Pekingmens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Pekingmens
Model van de schedel van de pekingmens (museum te Zhoukoudian)
Plaats Zhoukoudian
Datering 750.000 BP
Periode Vroegpaleolithicum
Vondstjaar 1921
Vinder Johan Gunnar Andersson
Collectie verloren geraakt
Portaal  Portaalicoon   Archeologie

De pekingmens (Homo erectus pekinensis) is een groep fossielen van de uitgestorven mensensoort Homo erectus. Deze werden oorspronkelijk, in 1927, door Black benoemd als het aparte geslacht en soort Sinanthropus pekinensis.[1]

In het begin van de twintigste eeuw dachten veel onderzoekers dat de mens in Azië ontstaan was. Men ging gericht op zoek naar fossielen van de "ontbrekende schakel". In 1921 vond Otto Zdansky in een grot bij Zhoukoudian nabij Beijing een fossiele mensentand. Toen nog meer tanden opdoken, werd in 1926 besloten de grot helemaal uit te graven, onder leiding van Davidson Black. Tussen 1927 en 1937 werden resten gevonden van een veertigtal individuen, voornamelijk een dozijn schedels. De botten waren aanwezig in een aantal lagen die wellicht zo oud waren als 780 0000 en zo jong als 230 000 jaar. Verder werden eenvoudige stenen werktuigen aangetroffen. Indertijd vertegenwoordigden de ontdekkingen de meest uitgebreide vondsten van oermensen die bekend waren en ze zijn nog steeds de belangrijkste bekende overblijfselen van Homo erectus. Ze kregen grote aandacht van wetenschap en publiek maar gingen in 1941 verloren bij een poging ze onder de Japanse bezetting van China in veiligheid te brengen.

De pekingmens was iets korter dan de gemiddelde moderne mens. Zijn herseninhoud lag met gemiddeld één liter ook een kwart lager. Zijn schedeldak was lager maar langer. Achteraan stak het uit in een punt. De schedel was opvallend zwaargebouwd. Boven de ogen lag een dikke uitstekende beenwal. Op het dak liep een verdikking. Beenringen versterkten de slapen en het achterhoofd verder. De wanden van de schedel waren ook heel dik, meer dan bij zowel vroegere als latere mensensoorten. Hetzelfde gold voor de ledematen. De tanden verschilden niet zoveel van het moderne gebit maar waren ook weer aan de buitenzijde en binnenkant extra verdikt.

Het landschap waar de pekingmens leefde was meestal koel en vrij droog, een tamelijk open vlakte. Hij zal bessen gegeten hebben en joeg misschien op herten. Zijn werktuigen waren wat simpel gebouwd met een enkele snijrand. Vroeger werd gedacht dat de pekingmens het maken van vuur beheerste. Gespleten mensenbotten zouden wijzen op kannibalisme. Later bleek dat die door reuzenhyenas waren gekraakt. De meeste botten waren door deze roofdieren achtergelaten. Er is geen eenduidig bewijs voor het gebruik van vuur. Er is maar weinig bekend over de cultuur of het gedrag van de pekingmens.

Het was al snel duidelijk dat de pekingmens nauw verwant was aan de eerder ontdekte Javamens. In het midden van de twintigste eeuw begonnen onderzoekers ze samen te voegen tot één soort: Homo erectus. De pekingmens werd soms aangeduid als de ondersoort Homo erectus pekinensis. H. erectus werd beschouwd als een evolutiefase tussen de aapmens Australopithecus en de Neanderthalers, richting de moderne mens. Dat viel goed in China waar de pekingmens vereerd wordt als de directe voorouder van het Chinese volk. In de jaren tachtig werd de Out of Africa II-hypothese populair, dat de moderne mens afstamt van een recente migratie uit Afrika. Dat zou de pekingmens tot een doodlopende zijtak maken zonder nog levende afstammelingen. In de eenentwintigste eeuw wees nieuw onderzoek uit dat de situatie complexer moet zijn geweest met vele migratiegolven en aanzienlijke vermenging tussen populaties. Het is nog onduidelijk wat dit betekent voor de positie van de pekingmens.

Vondst en naamgeving[bewerken | brontekst bewerken]

Davidson Black

Black benoemt Sinanthropus pekinensis[bewerken | brontekst bewerken]

In het begin van de twintigste eeuw was nog zeer weinig bekend van de vroegste geschiedenis van de mens. Charles Darwin had in zijn Descent of Man van 1871 voorspeld dat de mens zich in Afrika ontwikkeld had omdat diens nauwste nog levende verwanten, de chimpansees en gorilla's, daar voorkwamen. Veel biologen stond die gedachte echter tegen. Men wilde liever niet afkomstig zijn uit een tropisch gebied of zwarte mensen als voorouder hebben. Daarentegen leek een oorsprong in Azië veel voornamer te zijn. Het harde klimaat in Centraal-Azië zou de motor geweest zijn in de evolutie van de mens en steeds verder ontwikkelde mensentypen hebben opgeleverd, waaronder de voorouders van de Europese volkeren. De "vondst" van de Piltdownmens, in feite een vervalsing die een moderne schedelkap combineerde met de onderkaken van een oerang-oetan, deed in Engeland de belangstelling voor de paleoantropologie sterk opleven.[2] De Piltdown Man werd bestudeerd door Grafton Elliot Smith en die had in 1914 als assistent de Canadees Davidson Black. Black nam, mede onder invloed van William Diller Matthew, het voornemen op in China de voorouder van de mens te gaan zoeken.[3] Met dat doel reisde hij in augustus 1919 naar Peking en aanvaardde eind 1920 een baan als professor neurologie bij het Peking Union Medical College. Zijn leerstoel werd echter gefinancierd door de Rockefeller Foundation die strikt controleerde of hij zijn tijd wel besteedde aan het opleiden van Chinese artsen in plaats van het najagen van "fabeldieren in mysterieuze grotten".

Tand PMU 25719 in de Zweedse collectie

Na de Xinhairevolutie begon de Republiek China sneller te moderniseren. Contacten werden gelegd met buitenlandse instellingen die zo weer de gelegenheid kregen in het land onderzoek te doen. In 1921 begon de Zweedse archeoloog Johan Gunnar Andersson samen met de Oostenrijker Otto Zdansky en de Amerikaan Walter Granger nabij Beijing bij het dorp Zhoukoudian ofwel Choukoutien opgravingen te verrichten op de Chi Ku Shan, de "kippenbottenberg". Plaatselijke steenwerkers vertelden ze dat op de Longgushan, de "drakenbottenberg",[4] fossielen te vinden waren, die binnen de Chinese geneeskunde als heilzame drakenbotten golden.[5] Die naam was veelbelovend want Andersson wist dat in de collectie van Karl Albert Haberer een fossiele menselijke kies aanwezig was die deze in een apotheek te Peking gekocht had, de indertijd befaamde Chansizahn. Zdansky ontdekte vermoedelijk in augustus 1921 een menselijke tand, specimen PMU M3550, een bovenste derde rechterkies.[6] Het tijdstip van de ontdekking is niet helemaal zeker omdat zijn aantekeningen in 1923 gestolen werden en hij zich de datum niet kon herinneren; Black dacht in 1933 zelfs dat 1923 het correcte jaartal was.[7] Later, wellicht in de late zomer van 1923,[8] dook er nog een op: specimen PMU M3549, een onderste derde linkerpremolaar. In 1918 waren al werktuigen uit kwarts gevonden.[9][10] Deze tanden waren echter van lage kwaliteit en kregen weinig aandacht. Zdansky bewaarde ze in een glazen potje in zijn werkkamer. Ze werden pas in 1927 door hem gemeld in de wetenschappelijke literatuur.[11]

Black stelde een plan op om de Zhoukoudiangrotten helemaal uit te graven. Het lukte hem echter niet daar fondsen voor te verwerven. Dat veranderde toen de kroonprins van Zweden, de latere Gustaaf VI, in 1926 Peking bezocht. De prins was een enthousiast amateurpaleontoloog en de beschermheer van de Zweedse Onderzoekscommissie die buitenlandse expedities financierde. Black hield op 22 oktober een levendige lezing met de prins als toehoorder, waarin de tanden beschreven werden als de belangrijkste archeologische vondst die ooit door Zweden gedaan was.[12] Hij kreeg zo de nodige fondsen los, $110 000, en op 27 maart 1927 begon een team van Zweden en Chinezen, ondersteund door zestig arbeiders, met de opgravingen. De Zweed Anders Birger Bohlin vond dat jaar op 16 oktober de derde tand, een onderste eerste linkerkies.[13] Black was helemaal extatisch en besloot meteen een nieuw geslacht en nieuwe soort te benoemen: Sinanthropus pekinensis. De geslachtsnaam is een combinatie van het Latijn Sinae, "Chinezen", en het Oudgrieks anthropos, "mens". Hij was gesuggereerd door Amadeus William Grabau. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst bij Beijing. Het nieuwe geslacht was strijdig met het oordeel van Zdansky uit 1927 dat de tanden bij een ?Homo sp. hoorden. Black deed er alles aan om de publiciteit voor zijn nieuwe mensensoort te vergroten. Hij reisde in 1928 de wereld rond waarbij de tand in een speciaal messing doosje geplaatst was dat hij aan zijn pols droeg of aan zijn horlogeketting. Deze tand is het holotype, K11337: 3. Overigens gaf Black Zdansky als medenaamgever aan, zodat de soort een Sinanthropus pekinensis Black & Zdansky 1927 werd. Zdansky begeleidde persoonlijk de twee eerst gevonden tanden in januari 1924 naar Zweden. In 1926 werd nog wat materiaal nagezonden en pas tegen 1952 bleek het Zdansky, die na januari 1927 een kwarteeuw in Egypte werkte, dat in de ongeopende kratten nog een derde tand aanwezig was. In juni 1952 meldde hij specimen PMU M3887, een onderste vierde rechterpremolaar.[14] Op 21 maart 2011 werd er zelfs nog een vierde tand ontdekt die door Zdansky over het hoofd moet zijn gezien, specimen PMU 25719, een bovenste rechterhoektand.[15][16] De vijf in eerste instantie gevonden tanden behoren vermoedelijk aan één individu toe, een meisje van zeven à acht jaar oud. Ze komen uit Laag 5, Locus A.

