Uilenburg (Amsterdam)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Uilenburg
Wijk van Amsterdam
Kerngegevens
Gemeente Amsterdam
Stadsdeel Centrum

Het eiland Uilenburg is met Rapenburg en Valkenburg een der in het IJ aangeplempte eilanden die in 1593 binnen de stad kwamen. De herkomst van de naam Uilenburg is niet met zekerheid bekend, mogelijk afkomstig van de hier gelegen moerasgrond, die in 1470 'Uylenbraeck' werd genoemd. Het eiland wordt begrensd door de Oudeschans, Rapenburgwal, Uilenburgergracht en Houtkopersburgwal. Op het eiland staan veel pakhuizen. Het heeft veel van zijn karakter verloren toen in de jaren twintig van de 20e eeuw de pakhuizen tussen de Uilenburgervoor- en achterstraat zijn afgebroken. Uilenburg was een der eerste stadsvernieuwingsgebieden, waar de oude bebouwing werd gesloopt en door nieuwbouw werd vervangen. Tevens werden de hoofdstraten Uilenburgerstraat en (oude) Batavierstraat vervangen door een nieuwe hoofdstraat, de Nieuwe Uilenburgerstraat.

Geschiedenis[bewerken]

Verkopen van lege bouwpercelen, 1589-1623

Het aanpassen van de plannen en vernieuwde militaire inzichten leidden in 1591 tot de zogenaamde Tweede Uitleg. Daaronder viel het uitgraven en aanplempen van de eilanden Uilenburg, Marken en Rapenburg. In december van het jaar 1593 werden tweeëntwintig ruim bemeten erven op Uilenburg verkocht aan scheepstimmerlieden, die, vanwege de stadsuitbreiding op de Lastage, een nieuw onderkomen moesten zoeken. Uilenburg werd aan de westkant aangewezen voor houtopslag, de oostzijde werd voor scheepswerven bestemd. Er werden hellingen aangelegd en drempels in het water. Op de noordhoek van Uilenburg waren ankersmederijen te vinden, maar ook hadden Louis de Geer en de gebroeders Louis en Hendrik Trip hier hun geschut opgeslagen.

Het is onwaarschijnlijk dat op het nieuw aangeplempte eiland Uilenburg scheepsbouw en daarmee samenhangende woningbouw en bedrijvigheid meteen vanaf 1593 tot stand kwam. Vermoedelijk hebben de kopers de pas verworven erven enige tijd moeten laten inklinken en moeten ophogen. Doordat de stad de erven al in een vroeg stadium van de stadsuitbreiding verkocht, kreeg zij geld binnen dat anders voor het bouwrijp maken had moeten worden geleend.

Er waren nog meer problemen. Door verkeerde opmeting moesten de "Montelbaansgracht" en de Markergracht teruggebracht worden tot 200 voet breedte en ook de eilanden Uilenburg en Marken en de Uilenburgergracht tussen de beide eilanden zijn smaller dan oorspronkelijk gedacht. Deze tegenvaller zal de reden zijn dat het eiland Marken bestemd werd voor de bouw van kleine binnenschepen en dat de Admiraliteit van Amsterdam, die vanaf de oprichting in 1596 gevestigd was op de zuidwesthoek, al in 1619 verhuisde naar Rapenburg.

De erven op Uilenburg, Marken en Rapenburg werden in de loop der jaren voor twee tot negen gulden per m² verkocht. Hoekerven waren duurder. Het uiteenlopen van de prijzen kan veroorzaakt zijn doordat de koper rekening moest houden met een nog te betalen belasting, de zogenaamde Melioratie, voor het op stadskosten uitgevoerde grondwerk, het aanleggen van straten en een beschoeiing.

Uilenburg en de Oudeschans in de winter door Aert van der Neer

Het in gebruiknemen van nieuw industrieterrein is toen, net als nu, met verordeningen en gunstige regelingen bevorderd. Al in 1601 is de Lastage verboden gebied verklaard voor houtoplag, maar het duurde nog enkele jaren voordat alle houthandelaren waren verdwenen. Toen in 1606 de besprekingen begonnen voor een Twaalfjarig Bestand, ontstond een gunstig en beter investeringsklimaat. Het hoogtepunt in de verkoop van bouwkavels op Uilenburg viel waarschijnlijk tussen 1606 en 1608. Nadat Uilenburg en Marken waren volgelopen werden op grote schaal erven op Rapenburg in de verkoop gebracht. Tussen 1619 en 1623 zijn nog eens 42 erven op Uilenburg verkocht toen de Admiraliteitstimmerwerf was verplaatst naar Rapenburg.

