Beerdiertjes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Beerdiertjes
Milnesium tardigradum komt ook voor in Nederland. Deze afbeelding is gemaakt met behulp van een een rasterelektronenmicroscoop. De kop is links te zien.
Milnesium tardigradum komt ook voor in Nederland. Deze afbeelding is gemaakt met behulp van een een rasterelektronenmicroscoop. De kop is links te zien.
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Onderrijk:Eumetazoa (Orgaandieren)
Superstam:Ecdysozoa
Stam
Tardigrada
Spallanzani, 1777
Afbeeldingen Beerdiertjes op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Beerdiertjes op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Beerdiertjes[1] (Tardigrada) zijn een stam (phylum) van minuscule meercellige dieren. Beerdiertjes zijn zeer klein en bereiken meestal een lichaamslengte van ongeveer een halve millimeter. Ze zijn zo klein dat ze in de natuur niet met het blote oog te zien zijn. Ze komen echter zeer algemeen voor, een enkele pluk mos kan honderden tot duizenden exemplaren herbergen. Desondanks is het een vrij onbekende groep van dieren waarvan nog niet alles bekend is.

Beerdiertjes komen wereldwijd voor; zowel in de zee in in alle zeeën en oceanen, in zoetwater alsook op het land, van de tropen tot de poolstreken. Beerdiertjes zijn gebonden aan water, veel soorten zijn echter zeer goed aangepast aan langdurige droogte. Dergelijke soorten komen altijd voor op het land. Een aantal soorten komt voor op grote hoogte in berggebieden of juist in zeer diepe plaatsen in de zee. Sommige soorten leven in extreme omstandigheden zoals in de omgeving van hete zwavelbronnen tot de ijskoude wateren rond Groenland.

Beerdiertjes hebben een cilindervormig lichaam, dat bij een aantal soorten is afgeplat. Alle soorten hebben een in vijf delen verdeeld lijf dat van voor naar achter bestaat uit een kop en vier achterlijfssegmenten. Aan ieder achterlijfssegment is een paar poten gelegen, er zijn altijd acht poten. Hierdoor werd lange tijd gedacht dat ze aan de spinachtigen waren verwant, maar tegenwoordig denken biologen dat ze meer gerelateerd zijn aan de fluweelwormen en de rondwormen.

De stam van beerdiertjes omvat de klassen Heterotardigrada, Mesotardigrada en Eutardigrada. De klasse Mesotardigrada is pas in 1937 beschreven in Japan. De groep werd slechts vertegenwoordigd door een enkele soort die inmiddels is uitgestorven.[2] Er zijn ongeveer 1000 verschillende beerdiertjes beschreven.

Door hun sterke overlevingsvermogen worden ze beschouwd als de meest veerkrachtige en minst uitroeibare dieren op aarde.[3] Beerdiertjes hebben geen directe relatie tot de mens, er zijn geen commerciële, medische of biologische toepassingen bekend.

Naam en ontdekkingsgeschiedenis[bewerken]

Beerdiertjes staan bekend onder verschillende andere namen, zoals tardigraden,[4] waterberen, waterbeertjes en mosbeertjes.[5] Ze moeten niet verward worden met de mosdiertjes (Bryozoa), die tot een geheel andere stam van dieren behoren.

Beerdiertjes werden in 1773 voor het eerst beschreven en getekend door Johann August Ephraim Goeze (1731-1793), een Duitse pastoor. Hij noemde de diertjes 'kleine waterbeer' (Duits: kleiner Wasserbär) omdat hij het wat gekromde lichaam en de onhandige tred van het dier overeenkomsten vond hebben met een beer. De Italiaanse bioloog Lazzaro Spallanzani (1729 – 1799) was geïnteresseerd in het vermogen van sommige diertjes om op te drogen om later weer volledig functioneel te worden. Hij onderzocht onder andere raderdiertjes en rondwormen en was later een verzamelaar van beerdiertjes. Spallanzani was de eerste die ontdekte dat beerdiertjes in extreme omstandigheden kunnen overleven door vrijwel geheel op te drogen. Drie jaar later gaf 1776 gaf Spallanzani een wetenschappelijke naam aan de groep; Tardigrada. Deze naam is te danken aan het feit dat ze zich erg langzaam voortbewegen.[6] Tardigrada betekent vrij vertaald 'langzame stapper' en is een samenstelling van de Latijnse woorden tardus, dat langzaam betekent en gradior, dat stappen betekent.[7]

In 1869 onderzocht de Britse bioloog Thomas Huxley kleine diertjes onder een lichtmicroscoop. De diertjes deden hem door het bolle, iets gekromde lichaam en de wat onhandige, slingerende manier van voortbewegen denken aan de tred van een beer. Huxley gaf ze de naam de naam 'water bears' (waterbeertjes), en hieraan is ook de Nederlandstalige naam beerdiertjes te danken.

Verspreiding en habitat[bewerken]

Beerdiertjes komen overal op de wereld voor in zout of zoet water, de meeste soorten beerdiertjes leven echter in vochtige omgevingen op het land.[8] Landbewonende soorten zijn sterk gebonden aan planten die meestal onder zeer vochtige omstandigheden groeien, zoals mossen en korstmossen.[9] Ze zijn te vinden op grote hoogte in de Himalaya boven de 6000 meter, maar ook in de diepzee tot een diepte van 4690 meter.[10] In zoetwatermeren zijn beerdiertjes aangetroffen tot een diepte van 150 meter. Verder zijn de verschillende soorten bekend van de polen tot op de evenaar.

Soorten in Nederland[bewerken]

Op de stranden van Nederland zijn de soorten Batillipes phreaticus, het zeebeertje (Echiniscoides sigismundi), Batillipes mirus en Batillipes tubernatis aangetroffen.[11] Het vulpenstekelstrandbeerdiertje (Batillipes pennaki) werd pas in 2015 ontdekt op de stranden van de Oosterschelde.[12]

In Nederland zijn achttien verschillende soorten beerdiertjes aangetroffen, deze zijn in de onderstaande uitklapbare tabel weergegeven.[13]

Habitat[bewerken]

Coscinodon cribrosus is een geschikte leefomgeving van het beerdiertje Macrobiotus persimilis

Beerdiertjes komen voor in de meest uiteenlopende biotopen. Ze leven zowel in zoet water als in zeewater en op het land worden ze aangetroffen in vochtige planten zoals mossen maar ook in vochtig zand.[14] Beerdiertjes leven in de kleinst mogelijke microhabitats; sommige soorten zijn zo klein dat ze kunnen leven in de ruimtes tussen de zandkorrels op het strand. Deze levenswijze wordt wel mesopsammon (meso = tussen, psammos = zand) genoemd.