Schedels worden gevonden[bewerken | brontekst bewerken]

Pei Wenzhong

In de jaren twintig begon de dominantie van Westerse onderzoekers in toenemende mate ergernis op te wekken bij de Chinese regering. Men kreeg de indruk dat nationaal erfgoed verkwanseld werd en verbood in 1928 de export van oudheden. Reeds eerder hadden de Zweden een monopolie gekregen op de opgravingen, zodat geleerden van andere nationaliteiten alleen onder Zweeds toezicht mochten werken. Op 14 februari 1927 was de Chinese geoloog Weng Wenhao al met Westerse onderzoekers overeengekomen de vondsten van Zhoukoudian in het land te houden. Men begreep nu dat er een meer structurele oplossing nodig was om de autoriteiten gerust te stellen. Black was precies de man om dat te regelen. Hij had een zeer joviaal karakter en was steeds vriendschappelijke en nauwe contacten aangegaan met zijn Chinese collega's.[17] In 1929 liet hij het Peking Union Medical College, de Geological Survey of China en de Rockefeller Foundation gezamenlijk het Cenozoic Research Laboratory oprichten, de oorsprong van al het Chinees institutioneel paleontologisch onderzoek.

De eerste en tweede gevonden schedels

Intussen waren de opgravingen doorgegaan. In 1928 vond men op Locus B vier stukken onderkaak van kinderen maar ook een van de meest complete skeletten met een stuk schedel ("Skull I"), onderkaak, opperarmbeen en polsbeentje van een volwassen man.[18][19][20][21] In 1929 ontdekte men op Locus D eerst nog een stuk onderkaak van een kind en toen een schedel van een volwassen vrouw, "Skull II".[22][23] Al deze vondsten bleven echter van slechte kwaliteit. Het CRL begon zich af te vragen of de magere opbrengsten de grote uitgaven wel rechtvaardigden. Birger Bohlin werd naar Sinkiang uitgezonden en de werkzaamheden kwamen onder leiding te staan van een Chinese paleontoloog, Pei Wenzhong. Die liet het graafwerk onverdroten voortzetten.

Op 2 december 1929 groef Pei, na een eerste vondst door de arbeiders Qiáo Déruì, Sóng Guóruì en Liú Yìshān, bij kaarslicht in een diep uitgegraven sleuf natte klei in Locus E een schedelkap met achterhoofd op. Deze "Skull III" van een jongen bleek een uitzonderlijk gaaf exemplaar. Na enkele dagen droging werd het fossiel gewikkeld in stijfsel, gaas, gips en dekens per auto op 6 december naar Peking overgebracht. Op 28 december 1929 hield Black een persconferentie, samen met Yang Zhongjian en Pierre Teilhard de Chardin, waarin hij de vondst bekend maakte. Die werd onmiddellijk wereldnieuws.[24] Eugène Dubois had in 1891 met zijn Javamens nog een koele ontvangst gekregen maar Blacks's vondst werd meteen bejubeld als een doorbraak in het antropologisch onderzoek. Hierbij speelde een rol dat Smith persoonlijk China bezocht.[25] Het drong de ontdekking van Australopithecus africanus, naar huidige inzichten veel belangrijker, helemaal naar de achtergrond.[26][27][28] De vondst bewees ook dat de Javamens inderdaad een mens was en niet een basale mensaap, zoals wel werd gedacht.[29] Skull III werd door Black uitgebreid met Skull II vergeleken.[30]

Skull III was de verhoopte doorbraak in het onderzoek

In 1931 had men tweeduizend kratten aan, voornamelijk dierlijke, fossielen gevuld.[31] In de jaren daarna zouden honderden arbeiders, tegen vijfmaal het gangbare loon, in vijf vindplaatsen verspreid over een oppervlakte van twee vierkante kilometer de lagen afgraven. Toplagen werden met buskruit opgeblazen. De aarde werd afgevoerd in manden die aan stokken hingen die door twee man gedragen werden. In 1927 was drieduizend kuub afgegraven en dat tempo werd in de jaren daarna gehandhaafd. Door de massale werkwijze besteedde men geen enkele aandacht aan de stratificatie, zodat veel essentiële informatie over de relatieve ouderdom van de vondsten verloren ging. Pas in 1933 ging men over op een rastersysteem van twee bij twee meter waarin van ieder fossiel lokatie en diepte precies genoteerd werden.[32] Ook werd toen een kabelbaantje in dienst genomen zodat de afvoer veel sneller verliep.[33] Ook deze informatie zou tijdens de Japanse bezetting grotendeels vernietigd worden, zij het dat Jia Lanpo in het geheim stukken kopieerde. Een belangrijk deel van de eerste opgravingen moet hebben plaatsgevonden in de gezitang, de "Duivenholgrot".

In 1930 ontdekte men de onderkaak van een kind op Locus F. In 1931 werden op Locus G veel werktuigen gevonden en concentraties koolstof die leken te wijzen op vuurplaatsen.[34] In juli 1931 vond Pei er Skull IV. In 1932 en 1933 richtte men de aandacht op de Upper Cave die in veel jongere lagen ligt. Daar werden resten van Homo sapiens gevonden,[35] vier schedels en postcrania van in totaal zeven individuen. Die jaren ontdekte men geen Sinanthropus-fossielen.

Op 15 maart 1934 overleed Black, die tot het eind was blijven publiceren,[36] aan een hartaanval. April 1935 werd zijn positie overgenomen door de eenenzestigjarige Franz Weidenreich, de oprichter van het Institut für Physische Anthropologie. Weidenreich had in 1931 en 1932 al over Sinanthropus gepubliceerd.[37][38] Als oorlogsveteraan had professor Weidenreich in april 1933, ondanks zijn Joodse afkomst, na de machtsovername door Adolf Hitler zijn leerstoel in Frankfurt nog mogen behouden maar in de zomer van 1934 nam hij onbetaald verlof en week uit naar Amerika. Van daaruit vertrok hij naar Peking terwijl zijn bevoegdheid te doceren in Duitsland werd ingetrokken. Weidenreich, zuinig en formeel in de omvang, had een geheel ander karakter dan Black. Pas geleidelijk wist hij een vertrouwensband op te bouwen met zijn Chinese medewerkers. Zijn werk had het voordeel van een grotere theoretische diepgang. Daarbij geloofde Weidenreich niet in de authenticiteit van de Piltdown Man zodat misvattingen daarover de interpretaties niet negatief konden beïnvloeden.

Tussen 14 juni 1934 en 1936 werd Skull V opgegraven. Groot succes werd geboekt in 1936 toen in Loci I, J en L zeven schedelkappen werden gevonden, Skulls VI-XII, waarvan drie in november. De opgravingen stonden in deze fase onder opzicht van Jia Lanpo.[39][40]

De opgravingen zouden zich tot in 1937 voortzetten, toen in Locus O Skull XIII ontdekt werd. Er waren toen resten gevonden van meer dan veertig individuen, waaronder vijf volledige schedelkappen en acht gedeeltelijke, zowel van volwassen exemplaren als kinderen. De gezichtbeenderen ontbraken echter grotendeels. Het materiaal omvatte vijftien onderkaken, stukken bovenkaaksbeen, 157 tanden, los of in de kaken, een atlas, een sleutelbeen, drie opperarmbeenderen, twee stukken darmbeen, zeven dijbeenderen, een scheenbeen en een rechter-os lunatum. Het materiaal vertegenwoordigt de grootste verzameling Homo erectus-fossielen die ooit op één enkele locatie is aangetroffen.

