Homoseksualiteit in nazi-Duitsland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Merktekens in Duitse concentratiekampen, waaronder de roze driehoek voor homoseksuelen.
Een intern Gestapo-telexbericht, gedateerd 5 september 1940, dat de preventieve hechtenis van de 39-jarige Hans Retzlaff uit Stettin gelast omdat deze "als een onverbeterlijke homoseksueel verwerpelijke avances gemaakt heeft in de richting van een lid van de marine op verlof, waarmee hij te kennen geeft dat hij zich kennelijk niet wenst te houden aan de orders die zijn uitgevaardigd ter bescherming van de volksgezondheid en de Duitse jeugd."

Homoseksualiteit in nazi-Duitsland betreft de omgang met homoseksualiteit onder het regime van Adolf Hitler en diens NSDAP in de periode van 1933 t/m 1945. Op basis van paragraaf 175 werden in nazi-Duitsland in totaal zo'n 50.000 homomannen veroordeeld, de meesten tot een gevangenisstraf, maar ongeveer 9.000 kwamen om het leven in concentratiekampen. Anders dan vaak gedacht werd in bezet Nederland slechts een relatief klein aantal personen wegens homoseksualiteit opgepakt. Het aantal homo's dat zich onder de opgepakte Joden en verzetsstrijders bevond is onbekend.

Context[bewerken]

In de tweede helft van de 19e eeuw was onder leiding van de Duitse seksuoloog Magnus Hirschfeld een eerste beweging ontstaan die probeerde de positie van seksuele minderheden te verbeteren. Dit was het begin van de homo-emancipatie. Tevens ontwikkelde zich in enkele grote steden, met name Berlijn, een levendige homo-gemeenschap. Zo telde Berlijn in de jaren twintig meer dan 100 cafés, bars en clubs voor homoseksuelen.[1] In 1925 onthulde een Duits dagblad zelfs dat de chef van de Sturmabteilung (SA), Ernst Röhm, een homoseksueel was.

Met de opkomst van Hitlers Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) werd homoseksualiteit steeds sterker afgekeurd. De nationaalsocialisten geloofden dat de Ariërs de übermenschen waren, en dat hun ras zich zo snel mogelijk moest verspreiden. Om die reden werd niet-reproductieve seks, met name sodomie en masturbatie, verboden. De bestrijding van homoseksualiteit was dan ook het strengst in Duitsland en bezette gebieden die als Duits werden beschouwd, zoals Elzas-Lotharingen. In andere bezette landen, zoals Nederland, was de vervolging voor zover bekend minder systematisch, ook al omdat men aangewezen was op medewerking van de lokale politie.[2]

Vervolging in Duitsland[bewerken]

Nadat in januari 1933 de nationaalsocialisten aan de macht waren gekomen, beval Hermann Göring op 23 februari 1933 alle uitgaansgelegenheden te sluiten die "ter bevordering van onzedelijkheid misbruikt werden", in het bijzonder diegene die als ontmoetingsplaatsen dienden voor "die kringen die de tegennatuurlijke ontucht aanhangen". Slechts een handvol zaken werd niet gesloten en deze moesten dienen om een grotere greep op de homoscene te kunnen houden.[3]

In 1934 werd een speciale afdeling van de Gestapo opgericht die zich bezighield met het opsporen van homo's. Twee jaar later volgde op bevel van Heinrich Himmler een voor het ministerie werkend instituut ter bestrijding van homoseksualiteit en abortus, de Reichszentrale zur Bekämpfung der Homosexualität und der Abtreibung. Het aantal arrestaties van homoseksuele mannen nam toe van 157 in 1918 tot 8562 in 1937.

