervisverkopers, door Jean Laumans. Kenmerk: visnet en vis.
  • 14. De Schoenmakers, door Louis Van Biesbroeck. Kenmerken: laarzen en schoenen.
  • 15. De Lakenscheerders en –koopmannen, van Eugène De Plyn. Kenmerk: schaar.
  • 16. De Wolververs, door Charles Geefs. Kenmerken: pot in de hand; vat en fornuis op voetstuk.
  • 17. De Gordelsnijders en Speldenmakers, door Antoine Van Rasbourgh. Kenmerk: riemen
  • 18. De Garen- en Brandverkopers, door Polydoor Comeyn. Kenmerken: weegschaal en wolstreng op voetstuk.
  • 19. De Smeden, door Louis Eugène Cambier. Kenmerk: hamer.
  • 20. De Vlasbewerkers en Lijnwaadhandelaars, door Eugène De Plyn. Kenmerk : schietspoel.
  • 21. De Uitdragers of Oude Kleerkopers, door A.D.K. Saïbas (schuilnaam van Auguste Van den Kerckhove). Kenmerken: hoed en stuk stof.
  • 22. De Timmerlieden, door A.D.K. Saïbas. Kenmerk: bijl.
  • 23. De Schippers, door Edouard Laborne. Kenmerken: roeispaan, koorden en anker.
  • 24. De Wolwevers en –handelaars, door Benoît Wante. Kenmerk: schietspoel.
  • 25. De Kleermakers, door Armand Cattier. Kenmerk: kledingstuk en schaar.
  • 26. De Zadel- en Wagenmakers, door Robert Fabry. Kenmerken: zadel en onderstel.
  • 27. De Groenten- en Fruithandelaars, door Albert Hambresin. Kenmerk: een fruitmand.
  • 28. De Schilders, Goudslagers en Glazeniers, door Antoine-Joseph Van Rasbourgh. Kenmerk: palet en kwast.
  • 29. De Sloten- en Uurwerkmakers, door Jean Cuypers. Kenmerken: horloge en sleutelbos.
  • 30. De Wijnhandelaars, door Albert Hambresin. Kenmerken: flessen, beker en ton.
  • 31. De Stoffenhandelaars en Kousenmakers, door Robert Fabry. Kenmerken: stuk stof en kousen aan de gordel.
  • 32. De Barbiers en Chirurgijnen, door Jean-Baptiste Martens. Kenmerken: pot in de hand, voet op een instrumentenkist.
  • 33. De Houthakkers en Boomzagers, door Albert Hambresin. Kenmerk: zaag.
  • 34. De Messenmakers, door Julien Renodeyn. Kenmerk: mes in een schede.
  • 35. De Tonnenmakers of Kuipers, door Jules Courroit. Kenmerk: houten hoepel.
  • 36. De Borduurders en Bontwerkers, door Armand Cattier. Kenmerk: pelsmantel.
  • 37. De Schrijnwerkers, door A.D.K. Saïbas. Kenmerken: schaaf en kompas.
  • 38. De Galonmakers of Passementwerkers, door Emile Namur. Kenmerken: koord en eikel.
  • 39. De Edelsmeden, door Emile Namur. Kenmerken: heft en vat.
  • 40. De Vettewariërs of handelaars in zuivel en gevogelte, door Polydoor Comeyn. Kenmerken: een dode gans waaruit vetten worden gewonnen en fles.
  • 41. De Handschoenmakers, door Louis Van Biesbroeck. Kenmerken: handschoenen in de hand en schaar in de gordel.
  • 42. De Vergulders, door Louis van Biesbroeck. Kenmerken: palet, penseel en beker.
  • 43. De Molenaars, door Guillaume Charlier. Kenmerken: molenrad en molen.
  • 44. De Handelaars in gepekelde vis, door Charles Geefs. Kenmerken: vis en tonnetje.
  • 45. De Slagers, door Edmond Lefever. Kenmerken: slagersmes en meer messen aan de gordel.
  • 46. De Tapijtwevers, door Albert Desenfans. Kenmerk: een klos met garen.
  • 47. De Brouwers, door Jean Van den Kerckhove. Kenmerk: de boom.
  • 48. De Bakkers, door Emile Namur. Kenmerk: een ovenschep.

De levensgrote beelden achter in het plantsoen, zijn een eerbetoon aan de zestiende-eeuwse Nederlanden; die rampzalige maar ook zegerijke tijd in de vaderlandse geschiedenis van België. Een keur aan krachtige en begaafde mannen brak de banden die de menselijke geest nog met de Middeleeuwen verbonden en werkte aan een godsdienstige en wetenschappelijke bevrijding. Aan hen is het te danken dat de Nederlanden een vooraanstaande plaats tussen de Europese naties zijn gaan innemen.