Datering en stratificatie[bewerken | brontekst bewerken]

De "Duivenholgrot"

Het grottencomplex bevindt zich tegenwoordig 128 meter boven de zeespiegel. De omliggende aardlaag bestaat uit karst, kalksteen die tijdens het Ordovicium is gevormd. Het kalk werd op grote diepte door de inwerking van water uitgehold zodat grotten ontstonden. Die stortten regelmatig in zodat er toegangen naar het oppervlak kwamen.[41] Tijdens het Pleistoceen zette de wind in de grotten löss af en water zette travertijn af.[42] Op zeventwintig vindplaatsen werden fossielen gevonden, maar slechts in één groeve, "Zhoukoudian I", zijn menselijke resten aangetroffen. Die werd in de loop der jaren tot veertig meter diepte afgegraven, in eerste instantie van de westelijke Duivenholgrot uit. Daarbij werden uiteindelijk zeventien lagen onderscheiden. De eerste tien lagen zijn in 1929 geïdentificeerd door Teilhard de Chardin en Yang.[43] Fossielen zijn aanwezig boven laag 13 en hominide resten tussen laag 3 en 10. Die resten zijn verder geconcenteerd in loci die met letters werden aangeduid van Locus A tot Locus O. Werktuigen bevinden zich voornamelijk in laag 3 en 4, alsmede de bovenste laag 8 en 10.

In de tijd van de opgravingen was het nog niet mogelijk van wat oudere fossielen op een enigszins betrouwbare wijze de absolute ouderdom vast te stellen. Die werd daardoor typisch een orde van grootte te laag ingeschat. Omdat Zhoukoudian nog niet zo lang geleden was afgezet zoals ook bleek uit de vondst van moderne dieren in het materiaal, wist men toch tot een redelijk accurate bepaling te komen. De fossielen werden indertijd op een half miljoen jaar oud gedateerd. Ten onrechte dacht men daarbij al tot in het Tertiair te reiken en Black sprak daarom wel van een Tertiary Man.

Na de oorlog is met een veelheid aan moderne technieken gepoogd tot een accurate absolute datering te komen.[44]

Tussen 1985 en 1991 is de ouderdom van de vijf hoofdlagen van de grotten vastgesteld op 292 000 tot 462 000 jaar.[45][46][47][48][49] In 1993 werd de leeftijd van Skull V, de jongste schedel, bepaald op 297 000 tot 292 000 jaar.[50] In 1997 werd door electron spin resonance dating van de tanden een ouderdom van driehonderdduizend tot vijfhonderdvijftigduizend jaar bepaald.[51] Shen Guanjun kwam in de eenentwintigste eeuw op een wat hogere ouderdom uit. Lagen 3 tot en met 5 zouden volgens een uraniumdatering minstens 400 000 jaar oud zijn en Laag 10 tussen de 600 000 en 800 000 jaar.[52] Shen bevestigde in 2009 een ouderdom van 778 000 jaar voor de onderste lagen.[53] Er zijn bij Beijing werktuigen aangetroffen van circa 750 000 jaar oud.[54][55]

Het materiaal gaat verloren[bewerken | brontekst bewerken]

Afgietsels zijn alles wat van de schedels bewaard is gebleven

Het gebied van de opgravingen was altijd onrustig geweest. De plaatselijke bevolking stroopte de vindplaatsen af zodat de natuurvorsers zich gedwongen zagen de fossielen weer in beslag te nemen. Krijgsheren vochten er onderlinge conflicten uit zodat men regelmatig in de vuurlinie lag. Corrupte ambtenaren en politiefunctionarissen moesten omgekocht worden.

Solo IX werd met de Pekingmens verward

In 1937 werd de situatie veel ernstiger door het uitbreken van de Tweede Chinees-Japanse Oorlog. Peking werd op 8 augustus onder de voet gelopen en Yang vluchtte naar Yunnan in het onbezette zuiden om het paleontologisch onderzoek voort te zetten. Het Cenozoic Research Laboratory hoopte echter het noodlot te kunnen ontlopen wegens de nauwe banden met de nog neutrale Verenigde Staten van Amerika. Weidenreich verpakte de schedels en liet ze in een bankkluis opbergen maar bracht ze al snel weer in het instituut terug. Hij speelde met de gedachte het graafwerk met Japanse steun te hervatten; in 1936 had hij contact gezocht met de Japanse antropologische gemeenschap.[56] Dat bleek al snel van teveel optimisme te getuigen. De opgravingen werden in 1937 in omvang sterk teruggebracht en moesten in 1938 beëindigd worden. Chinese opzichters van het terrein werden door de Japanners gemarteld en geëxecuteerd. Japanse geleerden begonnen op de fossielen te azen. Weidenreich begreep dat dit een slechte afloop zou hebben en liet haastig talrijke metingen, foto's en tekeningen maken van al het materiaal waarvan ook hoogwaardige gipsen afgietsels werden vervaardigd door zijn assistent Hu Chengzi. Het lukte hem deze documentatie naar Amerika in veiligheid te stellen. Die vormt tegenwoordig het leeuwendeel van de nog beschikbare informatie over de Pekingmens. Pei schreef persoonlijk alle veldnotities over op dun vloeipapier zodat hij die eenvoudig met zich mee kon smokkelen.

Nellie

Weidenreich week eind april 1941 uit naar het American Museum of Natural History te New York. Weng, werkend in onbezet gebied, vroeg hem de fossielen persoonlijk mee te nemen. Weidenreich voelde daar wel voor maar zijn baas Henry Houghton weigerde: er was eerder overeengekomen de fossielen altijd in China te laten en als de Japanners de poging tot smokkel ontdekten zou dat repercussies kunnen hebben voor het instituut. September 1941 regelde de president van de Rockefeller Foundation, Raymond Fosdick, vervoer door het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken. Pas in november echter liet Houghton de specimina door Hu inpakken in een laag vloeipapier, gevolgd door lagen gaas en watten en uiteindlijk ribkarton. De pakjes werden in een kleine houten doos geplaatst die omringd door een deken met andere dozen in een grotere krat werd verpakt. Op 20 november 1941 werd deze door boekhouder Trevor Bowen bij het Amerikaanse consulaat afgeleverd. Kolonel William Ashurst regelde dat negen mariniers de zending per trein naar Qinhuangdao zouden begeleiden. Daar zou de krat worden opgepikt door het Amerikaanse vrachtschip SS President Harrison. Dit schip liep echter aan de grond voordat de haven bereikt werd zodat de krat met de botten nooit ingeladen kan zijn. Het treintransport, met drie wagons, verliet Peking op 5 december om vijf uur in de nacht. Op 7 december zou men in de haven moeten aankomen. Dat was echter de dag van de Aanval op Pearl Harbor. De trein werd door de Japanners onderschept en de mariniers krijgsgevangen genomen. De fossielen verdwenen bij deze gelegenheid spoorloos. Japanse pogingen ze op te sporen bleven zonder resultaat. Op 9 december doorzochten de antropologen Kotondo Hasebe en Fuyugi Takai het CRL maar vonden slechts afgietsels. Men speculeerde dat de krat in Peking achtergebleven was of door een eerdere trein vervoerd. Martelingen van het wetenschappelijk personeel leverden geen gegevens op.

Shapiro voelde zich gekwetst door de valse beschuldigingen en zou er nog een heel boek over schrijven

In New York wachtte Weidenreich vergeefs op de schedels, totdat hij uit Peking een briefkaartje ontving met de tekst Where is Nellie?. "Nellie" was de bijnaam van een buste van een sinanthropusvrouw die in 1937 door Lucille Swan rond een afgietsel van een schedel geboetseerd was. Hij besefte dat als de Chinezen ook niet wisten waar het materiaal was — dat had het kaartje willen overbrengen — het verloren moest zijn gegaan. Meteen na het eind van de oorlog kamde militair geoloog Frank Whitmore de instituten van Tokyo uit. Hij achterhaalde wel werktuigen en zoogdierfossielen uit Zhoukoudian maar niet de schedels. Luitenant Walter Fairservis herkende, onafhankelijk daarvan, in het keizerlijk museum van Tokyo de Solo IX-schedel die Gustav Heinrich Ralph von Koenigswald op Java gevonden had. Het cranium was aan de Japanse keizer geschonken als verjaardagscadeau. Fairservis nam het stuk mee naar New York om het eind december 1945 aan een verbaasde Von Koenigswald te overhandingen. Uiteindelijk zou Solo IX naar Nederland overgebracht worden maar niet voordat Weidenreich het exemplaar aan de Brit David Meredith Seares Watson had laten zien. Deze dacht per abuis dat het om de Zhoukoudian-IX-schedel ging en vertelde daarover aan verschillende collegae. Een daarvan was Walter Kuhn die Yang in december 1951 inlichtte. De Chinezen eisten hierop verontwaardigd de fossielen terug. De conservator antropologie van het AMNH, Harry Lionel Shapiro, zag zich gedwongen in de pers expliciet te ontkennen dat de schedels in zijn instituut aanwezig waren.[57]

