Biologische landbouw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Biologische landbouw in Capay, Verenigde Staten
Biologische melkveestal in Woerden, Nederland

Biologische landbouw is een landbouwvorm die nadrukkelijk rekening houdt met milieueffecten[1] en dierenwelzijn. De biologische landbouw gebruikt geen chemische bestrijdingsmiddelen, kunstmest en genetisch gemodificeerd organismen. Dieren krijgen meer ruimte en kunnen hun natuurlijk gedrag vertonen. Er zijn verschillende biologische keurmerken die dit controleren. Biologische landbouw ontstond in de 20ste eeuw als reactie op de industrialisatie van de voedselvoorziening.

Historie[bewerken]

Veel pre-moderne landbouwmethoden van de teelt en sommige nog steeds bestaande vormen van traditionele landbouw voor eigen gebruik in ontwikkelingslanden zijn vergelijkbaar met de biologische landbouw in de niet-toepassing van bepaalde technologieën (minerale meststoffen, bepaalde pesticiden), al dan niet zonder controles.[2] Met de komst van de industriële revolutie halverwege de 18e eeuw en de uitvinding van kunstmest, ontstonden er grote omschakelingen in de wereldwijde landbouw. Via grote, gespecialiseerde boerenbedrijven kwam de nadruk steeds meer op productie en hogere opbrengsten te liggen. Naast de enorme stijging in de productie van sommige gewassen, zorgde de industriële landbouw voor heel wat negatieve ecologische gevolgen voor zowel mens als dier, waaronder de biologische wet van dalende meeropbrengsten waarbij men steeds meer kunstmest moet toevoegen om hetzelfde resultaat te bekomen. Deze gevolgen zorgden voor de opkomst van de biologische landbouw in het begin van de 20ste eeuw.[3]

Het is moeilijk te achterhalen waar de biologische landbouw precies is ontstaan, daar er in Europa verschillende hervormingsbewegingen waren.[4] Maar het is aannemelijk dat de biodynamische landbouw van het werk van Rudolf Steiner het eerste praktische moderne landbouwsysteem was dat zich uitsluitend op biologische methoden richtte.[5] Ook wordt in sommige werken de Oostenrijkse botanicus en microbioloog Raoul Heinrich Francé als grondlegger genoemd. Hij pleegde onderzoek naar de ecologie van micro-organismen in de bodem, en publiceerde de boeken Das Edaphon (1913) en Das Leben im Ackerboden (1922).[6]

De reformbeweging: van 1900 tot 1960[bewerken]

De in Duitsland ontstane 'Lebensreform' propageerde voor een volledig nieuwe levenswijze. Hieruit ontstond de eerste biologische landbouwbeweging 'Arbeitsgemeinschaft Natürlicher Landbau und Siedlung', dat zich richtte op een natuurlijke productie van groenten en fruit zonder het gebruik van pesticiden of andere chemische producten.

De Oostenrijkse filosoof Rudolf Steiner zag dat bodem en dieren uitgeput raakte door het steeds verder opjagen van het groeiproces. Uit voordrachten, gegeven door Steiner, ontstond rond 1924 de biologisch-dynamische landbouw (dat het landbouwbedrijf letterlijk meer dynamisch, en als één levend organisme beschouwd)[7] De term biodynamische landbouw zelf is echter pas jaren na de lezingen van Steiner ontstaan en populair geworden dankzij het werk 'Biodynamische landbouw en tuinbouw' van wetenschapper Ehrenfried Pfeiffer in 1938.

