Tartu

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tartu
Gemeente in Estland Vlag van gemeente
Tartu flag.svg
Tartu
Tartu
Situering
Provincie Tartumaa
Coördinaten 58° 24′ NB, 26° 45′ OL
Algemeen
Oppervlakte 38,8 km²
Inwoners (2011) 103.740 (2674 inw/km²)
Overig
Website www.tartu.ee
bron: Estlands bureau voor statistiek (Eesti Statistika)
Detailkaart
De gemeente met omliggende gemeenten
De gemeente met omliggende gemeenten
Foto's
Het stadhuis van Tartu
Het stadhuis van Tartu
Portaal  Portaalicoon   Noord-Europa

Tartu (Duits, historisch: Dorpat; Russisch, hist.: Юрьев, Joerjev, ook Дерпт Derpt ; Lets, hist: Mētraine, Tērbata) is de tweede stad van Estland en de hoofdstad van de provincie Tartumaa. De stad ligt in het zuidoosten van het land aan de Emajõgi, de rivier die de twee grootste meren van Estland met elkaar verbindt. De stad telde op 1 januari 2011 103.740 inwoners, waarvan ca. 80% Esten. De stad heeft sinds 1632 een Academie, later universiteit. Zeer veel hoger opgeleide Esten hebben enige jaren van hun leven in deze stad doorgebracht: het 'Athene van de Emajõgi' geldt dan ook als de geestelijke hoofdstad van het land.

Geschiedenis[bewerken]

De oudste resten van bewoning op de plek van het huidige Tartu dateren uit de 5e eeuw. Tegen de 7e eeuw hadden de inwoners een houten vesting gebouwd aan de oostkant van de heuvel Toome (Toomemägi). De plaats werd het eerst genoemd bij het jaar 1031, toen de Kievse vorst Jaroslav de Wijze deze veroverde en er de stad Joerjev stichtte ("van Joeri" naar de doopnaam van Jaroslav). De inwoners van de plaats en de omliggende regio Ugandi moesten daarop schatting afdragen aan de Slavische vorsten, hetgeen mogelijk zo bleef tot 1061 toen, volgens de kronieken, de los georganiseerde Tsjoedische stam van de Sosols de Tartu terug veroverde, de Russische bevolking vermoordde en de plaats hernoemde tot Tarbatu (of Tharbata). De Russen kwamen echter al snel terug en daarop volgde in 1138 een opstand van de Tsjoeden tegen Novgorod, waarop de Russen de plaats tot een fort versterkten.[1]

Tarbatu kwam vervolgens begin 13e eeuw in handen van de Duitse Orde tijdens de Noordelijke Kruistochten, maar werd nog enkele malen heroverd door de Tsjoeden, totdat in 1224 de definitieve pacificatie door de Duitse ridderschap plaatsvond. Zij hernoemde de plaats in Dorpat (Tarbatum) en maakte haar het centrum van het gelijknamige Bisdom Dorpat, deel van de Lijflandse Confederatie, die onderdeel zou gaan uitmaken van de staat van Duitse Orde.

In 1262 veroverde en verwoeste vorst Dmitri van Pereslavl, de zoon van Alexander Nevski Dorpat. Zijn troepen wisten het fort van de bisschop en de bisschopskerk, die op de heuvel Toome gelegen waren, echter niet in te nemen. Sindsdien zou de lager gelegen stad een nederzetting van Duitse handelaren en handwerkslieden worden.

In de jaren '80 van de 13e eeuw werd Dorpat lid van de Hanze. De handel bloeide op de handelsroute van de Skandinavische en Noordduitse Oostzeesteden naar Veliki Novgorod en Pskov.