De affaire prikkelde ook de fantasie van een groter publiek.[58] Met enige regelmaat duiken mensen op die beweren het mysterie te kunnen oplossen.[59] In april 1971 maakte de beroemde cardioloog William T. Foley bekend dat hij als laatste de fossielen onder zijn hoede had gehad. Hij was in 1941 een marinier en hospik en zou van Ashurst het bevel hebben gekregen de schedels op het schip te begeleiden. Zijn werknemer, Herman Davis, zou ook een van de mariniers zijn geweest. De mannen namen in 1971 contact op met Fairservis die weer Shapiro inlichtte welke op zijn beurt Foley en Davis ondervroeg. De Amerikanen hadden een basis bij Qinhuangdao, Camp Holcombe. Foley zou per trein vier of vijf footlockers hebben ontvangen, kleine uitrustingskistjes, met de aanwijzing ze naar de VS te brengen. Op 8 december werd het kamp door de Japanners bezet. Vanwege zijn medische taken genoot Foley eerst een zekere bewegingsvrijheid en die zou hij gebruikt hebben om de kistjes te verstoppen of bij Chinese kennissen in bewaring te geven. Shapiro hechtte uiteindelijk weinig geloof aan hun verhaal, ook omdat de mannen beweerden fossielen in glazen potten te hebben gezien — niet de manier waarop ze in feite verpakt waren. Dit zou echter verklaard kunnen worden, zoals Jia Lanpo in 1990 stelde, door een alternatief verhaal dat de fossielen op het consulaat opnieuw ingepakt waren in kleinere kistjes.[60] Jia begon in 1999 een nieuwe campagne om de resten op te sporen, zonder resultaat.[61]

In 1972 nam de zaak een nog bizardere wending toen de beruchte charlatan Christopher G. Janus beweerde dat de Chinese overheid om zijn hulp gevraagd had bij het opsporen van de fossielen. Hij loofde vijfduizend dollar uit voor de "gouden tip". Dit leidde tot een lawine aan brieven. Een daarvan zou van een vrouw zijn wier man de fossielen naar Amerika zou hebben meegenomen. Ze zou een half miljoen dollar vragen om ze weer af te staan. Toen Janus dat geld niet bijeen kon brengen, verdween de vrouw op mysterieuze wijze. Shapiro schreef in 1974 een boek over de hele geschiedenis waarin hij het niet waagde Janus ronduit voor een oplichter uit te maken maar wel liet doorschemeren dat hij er het zijne van dacht. In 1975 schreef Janus zelf ook een boek.[62] Zijn kwade bedoelingen werden bewezen toen hij voor fraude vervolgd werd: hij had $640 000 verduisterd die hij geleend had voor het maken van een documentaire over de zoektocht.

In 2012 meldde paleoantropoloog Lee Rogers Berger dat een zekere Paul Bowen op 12 april 2010 contact met hem had opgenomen, wiens vader Richard M. Bowen, toen in 1947 de Amerikaanse troepen in Qinhuangdao belegerd werden door de communisten, als marinier tijdens het graven van een schuttersputje op een krat met botten was gestoten en deze meteen weer had begraven. Een poging in november 2010 om deze botten te lokaliseren mislukte.[63]

Teilhard de Chardin troostte zich met de gedachte dat de afgietsels en verdere documentatie van zo hoge kwaliteit waren dat de authentieke fossielen weinig meerwaarde hadden. In de loop der jaren zou dit argument echter aan kracht verliezen doordat moderne onderzoekstechnieken zoals scans, electronenmicroscopen, kernspinresonantie en DNA-extractie het mogelijk zouden hebben gemaakt veel essentiële informatie over groei, verwantschappen en dieet te verwerven. Ook zonder die technieken zou het mogelijk zijn geweest de juistheid van Weidenreichs reconstructies te toetsen. De schedels waren vrij nat en dus vervormbaar gevonden. Ontbrekende delen waren aangevuld. Bij veel vondsten uit Afrika zou later blijken dat nieuw onderzoek van het authentieke materiaal kan leiden tot sterk verschillende interpretaties van de schedelvorm en herseninhoud.

Pekingmens en Javamens worden gecombineerd tot een Homo erectus[bewerken | brontekst bewerken]

Pekingmens en Javamens kunnen deel hebben uitgemaakt van een aaneengesloten verspreidingsgebied van Homo erectus in Azië

Dubois dacht dat de Javamens een primitievere populatie vormde dan de Pekingmens. Zo bleef namelijk zijn analyse van de hersenstructuur van de Javamens relevant, die dicht bij die van de basale mensapen zou staan.[64] Dat zou echter al snel een minderheidspositie worden. Al begin jaren dertig viel het onderzoekers op dat Sinanthropus en Pithecanthropus veel kenmerken deelden. Henri Breuil stelde in 1932 dat ze identiek waren en wellicht bejaagd werden door een groep H. sapiens waarvan de werktuigen afkomstig waren.[65][66] Black weerstond echter de druk om beide geslachten te synonimiseren, mede omdat hij teveel hechtte aan de naam die hijzelf gegeven had. Weidenreich, die in 1937 de Javamens als "voorloper" van de Pekingmens betitelde,[67] bleef beide namen gebruiken, stellend dat een samenvoeging gebaseerd zou moeten zijn op het biologisch soortbegrip, waarin de soort gezien wordt als een populatie individuen die zich onderling voortplanten, terwijl het niet bewezen kon worden of de mensachtigen in Java en China één populatie vormden. Hij prefereerde het taxonomisch soortbegrip, waarin de soort slechts een naam is voor een in ruimte, bouw en tijd min of meer samenvallende verzameling specimina.[68] In 1939 echter gebruikten hij en Von Koenigswald in een artikel de namen van deze taxa niet in het cursief, alsof het geen geldige genera waren.[69] In 1946 hernoemde Boule de soort tot een Pithecanthropus pekinensis.[70] Dat zou echter geen gebruikelijke aanduiding worden, evenmin als Pithecanthropus sinensis, een naam die Jean Piveteau gaf in 1957.[71]

In het midden van de twintigste eeuw werd het gangbaar om alle Hominini als één grote populatie te beschouwen die via een proces van anagenese van Australopithecus uit in de moderne mens, Homo sapiens, veranderd was. Tussen die uiteinden konden slechts enkele tussenvormen bestaan hebben, de jongste de Neanderthalers en wat ouder nog een soort. Die konden dan het best ook in Homo geplaatst worden. In 1950 voegde Ernst Mayr daartoe Sinanthropus en Pithecanthropus samen tot een Homo erectus,[72] een term die overigens al in de negentiende eeuw opdook en in 1944 gesuggereerd was door Theodosius Dobzhansky. Pas midden jaren zestig zou de naam Homo erectus echt gangbaar worden,[73] in de VS mede onder invloed van Sherwood Larned Washburn. Reeds in 1940 sprak Weidenreich van een Homo erectus pekinensis waar de Pekingmens dus als een ondersoort beschouwd werd van een Homo erectus.[74] Zo'n classificatie zou wel eens herhaald worden maar niet heel vaak omdat het niet eenduidig iets over de populatie uitdrukt: het hele begrip "ondersoort" is vaag.

Hoewel bedoeld als poging tot een heldere begripsvorming te komen en zich te ontdoen van overbodige taxa, zou deze samenvoeging uiteindelijk leiden tot een zeer complexe problematiek. Er zouden namelijk steeds meer vondsten gedaan worden waarvan het in toenemende mate onwaarschijnlijk werd dat die zich in één lijn zouden hebben ontwikkeld. Door die in twee geslachten te forceren raakten zowel Australopithecus als Homo overladen terwijl de grens ertussen willekeurig werd. Meer basale tussenvormen konden niet meer geloofwaardig bij H. erectus ondergebracht worden en moesten benoemd worden als een Homo habilis of Homo rudolfensis. Afrikaanse vormen werden van de Aziatische afgesplitst als een Homo ergaster. Misschien was die wel de voorouder van de mens terwijl de Aziatische tak uitstierf. Toch werd voor die tak niet opnieuw de naam Sinanthropus populair. De Pekingmens bleek inderdaad vrij nauw verwant aan de Javamens en als een aparte geslachtsnaam voor hun klade zou Pithecanthropus dus prioriteit hebben.

Latere opgravingen[bewerken | brontekst bewerken]

De laatste rustplaats van Pei Wenzhong

In augustus 1949 werden de opgravingen door Jia hervat, onder het communistisch regime. Yang had een goede relatie met Mao. In de jaren 1951, 1958, 1959, 1960, 1966, 1978, 1979, 1980 en 1981 werden ze voortgezet. Men had in 1937 de grot al grotendeels uitgegraven en in 1981 werd het proces voltooid geacht. Toen waren nog stukken van Skull V gevonden, in 1959 een onderkaak,[75] zes tanden en in 1951 postcraniale beenderen van ongeveer zeven individuen.[76] Na 1966 dook aan hominide fossielen niets meer van belang op.[77] Deze stukken maken nu deel uit van de collectie van het Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology te Beijing. Wel werden er nog werktuigen en meer basale dierlijke fossielen gevonden.[78] In 1962 werd de vindplaats tot een beschermd gebied verklaard. In 1987 werd het werelderfgoed.[79] Ondanks het vele werk was eind twintigste eeuw ongveer een derde van de Zhoukoudian I-lagen nog niet afgegraven. Yves Coppens liet ingenieurs van de Electricité de France het hele vondstgebied elektromagnetisch peilen. Een rapport meldde in november 1998 dat een uitgebreid ondergronds grottensysteem aanwezig was met een groot potentieel voor nieuwe ontdekkingen.[80]

In 2009 en 2010 werden de opgravingen hervat in Laag 3. Daarbij werden nauwelijks menselijke fossielen of werktuigen gevonden maar wel veel botten van herten.

Na hun dood lieten verschillende Chinese paleontologen die bij de opgravingen betrokkken waren geweest, waaronder Pei, zich op de vindplaats bijzetten.