Beerdiertjes komen voornamelijk voor op het land. Een van de soorten die vrijwel wereldwijd op het land voorkomt is Macrobiotus hufelandi.[14] De meeste soorten leven in meer gematigde gebieden, een relatief klein aantal soorten komt voor in tropische gebieden.[9] Beerdiertjes worden veel gevonden in verschillende soorten haakmos (Rhytidiadelphus), zoals riempjesmos (Rhytidiadelphus loreus) en gewoon haakmos (Rhytidiadelphus squarrosus).[15] De diertjes leven niet alleen van de mossen, maar doordat het mos vele vertakkingen heeft kunnen beerdiertjes zich ook goed verschuilen tegen grotere predatoren.[9] Om dezelfde reden worden ze ook gevonden op levermossen. Op het land levende soorten kunnen slecht tegen stromend water omdat ze dan makkelijk worden weggevoerd.

Een aantal soorten komt voor in extreme milieus, een voorbeeld is Thermozodium esakii. Deze soort leefde van algen rond zwavelbronnen in water dat een temperatuur had van rond de veertig graden. Het beerdiertje werd in 1937 aangetroffen nabij de Japanse stad Nagasaki. Na een aardbeving was de natuurlijke habitat echter verdwenen. De soort is tot op heden niet meer gezien en wordt beschouwd als uitgestorven.[2]

Beerdiertjes zijn gespecialiseerd in omgevingen die grote temperatuurschommelingen kennen en tevens zijn ze aangepast aan een sterk wisselende vochtigheid. Beerdiertjes bewonen vaak tijdelijke wateren, zoals droogvallende meren en rivieren en tijdelijke waterplassen. Soorten die in mossen leven drogen regelmatig uit vanwege een gebrek aan regen.[1] Soorten die in getijdengebieden leven worden periodiek blootgesteld aan droogte en aan de zon als het eb wordt. Dergelijke soorten leven in constant stromend water en hebben langere klauwtjes om zich beter aan het substraat te hechten. Door de bouw van de poten zijn beerdiertjes meestal erg sloom, met name de soorten die van plantaardig materiaal leven. De vleesetende soorten echter kunnen zich relatief snel voortbewegen en staan zelfs bekend als een van de snelste dieren ter wereld in verhouding tot hun lichaamslengte. Van de soort Macrobiotus hufelandi is bekend dat een snelheid kan worden bereikt van 17 centimeter per uur. Van slechts enkele soorten is bekend dat ze daadwerkelijk in het water kunnen zwemmen. Bij dergelijke soorten zwelt het lichaam op door water op te nemen, het lichaam lijkt dan enigszins op een kwal.[10]

Beerdiertjes kunnen massaal voorkomen, in een enkele pluk mos kunnen vele honderden exemplaren worden aangetroffen. Wetenschappers hebben tot 823 exemplaren aangetroffen in een enkele gram mos, bij een andere telling werden gemiddeld 228,7 exemplaren op een vierkante centimeter gevonden. Bij een onderzoek in 1929 werden in een droog plukje mos van 0,0286 gram 660 beerdiertjes geteld, wat neerkomt op 22.000 exemplaren per gram.[15] Een later onderzoek uit 2002 toonde aan dat er 2 miljoen beerdiertjes op een vierkante meter kunnen leven.[9]

Beerdiertjes kunnen zich in de droge toestand -waarbij ze zeer klein en licht zijn- verspreiden door de wind. Zo kunnen ze nieuwe gebieden koloniseren die op relatief grote afstand liggen van de plaats waar ze zijn opgedroogd.[16]

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

Beerdiertjes hebben een bilateraal symmetrisch lichaam. Het is opgebouwd uit vijf segmenten, het voorste segment is het kopsegment, gevolgd door vier lichaamssegmenten die elk een paar poten dragen.

De soort Beorn leggi bekeken van de dorsolaterale zijde (links) en de ventrolaterale zijde (rechts).
Legenda
K = Kop
L1 = Eerste segment
L2 = Tweede segment
L3 = Derde segment
L4 = Vierde segment
A = Anteriaal
P = Posteriaal
LP1 = Eerste poot
LP2 = Tweede poot
LP3 = Derde poot
LP4 = Vierde poot
M = Mondopening

Beerdiertjes zijn een van de kleinste vertegenwoordigers van de meercellige dieren. De grootste soorten bereiken een maximale lichaamslengte van 1,2 millimeter. De kleinste soorten zijn in het volwassen stadium 0,08 millimeter lang. De soorten die in zee leven blijven vaak erg klein en worden meestal niet langer dan 0,1 tot 0,3 mm.[17] Mannetjes worden bij veel soorten ongeveer even groot als vrouwtjes maar bij andere soorten blijven ze veel kleiner.

De soorten uit het geslacht Pseudechiniscus zijn een voorbeeld van een groep van kleinere soorten, zij worden ongeveer 0,1 tot 0,25 millimeter lang. De soorten die tot het geslacht Milnesium behoren zijn groter en kunnen tot ongeveer een millimeter lang worden. Macrobiotus hufelandi is een van de grootste soorten en bereikt een lengte tot 1,2 millimeter.[16] Alle andere soorten hebben een lengte die hier tussenin ligt, zoals Diphascon (0,2 - 0,4 mm), Ramazzottius (0,2 - 0,35 mm) en Hypsibius (tot 0,35 mm).[18]

De lichaamsgrootte is afhankelijk van de omgevingstemperatuur waarin het diertje opgroeit. Bij de soort Isohypsibius dastychi worden exemplaren die bij 12 graden Celsius opgroeien aanmerkelijk groter dan exemplaren die bij 20 °C volwassen worden.[19]

Grotere soorten beerdiertjes zijn op een objectglaasje met het blote oog nét zichtbaar als de lichtval optimaal is. Het diertje is dan te zien als een minuscuul, bleek stipje.[18]

Kop[bewerken]

De kop van een beerdiertje bestaat uit het eerste segment aan de voorzijde, dit wordt wel het kopsegment of cephalon genoemd. Bij een aantal soorten is de kop enigszins afgesnoerd van het lichaam maar dit is bij veel soorten niet het geval. Op het kopsegment zijn bij een aantal soorten kleine uitsteekseltjes aanwezig zoals papillen of haartjes (cirrus, mv cirri) die dienen als tastorganen. Ook opvallende uitsteeksels aan de kop zijn niet ongebruikelijk bij de beerdiertjes. De soort Cornechiniscus cornutus bijvoorbeeld heeft twee hoornachtige structuren aan de bovenzijde van de kop.[9] De kop is vaak iets onder het lichaam gekromd en draagt de ogen en de mondopening.