De Duitse schrijver Ewald Könemann (1899-1976) zorgde voor de verdere ontwikkeling van de biologische landbouw. In aanvulling op de producten die voortkwamen uit de antroposofische biologisch-dynamische landbouw, en met behulp van zijn eigen ervaring van de landbouwpraktijken met de huidige wetenschappelijke onderzoeken naar een biologisch begrip van de vruchtbaarheid van de bodem, werd een tweede vergeten ecologische landbouw systeem ontwikkeld in de jaren 20. Vanaf dat moment waren er twee hoofdstromen van biologische landbouw, die grotendeels parallel ontwikkeld werden.[8]

Beïnvloed door Steiner, schreef landbouwspecialist aan de Oxford University Lord Northbourne in 1940 Look to the Land. In het boek, dat een aanklacht was tegen het gebruik van chemische producten in de landbouw, werd voor de eerste keer gebruik gemaakt van de term 'biologisch'. Waarmee hij verwees naar een manier van landbouw waarin een boerderij een organisch, levend geheel is waar zowel de grond, gewassen, vee en de maatschappij een evenwaardige rol spelen. Northbournes terminologie werd overgenomen door de Engelse botanist en wetenschapper Albert Howard in zijn boek uit 1947 Soil and Health: A Study of Organic Agriculture. Het boek was de eerste publicatie waar biologische landbouw werd vermeld in de titel.

In de jaren 30 kwamen er steeds meer biologische bedrijven, maar werd de sector echter een halt toegeroepen bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, wat leidde tot een verslechterd contact tussen biologische boeren en hun klanten, en was er een verminderde interesse in biologische producten zichtbaar. Door wetenschappers werd er veel onderzoek gedaan naar chemische middelen die bedoeld waren voor oorlogsvoering, en werden chemische bestrijdingsmiddelen ontdekt die uitermate geschikt bleken om insecten te doden. Ammoniak, die de basis vormt van de moderne stikstofmeststoffen, lag aan de basis van de gifgasoorlog in de Eerste Wereldoorlog Ook ontwikkelde de Zwitserse chemicus Paul Hermann Müller het insecticide DDT. Pas in 1962 werd door de Amerikaanse biologe Rachel Carson ontdekt hoe schadelijk DDT is voor het milieu, waarna het gebruik ervan in de meeste landen verboden werd.

Tegelijkertijd met de biodynamische landbouw van Steiner en Pfeiffer ontwikkelde zich na de Tweede Wereldoorlog in Zwitserland de organisch-biologische landbouw van het echtpaar Hans en Marie Müller en Duitse arts en microbioloog Hans Peter Rusch die veel uitgebreide wetenschappelijke onderzoeken verrichtten. Rusch bracht in 1968 het boek Bodenfruchtbarkeit uit, met de theoretische achtergrond van de nieuwe 'organische-biologische landbouw, waarin nieuwe inzichten in de bodem microbiologie, en de bijbehorende bodemvruchtbaarheid werden verstrekt. Het echtpaar Müller richtte in 1971 de landbouworganisatie Bioland op.[9]

Ook in Frankrijk ontstond er eind jaren 50, begin jaren 60 door agronomen Jean Boucher en Raoul Lemaire een nieuwe biologische landbouwvorm: de 'agrobiologische methode' (of de Lemaire-Boucher-methode), die bestond uit het geven van praktische en eenvoudige richtlijnen over ondiep ploegen, compostering, groenbemesting en het gebruiken van kruiden in de veeteelt.

Deze verschillende biologische landbouwmethoden gingen in de loop van de jaren 60 en 70 in elkaar op. Enkel de biologisch-dynamische landbouw bleef zich onderscheiden met bijkomende normen en richtlijnen.

De ecologische beweging: van 1960 tot 1990[bewerken]