In 1951/1952 benoemde Von Koenigswald een tweede soort: Sinanthropus officinalis, op basis van menselijke tanden die hij bij partijen Gigantopithecus-tanden had aangetroffen. De soortaanduiding verwijst naar de apotheken waar de fossielen ingekocht konden worden. De tanden leken qua bouw sterk op die van de Pekingmens maar hadden een simpeler knobbelstructuur en waren wat groter.[81] De tanden toonden knaagsporen van stekelvarkens.[82] De soort wordt tegenwoordig meestal een jonger synoniem geacht van Homo erectus.

Beschrijving[bewerken | brontekst bewerken]

Skull XII

Onderscheidende kenmerken[bewerken | brontekst bewerken]

Sinanthropus deelt de algemene kenmerken van de H. erectus-groep en lijkt in de bewaarde elementen sterk op Pithecanthropus. Er zijn naar moderne inzichten subtiele verschillen. De schedel is ter hoogte van het asterion, het stervormige patroon van beennaden achter het oor, sterker ingesnoerd. De squamae van het voorhoofdsbeen, de welvingen daarvan, staan meer verticaal. Het achterhoofd steekt wat meer uit. De zone bij het obelion, het punt op de middenlijn tussen de foramina van de wandbeenderen, is minder gewelfd. Bedacht moet worden dat veel van het aangezicht niet bekend is, wat een vergelijking bemoeilijkt. Weidenreich richtte zich noodzakelijkerwijs sterk op het holotype van Pithecanthropus wat het gevaar inhield dat te veel waarde gehecht werd aan individuele varatie. De wenkbrauwwal is massief en mist dus de luchtholten van de Javamens. Het verhemelte is erg ruw.

Herseninhoud en lichaamsgrootte[bewerken | brontekst bewerken]

Skull X is de grootste

De herseninhoud van de gevonden schedels varieert, voor een belangrijk deel door een verschil in individuele leeftijd en het geslacht. De grootste inhoud heeft Skull X met 1225 cc. Skull III heeft een herseninhoud van 915 cc maar is van een jongen.[83] Het gemiddelde voor volwassen individuen wordt wel gesteld op ongeveer één liter. Susan Antón bepaalde het in 2016 op 1028 cc.[84] Dat ligt dan duidelijk onder het moderne gemiddelde. Sinanthropus kan dan voorgesteld worden als een vorm die tussen Australopithecus en de huidige mensen in staat. Daarbij is het volume dan wat groter dan bij oudere Javaanse vondsten die een bereik tonen tussen de 813 en 1006 cc.[85] Een inhoud van 1225 cc valt echter binnen de variatiebreedte van Homo sapiens. Het maakt dus veel uit met welke schedels men de vergelijking uitvoert. Ook heeft het veel invloed van welke populatie van Homo sapiens men het gemiddelde neemt. In het verleden was men sterk geneigd de gegevens van moderne Noord-Europese groepen te gebruiken maar die hebben een goed doorvoed fors postuur.

De Pekingmens werd maar een anderhalve meter lang. Weidenreich schatte in 1938 dat een mannelijk dijbeen wees op een lengte van 164 centimeter maar latere schattingen liggen meestal lager. Antón gaf een bereik tussen de 141 en 154 centimeter met een gemiddelde van 148 centimeter bij een gewicht van zevenenveertig kilogram. Extrapolaties van de opperarmbeenderen en dijbeenderen uit, leidden in 2018 tot schattingen tot 54,8 kilogram.

Kleinere moderne tropische populaties overlappen in herseninhoud sterker met Sinanthropus dan met Noord-Europese groepen. Javaanse vondsten van H. erectus die even oud zijn als de Pekingmens hebben een bereik tussen de 1090 en 1251 cc. In 2022 stelde een studie dat puur wat de herseninhoud aangaat, de Aziatische H. erectus zich parallel aan H. sapiens lijkt te ontwikkelen en er geen reden is beide soorten te onderscheiden.[86]

Het kan zijn dat in de loop van de evolutie de herseninhoud wat toenam. De jongste schedel Skull V heeft een vrij groot volume van 1140 cc en is ook meer afgeleid in vorm.[87]

Schedel[bewerken | brontekst bewerken]

De schedel zoals in 1937 door Weidenreich gereconstrueerd

In 1937 poogden Weidenreich en Lucille Swann een hele schedel te reconstrueren door een combinatie van verschillende specimina. Daarbij namen ze alleen vermoede vrouwelijke exemplaren omdat daarvan beter materiaal van de bovenkaak bekend was.[88]

In 1995 kwamen Ian Tattersall en Gary Sawyer tot een nieuwe reconstructie waarin ook de mannelijke schedels waren meegenomen, daarbij gebruik makend van de toegenomen informatie over hominide schedels en nieuwe technieken voor virtuele modellering. Ze kwamen zo tot minder verbrede jukbeenderen maar bovenaan sterker verbrede oogkassen. De neus zou verder naar voren uitsteken, maar de bovenkaak minder en dus in geringere mate prognaat zijn. Zo gewijzigd leek de schedel meer op die van Pithecanthropus of Homo ergaster.[89]

Bovenkaaksbeenderen

In 1943 publiceerde Weidenreich een uitgebreide studie van alle schedels.[90] De schedel heeft in het algemeen een basale bouw: laag en langwerpig. Achter de ogen is een sterke insnoering die een opvallende wenkbrauwwal schept. Direct daarachter bolt het schedeldak naar voren, een combinatie waaraan men de schedel direct kan herkennen. Bij het achterhoofd steekt de schedelkap sterk naar achteren in een torus occipitalis, een term die Weidenreich hiervoor speciaal verzon, waarbij het verste punt op de buitenwand, het opisthocranion, niet samenvalt met dat op de binnenwand. Het opisthocranion valt wel samen met het inion, het uitstekende puntje. De torus is niet homoloog aan de achterhoofdskam van basale apen die dient voor de aanhechting van nekspieren maar is wellicht wel overeenkomend met de chignon van Neanderthalers.

Weidenreich was sterk geneigd de Pekingmens halverwege de chimpansee en de moderne mens te plaatsen en niet waarneembare kenmerken "primitief" in te vullen. Zo gaf hij een schedelkam aan die er eigenlijk niet is: een aanwezige zwelling is lager en breder dan hij reconstrueerde. Deze kam werd gesuggereerd door het niet helemaal versmolten zijn van de gepaarde voorhoofdsbeenderen, een kenmerk dat sterk variabel is in Homo. Zoals hij zelf begreep is de kam niet homoloog aan die van vroegere apen en diende hij niet voor het verankeren van kauwspieren. Hij wist dat verscheidene moderne populaties ook zo'n verdikking hebben. Tegenwoordig noemen we de structuur geen crista maar een "saggitale kiel". De schedel is wel erg robuust met sterk ontwikkelde tori, beenringen, en richels van de lineae temporales op de slapen. Vooral de torus angularis op het wandbeen is dik, veel sterker dan de processus asteriacus bij de moderne mens. Dit was echter niet geërfd van basale mensapen: Homo erectus heeft een zwaarder gebouwde schedel dan Homo habilis. Dit zou kunnen duiden op een krachtiger musculatuur. De schedelwanden zijn ook opvallend dik. De fossa mandibularis, het contact met de onderkaak, is hoog en smal. In vooraanzicht krommen de schedelwanden zo naar boven dat het breedste punt op de slaapbeenderen ligt, net boven de kleine tepelbeenderen en dus lager dan bij de moderne mens waar het breedste punt zich halverwege de grootste hoogte bevindt. Het achterhoofdgat staat wat meer naar achter dan bij de moderne mens, wat overigens niet betekent dat de Pekingmens niet volledig rechtop liep.

Uit de binnenwand van de hersenholte is de vorm van de hersenen af te leiden. Een vroege studie hierover publiceerde in 1933 Kees Kappers bij wie Black nog een half jaar in Nederland gestudeerd had.[91] Hetzelfde jaar probeerde baron Zuckerman de vondsten neurologisch te duiden door een vergelijking met moderne apen.[92] Een andere studie werd in 1934 door Shellshear en Smith gepubliceerd, waarbij de overeenkomsten met populaties uit Afrika en aboriginals werden beklemtoond.[93] De slaapkwabben zijn slank. De kwabben van het achterhoofd zijn afgeplat en steken sterk naar achter. De kleine hersenen liggen vrij vooraan. Vergeleken met moderen mensen is de breedte van de schedelkap niet echt verschillend maar de hoogte duidelijk lager.

De reconstructie van 1995 toont scherp vooruitstekende hoektanden maar een zwakke incisura malaris in de bovenkaak. Bij de vrouwelijke schedels is deze groeve duidelijker aanwezig, kennelijk een kwestie van variatie. Het viel Weidenreich al op dat het jugum, de omhulling van de wortel van de bovenste hoektand, sterk ontwikkeld is.

