Tartu
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
|
|
|||||
|
|||||
|
|
|||||
| Land | Estland | ||||
| Provincie | Tartumaa | ||||
| Coördinaten | 58°24'E 26°45'N | ||||
|
|
|||||
| Oppervlakte | 38,8 km² | ||||
| Inwoners (2005) | 101.483 (2616/km²) | ||||
| bron: Estlands bureau voor statistiek (Eesti Statistika) | |||||
Tartu (Duits (1224-1893): Dorpat, Russisch (1030-1061 en 1893-1918): Юрьев; Joerjev) is de tweede stad van Estland en de hoofdstad van de provincie Tartumaa. De stad ligt in het zuidoosten van het land aan de Emajõgi, de rivier die de twee grootste meren van Estland met elkaar verbindt. De stad telde op 1 januari 2003 100.912 inwoners, waarvan 79% Esten. De stad heeft sinds 1632 een universiteit, de belangrijkste van het land. Zeer veel hoger opgeleide Esten hebben enige jaren van hun leven in deze stad doorgebracht: het 'Athene van de Emajõgi' geldt dan ook als de geestelijke hoofdstad van het land.
Inhoud |
[bewerk] Geschiedenis
De oudste resten van bewoning op de plek van het huidige Tartu dateren uit de 5e eeuw. Tegen de 7e eeuw hadden de inwoners een houten vesting gebouwd aan de oostkant van de heuvel Toome (Toomemägi). De plaats werd het eerst genoemd bij het jaar 1031, toen de Kievse vorst Jaroslav de Wijze deze veroverde en er de stad Joerjev stichtte ("van Joeri" naar de doopnaam van Jaroslav). De inwoners van de plaats en de omliggende regio Ugandi moesten daarop schatting afdragen aan de Slavische vorsten, hetgeen mogelijk zo bleef tot 1061 toen, volgens de kronieken, de los georganiseerde Tsjoedische stam van de Sosols de plaats terugveroverde en de plaats werd hernoemd tot Tarbatu (of Tharbata). Tarbatu kwam vervolgens begin 13e eeuw in handen van de Duitse Orde tijdens de Noordelijke Kruistochten, maar werd verschillende malen heroverd door de Esten, totdat de plaats in 1224 werd belegerd en voor de laatste maal veroverd werd op de troepen van de Oost-Slavische vorst Vjatsjko door de Duitse troepen. De plaats werd hernoemd tot Dorpat (Tarbatum) en werd het centrum van het gelijknamige christelijke semi-onafhankelijke Bisdom Dorpat.
In 1262 begon vorst Dmitri van Pereslavl, de zoon van Alexander Nevski, een aanval op Dorpat, waarbij de plaats werd veroverd en verwoest. Zijn troepen wisten het fort van de bisschop, dat op de heuvel Toome gelegen was, echter niet in te nemen. Deze gebeurtenis werd zowel in de Duitse als in de oude Oost-Slavische kronieken beschreven, waarin ook de eerste vermelding staat van een nederzetting van Duitse handelaren en handwerkslieden, die was verrezen rond het fort van de bisschop.
In de jaren '80 van de 13e eeuw werd Dorpat lid van de Hanze. De handel bloeide op de handelsroute naar Veliki Novgorod en Pskov, maar toen deze beide steden in Moskouse handen kwamen nam het belang van Tartu af.
In de 16e eeuw kwamen Lijfland en Dorpat onder Poolse heerschappij en in 1583 werd een jezuïtische lagere school opgericht. Daarbij werd een seminarie voor vertalers opgericht. In die tijd kreeg de stad haar rood en witte vlag door toedoen van de Poolse koning Stefanus Báthory. Aan het eind van de zestiende eeuw werd Dorpat betwist door Russen, Polen en Zweden. De aciviteiten van de lagere school en het seminarie werden stopgezet door de Pools-Zweedse Oorlog van 1600 tot 1611 in 1601. Tartu werd vervolgens Zweeds in 1629. In 1632 kreeg Tartu van de Zweedse koning Gustaaf II Adolf een universiteit. Aan deze bloeitijd kwam een einde met de Grote Noordse Oorlog, waarin de stad vrijwel geheel werd verwoest en waarbij in 1704 de Russen het weer voor het zeggen kregen, hetgeen werd geformaliseerd met het Verdrag van Nystad in 1721. De Russen hernoemden de stad tot Derpt. Door branden in de 18e eeuw ging veel van de middeleeuwse (houten) architectuur verloren en kreeg de stad een nieuw uiterlijk door de bouw van veel huizen en gebouwen in Laat-Barokke en Neoklassieke stijl. In de tweede helft van de 19e eeuw was Derpt hét culturele centrum voor de Esten ten tijde van het Romantisch nationalisme. In de stad vond in 1869 het eerste Estse songfestival plaats en in 1870 werd het eerste nationale theater, de Vanemuine, hier opgericht. Twee jaar later, in 1872, werd de Gemeenschap van Estse Schrijvers hier opgericht.
In 1893 werd de stad weer terughernoemd naar haar oude naam Joerjev. Ook zette vanaf 1895 de russificatie in gang toen het Russisch de verplichte taal werd aan de universiteit. De keizerlijke Russische universiteit werd geëvacueerd naar Voronezj in 1918, maar de Estse Universiteit van Tartu werd een jaar later geopend in 1919. In dat jaar werd de stad formeel hernoemd tot de Estse naam Tartu.