Naast het werk van Rachel Carson en de rapporten van de Club van Rome tussen 1968 en 1974 kwamen in de loop van de jaren 70 en 80 steeds meer publicaties over de negatieve gevolgen van de gangbare landbouw. En ontstond in 1972 de IFOAM, of International Federation of Organic Agriculture Movements, een overkoepelende organisatie voor verschillende biologische landbouwverenigingen over certificering, onderzoek, voorlichting en promotie. Dat resulteerde in een meer politiek draagvlak voor biologische landbouw. Hieruit ontstond de 'ecologische landbouw', die zich volgens IFOAM als volgt onderscheid: "ecologische landbouw houdt rekening met alle factoren die meespelen in de ecologie: relaties tussen planten onderling en tussen plant en dier, maar ook tussen mens en omgeving en de gevolgen daarvan op de maatschappij. Aspecten als de verpakking, de arbeidsomstandigheden en het energieverbruik krijgen in deze ecologische betekenis ook een plek." Een voorbeeld hiervan is dat bananen uit Peru wel biologisch kunnen zijn, maar als ze per vliegtuig zijn aangevoerd, niet ecologisch. Aandacht voor biologische en ecologische producten steeg in deze periode enorm. Ook verspreidde de biologische landbouw zich naar andere werelddelen.

De politieke beweging vanaf 1990[bewerken]

De biologische landbouw leefde begin jaren 90 vooral in Europa, met name na de erkenning van de biologische landbouw in 1991 door Europa met de regelgeving voor de eerste wettelijke normen voor biologische producten, en het voorzien van subsidies in 1993. Een steeds groter wordende achterban werd ondersteund door 'groene' politieke partijen, waaronder het Vlaamse Agalev. In 2000 werd een enkel Europees biologisch label ingevoerd, dat op vrijwillige basis kon worden gebruikt. In 2010 werd het vervangen door een nieuwe Europese afdichting waarmee alle biologische producten dienen te worden geëtiketteerd: de Euro-leaf.[10]

Nederland[bewerken]

In de jaren zestig en zeventig ontstonden er in Nederland protestbewegingen tegen alles wat met de groei-ideologie van het kapitalisme te maken had, waaronder de provo en kabouterbeweging. En hieruit kwamen later weer nieuwe maatschappelijke organisaties zoals Milieudefensie en Stichting Natuur en Milieu. Mede hierdoor vonden veel kritische landbouwers aansluiting bij de Vereniging voor Biologisch-Dynamische Landbouw en Voeding.[11] Boeren die niets zagen in de antroposofie van Steiner kwamen samen in centrum De Kleine Aarde in Boxtel. Ter ondersteuning en ontwikkeling van de ecologische landbouw, werd in 1984 de Nederlandse Vereniging voor Ekologische Landbouw (NVEL) opgericht. Met de uitbraken van gekkekoeienziekte, mond-en-klauwzeer en de varkenspest in het begin van de jaren 90, kregen consumenten meer oog voor biologische producten. In 1991 werd de biologische plantaardige productie wettelijk vastgelegd. Biologische producten waren in de jaren zeventig en tachtig enkel in gezondheidswinkels te koop, totdat ze in de jaren negentig ook in de schappen van reguliere supermarkten kwamen te liggen. Tegenwoordig verkopen steeds meer supermarkten biologische producten en nog altijd wordt het biologische aanbod steeds gevarieerder. Ook worden de eisen voor de biologische keurmerken steeds strenger.[12][13]

België[bewerken]

Ook in België begonnen in de jaren 70 een twintigtal pioniers te experimenteren met organische landbouw. Ook bij niet-boeren ontstond er interesse in onconventionele landbouwmethoden. Begin jaren 80 kwamen er verenigingen op en volgde een keurmerk: Biocontrole, later omgedoopt tot Biogarantie.[14]

Kenmerken landbouw[bewerken]

Een van de uitgangspunten van biologische gewasbouw is het idee dat het natuurlijke bodemleven de vruchtbaarheid van de grond verhoogt en dat dit leven beïnvloed kan worden.[15] In positieve zin door het gebruik van bijvoorbeeld compost en mest, in negatieve zin door het gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en zware machines die de grond verdichten. Daarnaast proberen de meeste methoden zo min mogelijk milieuschade aan te richten en zo mogelijk ecologische inzichten in te zetten voor een optimale productie.

De gewassoort en de manier van verbouwen[bewerken]

Methodes die worden gebruikt in de biologische akkerbouw en tuinbouw om het gebruik van bestrijdingsmiddelen te voorkomen zijn onder meer een keuze voor resistente rassen en vruchtwisseling waarbij gewassen minder frequent op hetzelfde perceel worden geteeld. Er wordt een vruchtwisselingschema van vijf tot zeven jaar aangehouden. Bij optreden van ziekten of plagen oogst men soms vroeger. Belangrijk is om te werken aan de weerstand van planten door overmatige bemesting te vermijden.

Kunstmest met uitzondering van kieseriet mag niet worden gebruikt, mest uit andere veehouderijsystemen zo min mogelijk. Keurmerken zoals Bio Suisse verlangen een extra boekhouding van het bedrijf voor alle ingevoerde en uitgevoerde (mest)stoffen.

Veel biologische boeren zijn ook in andere opzichten anders dan gangbare boeren met de landbouw bezig. Zo hebben ze vaker een gemengd bedrijf (zowel akkerbouw als veeteelt) en besteden meer arbeid en tijd aan natuurbeheer op het bedrijf.

1rightarrow blue.svg Zie ook het artikel over een vorm van inzaaien: de biologische zaaitabel.

Schadelijke dieren en schimmels[bewerken]

Als plagen desondanks ontstaan, worden bij voorkeur parasieten en andere plaag-specifieke methoden ingezet om bredere schade aan het ecosysteem te vermijden, zie ook biologische bestrijding. In de meeste varianten van biologische landbouw kunnen middelen worden ingezet tegen parasieten en schimmels, maar de keuze is beperkt en betreft grotendeels middelen die uit de begintijd van de biologische landbouw bekend zijn. Bekend zijn onder meer zeep tegen bijvoorbeeld bladluizen, ijzer(III)fosfaat tegen slakken, kopersulfaat of zwavel tegen schimmels. Meer algemeen tegen insecten werkend kan bijvoorbeeld het plantenextract pyrethrum worden ingezet.

Afhankelijk van de gehanteerde regels kunnen verdere stoffen gebruikt worden, zo zijn er volgens de EU-richtlijn vijftien bestrijdingsmiddelen (insecticiden, antischimmelmiddelen) toegestaan, meestal gifstoffen uit planten of bacteriën of met een antagonistische werking. Middels EU-verordening nr. 404/2008 is het insecticide (van bacteriële oorsprong, maar industrieel geproduceerd) spinosad toegestaan. Verder legitimeert dezelfde verordening ook het gebruik van kaliumbicarbonaat en koperoctanoaat bij de bestrijding van verschillende schimmelziekten. Ook zijn een aantal synthetisch geproduceerde lokstoffen toegestaan.

Ongewenste planten[bewerken]

Onkruid wordt onderdrukt door verbouwmethodes zoals "no-till farming", het zaaien van tussengewassen en groenbemesting. Onkruidbestrijding gebeurt handmatig, mechanisch of door afvlammen.

Genetisch gemodificeerde gewassen[bewerken]

Het gebruik van genetisch gemodificeerde gewassen is niet toegestaan. Dit is vastgelegd in de Europese biologische wetgeving.

Rijping[bewerken]

Rijpingsbevorderaars voor vruchten zijn in de vorm van ethyleen toegestaan.

Kenmerken veehouderij[bewerken]

Ook zijn er tal van regels over de wijze waarop er met dierenwelzijn omgegaan wordt.

Leefomstandigheden[bewerken]

Het aantal vierkante meters dat een dier tot zijn beschikking heeft is groter, er zijn beperkingen voor het op stal zetten en varkens, koeien en kippen beschikken over daglicht en een vrije uitloop naar buiten. Het routinematig afbranden van snavels bij kippen en het staartknippen bij varkens is niet toegestaan. Het castreren van varkens is eveneens verboden.

Voortplanting[bewerken]

Kunstmatige inseminatie is in Nederland toegestaan, maar niet het seksen van sperma (met een machine sperma sorteren op X- of Y-chromosoom).[16]

Voeding[bewerken]

Dieren moeten met biologisch geproduceerd diervoer gevoerd worden. Dit ligt vast in de Europese biologische wetgeving.