In de jaren 20 van de 16de eeuw werd de staat van de Duitse Orde geseculariseerd en verdeeld. Oost-Pruisen werd een hertogdom en ook Lijfland en Estland werden hertogdommen waarin de lutherse hervorming werd ingevoerd. De regionale Duits-baltische adel kon zijn oppergezag niet lang handhaven en moest het koninklijk gezag van de omringende rijken erkennen. In 1561 kreeg de Zweedse koning Estland (dat wil zeggen het noordelijke deel van het huidige Estland) en de Poolse koning Lijfland (het noordelijk deel van het huidige Letland samen met het zuidelijk deel van het huidige Estland) in handen. Maar al even eerder, in 1558, was Dorpat bezet door Russen uit Novgorod en pas in 1583 kon de Poolse koning in de stad zijn gezag laten gelden. Hij stichtte ter bevordering van de contrareformatie een Jezuïtenschool. Dat had weinig succes want veertig jaar later, in 1621, kreeg de Zweedse koning ook Lijfland in handen.

Aan het eind van de zestiende eeuw werd Dorpat betwist door de Russische tsaar, de Poolse koning en de Zweedse koning (zie ook: Noordse Oorlogen). De stad kreeg zwaar te lijden van de Pools-Zweedse Oorlog van 1600 tot 1611. Dorpat werd in 1621 bezet, en in 1629 definitief een deel van Zweeds Lijfland. In 1632 kreeg de stad van de Zweedse koning Gustaaf II Adolf een academie, waar in het Latijn en het Duits werd gedoceerd, omdat de studenten voornamelijk afkomstig waren uit de stedelijke burgerijen en de adel in Estland en Lijfland, en deze bovenlaag was Duits van taal en cultuur. De academie was het begin van de latere universiteit. Aan de bloeitijd kwam na een eeuw een einde met de Grote Noordse Oorlog (1700-1721), waarin de stad vrijwel geheel werd verwoest, en de bevolking werd weggevoerd naar Rusland. Al sinds 1704 was de stad bezet door het Russen, en in 1721 werd dat vastgelegd in de gebiedsafstand door Zweden volgens het Verdrag van Nystad in 1721. Zweeds Lijfland werd nu het Russische Gouvernement Lijfland. Estland werd het Russische Gouvernement Estland. De stad kreeg naast de naam Dorpat een Russische variant Derpt (Дерпт).

Door branden in de 18e eeuw ging veel van de middeleeuwse (houten) architectuur verloren en kreeg de stad een nieuw uiterlijk door de bouw van veel huizen en gebouwen in Laat-Barokke en Neoklassieke stijl. De heroprichting van de Academie, nu als keizerlijke universiteit, maakte van de stad een centrum van geestescultuur. bracht in ieder geval In de tweede helft van de 19e eeuw was Derpt hét culturele centrum voor de Lijflandse en Estlandse ridderschap en burgerij, die Duits van cultuur en taal waren. Mondjesmaat kwam in dit milieu ook de Estlandse cultuur in de belangstelling. De Estse taal was echter meer studieobject in academische kring dan dan zij actief gebruikt werd op hoger niveau. Echter, Esten gingen zelf ook initiatieven ontplooien ten tijde van het Romantisch nationalisme en In de stad vond in 1869 het eerste Estse songfestival plaats en in 1870 werd het eerste nationale theater, de Vanemuine, hier opgericht. Twee jaar later, in 1872, werd de Gemeenschap van Estse Schrijvers hier opgericht. In deze jaren was er ook een opleving op wetenschappelijk gebied. De latere Nobelprijswinnaar Robert Koch promoveerde in 1879 in Dorpat op de dissertatie Über die Wirkung der Oxalate auf den thierischen Organismus.

Vanaf 1881 zette de russificatie door maatregelen die het Russisch in plaats van het Duits en Estisch tot taal van het openbaar bestuur, en sinds 1895 ook tot verplichte taal van de colleges aan de universiteit maakten. De tot dusver in meerderheid Duitstalige docenten en studenten vertrokken naar universiteiten in Duitsland. In 1893 werd de stad weer opnieuw vernoemd naar haar oude naam Russische Joerjev. Bij de komst van de Duitse troepen werd in 1918 de Russische universiteit geëvacueerd naar Voronezj, maar haar Estische Universiteit van Tartu werd als opvolger al een jaar later geopend. In dat jaar werd de stad formeel hernoemd tot de Estische naam Tartu. Zie Universiteit van Tartu.