Onderkaken[bewerken | brontekst bewerken]

Afgietsel van een mandibula, de gepaarde onderkaken

Weidenreich wijdde in 1936 een aparte studie aan drie toen bekende mandibulae.[94] Weidenreich zag in de onderkaak een mate van seksuele dimorfie: de mannelijke kaken zouden veel robuuster zijn dan de vrouwelijke, in ieder geval vergeleken met moderne Chinezen, de dimorfie van chimpansees benaderend. Latere onderzoekers hebben erop gewezen dat het verschil met andere moderne populaties niet zo sterk is. De onderkaak is robuust en hoog. De achterste, opgaande, tak is echter relatief laag, hoewel de afstand tussen de condylen ervan weer opvallend groot is. De hoek tussen de achterrand van de opgaande tak en de onderrrand van de kaak is gering, slechts 97° tot 108° bij volwassenen en 107° tot 112° bij kinderen terwijl die waarde bij moderne mensen zo'n 125° bedraagt.

Een echte kin ontbreekt. Bij sommige exemplaren is de symfyse, de vergroeiing van de voorste onderkaken, die samen een mandibula vormen, aan de binnenzijde versterkt door tori, beenringen. Aan de binnenste onderrand zijn spinae mentales zichtbaar als bij de moderne mens, kleine uitsteeksels die dienen voor de aanhechting van tongspieren, de bovenste musculus genioglossus en de onderste musculus geniohyoideus. Basale mensapen hebben een groeve voor de aanhechting. Deze spinae werden wel gezien als een voorwaarde voor een gesproken taal[95] maar Boule verwierp in 1957 dit criterium omdat het zou betekenen dat Sinanthropus wel kon spreken maar sommige Neanderthalers niet. Latere onderzoekers stellen de bijkomende eis dat de uitsteeksels afhangen in plaats van horizontaal te staan als bij Neanderthalers. De binnenzijde wordt bij de verschillende exemplaren doorboord door vrij veel foramina mentalia. De tandrij is in bovenaanzicht vrij smal, doordat de achterkanten van de kaken nogal uit elkaar staan, een basaal kenmerk, maar wel U-vormig, een moderne trek.

Tanden[bewerken | brontekst bewerken]

De tanden die Weidenreich in de reconstructie van 1937 gebruikte, waren alle geboetseerde modellen. Ze zijn daardoor veel clindervormiger en gelijkmatiger dan de echte tanden. In 1995 bleek dat die nogal in de breedte uitstaken. Daarnaast beschreef Weidenreich in 1937 147 tanden, drieëntachtig nog in de kaken aanwezig, vierenzestig los. Ze vertegenwoordigen minstens tweeëndertig individuen, twintig volwassenen en twaalf kinderen. Van het melkgebit zijn slechts ondertanden bekend. Weidenreich wees op basis van hun grootte tanden aan mannen en vrouwen toe. De tanden zijn ten dele op ouderdom te rangschikken.[96]

Weidenreich viel op dat de voortanden spadevormig waren.[97] Daarmee bedoelde hij dat ze richels hadden op de tongzijde aan de distale en mesiale randen, die aan de kant lagen van de aanliggende tanden. Hij stelde dat moderne Chinezen zulke tanden van de Pekingmens hadden geërfd.

Bij de latere opgravingen na de oorlog werden opnieuw tanden ontdekt. In 2018 meldde een studie dat die met moderne scans konden worden onderzocht. De voortanden tonen een combinatie ven kenmerken die typisch is voor Oost-Aziatische populaties uit het Pleistoceen. Ze zijn spadevormig, matig bol aan de buitenzijde, hebben een dikke rand aan de basis en vingervormige uitsteeksels aan de binnenste onderrand. Weidenreich viel al op dat de tanden erg gerimpeld waren. Opmerkelijk is dat richels aan de binnenzijde en rimpels aan de buitenzijde als het ware naar binnen doorlopen in een overeenkomstig relief van de pulpa. De hoektanden zijn groter dan bij moderne mensen en steken wat buiten de curve van de tandrij uit. De onderste hoektanden zijn kleiner. Ze hebben snijranden en lijken zo meer op voortanden. Boven en onder zijn er geen diastemen, hoewel sommige moderne populaties mensen die wel bezitten.

De premolaren zijn gevormd als kleine kiezen. De bovenste derde premolaar heeft een dwarskam die bij Homo ergaster zeldzaam is. Deze tand heeft drie wortelkanalen, wat maar van één exemplaar van H. ergaster bekend is. De vierde bovenste premolaar heeft drie wortels en een ovaal profiel zoals bij de meeste populaties van H. erectus sensu lato. Afwijkend is echter dat de pulpaholte extreem vergroot is ofwel "hypertaurodont". De onderste derde premolaar is asymmetrisch doordat de binnenhoek aan de zijde van de vierde premolaar uitsteekt. Dat verschilt van de basale toestand waarbij de hoek aan de zijde van hoektand uitsteekt. Sommige derde premolaren hebben één wortel, anderen een Tome's root waarbij twee wortels gedeeltelijk versmolten zijn.

De eerste en tweede kiezen zijn ongeveer even groot maar de derde kies is duidelijk kleiner. De eerste onderste kies is breder dan bij H. ergaster. Het trigonide is overdwars meer verbreed dan het talonide, wat zeldzaam is bij H. ergaster. Trigonide dwarskammen ontbreken meestal, wat gedeeld wordt met H. ergaster maar afwijkt van de Neanderthalers. Meer basale mensapen hebben een Y-5-patroon van knobbels op de onderste kiezen, wat zich weer ontwikkelde uit een kruispatroon bij basale apen, wat Duitse geleerden het Affenkreuz noemden. Bij de Pekingmens is een overgang naar een "pluspatroon" zichtbaar wat weer een kruis benadert door een reductie van het metaconide. Het raakvlak tussen dentine en pulpa toont bij Oost-Aziatische populaties vele afsplitsende secundaire richels, zozeer dat men van een "dendrietstructuur" spreekt. Zowel bij de australopitheken, de Vroege Homo als de Neanderthalers is het grensvlak veel gladder. Bij de eerste onderste kies vormen protostylide en protoconide een beenplateau dat ontbreekt bij H. ergaster. Ook typisch Oost-Aziatisch is dat de wortels tot bijna aan de punt toe breed blijven. Bij de onderste tweede kies zijn trigonide en talonide niet door een insnoering gescheiden terwijl de breedte overdwars hoog is zodat een rond profiel ontstaat, wat afwijkt van zowel meer basale als meer afgeleide vormen. Ook bij deze kies is het systeem van richels op het raakvlak zeer complex, is er een plateau aanwezig en zijn de wortels over bijna de hele lengte breed. De grotere pulpaholte kan gediend hebben om op hogere leeftijd meer dentine af te zetten zodat de kies langer meeging bij slijtage of tandbederf.[98] De tweede blijvende kies komt eerder uit dan de hoektanden of premolaren, wat afwijkt van de moderne volgorde waarin deze kies juist de laatste is om door te komen. De meeste kiezen hebben een cingulum, een verdikte rand aan de basis, met soms stiftvormige uitsteekseltjes. Ook premolaren en hoektanden hebben vaak cingula.

Postcrania[bewerken | brontekst bewerken]

Een sleutelbeen

Van de postcrania, de delen "achter de schedel", van de Pekingmens is maar weinig teruggevonden. Ze zijn zo schaars dat Weidenreich eerst veronderstelde dat zijn Chinese werkkrachten ze over het hoofd zagen. Dat bleek geen belangrijke factor te zijn hoewel inderdaad een paar keer een dijbeen voor stuk gewei werd aangezien.[99] Daardoor ontbreekt belangrijke informatie over de indeling van de wervelkolom, de bouw van schouderblad en bekken en de proporties van de ledematen. Zulke gegevens worden door de antropologie gebruikt om conclusies te trekken over het vermogen te klimmen en werpen, de efficiëntie van het lopen, het vermogen te spreken en de wijze van baren.

Meestal wordt aangenomen dat de borstkas niet tonvormig was. Een meer afgeplatte moderne vorm past beter bij het gevonden sleutelbeen.

De extreem dikke botwanden van de opperarmbeenderen

Weidenreich beschreef in 1941 twee opperarmbeenderen.[100] Hij concludeerde dat die robuuster waren dan die van de moderne mens wat de aanhechtingsvlakken voor de spieren betrof. De schacht had echter eenzelfde diameter. Die schacht had echter veel dikkere botwanden. In 2018 stelde een studie die een derde, na de oorlog gevonden, opperarmbeen meenam, dat de humeri dikker, sterker en stijver waren dan die van H. ergaster, mogelijkerwijs samenhangend met een in het algemeen meer gedrongen postuur.[101]

Het gevonden linkerpolsbeentje heeft een min of meer moderne vorm, zij dan dat het wat klein en breed is.

Net als het opperarmbeen toont het dijbeen een combinatie van robuuste aanhechtingsvlakken met een relatief slanke schacht. Ook voor de dijbeenderen geldt dat de botwanden zeer dik zijn. Zo'n negentig percent van de interne ruimte wordt ingenomen door de cortex. De wand aan de bovenste binnenzijde van de schacht is driemaal dikker dan bij moderne mensen. Ook dit lijkt weer samen te hangen met een gedrongen bouw die afwijkt van H. ergaster. Het dijbeen is een veertig centimeter lang. Noordelijke populaties zijn minder langwerpig gebouwd om de lichaamswarmte beter vast te houden. Wellicht dat ze bij het rennen minder uithoudingsvermogen hadden dan de wat lijzige Afrikaanse populaties. Het dijbeen bewees dat Sinanthropus tweevoetig was, wat Dubois al had geclaimd voor zijn Pithecanthropus. Dat was omstreden gebleven. Ook het scheenbeen heeft zeer dikke botwanden.