Medicijnen[bewerken]

Net als in niet-biologische landbouw is het gebruik van groeihormonen tijdens het productieproces verboden. Ook antibiotica mogen niet preventief worden toegediend, enkel wanneer een dier ziek is. Een vleesvarken mag tijdens zijn leven maar één keer met medicijnen behandeld worden, drachtige zeugen voor twee verschillende aandoeningen per jaar. Voor koeien geldt eveneens dat voor twee verschillende aandoeningen per jaar behandeld mag worden.

Omvang[bewerken]

Wereldwijd was in 2019 ongeveer 70 miljoen hectare van alle landbouwgrond in gebruik voor biologische landbouw. Daarmee kwam het uit op een percentage van 1,4% van alle wereldwijde landbouwgronden dat biologisch bewerkt wordt.[17]

  • Vlag van Europa Europa: Het aandeel biologisch bewerkte landbouwgrond in de Europese Unie werd in 2017 geschat op 7%, zo'n 12.6 miljoen hectare.[18]
    • Vlag van België België: In 2017 waren er in Vlaanderen 468 bedrijven, samen goed voor 7367 hectare, die biologisch teelden. Dit vormde samen ongeveer 1,2% van het totale Vlaamse landbouwareaal. Dit percentage blijft stijgen.[19]
    • Vlag van Duitsland Duitsland: Volgens ramingen van de Bund Ökologische Lebensmittelwirtschaft lag het biologische landbouwareaal in 2017 op 1.375.967 hectare. Daarmee wordt er op 8,2% van het totale landbouwareaal in Duitsland biologisch geteeld. Meer dan één op de tien bedrijven (10,9%) teelt biologisch.[20] In 2017 haalde men voor het eerst een omzet van meer dan 10 miljard euro met biologische producten, een marktaandeel van 5,9%.[21]
    • Vlag van Nederland Nederland: Qua landbouwareaal dat biologisch beplant wordt loopt Nederland met 3,8% (66.623 hectare) in 2019 achter op andere Europese landen als Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden en Estland.[22] Eind 2017 waren 1.750 landbouwbedrijven biologisch gecertificeerd bij Skal Biocontrole.[23] Nederland telde in 2014 ongeveer 350 biologische melkveehouders. In 2017 was dit aantal gestegen naar 481. Na het afschaffen van het melkquotum in 2015 daalde de prijs voor gangbare melk. Voor biologische melk is de prijs vrij stabiel. Dit maakt het aantrekkelijk voor melkveehouders om over te schakelen naar biologisch.[24]
    • Vlag van Oostenrijk Oostenrijk: Het land in de Europese Unie met het hoogste percentage biologische landbouwgrond is Oostenrijk met 24%. Bio Austria is een van de grootste bio-verbanden in de EU met sinds 2009 relatief constant 12.500 aangesloten boeren en een omzet van € 300 miljoen.[25]
  • Vlag van Australië Australië: Het grootste biologische landbouwareaal (in oppervlakte) bevindt zich in Australië, met meer dan 35,6 miljoen hectare, al wordt het grootste deel daarvan gebruikt voor de veehouderij.
  • Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten: Ondanks dat de Verenigde Staten sinds 2016 een marktaandeel van biologische producten heeft van 5,3%, en wereldwijd de grootste omzet, wordt er in eigen land maar op 0,6% van alle landbouwgrond biologisch geteeld, net iets meer dan 2 miljoen hectare.[26]
Biologisch areaal in Europa 2017[27]
Land hectare %[28]
België 83.510 6,4
Bulgarije 136.629 2,9
Cyprus 5.616 5,1
Denemarken 226.307 8,6
Duitsland 1.373.157 8,2
Estland 196.441 20,5
Faeröer 253 8,4
Finland 259.451 11,4
Frankrijk 1.744.420 6,3
Griekenland 410.140 5
Hongarije 199.684 4,3
Ierland 74.336 1,5
IJsland 20.177 1,1
Italië 1.908.653 15,4
Kroatië 96.618 6,1
Letland 268.870 14,8
Liechtenstein 1.389 37,9
Litouwen 234.134 8,1
Luxemburg 5.444 4,2
Malta 43 0,2
Moldavië 30.142 1,2
Nederland 56.203 3
Noorwegen 47.042 4,7
Oostenrijk 620.764 24
Polen 494.979 3,4
Portugal 253.786 7
Roemenië 258.471 2
Rusland 656.933 0,3
Servië 13.423 0,4
Slovenië 46.222 9,5
Slowakije 189.148 10
Spanje 2.082.173 8,9
Tsjechië 520.032 12,2
Turkije 520.886 1,4
Verenigd Koninkrijk 497.742 2,9
Zweden 576.845 18,8
Zwitserland 151.404 14,4

Biologische veeteelt en epidemieën[bewerken]

Hoewel het aannemelijk is dat biologische veeteelt minder gevoelig is voor epidemieën is hiervoor geen direct bewijs. Bij de biologische veeteelt zijn de regels t.a.v. veevoer scherper en beter omschreven en ook de dierdichtheid is beduidend lager wat wordt gerekend tot de cruciale preventiemaatregelen van zoönose-epidemieën.[29]

In 1995 werd een zes maanden durende studie uitgevoerd om de diergezondheid en het dierenwelzijn in Britse biologische veehouderijen te beoordelen. Waaruit bleek dat biologische boeren in het algemeen diergezondheid en welzijnsproblemen niet als een significant probleem beschouwden, en dierziektes op hun bedrijf minder voorkomen dan in de conventionele veehouderij. Er werd minder mastitis, ketose, melkziekte en kreupelheid geconstateerd. Het is onduidelijk wat hier de reden voor kan zijn, mogelijkheden zijn: lage bezettingsgraden, gemengde soortensystemen, homeopathische middelen, verminderde huisvestingsstress, enz. Wel was duidelijk dat meer onderzoek nodig is.[30]

CO2-voetafdruk[bewerken]

Volgens de Chalmers University of Technology in Zweden is de CO2-voetafdruk van biologische landbouw hoger dan van reguliere landbouw. Dit zou voornamelijk veroorzaakt worden door de lagere opbrengsten per hectare, voor sommige teelten tot 50% [31]. Er zit geen verschil in productiehandelingen tussen biologisch en regulier maar door lagere opbrengsten telt dit zwaarder door per kilogram product. Doordat er meer oppervlakte nodig is om biologisch voedsel te produceren draagt dit indirect bij aan de ontbossing van de aarde.[32]

Andere onderzoeken van onder meer The Rodale Institute in de Verenigde Staten spreken dit juist tegen en laten zien dat organische landbouw voor minder CO2-uitstoot zorgt door minder elektriciteitsverbruik en doordat bij biologische landbouw meer organische stof in de bodem wordt opgeslagen, wat leidt tot een verlagend effect op de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer. Ook zouden biologische bodems een beter waterbergend vermogen hebben, wat resulteert in een betere opbrengst ten opzichte van gangbare bodems in tijden van droogte.[33] Ook zouden redenen als het vermijden van synthetische landbouwchemicaliën zoals pesticiden en kunstmest, en het lagere gebruik van geconcentreerde energierijke voederproducten worden genoemd.[34]

Volgens onderzoek zou het ook mogelijk zijn om grote hoeveelheden momenteel conventionele landbouwgrond om te zetten zonder catastrofale schade aan de oogst en zonder grote hoeveelheden nieuw land nodig te hebben.[35]

Voordelen ten opzichte van conventionele landbouw[bewerken]

Het behoud van natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit is een kernprincipe van de biologische productie. Drie brede beheerpraktijken (verbod / verminderd gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en anorganische meststoffen; beheer van niet-bebouwde habitats; en behoud van gemengde landbouw) die grotendeels intrinsiek (maar niet exclusief) zijn voor de biologische landbouw, zijn bijzonder gunstig voor de flora en fauna van landbouwbedrijven.[36]

Gebrek aan herbiciden en pesticiden verbeteren de biodiversiteit en levert een grote bijdrage aan de totale soortenrijkdom als gevolg van heterogeniteit.[37]

Volgens een langetermijnstudie van wetenschappers van de Agricultural Research Service in de Verenigde Staten kan biologische landbouwgrond organische stof beter opbouwen dan conventionele landbouw, wat suggereert dat opbrengsten op de lange termijn baat hebben bij biologische landbouw.[38]

De toename van de bodemgezondheid op biologisch beheerde gronden kan ook leiden tot een betere waterkwaliteit. Met name de afvoer van nitraat uit minerale meststoffen die in de conventionele landbouw wordt toegepast, is zorgwekkend voor de waterkwaliteit omdat het kan leiden tot eutrofiëring. Organische werkwijzen zoals het gebruik van vruchtwisseling, dekgewassen en dierlijke mest, vergroten echter ook het vermogen van de bodem om water en voedingsstoffen vast te houden. De resulterende voordelen voor de waterkwaliteit zijn goed bewezen in tal van onderzoeken, wat aangeeft dat biologische gronden minder waterafvoer en verlies van voedingsstoffen ervaren dan hun conventionele tegenhangers.[39]

Voedselschaarste[bewerken]

Niet alleen is de mythe dat biologische landbouw de wereld niet zou kunnen voeden achterhaald, het is ook contraproductief. Biologische boeren onthouden zich van de meeste giftige synthetische inputs, beschermen het milieu en geven prioriteit aan bodemgezondheid, natuur, schone lucht en water, en voedsel dat rijk is aan voedingsstoffen. Hun nadruk ligt doorgaans minder op het maximaliseren van gewasopbrengsten en meer op het creëren van gezonde, veerkrachtige ecosystemen.

In 1981 is in Noord-Amerika de Farming Systems Trial gestart, het langstlopende onderzoek naar biologische en conventionele landbouw. Hieruit bleek na 30 jaar dat de biologische landbouw:[40]

  • concurrerende opbrengsten heeft met de conventionele landbouw na een overgangsperiode van 5 jaar;
  • opbrengsten produceert tot 40% hoger in tijden van droogte;
  • geen giftige chemicaliën loost in waterwegen;
  • 45% minder energie verbruikt;
  • 40% minder broeikasgasemissies uitstoot;
  • 3-6× hogere winsten boekt voor boeren.

Het hongerprobleem in de wereld is geen kwestie van tekorten, maar een probleem van verdeling en distributie. Volgens cijfers van de VN, bij monde van rapporteur Jean Ziegler, werd in 2006 in principe voldoende voedsel geproduceerd om 12 miljard mensen te voeden. Bovendien worden biologische landbouwmethoden steeds effectiever en kan er volgens deskundigen zeker op termijn meer dan genoeg geproduceerd worden. Volgens schattingen wordt 30% tot 50% van al het geproduceerde voedsel weggegooid. Ook wordt een groot deel van het voedsel gebruikt voor brandstof of veevoer.[41]

Kritiek[bewerken]

Tegenstanders van biologische landbouw stellen:

  • Hoewel de biologische landbouw streeft naar een gesloten kringloop, is dat in de praktijk niet steeds het geval. Zo is de biologische sector in Vlaanderen voor ruim 30% afhankelijk van externe, niet-biologische dierlijke mest.[42] In Frankrijk is de afhankelijkheid van externe bronnen voor stikstof, fosfor en kalium respectievelijk 23%, 73% en 53%.[43] Ook voor Denemarken zijn gelijkwaardige cijfers bekend.[44] Ook voor voeder, zaden en zelfs pesticiden[45] bestaan er ontheffingen waarbij producten uit de gangbare landbouw in de biolandbouw gebruikt kunnen worden.