Het einde van de Eerste Wereldoorlog leidde tot de tekening van de Vrede van Tartu op 2 februari 1920, waarin Bolsjewistisch Rusland de onafhankelijkheid van Estland erkende "voor altijd". Dit bleek echter niet het geval. Bij het Molotov-Ribbentroppact uit 1939 verdween deze belofte in de prullenbak, hetgeen realiteit werd toen de Sovjet-Unie Estland innam in 1940.

In de Tweede Wereldoorlog leed de stad de nodige schade: onder meer de Stenen Brug (Kivisild, gebouwd onder Catharina II van Rusland tussen 1776 en 1778) over de Emajõgi en het theater Vanemuine werden verwoest door het Rode Leger; eerst gedeeltelijk bij de terugtrekking in 1941, later bijna volledig bij de herovering in 1944. Na 1945 werd Tartu, dat in de sovjetperiode bijna verdubbelde in inwoneraantal (van 57.000 naar ongeveer 100.000) een 'gesloten stad', die verboden terrein was voor buitenlanders. De bevolkingstoename bestond vooral uit Russen, werkzaam op onder andere een militaire luchtmachtbasis, de Vliegbasis Raadi, aan de noordoostelijke rand van de stad, waarvan de latere Tsjetsjeense leider Dzjochar Doedajev enige tijd de commandant was. De geasfalteerde landingsbaan vormt nu de plaats van markt voor tweedehands auto's en wordt soms gebruikt voor autoraces.

Sinds Estlands herwonnen onafhankelijkheid vindt her en der opvallende nieuwbouw plaats. In 2001 werd het Estische ministerie van Onderwijs naar Tartu verplaatst. In 2005 werden in Tartu de internationale Hanzedagen gehouden. Het historische centrum is sinds 1991 ook aanzienlijk gerenoveerd.

Stadsbeeld[bewerken]

Universiteit
Engelenbrug
Huizen in Tartu
Het grijze huis, het voormalige KGB-hoofdkantoor in Tartu

Het kleine stadscentrum van Tartu ligt op de rechteroever van de rivier en aan de voet van de heuvel Toomemägi, de Domberg. Op deze heuvel staat de ruïne van de domkerk in baksteengotiek, die gedeeltelijk in gebruik is als museum. De heuvel is parkachtig ingericht; op veel plaatsen staan monumenten van prominente geleerden uit het verleden, waaronder Karl Ernst von Baer, de vader van de embryologie.

Direct onder de heuvel staat het achttiende-eeuwse roze gepleisterde raadhuis, het belangrijkste gebouw aan het raadhuisplein, Raekoja plats. Dit is het hoofdplein van Tartu, met een opmerkelijke fontein: twee kussende studenten onder een paraplu waarlangs het water naar beneden stroomt. Het plein grenst aan één kant aan de rivier de Emajõgi, waar tegenwoordig nog maar een gewone voetgangersbrug de verbinding vormt met de overkant. Een ander opvallend gebouw aan het plein is het Scheve Huis.

De belangrijkste gebouwen rechts van het raadhuisplein (bezien met de rug naar de rivier) zijn het classicistische hoofdgebouw van de universiteit (1809) met zijn karakteristieke zuilen, en de Janskerk (Jaanikirik), die sinds de Tweede Wereldoorlog een ruïne was, maar recentelijk is gerestaureerd. Uniek zijn de meer dan 100 eeuwenoude, rode, verfijnde terracottabeeldjes van heiligen, gewone mensen en fantasiedieren waarmee de kerk aan binnen- en buitenkant is gedecoreerd.

Het moderne Tartu ligt links van het raadhuisplein, waar inmiddels bij het busstation hoogbouw is verschenen. In deze omgeving staan aan de rivier ook de markthal en hogerop het naoorlogse theater Vanemuine en de Universiteitsbibliotheek.

Aan de 'achterkant' van het centrum bevinden zich wijken als Supilinn, Soepstad, zo genoemd vanwege de straatjes die naar erwten en bonen heten en waar karakteristieke houten huizen staan.

Stedenbanden[bewerken]

Geboren in Tartu[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties