Uiterwaard
Een uiterwaard (ook: uiterwaarde en uiterdijk) is het overloopgebied tussen een winterdijk en het zomerbed langs een beek of rivier. De uiterwaard is de ruimte voor de rivier die nodig is om de tijdelijke piekafvoeren te bergen: in perioden van grote waterafvoer lopen de uiterwaarden tot aan de dijken onder water. In België worden uiterwaarden "beemden" of "meersen" genoemd.
Uiterwaarden zijn buitendijkse gronden. Geulen binnen de uiterwaarden heten strang of hank.
Door de uiterwaarden van een (lage) zomerdijk te voorzien, is het land erachter constanter droog. Dit is handig voor boeren die de uiterwaarden vaak gebruiken als weide voor hun vee. Tegenwoordig krijgen veel uiterwaarden naast waterhuishoudkundige en agrarische bestemming, een specifieke bestemming voor natuurontwikkeling (waaronder ooibossen). Daarom ook zijn grote delen van de uiterwaarden van de IJssel, Rijn, Waal en andere takken van de Rijn aangewezen als Natura 2000 gebieden.[1]
-
De uiterwaarden nabij Deventer. Hoe breder een uiterwaard, hoe groter de waterberging en hoe hoger de natuurwaarde kan zijn.