Bovenvermelde punten worden door voorstanders vaak als volgt weerlegd:

  • De gangbare landbouw doet de biodiversiteit sterker afbreken dan de biologische landbouw, doordat bodemleven, wilde planten en insecten worden gedood. De sterk teruggelopen biodiversiteit in Nederland sinds het begin van de 20ste eeuw (nog 15% van wat het was, volgens de Monitor Duurzaam Nederland)[46] wordt door aanhangers van biologische landbouw toegeschreven aan de werkwijzen in de reguliere landbouw.
  • Bij biologische landbouw is de insteek niet om de plant te voeden, maar de grond. Door levende processen in de bodem worden de voedingsstoffen geleidelijk vrijgemaakt voor de plant. Kunstmest spoelt sneller uit dan organische mest en verarmt het bodemleven.
  • Voor de productie van compost is slechts een fractie nodig van de energie die voor kunstmestproductie- en transport vereist is.
  • Een rapport van het VN-Milieuprogramma (UNEP) uit 2008 meldt dat bij 114 projecten in 24 Afrikaanse landen de oogst meer dan verdubbelde door het gebruik van biologische productiemethoden.[47] Kunstmest en bestrijdingsmiddelen zijn vaak onbetaalbaar voor kleine boeren in ontwikkelingslanden, terwijl arbeidskracht - letterlijk - genoeg voorhanden is. Een kritische kanttekening hierbij is echter dat het rapport stelt dat biologische gewasbescherming effectiever is dan helemaal géén gewasbescherming, men stelt niet dat biologische gewasbescherming effectiever is dan gangbare gewasbescherming.
  • De biologische landbouw heeft een "kraamkamerfunctie" voor de gangbare landbouw, methodes uit de biologische landbouw kunnen bij gebleken geschiktheid overgenomen worden in de reguliere landbouw.[48]

Varianten[bewerken]

Er bestaan verschillende speciale varianten van biologische landbouw. Min of meer in volgorde van anciënniteit:

Al deze varianten hebben als gemeenschappelijk kenmerk, dat zij zich baseren op ecologische principes en de chemisch-industriële aanpak afwijzen. Ofschoon zij zich soms tegen elkaar afzetten, streven zij er alle naar zo veel mogelijk "samen te werken" met de natuur. Alleen biologische landbouw is vastgelegd in internationale wet- en regelgeving. Voor de andere vormen bestaan alleen labels van diverse samenwerkingsverbanden en certificeringsinstituten.

Verwante vormen van landbouw[bewerken]

Elementen van biologische landbouw kunnen onderdeel vormen van alternatieve landbouw of kringlooplandbouw en van typen gangbare landbouw die meer oog hebben voor milieu, duurzaamheid en/of menselijke gezondheid zoals duurzame landbouw, verbrede landbouw of geïntegreerde landbouw.

Opleiding[bewerken]

In Nederland organiseert Warmonderhof in Dronten twee opleidingen voor biologische en bio-dynamische landbouw: een 4-jarige dagopleiding voor adolescenten en jong-volwassenen, en een 2-jarige deeltijdopleiding voor volwassenen. Daarnaast is er aan de Wageningen Universiteit een MSc Organic Agriculture (MSc Biologische Productiewetenschappen) die zich op biologische producten richt. In Vlaanderen organiseert Landwijzer een modulair leertraject biologische en bio-dynamische landbouw (2,5 jaar) in Gent en Antwerpen.

Externe links[bewerken]

  • Bionext, de Nederlandse organisatie voor biologische landbouw en voeding
  • Bioforum, de Vlaamse sectororganisatie voor biologische landbouw en voeding
  • BioMijnNatuur, informatie en nieuws over biologische landbouw en voeding - Vlaanderen
  • de Nederlandse stichting EKO-keurmerk
  • Skal, de Nederlandse toezichthouder op biologische landbouw en voeding
  • biogarantie.be, Over het Biogarantie-label - België
  • IFOAM, The International Federation of Organic Agriculture Movements