De ogen van beerdiertjes zijn zeer klein en zijn alleen onder een sterke vergroting te zien. De ogen zijn eenvoudig en bestaan uit vijf cellen waarvan er één lichtgevoelig is, deze is voorzien van pigmenten.[10] Niet alle soorten hebben echter ogen, dit verschilt enigszins per groep. Soorten uit het geslacht Diphascon hebben altijd ogen, binnen het geslacht Hypsibius komen zowel soorten met ogen voor als zonder ogen.[18] De ogen bestaan uit een lichtgevoelige lichaamscel die in verbinding staat met de zenuwknopen of ganglia. Bij veel aantal soorten is onder de huid een doorzichtige structuur aanwezig die dient als een soort lens. Deze lens lijkt op de enkelvoudige oogcellen van sommige insecten (ocelli) en wordt ook wel ommatidium genoemd. De kleur van de ogen is meestal bleek tot wit van kleur maar kan ook rood (geslacht Echiniscus) of zwart (geslacht Pseudechiniscus) zijn. Omdat beerdiertjes zo klein zijn, zijn de ogen op veel foto's niet zichtbaar. Vaak wordt op het lichaam of de poten gefocust en de ogen vallen hierdoor weg.[20]

De mondopening is aan de voorzijde van het kopsegment gelegen. Bij de detritus-etende soorten is de mondopening aan de onderzijde van de kop gelegen, bij de andere beerdiertjes is de mond aan het uiteinde van de kop gepositioneerd.[10]

De stiletten hebben een verharde structuur en zijn soms verkalkt. De uiteinden van de stiletten bevatten kleine tandjes. Deze worden niet gebruikt om te kauwen, maar om de monddelen aan het voedsel te hechten.[21] De monddelen dienen zowel als een naald als een rietje. Ze worden bij het eten in de cellen van het voedingsmedium gestoken waarna de celinhoud naar binnen wordt gezogen.

Iedere keer als een beerdiertje vervelt gaan de monddelen als eerste verloren, na de vervelling worden nieuwe monddelen gevormd. Dit heeft als gevolg dat een beerdiertje niet kan eten tijdens de vervelling.

Lichaam[bewerken]

Microscopische opname van een onbekende soort.

Het lichaam van een beerdiertje is enigszins uitgerekt ovaal van vorm en doet op het eerste gezicht denken aan een kleine, korte rups. De bovenzijde is bol, de onderzijde is iets afgeplat. Het lichaam is verdeeld in vijf segmenten, dit is bij veel soorten echter niet duidelijk te zien. Beerdiertjes hebben meestal geen eigen lichaamskleur, bij sommige soorten bevat de huid stoffen die een bruine, gele, groene, oranje, roze, rode, paarse of zwarte kleur hebben.[1] Deze pigmenten dienen waarschijnlijk als antioxidanten om het lichaam te beschermen als de diertjes ineen zijn geschrompeld. Omdat veel soorten plantenvloeistoffen eten krijgen ze veel chlorofyl binnen -een groene kleurstof- en hierdoor verkrijgt het lichaam een groene kleur. Bij de vertering van het plantaardig materiaal verandert de kleur hiervan echter naar geel tot roodbruin. De lichaamskleur van plantenetende beerdiertjes is hierdoor veranderlijk.

Het gehele lijf is omgeven door een dunne lichaamswand die het lichaam afschermt van de buitenwereld, de huid is zeer dun en doorzichtig. De huid bestaat uit tot zeven verschillende lagen eiwitten.[10] De huid is Fpnaschpermeabel voor stoffen als zuurstof zodat beerdiertjes door hun huid kunnen ademhalen. De buitenste huid wordt gevormd uit een binnenste huidlaag, de epidermis. De buitenste huid wordt cuticula genoemd en bestaat als bij geleedpotigen uit chitine. Daarnaast zijn in de huid eiwitten aanwezig die verwant zijn aan albumine (albuminoïden). Deze eiwitten zijn waterminnend en zwellen op als ze vochtig worden om weer in te krimpen bij droogte. Veel beerdiertjes die op het land leven hebben verharde, plaatachtige delen van de huid die soms een gegroefd oppervlak hebben.[16] Deze platen kunnen zowel op de buikzijde als de rugzijde voorkomen en vormen een beschermend pantser dat helpt om het lichaam te beschermen als het inkrimpt bij uitdroging.

Net als op de kop kunnen ook op het lichaam uitsteeksels aanwezig zijn, zoals kleine haartjes of papillen. Bij een aantal soorten zijn zeer lange, dunne haartjes aanwezig die slechts her en der voorkomen op het lichaam, een voorbeeld is Echiniscus trisetosus. Het is niet bekend of deze structuren een functie hebben als chemische- of tastzintuiglijke orgaantjes of werken als een soort rietjes die het water in de omgeving door capillaire werking naar het lichaam toe leiden.[9] De uitsteeksels aan de achterzijde van het lichaam worden ook wel clava genoemd.

Poten[bewerken]

Een beerdiertje onder een lichtmicroscoop gezien vanaf de onderzijde. De poten zijn hierdoor duidelijk zichtbaar.

De vier paar poten lijken op kleine stompjes. De poten zijn zacht, ze zijn omgeven door de dunne huid en zijn gevuld met lichaamsvloeistof. Bij een aantal soorten zijn de pootjes uitstulpbaar als een ballon. De poten van beerdiertjes vertonen veel overeenkomsten met die van de fluweelwormen.

De poten zijn niet geleed en hebben dus geen gewrichten maar ze zijn wel gesegmenteerd. De voorste drie paar poten zijn zijwaarts gericht en dienen om het lichaam voort te trekken over het substraat. Het achterste potenpaar is naar achteren gericht en wordt voornamelijk gebruikt om het lichaam te ankeren aan de ondergrond. Vermoed wordt dat het achterste potenpaar is omgebouwd om het lichaam vooruit te duwen door de deeltjes van het substraat, net als de naschuiver van een rups.

Aan het uiteinde van de poten zijn duidelijke klauwtjes gelegen, dit komt eveneens voor bij de fluweelwormen. De klauwtjes zijn altijd gepaard, de meeste soorten hebben twee of vier klauwtjes aan het uiteinde van de poten maar dit kan oplopen tot acht. De vorm en lengte van de klauwtjes kent een grote variatie, veel groepen zijn aan de vorm van de klauwtjes tot op soortniveau te determineren. Aan de uiteinden van de poten zijn meestal vier vingerachtige uitstulpingen aanwezig die de klauwtjes dragen. Bij een aantal soorten ontbreken klauwtjes echter op een aantal van deze pootuitstulpingen. Bij de in 2014 beschreven soort Mutaparadoxipus duodigifinis zijn aan het uiteinde van de voorste drie potenparen alleen klauwtjes aanwezig op de eerste drie pootuitstulpingen, de vierde heeft geen klauwtje. Het achterste potenpaar echter bezit alleen klauwtjes op het tweede en derde pootuitsteeksel.[22] Van enkele soorten is bekend dat ze zuignapjes hebben aan de poten die dienen om zich vast te hechten.