Tussen 1933 en 1945 werden in totaal circa 100.000 mannen opgepakt op verdenking van ontucht en het "corrumperen van het publiek moraal". Na arrestatie werden veel homoseksuelen mishandeld door de politie; ca. 50.000 werden uiteindelijk veroordeeld, de meesten tot gevangenisstraffen, maar bijna 15.000 werden naar een concentratiekamp gestuurd.[4] Daarnaast werden nog honderden mannen gedwongen gecastreerd of opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen.[5]

Binnen het Duitse leger, de SS en de SA werd tijdens de oorlog homoseksuele handelingen bestraft met standrechtelijke executie.[2]

Concentratiekampen[bewerken]

Aanvankelijk viel de homoseksuele mannen niet hetzelfde lot ten deel als de Joden en zigeuners: ze werden beschouwd als leden van het Arische ras. Alleen zij die weigerden zich te conformeren aan sociale en seksuele normen werden naar concentratiekampen gestuurd en daar ter herkenning voorzien van de roze driehoek. Hen viel vaak een bijzonder wrede behandeling ten deel.

Pierre Seel, een Fransman die het concentratiekamp in Schirmeck-Vorbruck overleefde, schreef in zijn memoires dat vingernagels werden uitgetrokken en dat sommigen werden verkracht met kapotte linialen. In de kampen zelf was de situatie niet veel beter. Nationaalsocialistische artsen als Carl Vaernet gebruikten de mannen als proefkonijnen om te proberen het gen te vinden dat hun homoseksualiteit veroorzaakte. Officiële documenten tonen aan dat tussen de 5.000 en 15.000 homoseksuelen werden opgesloten in de concentratiekampen.[6]

Het exacte aantal doden is niet bekend, maar onderzoek uitgevoerd na de Tweede Wereldoorlog wees uit dat homoseksuelen na de Joden de meeste kans liepen in een concentratiekamp te overlijden. Waarschijnlijk overleefde 60% van alle gedeporteerde homo's de oorlog niet, ten opzichte van 41% van de gewetensgevangenen en 35% van de Jehova's getuigen.[4] [7]

Vervolging in bezet Nederland[bewerken]

Verordnung 81/40: Verordnung zur Bekämpfung der wiedernatürliche Unzucht (Nederlands: Verordening tot bestrijding van tegennatuurlijke ontucht)

Op de dag van de Duitse inval, 10 mei 1940, werd de Nederlandse homo-emancipatie-organisatie N.W.H.K. door voorman jhr. Jacob Schorer opgeheven, waarna hij direct de ledenadministratie en het gehele archief liet vernietigen. Niet ten onrechte, want al op 15 mei 1940 deden de Duitsers een inval in Schorers appartement en namen zijn omvangrijke bibliotheek in beslag, die vervolgens spoorloos verdween. Ook het ledenbestand en de edities van het homotijdschrift Levensrecht werden uit voorzorg vernietigd.[2]

Verordening 81/40[bewerken]

Op 3 augustus 1940 voerde de Duitse bezetter de "Verordening tot bestrijding van tegennatuurlijke ontucht" (Vo 81/40)[8] in. Daardoor werden voortaan ook homoseksuele handelingen tussen volwassenen strafbaar, met een maximale gevangenisstraf van 4 jaar. Voordien was in Nederland, op basis van artikel 248-bis, alleen homoseksueel contact tussen volwassenen en minderjarigen onder de 21 jaar verboden. Bovendien werd met deze Duitse verordening nu ook de minderjarige partner in een homoseksueel contact strafbaar. Hiermee werd de wetgeving op dit gebied feitelijk in overeenstemming gebracht met die in nazi-Duitsland.[9]

Storm, het weekblad van de Nederlandsche SS, schreef in 1943 dat het tijd werd dat homoseksuelen "als onkruid in den Nederlandschen tuin dienden te worden uitgerot tot den laatsten man", en publiceerde in datzelfde jaar een artikel over enkele cafés waar homo's nog gedoogd werden, onder de ondubbelzinnige kop "Wat een gezond volk schaadt dient uitgesneden". Toch was de jacht op homoseksuelen in Nederland lang niet zo intensief als in Duitsland. De SS liet het opsporen van homo's grotendeels over aan de Nederlandse politie, en die stelde andere prioriteiten — dit tot ongenoegen van de Duitse politiechef Rauter.[9][10][11] Zo kwamen er in Amsterdam en Den Haag tijdens de oorlog zelfs een aantal nieuwe homobars bij en kon de spertijd benut worden om privéfeestjes tot in de ochtend te laten duren.[12]