Politieke betekenis van de pekingmens[bewerken | brontekst bewerken]

De vondst van de Pekingmens was een uitloper van het opkomend racisme van de vroege twintigste eeuw. Miller en diens baas Henry Fairfield Osborn, de directeur van het AMNH, meenden dat het "blanke ras" superieur was en die superioriteit verworven had door een speciaal evolutietraject in het koude hart van Azië waar de mens alleen door een combinatie van intelligentie, ijver en doorzettingsvermogen had kunnen overleven. Die vermeende afkomst werd als zo speciaal gezien dat Osborn uiteindelijk dacht dat blanken niet eens van apen afstamden. Mensen uit de tropen zouden op hun best gedegenereerde blanken zijn. Hij zond expedities uit naar Mongolië om hun mysterieuse voorouders te vinden.[102] Black ontmoette zo nog Roy Chapman Andrews hoewel die slechts dinosauriërs opgroef. De vondst van Sinanthropus deed de belangstelling voor het gebied opleven, ook bij het nieuwe naziregime van Duitsland dat echter liever geen contacten had met de Jood Weidenreich. Als alternatief week Heinrich Himmler uit naar Tibet. Hij poogde, in het kader van de "Arische Paleontologie", de Ahnenerbe invloed te laten krijgen op de natuurhistorische Duitse expeditie naar Tibet.

Volgens Engels was het gaan lopen op de achterpoten cruciaal voor de menswording want het begin van productie

Sinanthropus werd in de jaren dertig onmiddellijk als voorouder omarmd door de Chinese nationalisten. Ze zagen hem als symbool van de eerbiedwaardige ouderdom van het Chinese volk en zijn ontdekking als teken dat China zich aan een periode van wetenschappelijke stagnatie aan het ontworstelen was. China werd vaak voorgesteld als oorsprong van de mens.[103] Na de Chinese Burgeroorlog zou de Communistische Partij van China deze lijn voortzetten, zij het aangepast aan de marxistische leer. De communisten bevorderden de paleontologie als een geschikt middel om oudere religieuze of mythologische geloofssystemen te vervangen door hun eigen ideologie. Zo stelden ze overal skeletmodellen op van de imponerende sauropode Mamenchisaurus.

Friedrich Engels beklemtoonde het belang van arbeid

De Pekingmens werd binnen het leerstuk van het historisch materialisme voorgesteld als eerste fase in de noodzakelijke ontwikkeling van de mensheid. Daarbij was het belangrijk precies de partijlijn te volgen waarbij Friedrich Engels, de vriend van Karl Marx, als een onfeilbare autoriteit kon dienen. Die had in 1876 het essay Anteil der Arbeit an der Menschwerdung des Affen geschreven. Dat had indertijd weinig indruk gemaakt omdat het niet gepubliceerd was maar werd nu als dogma aanvaard. Volgens Engels was werk of arbeid de drijvende kracht in de menselijke geschiedenis. Werk begon toen de mens op de achterpoten ging lopen, wat diens handen vrijmaakte om te produceren. Biologische en culturele evolutie zouden elkaar versterkt hebben in een proces van dialektiek. In zijn werk uit 1884, Der Ursprung der Familie, des Privateigenthums und des Staats, stelde Engels dat de oermens zich in een toestand van oercommunisme bevond, een stateloze en klasseloze maatschappij.

Op dit platform worden fakkels onstoken

De weinig flexibele leer werd door sommige onderzoekers gevoeld als een beperking van de theorievorming. In 1950 stelde Liú Xián dat niet arbeid maar intellect de drijvende kracht achter de menselijke evolutie was geweest. Dat was echter onder invloed van de Britse school. Toen kort daarop bleek dat de Piltdown Man met zijn grote hersenen een vervalsing was, werd dat gezien als een bevestiging van Engels' gelijk en Liu werd belachelijk gemaakt. Na Deng Xiaoping is meer de klemtoon gelegd op intellectuele en kunstzinnige "arbeid".[104] Het opkomend nationalisme in de vroege eenentwintigste eeuw leidde tot een terugkeer naar de houding van de jaren dertig.[105] Januari 2000 werd in Beijing een eeuwig vuur ontstoken op een "Altaar van de Heilige Vlam". Het vuur hadden als oermensen verklede acteurs in Zhoukoudian laten ontbranden met een vuurboor waarna een hardloper het naar Beijng overbracht. Eenzelfde ritueel werd gebruikt bij het ontsteken van de olympische vlam in Peking in 2008.

Weidenreich was een aanhanger van de leer van de orthogenetica. Niet DNA maar eiwitstructuren werden daarin als dragers van de erfelijke eigenschappen gezien. Mutaties waren daarmee niet strikt toevallig, wat "evolutionaire trends" ten gevolge kon hebben. Zo zou Sinanthropus de bestemming hadden gehad tot het "mongoolse ras" te evolueren, waaronder ook de Chinezen gerekend werden. Hoewel nu bekend is dat de genetische eigenschappen door DNA gecodeerd worden, onderwijst men tot op heden in alle Chinese scholen dat de Pekingmens, de Beijing Ren, de directe voorouder van speciaal de Chinezen is.[106] De Chinese overheid, en aanhangers in wetenschappelijke kringen van deze theorie wijzen op de morfologie van met name de jukbeenderen van de schedel, die inderdaad enige overeenkomsten vertonen met een typisch Chinees gezicht.

Het moderne DNA-onderzoek toont aan dat de oorsprong van de Chinezen gedeeld wordt met de rest van de mensheid. Daarbij stelt een dominante school van genetici dat de moderne mens in Eurazië zijn recente oorsprong heeft in Afrika, misschen niet ouder dan zestigduizend jaar. De officiële lijn in China is dat er op zijn minst ook een afstammingsrelatie bestaat tussen de huidige en Pleistocene populaties in China. Wetenschappers die de "Westerse" positie aanhangen mogen daarover echter toch publiceren waarbij ze vaak een neerbuigende houding aannemen tegenover traditionele geleerden.[107]

Fylogenie[bewerken | brontekst bewerken]

Gigantopithecus, hoewel een Chinese tijdgenoot, had althans in fylogenetisch opzicht in feite weinig met de Pekingmens van doen

Weidenreich begon al snel zijn gedachten te laten gaan over de verwantschappen van Sinanthropus buiten de evidente directe relatie met Pithecanthropus.[108][109] Daar hield hij een reeks van zes lezingen over.[110] In 1936 publiceerde hij een kort tractaat over het onderwerp.[111] De bedachtzame Weidenreich was niet zo naief te denken dat hij met de Pekingmens "de" missing link te pakken had. Hij begreep dat de menselijke evolutie wel eens zeer ingewikkeld zou kunnen zijn geweest. Amerikaanse racisten die apen als voorouder afwezen, dachten af te stammen van een soort kabouterachtige wezentjes. Weidenreich zag de mens wel als een vrij nauwe verwant van de chimpansee maar speculeerde over een evolutietraject dat naar moderne opvattingen maar weinig minder fantasierijk is: via reuzen. Geïnspireerd door de vondst van enorme losse tanden van Gigantopithecus bedacht hij de hypothese dat een reusachtige tweevoetige vorm zich via Meganthropus, Pithecanthropus en Sinanthropus in Homo sapiens had ontwikkeld. Dat zou verklaren waarom de Pekingmens zo'n dik schedeldak had, dikker dan bij basale mensapen of de moderne mens: de dikte was een retentie van de reuzenvorm uit. Hij vermoedde dat India de oorsprong van de mens was, via Indopithecus.[112]

Weidenreich schonk ook veel aandacht aan het begrip ras. Indertijd dachten veel onderzoekers dat er verschillende rassen waren met een aparte afkomst; soms nam men zelfs aan dat ze ieder van een andere basale mensaap afstamden en in wezen eigen soorten vertegenwoordigden. Politieke racisten, zoals de nationaal-socialisten, hechtten veel belang aan een vermeende raszuiverheid. Later genetisch onderzoek toonde aan dat rassen niet bestaan: het totaal, of ook maar een groot gedeelte, van de mensheid kan niet op grond van de biologie eenduidig verdeeld worden in een beperkt aantal groepen. Weidenreich geloofde nog wel in rassen maar als voor de nazi's gevluchte Jood had hij weinig op met het begrip raszuiverheid. Hij meende dat juist continue migratie en vermenging essentieel was voor de menselijke evolutie en er voor zorgde dat er één enkele populatie ofwel onverdeelde mensheid bleef bestaan, een populaire notie in het midden van de twintigste eeuw. Bepaalde eigenschappen zouden zich echter regionaal hebben gehandhaafd omdat ze daar voordelig waren, zoals een zwarte huid in de tropen, en dat zou de "rassen" hebben opgeleverd. Door de tijd heen zouden er drie fasen zijn geweest: de Archanthropinae waartoe ook Sinanthropus behoorde, de Paleoanthropinae en uiteindelijk de moderne Neoanthropinae. Hiermee was Weidenreich de voorloper van het moderne multiregionale model.