Inwendige anatomie[bewerken]

Hoewel ze erg klein zijn, hebben de diertjes een vertakt zenuwstelsel en een uit verschillende delen bestaand spijsverteringskanaal.[23] Ze hebben echter geen met de bloedsomloop vergelijkbaar vaatstelsel en ook een gespecialiseerd ademhalingsstelsel ontbreekt. Soorten die in zoet water leven hebben drie of vier kleine klieren in het lichaam. Deze klieren zijn eenvoudig van structuur en iedere klier bestaat uit slechts drie tot negen cellen. De functie van de klieren is nog onbekend, vermoedelijk spelen ze een rol bij de zuurstofhuishouding.[10]

Spijsvertering[bewerken]

Spijsverteringskanaal van Richtersius coronifer. Links een actief stadium van opzij gezien (kopzijde links) en rechts het tonstadium van onderen gezien (kopzijde boven).
Legenda
*mo = mond
*st = stiletten
*pb = farynx
*mg = middeldarm
*go = geslachtsorganen
*an = anus

Het spijsverteringskanaal begint bij de mondopening aan de onderzijde van het kopsegment. De monddelen bestaan uit twee uitstulpbare en langwerpige monddelen bezit die de stiletten worden genoemd. Het voedsel wordt opgenomen via de mondopening, die aan de voorzijde kleine rijen tandjes heeft.

Achter de mondopening is een op een slokdarm (farynx) gelijkend kanaal gelegen dat voorzien is van spieren. Aan iedere zijde van de farynx is een speekselklier gelegen. In de farynx zijn soms verharde staafjes aanwezig die zorgen voor stevigheid maar wellicht ook dienen om het voedsel te vermalen.[10] De spieren van de farynx pompen het voedsel middels samentrekkende bewegingen de darmen in. Eerst wordt het voedsel naar het voorste deel van darmen geleid, vervolgens komt het in een breder middendeel van de darm terecht en uiteindelijk in de einddarm.[1] In het voorste deel van de darmen worden zure stoffen afgescheiden zodat een lage pH ontstaat, in het achterste deel van de darmen heerst een basisch milieu.[9]

Beerdiertjes hebben een uitscheidingsorgaan aan de achterzijde van het lichaam dat in verbinding staat met vertakkingen van de darmen.[14] Deze anus is altijd voor het achterste potenpaar gepositioneerd. De buisjes die naar de anus leiden zijn zo klein en dun dat ze lijken op de kleine lichaamskanaaltjes van insecten; de buizen van Malphigi. Bij insecten worden deze zeer kleine buisachtige kanaaltjes echter gebruikt voor de lichaamsademhaling en niet als uitscheidingskanaal.[16] Bij veel soorten worden de afvalstoffen regelmatig uitgescheiden. Een uitwerpsel kan bijna een derde van de totale lichaamslengte bedragen.[24] Er zijn ook soorten die de afvalstoffen ophopen in het lichaam en zich pas tijdens een vervelling kunnen ontlasten.[25]

Zenuwstelsel en ademhaling[bewerken]

Het zenuwstelsel lijkt op een touwladder, net zoals bij gelede wormen voorkomt.[14] Het bestaat uit twee zenuwknopen of ganglia die boven de slokdarm zijn gelegen De voorste zenuwknoop, het cerebrale ganglion, is bij de kop gelegen en kan beschouwd worden als de 'hersenen' van het diertje. Daarachter is een tweede zenuwknoop gepositioneerd, het subesophageale ganglion, dat de spijsvertering regelt. Vervolgens zijn in de lichaamsholte vier paar zenuwknopen aanwezig aan de onderkant van de lichaamssegmenten. Deze ganglia sturen de poten van het beerdiertje aan.[14]

Beerdiertjes hebben geen ademhalingsstelsel; de voor de celademhaling benodigde zuurstof wordt door de dunne huid via osmose direct uit het omringende water opgenomen. De zuurstof komt in de lichaamsvloeistoffen terecht en wordt door het lichaam gevoerd. Omdat de lichaamscellen dicht bij elkaar zijn gelegen kan zuurstof gemakkelijk doordringen naar alle weefsels. Alle soorten beerdiertjes zijn eutelisch; als een exemplaar eenmaal volwassen is verandert het aantal lichaamscellen niet meer. Een jong adult kan alleen groter worden doordat de lichaamscellen groeien.[25]

Voedsel[bewerken]

Voedsel van enkele soorten beerdiertjes[9]
Soort beerdiertje Familie
Macrobiotus sapiens Mossenfamilie Erpodiaceae (Aulacopilum hodgkinsoniae, Venturiella sinensis)
Mossenfamilie Pottiaceae (Syntrichia obtusissima)
Macrobiotus persimilis Mossenfamilie Grimmiaceae (Grimmia elongata, Coscinodon cribrosus, Schistidium strictum)
Richtersius coronifer Algenfamilie (Trebouxia)

Beerdiertjes hebben zich gespecialiseerd op verschillende voedselbronnen. De meeste soorten leven van plantaardig materiaal, andere soorten zijn aaseters of carnivoor en enkele soorten leven parasitair op hogere dieren.

Beerdiertjes voeden zich voornamelijk met planten, algen, mossen en korstmossen.[17] Van een aantal soorten is bekend dat ze schimmels en bacteriën eten. De soort Echiniscus molluscorum is aangetroffen in de uitwerpselen van landslakken. Het is echter niet bekend of het beerdiertje zich heeft gespecialiseerd in slakkenmest of dat die dieren zijn opgegeten door de slak en dit hebben overleefd.

Vanwege de zeer kleine lichaamslengte zijn ze slechts in staat om individuele cellen leeg te zuigen. De cellen worden met de uitstulpbare monddelen (stiletten) doorboord en worden vervolgens opgezogen. Dit verklaart de vaak groene tint van veel exemplaren, hoewel ze meestal geen eigen lichaamskleur hebben. Een aantal soorten leeft van dode dieren, zoals kleine wormen of dode soortgenoten.[1]

Sommige soorten zijn echter carnivoor en leven van andere kleine diertjes die zij levend buitmaken. Ook deze soorten kunnen vanwege hun kleine lichaamslengte slechts kleine prooien buitmaken. De vleesetende soorten leven van kleine diertjes, zoals kleine wormen en raderdiertjes. Van de soorten Macrobiotus harmsworthi en Macrobiotus richtersi is bekend dat grote hoeveelheden nematoden worden gegeten. Laatstgenoemde eet gemiddeld 61 nematoden per etmaal.