Centraal staan, als symbool van de strijd tegen de Spaanse dwingelandij, op een indrukwekkend voetstuk de beelden van de graven van Egmont en Horne. Deze beeldengroep van Charles-Auguste Fraikin uit 1864 was oorspronkelijk bestemd voor het Broodhuis op de Grote Markt van Brussel, uitgerekend op de plaats waar het schavot had gestaan waarop de afgebeelde graven zijn terechtgesteld. In 1879 werd het monument verplaatst tot voor het voormalige stadspaleis van de graaf van Egmont, in die tijd bezit van de hertog van Arenberg.

De kunstenaar heeft beide graven voorgesteld op het ogenblik waarop zij naar het schavot worden geleid. Egmont, met de hoed op het hoofd en een zakdoek in de hand, vertoont een wilskrachtige uitdrukking. De graaf van Horne houdt zijn fluwelen hoed in de ene hand en legt de andere op de schouder van zijn lotgenoot. Het bijzonder hoge voetstuk in (neo-)gotische stijl, is versierd met de wapenen van de beide Heren. Twee landsknechten flankeren de sokkel. Op een verguld plakkaat staat volgend opschrift: Aux comtes d’Egmont et de Hornes, condamnés par sentence inique du duc d’Albe et décapités à Bruxelles le 5 juin 1568 (Aan de graven van Egmont en Hoorn, bij onrechtvaardig vonnis door de hertog van Alva veroordeeld en onthoofd te Brussel op 5 juni 1568).

De graven zijn omgeven door tien standbeelden die mannen voorstellen wier politieke bedrijvigheid en begaafdheid tot de roem van de zestiende-eeuwse Nederlanden hebben bijgedragen. De beelden werden op 20 juli 1890 onthuld.

Links van de graven van Egmont en Horne beginnend, gaat het om:

  1. Willem de Zwijger, prins van Oranje (1533-1584) door Charles Van der Stappen, als leider van de opstand der Nederlanden tegen Spanje onder koning Filips II voorgesteld met krachtige en koppige trekken, draagt een staf, terwijl zijn linkerhand op zijn degen rust.
  2. Lodewijk van Bodegem (c. 1470-1540), door Jean Cuypers. De vermaarde bouwmeester, betrokken bij de aanleg van het oorspronkelijke Brusselse Broodhuis en de ontwerpen van de kerk van Brou is voorgesteld met een werktekening van de kerk in de ene hand en professioneel gereedschap in de andere.
  3. Hendrik van Brederode (1531-1568), door Antoine-Joseph Van Rasbourgh, incarneert met De Zwijger en Marnix van Sint-Aldegonde het vaderlandsgezinde verzet tegen de dwingelandij. Hij overhandigde Margaretha van Parma het smeekschrift der Edelen van het Eedverbond der Edelen en stelde op het banket voor om de spotnaam van geuzen als erenaam aan te nemen, reden waarom de kunstenaar aan de schouder van de afgebeelde een kom en bedelnap verbindt, kenmerkend voor de geuzen wier spreuk was: Fidèles au roi jusques à porter la besace (trouw aan de koning tot het dragen van de bedelnap toe).
  4. Cornelis Floris De Vriendt (1518-1578), door Jules Pécher. De beeldhouwer en bouwmeester vervaardigde onder meer de sacramentstoren van de Sint-Leonarduskerk van Zoutleeuw, bouwde het Stadhuis en het Hanzehuis van Antwerpen en is de maker van het doksaal van de kathedraal van Doornik.
  5. Rembert Dodoens (1518-1585), door Alphonse de Tombay. De afgebeelde was de meest vermaarde botanicus die de Nederlanden hebben gekend. Hij was tevens geneesheer en hoogleraar aan de Universiteit van Leiden. Hij bestudeerde ook kosmografie en fysiologie, maar zijn voornaamste werken handelen wel over botanica. Hij schreef een Histoire des Plantes en gaf een Nederlandstalig herbarium uit, het Cruydeboeck, opgedragen aan landvoogdes Maria van Hongarije, waarin hij vooral streekgebonden planten behandelde, die hij als eerste classificeerde.
  6. Gerardus Mercator (1512-1594), door Louis Van Biesbroeck. De afgebeelde is bekend onder de gelatiniseerde versie van zijn werkelijke naam, De Cremer, en verwierf roem als aardrijkskundige, kosmograaf en wiskundige. Hij draagt een wereldkaart en een precisie-instrument.
  7. Jan van Locquenghien (1518-1574), door Godefroid Van de Kerckhove. De afgebeelde was burgemeester en Amman van Brussel, waar hij geboren is. Hij was betrokken bij de uitgraving van het kanaal van Willebroek.
  8. Bernard van Orley (1492-1542), door Juliaan Dillens. Het betreft hier de vermaarde Brusselse schilder die Italië bezocht had en daar onder invloed van de Renaissance kwam te staan.
  9. Abraham Ortelius (1527-1598), door Jef Lambeaux. De afgebeelde is een vermaarde geograaf die de eerste aardrijkskundige atlas van de wereld van zijn tijd uitgaf.
  10. Filips van Marnix van Sint-Aldegonde (1538-1598), door Paul De Vigne. De diplomaat, schrijver en wijsgeer werd een vurige voorvechter van de vrijheid van denken. Indien De Zwijger het hoofd en de arm voorstelt van de omslachtige onderneming die de strijd tegen Spanje was, dan stond Marnix voor de ziel en de gedachte.

Grote Zavel[bewerken]

Aan de andere kant van de kerk vormt de Grote Zavel een driehoekig plein tot aan de Rollebeekstraat en de oude wal. Hier zijn veel antiekwinkels, couturierzaken, restaurants en chocolatiers. In het weekeinde is er op dit plein een antiekmarkt.

Minerva-fontein[bewerken]

Centraal staat de Minerva-fontein. Waar zich ooit de Zavelpoel bevond werd in 1661 een fontein opgericht, die Lord Bruce, graaf van Aylesbury en pair van Engeland door een meer monumentale versie liet vervangen als blijk van erkentelijkheid vanwege de gastvrijheid die hij in Brussel heeft mogen genieten. Als welgesteld asielzoeker vestigde hij zich in een hotel in het hogere gedeelte van de Zavel. De fontein werd niet bij leven van de opdrachtgever gebouwd. Diens (testamentair) executeur nam de taak echter op zich en de beeldengroep werd uiteindelijk op 4 november 1751 geplaatst. Die is het werk van beeldhouwer Jacques Bergé (1693-1756) en is getekend en gedateerd J. Bergé Bruxell. 1751.

De fontein is in wit marmer uit Genua en stelt de gezeten godin Minerva voor, die een medaillon draagt met het portret van keizer Frans I Stefan en keizerin Maria Theresia. Twee genieën bevinden zich aan de rechterkant van de godin; één van hen blaast een klaroen en de andere, het genie van de oorlog, stelt zich achter de godin op. Hij draagt de lans en de aegis van Minerva, versierd met een Medusahoofd.

Aan de voorkant van het voetstuk, ziet men het wapen van Thomas Bruce, graaf van Aylesbury, met zijn wapenspreuk Fuimus (wij waren). Aan één van beide zijden bevindt zich het opschrift waarmee Thomas Bruce herinnert aan zijn dankbaarheid voor de aangename gastvrijheid waarvan hij gedurende veertig jaren in de gezonde stad Brussel heeft kunnen genieten en waarom hij in 1740 bij uiterste wilsbeschikking de opdracht gaf tot de oprichting van de fontein:

Thomas Bruce
Comes Ailesb (uriensis) m (agnae) Brit (anniae) par Hospitio apud Bruxellas XL. Annis
Usus jucundo et salubri.
De suo poni testamento jussit
Anno MDCCXL

Op de keerzijde wordt vermeld :

Undecim vero post annis - elf jaar later
Pace unique terrarum firmata - wanneer vrede was gesloten op aarde
Joannes Bruce haeres erigi curavit. - zijn erfgenaam Jean Bruce de fontein liet oprichten
Francisco Lotharingo Rom. Imperium - nadat keizer Frans van Lotharingen
Et Maria Theresia Caroli VI f (ilia) - en Maria Theresia, dochter van Karel VI
Regna paterna fortiter vindicata - haar vaderlijke erfenis hadden teruggewonnen
Feliciter et gloriosa tenentibus - onder het gelukkige en roemrijke bestuur
Carolo Lothar (ingo) Belgii gubernatore. - van Karel van Lotharingen, gouverneur van de Nederlanden.

Dit opschrift werd gedicht door Roderic van Keulen, vriend en raadsman van hertog Karel van Lotharingen. In 1797 werd de fontein tegen het revolutionaire anti-aristocratische geweld beschut. De beelden werden tijdelijk verwijderd. Het wapen en de opschriften op het voetstuk werden bedekt onder een laag pleister.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Gérard des Marez, Guide illustré de Bruxelles, Touring Club de Belgique, 1917, blz. 172-175, 181-182