Hart en vaatstelsel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hart en vaatstelsel
Systema cardiovasculare
Bloedsomloop bij de mens. Rood: bloedvaten met zuurstofrijk bloed, blauw: bloedvaten met zuurstofarm bloed
Bloedsomloop bij de mens. Rood: bloedvaten met zuurstofrijk bloed, blauw: bloedvaten met zuurstofarm bloed
Gegevens
Systeem Hart en vaatstelsel
Naslagwerken
TA A12.0.00.000
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schematische vereenvoudigde voorstelling bloedsomloop

Het bloedvatenstelsel of de bloedsomloop bij de mens is het gesloten systeem van vaten waardoor bloed stroomt. Er zijn 2 bloedsomlopen, de kleine en de grote. De vaten verbinden het hart en de organen en zorgen voor de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen en voor de afvoer van afvalstoffen zoals koolstofdioxide. Ook zorgt de bloedsomloop voor circulatie van hormonen, afweerstoffen en warmte.

Met vaatstelsel wordt het geheel van bloedvaten in het menselijk lichaam aangeduid. Dit stelsel is opgedeeld in de aanvoerende slagaders (arterieel stelsel) en de afvoerende aders (veneus stelsel). De grootste hoeveelheid bloed bevindt zich in de aderen (venen). Binnen het veneuze stelsel heerst een relatief lage bloeddruk. In de slagaders of arteriën bevindt zich maar een relatief klein deel van het bloed maar hier heerst een hoge druk. Dit is de reden waarom bij een slagaderlijke bloeding ook vrij snel een hoog bloedverlies optreedt en de levensbedreigende situatie shock kan optreden.

Opbouw bloedsomloop[bewerken]

Bij de mens (na de geboorte) wordt het bloed mechanisch voortgestuwd vanuit het hart met een normale maximale druk van 120  mm Hg (kwikdruk). Het bloed stroomt daardoor met hoge snelheid vanuit de linkerhartkamer via de aorta door de slagaders tot in de organen (de grote bloedsomloop).

De slagaders (arteriën) zijn stevige buizen die vooral instaan voor het snelle transport van het bloed.

Ter hoogte van de organen monden ze uit in arteriolen ("kleine slagadertjes") die kunnen samentrekken. Hun functie bestaat erin het debiet te regelen. Door samen te trekken, verkleinen ze hun vaatholte (lumen) zodat er minder bloed naar het orgaan vloeit. Door te ontspannen, vergroten ze hun diameter, zodat er meer bloed naar het orgaan kan stromen.

De arteriolen monden op hun beurt uit in de haarvaten (capillairen). Dit zijn heel dunne bloedvaatjes waar het bloed slechts erg traag doorheen kan stromen. Hierdoor kan er uitwisseling plaatsvinden van zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen met de weefsels waar deze capillairen doorheen lopen.

De haarvaten gaan over in de venulen ("kleine adertjes"). Dit zijn kleine vaten met een slappe wand waarin het bloed zeer traag stroomt. Het bloed is zuurstofarm (donkerrood) als het in de venulen terechtkomt, waardoor de weefsels hier makkelijker hun CO2 kunnen afgeven.

Uit de venulen komt het bloed in de aders (venen) terecht die vooral als opslagplaats dienen voor het bloed. Door hun slappe wand kunnen ze erg breed uitzetten en een groot volume bloed bevatten. Hier bevindt zich het grootste deel van het bloed. Wanneer er elders in het lichaam meer bloedtoevoer gevraagd wordt, zal er minder bloed aanwezig zijn in deze capaciteitsvaten.

Alle aders van het lichaam monden tenslotte uit in één van de twee holle aders: een holle ader die het bloed uit het bovenlichaam terugvoert naar het hart: de vena cava superior; de andere holle ader: de vena cava inferior, die hetzelfde doet met het bloed uit het onderlichaam. Beide holle aders monden ieder apart uit in de rechterhartboezem of rechteratrium.

Vanuit de rechterhartboezem wordt het bloed via de tricuspidalisklep in de rechterkamer (rechterventrikel) gepompt.

Het zuurstofarm bloed wordt vervolgens door de pulmonalisklep heen via de longslagaders (arteria pulmonaria) naar de longen (de kleine bloedsomloop) gepompt met een normale maximum bloeddruk van 65 mm Hg.

De longen vervullen de belangrijke taak zuurstof en koolstofdioxide uit te wisselen aan de bloedbaan (via arteriolen, capillairen en venulen).

Via de longader (vena pulmonaria) stroomt het nu zuurstofrijk bloed (helderrood) naar de linkerhartboezem of linkeratrium.

Vanuit de linkerhartboezem stroomt het bloed door de mitralis of bicuspidalisklep in de linkerkamer. De boezem zal op het einde van de diastole samentrekken om zo veel mogelijk bloed in de linkerkamer te kunnen stuwen.

De linkerkamer (linkerventrikel) is het krachtigste deel van het hart en zal voldoende kracht ontwikkelen om het hier verzamelde bloed via de aortaklep door de aorta en verder door de slagaders van het lichaam te stuwen.

Pompwerking van het hart[bewerken]

Het hart zorgt voor de drijfkracht achter de bloedstroming. Het heeft een pompwerking binnen de bloedsomloop. Als het hart niet meer pompt, stopt ook de bloedcirculatie; er is sprake van circulatoire collaps waardoor reanimatie noodzakelijk wordt.

Ziekten en problemen van de bloedsomloop[bewerken]

Zie ook[bewerken]