Er zijn ook beerdiertjes die andere soorten beerdiertjes buitmaken.[16] Voorbeelden van dergelijke 'kannibalen' zijn de relatief grote soorten uit de geslachten Macrobiotus en Milnesium, die jagen op kleinere soorten uit de geslachten Diphascon en Hypsibius. In de darmen van de eerstgenoemde jagers werden resten van klauwen en monddelen van Diphascon en Hypsibius aangetroffen. Carnivore soorten kunnen zich sneller voortbewegen dan de plantenetende soorten.[9]

Tenslotte zijn er ook beerdiertjes die zijn aan te merken als uitgesproken parasitair. Zij leven op de huid van andere organismen en richten hier schade aan. Een voorbeeld is Tetrakentron synaptae, die leeft op de zeekomkommer Leptosynapta galliennii. Een andere soort, Echiniscoides hoepneri, is een ectoparasiet van de gewone zeepok (Semibalanus balanoides). Beide soorten zijn obligaat parasitair; zonder hun specifieke gastheer kunnen ze niet overleven. Er zijn ook facultatief parasitaire beerdiertjes, die voordeel hebben van een gastheer maar ook zonder kunnen. Een voorbeeld hiervan is Pleocola limnoriae, die te vinden is op de boorpissebed (Limnoria lignorum).[17]

Vijanden[bewerken]

Beerdiertjes hebben verschillende vijanden, zoals kleine insecten, spinnen, mijten, springstaarten, slakken, kreeftachtigen en nematoden.[10] Daarnaast worden ze aangetast door verschillende soorten schimmels, zoals diverse soorten uit het geslacht Lecophagus. Ook de schimmel Ballocephala pedicellata is een beruchte parasiet, deze tast onder andere de beerdiertjes Hypsibius dujardini en Diphascon pingue aan. Een andere schimmel die op beerdiertjes groeit is Haptoglossa mirabilis.

Een belangrijke vijand van beerdiertjes -zij het indirect- is de mens. Als het substraat waarop ze leven blootstaat aan milieuvervuiling kan dit ook de beerdiertjes aantasten. Een verhoogde concentratie zware metalen of een slechte luchtkwaliteit hebben een zeer negatieve invloed op de dieren. Ook een verlaagde pH, bijvoorbeeld als gevolg van een verhoogde concentratie zwaveldioxide of als gevolg van zure regen, heeft een negatieve invloed.[9]

Voortplanting en ontwikkeling[bewerken]

Een lopend beerdiertje.

Als de omstandigheden gunstig zijn kunnen beerdiertjes zich het gehele jaar door voortplanten. Alle soorten planten zich voort door het afzetten van eieren. Beerdiertjes die in zee leven kennen in de regel gescheiden geslachten, dus mannetjes en vrouwtjes. Mannetjes zijn bij veel soorten ongeveer even groot als het vrouwtje, bij andere soorten blijven ze kleiner. Afhankelijk van de soort kan een mannetje meerdere malen sperma produceren, bij sommige soorten is dit slechts één keer mogelijk. Van enkele soorten is een vorm van paargedrag of balts bekend. De mannetjes stimuleren hierbij de vrouwtjes door hun cirri (tasthaartjes) tegen het lichaam van het vrouwtje te strijken.

Mannetjes zijn bij sommige soorten beerdiertjes erg zeldzaam en bij een aantal soorten komen zelfs helemaal geen mannetjes voor. Bij soorten die in zoet water of op het land leven is vaak sprake van parthogene exemplaren voor die zich maagdelijk voortplanten.[23] Alle 150 soorten uit het geslacht Echiniscus bijvoorbeeld zijn parthenogeen. De vrouwtjes van dergelijke soorten hebben niet noodzakelijk een mannetje nodig maar produceren klonen van zichzelf. Bij sommige beerdiertjes komt tweeslachtigheid voor, de dieren hebben dan zowel mannelijke als vrouwelijke voortplantingsorganen. Deze soorten worden wel hermafrodiet genoemd en bevruchten zichzelf. Het voordeel van maagdelijke voortplanting en tweeslachtigheid is dat een enkel beerdiertje een geheel gebied kan koloniseren.

Beerdiertjes waarbij mannetjes en vrouwtjes zijn te onderscheiden kennen twee vormen van bevruchting, die tevens samenhangen met de structuur van het oppervlak van de eitjes. Bij de eerste groep worden de eieren afgezet in de huid van het vrouwtje, vlak voor zij gaat vervellen. Het mannetje spuit vervolgens zijn zaadcellen over de eieren zodat ze worden bevrucht. Bij dergelijke soorten paren soms meerdere mannetjes met het vrouwtje. Vlak na de bevruchting werpt het vrouwtje haar oude huid af, inclusief de inmiddels bevruchte eitjes.

Ei[bewerken]

Een vrouwtje met zichtbare eitjes in het lichaam.
Een ei van de soort Macrobiotus shonaicus. Links het gehele ei, in het midden een vergroting van het oppervlak van het ei waarbij de papil-achtige structuren te zien zijn en recht een opname van een enkele structuur. Schaalgrootte in micrometer (μm).

De eitjes zijn microscopisch klein en hebben een diameter van 0,07 tot 0,115 millimeter.

De vorm van de eieren kan sterk verschillen. Bij de beerdiertjes die hun eieren afzetten in de vervellingshuid van het vrouwtje heeft het ei een glad oppervlak.[16] Veel soorten zetten hun eieren af op het substraat of in natuurlijke holtes. Voorbeelden van dergelijke plaatsen zijn de afgeworpen vervellingshuiden van andere kleine diertjes zoals watervlooien of in de minuscule sporendoosjes van mossen. De eieren van deze soorten zijn vaak voorzien van opstaande kegeltjes, stekels, haartjes of kransvormige, vertakte haartjes die de rolweerstand vergroten zodat de eieren niet makkelijk van het substraat afglijden. Bij sommige soorten doet het ei met enige fantasie denken aan een kerstster of een zeemijn.[16] Deze ornamenten dienen om de eieren niet van het substraat af te laten rollen, en spelen waarschijnlijk ook een rol bij het afweren van vijanden, het efficiënter kunnen vasthouden van water of het vergroten van het zuurstofopnemend vermogen van het ei.[8] Ze beschermen het ei als het door andere dieren wordt aangeraakt en waarschijnlijk verhoogt het sterk vergrote lichaamsoppervlak de efficiëntie van de gasuitwisseling tussen het ei en zijn omgeving.[9]

De eieren kunnen één voor één worden afgezet maar worden ook wel in groepjes gedeponeerd, afhankelijk van de soort. Het aantal eieren is eveneens afhankelijk van de soort, variërend van enkele eieren tot ongeveer veertig. Het aantal eieren kan ook binnen een soort sterk variëren, afhankelijk van de conditie van het vrouwtje. Vrouwtjes die goed doorvoed zijn produceren meer eieren dan vrouwtjes die slechtere condities hebben gekend. Ook is waargenomen dat de eieren worden doorgeslikt en verteerd om proteïnen binnen te krijgen.[9]

De incubatietijd is ongeveer twee weken tot een maand, waarna de juvenielen verschijnen. Bij een aantal soorten komen de eieren niet allemaal tegelijkertijd uit maar verspreid over een langere periode. Van de soort Paramacrobiotus richtersi is bekend dat een aantal eieren na 30 tot 40 dagen uitkomt, andere eieren na 40 tot 60 dagen en sommige eieren komen pas na 90 dagen uit. Daarnaast heeft een deel van de eieren een droge periode nodig, vervolgd door rehydratie, voordat ze kunnen uitkomen.