De Duitse bezetter streefde ernaar om, net als in Duitsland zelf, alle vermeende homoseksuelen louter op grond van hun geaardheid te registreren, los dus van eventueel gepleegde strafbare feiten. Doordat de meeste documenten hieromtrent tegen het eind van de oorlog vernietigd zijn, is het onduidelijk in hoeverre de Duitsers hierin geslaagd zijn, maar het is niet waarschijnlijk dat deze eventuele lijsten tot vervolging op grote schaal geleid hebben.[9]

Nederlandse veroordeelden[bewerken]

Omdat de nieuwe regeling Vo 81/40 het oude art. 248-bis overlapte, halveerde het aantal veroordelingen op basis van dat artikel van ongeveer 40 naar 20 per jaar. Op basis van Vo 81/40 werden in de eerste drie bezettingsjaren eveneens ruim 20 veroordelingen per jaar uitgesproken. Voor de laatste twee oorlogsjaren is niets gedocumenteerd. Daarnaast zijn minimaal 43 zaken tegen Nederlanders door Duitse rechtbanken behandeld, die strenger straften, bijvoorbeeld wanneer gepoogd werd Duitse soldaten te verleiden.[2]

In totaal zullen dan minstens 160 Nederlandse mannen wegens homoseksuele handelingen door de Duitsers veroordeeld zijn. In de meeste gevallen kregen zij een gevangenisstraf, slechts een enkeling belandde in een concentratiekamp.[13] Een waarschijnlijk groter aantal Nederlandse homoseksuelen kwam in een kamp terecht omdat zij Joods waren of in het verzet zaten. De homoseksuele verzetsstrijders Willem Arondeus en Sjoerd Bakker werden bijvoorbeeld in 1943 gefusilleerd wegens hun aandeel in de aanslag op het Amsterdams Bevolkingsregister en in hetzelfde jaar werd Han Stijkel, als voortrekker van de Stijkelgroep, geëxecuteerd. Anderen, zoals Nico Engelschman en Jef Last, overleefden de oorlog en kwamen aan de wieg te staan van de nieuwe homobelangenorganisatie COC.[2]

Daarentegen waren er ook Nederlandse homo's die actief lid van de NSB of vergelijkbare organisaties werden, of die zich aangetrokken voelden tot de Duitse mannelijkheidscultus, zoals de schilder Pyke Koch. De Joodse lesbienne Ans van Dijk werd in 1943 gearresteerd, waarna ze in ruil voor haar vrijheid in totaal zo'n 700 andere onderduikers en zelfs haar eigen broer en schoonfamilie aan de Sicherheitsdienst van de Amsterdamse politie verraadde. Na de oorlog werd ze als enige vrouw wegens collaboratie geëxecuteerd.[2]

Maatschappelijke erkenning[bewerken]

Omdat na de oorlog in West-Duitsland paragraaf 175 van kracht bleef en de meeste geallieerde landen eveneens wetten hadden die homoseksuele handelingen verboden, duurde het vaak nog tot de jaren zeventig voordat overlevende homo's met hun verhalen naar buiten durfden te treden en hun lot maatschappelijke erkenning kreeg.[5] [4]

Plaquette ter herinnering aan homoslachtoffers in concentratiekamp Sachsenhausen.

Sindsdien zijn ter herinnering aan de deportatie van homoseksuelen in diverse voormalige concentratiekampen herdenkingsplaquettes geplaatst, vaak in de vorm van een roze driehoek. Die vorm heeft ook het Homomonument dat in 1987 in Amsterdam in gebruik werd genomen als het wereldwijd eerste vrijstaande monument voor homoslachtoffers in de openbare ruimte. Later werden ook homomonumenten opgericht in steden als Keulen, Frankfurt, Bologna, Montevideo, San Francisco, Sitges, Barcelona en Berlijn.