Het einde van de Eerste Wereldoorlog leidde tot de tekening van de Vrede van Tartu op 2 februari 1920, waarin Bolsjewistisch Rusland de onafhankelijkheid van Estland erkende "voor altijd". Dit bleek echter niet het geval. Bij het Molotov-Ribbentroppact uit 1939 verdween deze belofte naar de prullenbak, hetgeen realiteit werd toen de Sovjet-Unie Estland innam in 1940.
In de Tweede Wereldoorlog leed de stad de nodige schade: onder meer de Stenen Brug (Kivisild, gebouwd onder Catharina II van Rusland tussen 1776 en 1778) over de Emajõgi en het theater Vanemuine werden verwoest door het Rode Leger; eerst gedeeltelijk bij de terugtrekking in 1941, later bijna volledig bij de herovering in 1944. Na 1945 werd Tartu, dat in de sovjetperiode bijna verdubbelde in inwoneraantal (van 57.000 naar ongeveer 100.000) een 'gesloten stad', die verboden terrein was voor buitenlanders. Er bevond zich een militaire basis voor bommenwerpers op Vliegbasis Raadi aan de noordoostelijke rand van de stad, waarvan de latere Tsjetsjeense leider Dzjochar Doedajev enige tijd de commandant was. De geasfalteerde landingsbaan vormt nu de plaats van markt voor tweedehands auto's en wordt soms gebruikt voor autoraces.
Sinds Estlands herwonnen onafhankelijkheid vindt her en der opvallende nieuwbouw plaats. In 2001 werd het Estische ministerie van Onderwijs naar Tartu verplaatst. In 2005 werden in Tartu de internationale Hanzedagen gehouden. Het historische centrum is ook aanzienlijk gerenoveerd sinds 1991.
[bewerk] Stadsbeeld
Het kleine stadscentrum van Tartu ligt op de rechteroever van de rivier en aan de voet van de heuvel Toomemägi, de Domberg. Op deze heuvel staat de ruïne van de domkerk in baksteengotiek, die gedeeltelijk in gebruik is als museum. De heuvel is parkachtig ingericht; op veel plaatsen staan monumenten voor prominente geleerden uit het verleden, waaronder Karl Ernst von Baer, de vader van de embryologie.
Direct onder de heuvel staat het achttiende-eeuwse roze gepleisterde raadhuis, het belangrijkste gebouw aan het raadhuisplein, Raekoja plats. Dit is het hoofdplein van Tartu, met een opmerkelijke fontein: twee kussende studenten onder een paraplu waarlangs het water naar beneden stroomt. Het plein grenst aan één kant aan de Emajögi rivier, waar tegenwoordig nog maar een doorsnee voetgangersbrug de verbinding vormt met de overkant. Een ander opvallend gebouw aan het plein is het Scheve Huis.
De belangrijkste gebouwen rechts van het raadhuisplein (bezien met de rug naar de rivier) zijn het classicistische hoofdgebouw van de universiteit (1809) met zijn karakteristieke zuilen, en de Janskerk (Jaanikirik), die sinds de Tweede Wereldoorlog een ruïne was, maar recentelijk is gerestaureerd. Uniek zijn de meer dan 100 eeuwenoude, rode, verfijnde terracottabeeldjes van heiligen, gewone mensen en fantasiedieren waarmee de kerk aan binnen- en buitenkant is gedecoreerd.
Het moderne Tartu ligt links van het raadhuisplein, waar inmiddels bij het busstation hoogbouw is verschenen. In deze omgeving staan aan de rivier ook de markthal en hogerop het naoorlogse theater Vanemuine en de Universiteitsbibliotheek.
Aan de 'achterkant' van het centrum bevinden zich wijken als Supilinn, Soepstad, zo genoemd vanwege de straatjes die naar erwten en bonen heten en waar karakteristieke houten huizen staan.
[bewerk] Partnersteden
Bærum (Noorwegen), sinds 1991
Deventer (Nederland), sinds 1990
Ferrara (Italië), sinds 1998
Frederiksberg (Denemarken)
Hafnarfjörður (IJsland), sinds 1991
Hämeenlinna (Finland), sinds 1991
Kaunas (Litouwen), sinds 1993
Lüneburg (Duitsland), sinds 1993
Pskov (Rusland), sinds 2000
Riga (Letland)
Salisbury (Verenigde Staten), sinds 1999
Tampere (Finland), sinds 1990
Turku (Finland), sinds 1996
Uppsala (Zweden)
Veszprém (Hongarije), sinds 2002
Zutphen (Nederland), sinds 1990
[bewerk] Geboren in Tartu
- Heinrich Lenz (12 februari 1804 – Rome, 10 februari 1865), wetenschapper
- Adolf von Harnack (7 mei 1851 - 10 juni 1930), theoloog
- Lauri Aus (4 november 1970 - 20 juli 2003), wielrenner
- Markko Märtin (10 november 1975), autocoureur
- Jaan Kirsipuu (17 Juli 1969), wielrenner
[bewerk] Externe links
| Meer afbeeldingen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Tartu op Wikimedia Commons. |