Juvenielen[bewerken]

Als het embryo zich volledig heeft ontwikkelt, wordt de eierschaal doorbroken. Het jonge dier gebruikt hierbij de monddelen (stiletten) om de eierschaal te breken, normaal gesproken dienen de stiletten om voedseldeeltjes leeg te zuigen.[10] Beerdiertjes kennen geen larvaal stadium zoals van de insecten bekend is. Uit de eieren kruipen jongen die al sterk lijken op de ouderdieren, ze zijn echter nog niet volwassen. De ontwikkelingsduur hangt af van de omgevingstemperatuur waarin het diertje opgroeit. Bij de soort Isohypsibius dastychi zijn exemplaren die bij 12 graden Celsius opgroeien veel later volwassen dan exemplaren die leven bij een temperatuur van 20 °C.[19]

Veel soorten uit de groep van de Heterotardigrada hebben als volwassen dier een sterke bepantsering, diverse lichaamsuitsteeksels zoals haartjes of een combinatie hiervan. Deze zijn bij jonge dieren nog niet goed te zien maar na iedere vervelling worden deze structuren groter. De meeste beerdiertjes worden een paar maanden oud, als ze niet gehinderd worden door droogte. Indien het langdurig droog blijft kan de levensduur worden opgerekt tot meerdere jaren. Veel soorten die in vochtig mos leven worden drie tot vier maanden oud. Uitschieters kunnen een leeftijd van meer dan twee jaar bereiken exclusief inactieve perioden.

Vervellen[bewerken]

Vervellingshuid van een vrouwtje met de daarin afgezette eitjes.

Net als andere geleedpotigen moeten beerdiertjes regelmatig vervellen, omdat hun huid niet meegroeit. Bij de meeste soorten zijn vier tot twaalf vervellingen normaal. De vervelling kan enkele uren tot verscheidene dagen duren.[18] Beerdiertjes vervellen niet alleen als onvolwassen dier waarbij het na een laatste vervelling volledig is ontwikkeld, ze vervellen hun hele leven lang. De juvenielen vervellen echter veel regelmatiger.

Tijdens de vervelling wordt de oude huid afgeworpen waarbij een nieuwe huid tevoorschijn komt. Na iedere vervelling worden de juvenielen een maatje groter. Tijdens de vervelling wordt de gehele lichaamshuid, inclusief die van de poten, de kop en de monddelen geheel vervangen. Het jonge beerdiertje krijgt na iedere vervelling steeds meer kenmerken van de ouderdieren. Voorafgaand aan de vervelling worden eerst de monddelen (stiletten) afgeworpen en de huid rond de monddelen komt los van het lichaam. De inwendige monddelen worden teruggetrokken in de kop, het beerdiertje kan gedurende deze tijd geen voedsel opnemen vanwege het ontbreken van functionele monddelen. Vervolgens worden nieuwe monddelen gevormd en pas daarna wordt de rest van de huid afgeworpen. Bij het afwerpen van de huid wordt ook de binnenzijde van de darm vervangen.

Soms wordt de vervelling gebruikt om zich eenmalig van ontlasting te ontdoen, tevens dient de vervellingshuid bij een aantal soorten als eicapsule.

Overlevingsstrategieën[bewerken]

Beerdiertjes leven in microhabitats waar het vochtig tot nat is, ze kunnen alleen lopen, eten, paren of groeien als de omgeving voldoende water bevat. Hierbij moet tenminste de huid permanent geheel bedekt zijn met een filmlaagje water. Als er onvoldoende water is kunnen de dieren zich echter aanpassen om droogte te overleven.

Beerdiertjes komen veel voor in kolonies van cryptogamische (bloemloze) planten zoals mossen en korstmossen. Van dergelijke omgevingen is bekend dat ze regelmatig uitdrogen. In een groot deel van het verspreidingsgebied kan het erg warm worden in de zomer en zeer koud in de winter. Soorten die in woestijnen voorkomen hebben soms een hoge UV- straling te verduren. Zowel de eieren, de jonge dieren als de volwassen exemplaren zijn in staat om dergelijke extreme omstandigheden te overleven.[9]

Beerdiertjes hebben zich aangepast doordat ze in staat zijn om vrijwel al het water uit het lichaam te laten verdampen. Een opmerkelijke eigenschap is het vermogen om de lichaamsprocessen vrijwel geheel stil te zetten en een lang stadium van cryptobiose (schijndood) te ondergaan. Beerdiertjes kunnen onder zeer ongunstige omstandigheden toch overleven, ook als deze omstandigheden gedurende langere tijd, zoals enkele jaren, aanhouden. Met name dit laatste feit is erg bijzonder.

Heel lang was onbekend hoe de beertjes zo bestendig kunnen zijn in zeer extreme omstandigheden. Uit een onderzoek uit eind 2015 bleek dat de genen van beerdiertjes voor meer dan zeventien procent bestonden uit 'vreemd' DNA. Dit wil zeggen dat het DNA niet is verkregen uit voorouders of mutaties van bestaande genen maar dat ze 'geleend' zijn van bacteriën en schimmels. Deze bevindingen kregen wereldwijd aandacht omdat een dergelijk percentage uitzonderlijk hoog is, de meeste dieren zoals de mens hebben ongeveer één procent vreemd DNA.[26]
Begin 2016 werden deze conclusie echter alweer ontkracht door een vervolgonderzoek. Hieruit bleek dat de aangetroffen extra genen een contaminatie waren van bacteriën die op de onderzochte beerdiertjes aanwezig waren. Volgens de huidige inzichten hebben beerdiertjes ongeveer evenveel vreemd DNA als de meeste andere dieren.[27]

Uitdroging[bewerken]

Tonvorm van de soort Richtersius coronifer.

Beerdiertjes die op mossen op bijvoorbeeld daken en rotsen leven zijn eraan gewend dat hun leefomgeving soms volledig uitdroogt. Het vermogen om volledig te kunnen uitdrogen is alleen bekend van soorten die op het land leven en niet van de soorten die permanent in het water verblijven.[28]

Beerdiertjes hebben het vermogen om het overgrote deel van het water in het lichaam te kunnen afgeven zonder hier schade aan te ondervinden. Het is belangrijk dat het lichaam niet te snel uitdroogt, zodat de weefsels de tijd krijgen om zich aan te passen. Hoe sneller een beerdiertje uitdroogt, hoe kleiner de kans is dat het weer tot leven kan komen als de omstandigheden weer vochtig worden. Als een opgedroogd beerdiertje weer aan water wordt blootgesteld is het binnen korte tijd weer in staat om te bewegen.[16] Dit kan variëren van vier minuten tot enkele uren en is afhankelijk van hoe lang het diertje uitgedroogd is geweest.

Niet alleen het water wat vrij door de lichaamsholte stroomt verdwijnt, maar ook water dat aan moleculen in het lichaam gebonden is. Dit gebonden water wordt vervangen door een eiwit, zodat de moleculen niet beschadigd raken.[8] Het eiwit wordt trehalose genoemd en komt ook voor bij andere dieren zoals nematoden.[29] Het is een glucoseverbinding die niet alleen beschermt tegen droogte maar ook dient als een soort antivries. Bij veel beerdiertjes die tot de Eutardigrada behoren stijgt het gehalte aan trehalose, bij veel vertegenwoordigers van de Heterotardigrada verandert het gehalte niet. Een onderzoek van de soort Richtersius coronifer wees uit dat 2,3 procent van het drooggewicht uit trehalose bestond. Van sommige soorten is bekend dat ze in het geheel geen trehalose aanmaken.

Bij de soort Richtersius coronifer; verzamelen de verschillende exemplaren zich tegen elkaar. Hierdoor hebben de individuele diertjes een gereduceerd lichaamsoppervlak waaruit water kan verdampen naar de omgeving. Of dit een veelvoorkomend mechanisme is binnen de beerdiertjes is echter niet bekend. Bij andere groepen van dieren die droogte kunnen overleven, zoals nematoden, is een dergelijk gedrag wel veel beschreven.

Als een beerdiertje uitdroogt, schrompelt het lichaam ineen en worden de kop en poten ingetrokken. Deze staat wordt wel de ton genoemd, omdat het lichaam wat weg heeft van een tonnetje. Door het ineenschrompelen van het lijf wordt het lichaamsoppervlak verkleind, wat dient om verdamping van water te beperken. Daarnaast wordt een wasachtige substantie afgescheiden door de huid die eenzelfde functie heeft.

In de tonfase kan een beerdiertje zich niet bewegen, niet eten en de voortplantingsactiviteit wordt stilgezet. De gehele stofwisseling wordt op een zeer laag pitje gezet of stopt zelfs helemaal. De energie die nodig is om in leven te blijven wordt verkregen uit speciale voorraadcellen die vrij in het lichaam drijven. Deze cellen geven glycogeen, proteïnen en vetten af. In de tonfase staat ook de veroudering stil. Een exemplaar dat een jarenlange uitdroging heeft ondergaan is eenmaal gehydrateerd een net zo lang leven beschoren als een exemplaar dat nooit is uitgedroogd.[9]

Ze zijn alleen in deze uitgedroogde (tonvormige) fase in staat om extreme omstandigheden te overleven en niet de actieve dieren. Een uitzondering is het trotseren van zuurstofarme omgevingen waarbij geen ton wordt gevormd. Door het zeer lage watergehalte in de ton kan het water bevriezen noch verdampen.[1] Bij extreme omstandigheden zijn organismen vaak kwetsbaar dankzij het relatief waterige lichaam.

Veel dieren kunnen koude omstandigheden niet overleven omdat het water in de cellen ijskristallen vormt en zo de cel beschadigt. Bij hogere temperaturen vormt het water gasbellen wat eveneens dodelijk is voor cellen. Tenslotte heeft ook straling voornamelijk een schadelijk effect op cellen die water bevatten.[30] Het overleven van extreme droogte wordt ook wel anhydrobiose genoemd.

Zuurstof en luchtdruk[bewerken]

Beerdiertjes kunnen een tijd voortleven in een omgeving waarin weinig zuurstof is. Bij een gebrek aan zuurstof wordt geen ton gevormd maar zwelt het lichaam op. Het lijf wordt helemaal uitgestrekt waarbij de kop en de poten zo ver mogelijk worden uitgestoken. Dit vergroot het lichaamsoppervlak zodat relatief meer zuurstof kan worden opgenomen. Beerdiertjes lijken slecht tegen een zuurstofloze omgevingen te kunnen. Van veel soorten is beschreven dat ze wel kunnen herstellen maar daarna niet lang overleven. Het vermogen om zuurstofarme omgevingen te doorstaan wordt wel onoxybiose genoemd.

Uit proeven blijkt dat sommige soorten zich kunnen handhaven in een omgeving waarin vacuüm heerst. Een ander uiterste is een sterk verhoogde luchtdruk. Sommige soorten zijn in staat om een druk van 6000 atmosfeer te overleven. Ter vergelijking; de druk op de bodem van de Marianentrog is iets meer dan 1000 atmosfeer, dus zes keer zo laag.[25]

Straling[bewerken]

Beerdiertjes kunnen ook hoge doses aan straling weerstaan, zowel ultraviolette straling als röntgenstraling. Uit proeven blijkt dat ze een stralingsniveau aankunnen die meer dan duizend keer zo hoog is aan een dodelijke dosis voor een mens. Bij een stralingsniveau van 570.000 röntgen overleeft de helft van de beerdiertjes, bij de mens is dit ongeveer 500 röntgen.

Voor zover bekend zijn beerdiertjes de enige dieren die volledig onbeschermd zijn blootgesteld aan de omstandigheden in de ruimte. De ESA heeft in 2007 het TARDISproject opgezet (TARdigrades In Space) waarbij beerdiertjes twaalf dagen lang werden blootgesteld aan de omstandigheden in de ruimte op de Foton-M3- satelliet.

In 2011 deed de NASA een vergelijkbare proef waarbij beerdiertjes aan boord van de spaceshuttle Endeavour werden blootgesteld aan dezelfde omstandigheden. Ook deze exemplaren overleefden de kosmische straling, het vacuüm en de zeer hoge doses ultraviolette straling. De UV-straling was in deze omstandigheden ongeveer 1000 keer hoger dan die op het aardoppervlak. Eveneens in 2011 werd het door de Italiaanse ruimtevaartorganisatie ASI gesponsorde programma BIOKIS - TARDIKISS uitgevoerd.[31] Hierbij werd de invloed van de blootstelling aan extreme omstandigheden in de ruimte op moleculair niveau onderzocht.[29]

Voor de experimenten in de ruimte werden ongeveer dertig exemplaren van twee verschillende soorten gebruikt; Richtersius coronifer die afkomstig waren uit Zweden en Milnesium tardigradum welke verzameld werden in Duitsland.[29]

Extreme temperaturen[bewerken]

Ook de eieren zijn bestendig, afgebeeld is een ei van de soort Milnesium tardigradum.

Beerdiertjes zijn ook zeer bestendig tegen kou, dit wordt wel cryobiose genoemd. Een pluk mos die in 1983 door onderzoekers werd aangetroffen op Antarctica en al die tijd was ingevroren bleek ruim dertig jaar later levensvatbare exemplaren te bevatten. Twee volwassen dieren begonnen na enkele dagen tot leven te komen. Het ene beerdiertje stierf na twintig dagen maar een tweede exemplaar leefde langer en wist zich voort te planten. In het mos werd ook een ei aangetroffen dat na hydratisering uitgroeide tot een geslachtsrijp beerdiertje. Deze bleek eenmaal volwassen eveneens in staat om zich voort te planten.[32]

Veel feiten over de extreme koudetolerantie van beerdiertjes zijn wetenschappelijk getest. Een proef wees uit dat beerdiertjes kunnen overleven als ze 8,5 uur in vloeibaar helium van 270 graden onder nul worden gehouden.[16] Uit weer andere experimenten bleek dat de diertjes tot twintig uur lang een temperatuur van 0,05 Kelvin (-272,95 °C) kunnen doorstaan en ook twintig maanden kunnen handhaven in een omgeving van -200 °C.[18]

In veel bronnen wordt het feit vermeld van beerdiertjes die 120 jaar lang in droge toestand kunnen overleven. Dit verhaal is gebaseerd op een beschrijving van de Italiaanse zoöloog Tina Franceschi die een pluk mos in een museum onderzocht. Deze pluk was na de vondst in een oven gedroogd en maakte al 120 jaar lang onderdeel uit van de museumcollectie. Toen zij enkele beerdiertjes in het stokoude mos van water voorzag, zou een van de pootjes van een beerdiertje hebben bewogen.[33] Er zijn echter twijfels of het diertje daadwerkelijk tot leven kwam en de proef is nooit herhaald. Later -in 1995- zijn wel beerdiertjes tot leven gewekt die al ruim acht jaar opgedroogd waren.[34]

Er wordt ook vermeld dat exemplaren die werden aangetroffen in een 2000 jaar oude ijslaag weer tot leven kwamen nadat ze werden opgewarmd.[29] Deze waarneming is niet wetenschappelijk onderbouwd en is waarschijnlijk sterk overdreven.[25]

Van een aantal soorten is ook bekend dat ze zeer hoge temperaturen kunnen doorstaan. Een uitgedroogd beerdiertje is in staat om en bad van kokend water te overleven. Tot een temperatuur van ongeveer 150 graden C kan een beerdiertje trotseren en zal -als de condities zijn verbeterd- weer actief worden.

Giftige stoffen[bewerken]

Sommige soorten kunnen langere tijd volledig worden ondergedompeld in vloeistoffen die voor andere dieren dodelijk zijn. Voorbeelden van dergelijke stoffen zijn ether, pure alcohol,[25] fenol, waterstofsulfide en ook water met een zeer sterk verhoogd zoutgehalte zoals pekel.[35] Veel beerdiertjes leven in een relatief zoute omgeving en hebben al enige tolerantie voor hogere zoutgehaltes in het water. Het kunnen overleven van perioden met een sterk verhoogd zoutgehalte wordt ook wel osmobiose genoemd.

Panspermie[bewerken]

In september 2007 is bij een experiment een aantal beerdiertjes de ruimte in geschoten in een soort kooitje. Daar bleken ze de koude, de kosmische straling en het bijna-vacuüm tien dagen lang te kunnen overleven. Alleen de uv-straling (daar duizendmaal sterker dan op aarde) bleek cellen en het daarin aanwezige DNA bij veel diertjes te hebben beschadigd. Een aantal van hen overleefde echter.[36][37][38][39]

Hypothetisch kan een beerdiertje aan panspermie doen wanneer het bijvoorbeeld door de ruimte reist in een ijskomeet. Panspermie werd in 1878 voorgesteld door Hermann von Helmholtz. Het betekent dat een organisme een andere planeet kan 'besmetten' door op een komeet van de ene plaats naar de andere te reizen door de ruimte. In de komeet zou het diertje beter beschermd zijn tegen de uv-straling. Wanneer de komeet botst met een andere planeet en de ijskomeet smelt of splitst, zou het beerdiertje daar terug tot leven kunnen komen.[23] Er is zelfs geopperd dat beerdiertjes niet op aarde zijn ontstaan, maar op een andere planeet. Dit idee vloeit voort uit het feit dat beerdiertjes zich hebben aanpast aan omstandigheden die nooit op aarde voorkomen. Voorbeelden zijn temperaturen nabij het absolute nulpunt en een druk die zes keer zo hoog is als die van de bodem van de Marianentrog.[29] Aan het DNA van beerdiertjes is echter af te lezen dat ze zich op aarde hebben ontwikkeld.

Een recentere theoretische studie ging na wat het effect van een aantal astrofysische gebeurtenissen zou zijn op het leven op aarde.[40] Supernova's noch gammastraling of andere gebeurtenissen zouden waarschijnlijk volstaan om het leven uit te roeien. Met name Ecdysozoa zoals de mosbeertjes zouden goede overlevingskansen hebben.

Taxonomie en indeling[bewerken]

De anatomie van een beerdiertje heeft veel weg van een gelede worm.

Beerdiertjes vormen een stam van dieren die zijn verdeeld in drie klassen, twintig families en 104 geslachten. De verschillende groepen worden onderscheiden aan de hand van morfologische kenmerken. Voorbeelden zijn de lichaamsvorm, de vorm van de (eventuele) verharde platen op de huid, het aantal klauwtjes en de vorm hiervan, de vorm van de monddelen en de kenmerken van het oppervlak van de eieren.[41]

Beerdiertjes worden wereldwijd vertegenwoordigd door iets meer dan 1000 verschillende soorten.[42] Door andere bronnen wordt een soortenaantal van 1200 vermeld.[41] Vermoed wordt dat het overgrote deel nog niet is ontdekt en er op aarde meer dan 10.000 verschillende soorten leven.[17] Er wordt af en toe een nieuwe soort ontdekt zodat het soortenaantal oploopt. Een recent voorbeeld is Macrobiotus shonaicus die in 2017 werd ontdekt op een parkeerplaats in de stad Tsuruoka in Japan.[43]

Panarthropoda

Beerdiertjes (Tardigrada)


Lobopodia

Fluweelwormen (Onychophora)



Geleedpotigen (Arthropoda)




De evolutionaire geschiedenis van beerdiertjes was lange tijd zo goed als onbekend. Fossielen van beerdiertjes zijn zeer lastig vinden omdat ze zo klein en fragiel zijn.[30] Op basis van hun uiterlijke kenmerken, zoals de op het eerste gezicht gesegmenteerde poten, werd lange tijd gedacht dat ze tot de geleedpotigen behoorden. Beerdiertjes werden lange tijd beschouwd als een tussenvorm van de gelede wormen en de geleedpotigen. Omdat ze altijd acht poten hebben werden ze met name gelinkt aan de spinachtigen.

De poten zijn bij nadere beschouwing echter niet geleed maar eerder ballon-achtig en lijken meer op die van de fluweelwormen, die eveneens klauwtjes dragen aan de uiteinden.[14] Uit een onderzoek dat werd gepubliceerd in 2017 bleek echter dat beerdiertjes ondanks de vorm van hun poten sterker zijn verwant aan de rondwormen dan aan de insecten en de spinnen. Hierbij werd gekeken naar het DNA van de diertjes, meer bepaald hun hoxgenen die de segmentering van het lichaam bepalen.[44]

Tegenwoordig worden de beerdiertjes tot de groep Panarthropoda gerekend, samen met twee andere stammen van dieren; de geleedpotigen (Arthropoda) en de fluweelwormen (Onychophora). Deze laatste twee groepen zijn in een aparte groep geplaatst; de Lobopodia.[45]

Indeling[bewerken]

De indeling van de beerdiertjes ziet er als volgt uit:
Stam Taridigrada

Externe links[bewerken]

Bronvermelding[bewerken]