De betrekkelijk slechte toegankelijkheid van Marken en Uilenburg zijn de oorzaak geweest dat rond 1680 alle scheepstimmerlieden met hun werven zich verplaatsten naar de Oostelijke Eilanden. De percelen aan de noordoostzijde werden opnieuw gerooid en ingedeeld. Er kwamen diverse nieuwe pakhuizen, en omdat er nauwelijks verordeningen waren voor Uilenburg, zijn veel erven opgedeeld in kleine percelen. Er verschenen tientallen sloppen, stegen en achterhuizen. Uilenburg werd meer dan voorheen een woonbuurt voor arbeiders van de werven op Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg. Ook de verarmde Oost-Europese joden kwamen af op de goedkope woningen, niet te ver van de synagoge. Tobias van Domselaer veronderstelde in zijn Beschrijving van Amsterdam (1665) dat de joodse bevolking een voorkeur voor de oostkant van de stad had, omdat Jeruzalem in die richting lag.

In 1879 verscheen in de zuidoost hoek van Uilenburg het Boas gebouw, een door stoom aangedreven diamantslijperij van architect-werktuigbouwkundige J.W. Meyer. Destijds was dit de grootste diamantslijperij ter wereld. Bij aanvang werkten hier 357 slijpers, 122 verstellers, 142 leerlingen en 52 loopjongens.

Joodse wijk[bewerken]

Oudeschans met Zuiderkerk

De metamorfose van Marken, Rapenburg en Uilenburg tot een joodse wijk is aan het einde van de 17e eeuw begonnen. In de 18e eeuw kwamen grote aantallen Asjkenazische joden naar Amsterdam, gevlucht vanwege de pogroms in Oost-Europa.

In 1748 waren er rellen in de stad. De Doelisten eisten strengere handhaving van de regels en een verbod op alle straatverkoop. Met de verkoop van vis, zuurwaren, groenten en vodden verschaften veel joden zich een inkomen. Ze waren bijzonder gedupeerd door de maatregel.

In 1765 werd de nog steeds in gebruik zijnde Uilenburger Synagoge gebouwd voor de Asjkenazische joden.

De rapporteurs, die in 1795 verslag deden van de telling van de joodse bevolking van Amsterdam op Marken en Uilenburg, merkten op: De volkrijkheid in de Joodenbuurt is op zommige plaatsen zo groot, ieder plekje, tot op de vliering toe, met zoo veele menschen bezet, de onbescheidenheid van veelen dier natie in dergelyke huizen, was van dien aart, dat alle de wijkmeesters niet hebben durven instaan, dat er aldaar ook niet enkele menschen, kinders vooral, over het hoofd zyn gezien geworden. Twee derde (20.000) van de joodse inwoners van de stad leefde in armoede. Rond 1808 was er opnieuw sprake van rellen in de joodse buurt toen Lodewijk Napoleon in opdracht van zijn broer Napoleon Bonaparte een joods regiment wilde oprichten.

Aan het eind van de 19e eeuw was Uilenburg nog steeds erg dichtbevolkt. Er woonden soms tien mensen op een kamer. Besmettelijke ziekten kwamen veelvuldig voor. Op Uilenburg werden in 1910 al 368 van de 861 woningen onbewoonbaar verklaard. In de jaren twintig werd de verkrotte buurt gesaneerd door de gemeente. De huizen tussen de Batavierstraat en de Uilenburgerachterstraat werden gesloopt. De Nieuwe Uilenburgerstraat werd opgetrokken. Aan de westzijde van deze straat werd in opdracht van de gemeente een nieuw woonblok gebouwd. Na oplevering werd het overgedragen aan het Bouwfonds Handwerkers Vriendenkring, waardoor een deel van de joods-Amsterdamse bevolking kon terugkeren in fatsoenlijke huizen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte Uilenburg deel uit van Judenviertel I, waarvan vrijwel de gehele joodse bevolking werd gedeporteerd naar vernietigingskampen.

Bron[bewerken]

  • Gemeentearchief Amsterdam 5039-inv. nr. 177, 178 en 179. Register van door de stad bij publieke veiling ter verkoop aangeboden percelen

Externe link[bewerken]