De Duitse overheid bood in 2002 officieel haar verontschuldigingen aan voor de vervolgingen. Het Europees Parlement herdacht de Holocaust in 2005 met een minuut stilte en het aannemen van een resolutie:

"Het doodskamp in Auschwitz-Birkenau, waar honderdduizenden Joden, Roma, homoseksuelen, Polen en andere gevangenen van diverse nationaliteiten werden vermoord, is niet enkel een belangrijke gebeurtenis voor de inwoners van Europa om te gedenken en de afschuw en tragedie van de Holocaust te veroordelen, maar ook om de onheilspellende toename van antisemitisme aan de orde te stellen, met name antisemitische incidenten in Europa, en om opnieuw te gedenken wat de gevaren zijn van vervolgingen op basis van ras, etniciteit, geloof, politiek of seksuele geaardheid.[14]"

Rechtsherstel in Nederland[bewerken]

Tijdens de voorbereiding van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) van 1972 wilde homobelangenorganisatie COC ook homoseksuelen als oorlogsslachtoffers erkend krijgen. Daartoe werd het beeld gecreëerd dat ook Nederlandse homo's op grotere schaal door de Nazi's vervolgd waren; het Amsterdamse gemeenteraadslid Bob van Schijndel sprak bijvoorbeeld in 1979 van 200.000 vermoorde homo's.[15] Uit later onderzoek bleek dat het om veel kleinere aantallen ging. Zo werden door de Nederlandse politie voor en na de bezetting meer homoseksuelen vervolgd dan tijdens de oorlogsjaren.[16] De enige Nederlander die vanwege vervolging om zijn homoseksuele geaardheid als oorlogsslachtoffer werd erkend was de Groninger Tiemon Hofman (1925-1997).[17]

Het Nederlandse kabinet besloot op 8 februari 2001 om in het kader van naoorlogs rechtsherstel alsnog een bedrag van 3,5 miljoen gulden (tegenwoordig 1.588.231 Euro) beschikbaar te stellen om onder meer leemtes in de geschiedschrijving rondom homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog in te vullen. Op advies van een onafhankelijke commissie werd besloten om dit bedrag als volgt te verdelen:[18]

  • Onderzoek naar de effecten van vervolging op grond van Verordening 81/40 en artikel 248 Wetboek van Strafrecht: maximaal 200.000 Euro
  • Boek over homoseksuelen en lesbiennes in het verzet: maximaal 34.000 Euro
  • Biografie over COC-voorzitter Benno Premsela: maximaal 110.000 Euro
  • Biografie over NWHK-oprichter Jacob Schorer: maximaal 48.000 Euro
  • Overzichtsboek vervolging homoseksuelen in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog: maximaal 46.000 Euro
  • Onderzoek naar (gedwongen) castraties: maximaal 120.000 Euro
  • Onderzoek naar de beeldvorming over homoseksualiteit in de Tweede Wereldoorlog en daarna: maximaal 200.000 Euro
  • Boek over het Homomonument in Amsterdam: maximaal 40.000 Euro
  • Fysieke en virtuele reconstructie van de Schorerbibliotheek: maximaal 128.000 Euro
  • Huisvesting documentatie- en informatiecentrum IHLIA: reservering van maximaal 662.231 Euro

Los hiervan was in 2006 en 2007 in achtereenvolgens Herinneringscentrum Kamp Westerbork, het Verzetsmuseum Amsterdam, het Verzetsmuseum Leeuwarden en Nationaal Monument Kamp Vught de tentoonstelling "Wie kan ik nog vertrouwen" te zien, over het leven en de vervolging van homoseksuelen in nazi-Duitsland en bezet Nederland.[19]

Literatuur[bewerken]

  • Pieter Koenders, Homoseksualiteit in bezet Nederland. Verzwegen hoofdstuk, Amsterdam, SUA, 1984.

Externe links[bewerken]


Oudheid: Oude Rome · Oude Egypte

Middeleeuwen:


Vroegmoderne tijd: Rusland

Moderne tijd: Nazi-Duitsland · Rusland · Sovjet-Unie

Heden: Nederland · Rusland ·

Sierra Leone