Na de jaren zeventig kwam de kladistiek op, het ordenen van allerlei eigenschappen in stambomen. Computers maakten het mogelijk om die bomen te berekenen die het meest spaarzaam waren, dat wil zeggen die het kleinste aantal veranderingen veronderstelden en dus het waarschijnlijkst zijn. De methode werd toegepast op de variatie aan eiwitstructuren en het DNA van moderne mensen. Zo werd het mogelijk een Y-chromosomale Adam te dateren, de laatste gemeenschappelijke voorouder van alle huidige mensen over de pure mannelijke lijn en een Mitochondriale Eva, de voormoeder van alle mensen over de pure vrouwelijke lijn. Daarbij bleek dat deze personen hoogstens enkele honderdduizenden jaren oud waren en dat de grootste variatie zich in Afrika voordeed. Op grond hiervan werd een eenvoudig splitsingsmodel populair waarbij de moderne mens zich vrij recent uit Afrika verspreidde en oudere populaties in Eurazië verving zonder er zich mee te vermengen. In dat geval stierf Homo erectus, inclusief de Pekingmens, uit zonder nakomelingen.

Een van de vele mogelijkehden voor een complexe afstamming

Als groot voordeel van dit model werd gezien dat het naïeve racistische denkbeelden weersprak door te beklemtonen dat alle moderne mensen nauwe verwanten van elkaar zijn. Daarbij impliceerde zo'n Out of Africa-hypothese dat ieder huidig mens afstamt van een recente zwarte voorouder en de vermeende rassen slechts oppervlakkige variaties vertegenwoordigen in één populatie. Aanhangers van het multiregionale model wezen er echter op dat het racisme zo slechts verplaatst werd. Het was alleen aannemelijk dat H. erectus zich helemaal niet met H. sapiens vermengd had als dat twee gescheiden soorten waren die geen gezamenlijke (vruchtbare) nakomelingen konden voortbrengen. Dat is echter geen noodzakelijke implicatie van de grotere genetische variatie in Afrika die namelijk ook verklaard kan worden door een hogere migratiesnelheid binnen Eurazië. De keuze voor splitsing ging inderdaad vaak gepaard met een ascriptie, een toeschrijven, van negatieve eigenschappen aan de soort waartoe men niet meende te behoren: H. erectus werd technologisch en cognitief inferieur geacht aan H. sapiens, hoewel de gegevens om dit te toetsten slechts karig voorhanden waren.

Onderzoek in de eenentwintigste eeuw leverde steeds meer details op over het DNA van moderne populaties. Het werd ook mogelijk DNA te extraheren uit oude botten. Daaruit bleek dat sommige huidige mensen mede afstammen van Neanderthalers, welke dus niet geheel vervangen zijn. Die Neanderthalers kunnen op hun beurt afkomstig zijn van een Euraziatische Homo erectus-tak die dan ook niet helemaal vervangen is. De situatie wordt gecompliceerd door de ontdekking, binnen oud DNA, van de Denisova-mens en van de Floresmens. De nieuwe gevens ondersteunen de mogelijkheid dat de afstamming van de moderne mens zeer complex is, een combinatie van meerdere migratiegolven uit Afrika, een minder talrijke migratie naar Afrika, en veelvuldige vermenging. Sterk bewijs voor een voortzetting van de Pekingmens is er overigens nog niet; anders dan sommige Chinese geleerden zouden willen, lijkt hij toch een doodlopende tak te zijn geweest.

Een studie uit 2021 vond de volgende stamboom. De getallen geven de ouderdom in miljoenen jaren aan.[113]

Homo (2,85) 

Homo habilis (†1,7 Mya)


Homo erectus sensu lato (2,3) 
(2,1)

Homo gautengensis (†1,9)



Dmanisimensen (†1,8)



(2,0)

Turkana Boy (†1,7)


(1.8)

OH 9 (†1,5)


Aziatische Homo erectus (1,6)

Sangiranvondsten (†1,4)


(1,4)
(1,1)
(0,8)

Nanjingmens (†0,6)



Pekingmens (†0,5)



(0,9)

Hexianmens (†0,5)


(0.6)

Solomens (†0,2)



Ngandongvondsten (†0,1)






Homo rhodesiensis/heidelbergensis (incl. Homo sapiens)








Levenswijze[bewerken | brontekst bewerken]

Leefgebied[bewerken | brontekst bewerken]

Zhoukoudian werd over een lange periode bewoond, misschien wel een half miljoen jaar. Gedurende die tijd veranderde het klimaat en daarmee de habitat.[114] Er was daarbij een relatie met de cycli van de ijstijden.[115] De oudste lagen werden afgezet toen er een koel en droog steppelandschap was, gedomineerd door graslanden. Nu en dan waren er warmere onderbrekingen met meer boomgroei. Daarna volgde een algemeen warmere fase, gedurende welke het gebied steeds verder bebost raakte. Tegen het eind van deze fase nam ook de neerslag toe. Hierop volgde een periode met afkoeling. De graslanden breidden zich weer uit. Helemaal op het eind werden deze steppen weer warmer en natter.[116][117] Dat kan de opmaat geweest zijn voor een subtropisch interval maar de Pekingmens kan dan al zijn uitgestorven, wellicht omdat hij tezeer gespecialiseerd was in het bewonen van een open landschap.[118]

Pachycrocuta stak boven de Pekingmens uit

Uit de lagen is een rijke fauna van zoogdieren bekend,[119][120] achtennegentig soorten, waarvan vele duizenden fossielen zijn opgegraven.[121] Andere primaten waren makaken. Tot de roofdieren behoorde een nu uitgestorven kleine wolvensoort, Canis variabilis die ook wel als de Zhoukoudian wolf wordt aangeduid. Er kwamen echter ook carnivoren voor die nog bestaan zoals de kraagbeer en de bruine beer.[122] Verder was er de neushoorn Dicerorhinus choukoutienensis die wellicht tot de Stephanorhinus-groep behoorde. Ook diens bekende verwant de wolharige neushoorn kwam in het gebied voor. Een kleinere evenhoevige was het paard Equus sanmeniensis. Een nog niet uitgestorven dier was het siberisch muskushert. Uitgestorven is het reuzenhert Sinomegaceros pachyosteus. Andere hoefdieren betroffen schapen, de wisent en de reusachtige olifant Palaeoloxodon namadicus die twintig ton zwaar werd. Kleine soorten omvatten vleermuizen, fluithazen, knaagdieren en spitsmuizen.[123]

Veel zaden van Celtis sinensis werden gevonden

Dit waren allemaal vrij koudebestendige soorten. Tijdens de warmere fase werden die niet zozeer vervangen maar aangevuld zodat de fauna verrijkt was. Nieuwkomers omvatten de wasbeerhond Nyctereutes sinensis, de wilde hond Cuon antiquus, de steppevos, de Aziatische das, een veelvraat, de reuzenhyena Pachycrocuta, de sabeltandtijger Machairodus inexpectatus, de moderne tijger en de panter. Tot de planteneters behoorden het sikahert, de antilope Spirocerus peii en de waterbuffel Bubalus teilhardi.[124]

Het is de vraag of de Pekingmens tijdens de half miljoen jaar continu bij de grotten aanwezig was. Het kan zijn dat gedurende koude periodes zijn leefgebied naar het zuiden inkromp en hij weer terugkeerde als de omstandigheden milder werden.[125] Dat hangt weer samen met het omstreden vraagstuk of de Pekingmens vuur en kleding kende.

Lastig te bepalen is wat de Pekingmens eigenlijk at. Eerst werd aangenomen dat de vele fossielen van herten afkomstig waren van de maaltijden van Sinanthropus.[126] Daarna bleek dat die veelal vraatsporen van hyena's toonden. Daarbij schijnen veel herten omgekomen te zijn door via openingen in het plafond van de grot naar beneden te vallen.[127] Verkoling van een paardenschedel lijkt erop te duiden dat die gebraden werd. Veel eenduidige aanwijzingen voor het eten van vlees zijn er niet, behalve dan dat de Pekingmens zelf op het dieet stond van roofdieren. Snijsporen op botten zijn zeldzaam en pijlpunten of speerpunten ontbreken. Het is wel verondersteld dat de Pekingmens een aaseter was die de prooien van roofdieren stal.[128]

Alle mensachtigen moeten in meer of mindere mate planteneters zijn geweest. Er groeiden verschillende eetbare bessen of noten zoals Celtis sinensis, de walnootboom, de hazelaar, de olm, en de veelbloemige roos, Rosa multiflora. In de lagen zijn ook veel resten aangetroffen van Cercis.[129] Het verloren gaan van de fossielen, maakt het lastig met moderne technieken het dieet te onderzoeken zoals had kunnen blijken uit microkrassen op het tandglazuur of fytolieten. De taurodonte tanden, gecombineerd met een krachtige schedelmusculatuur, moeten goed in staat zijn geweest relatief harde noten te kraken en kauwen.

Beheersing van het vuur?[bewerken | brontekst bewerken]

De Chinezen beklemtonen sterk dat hun Pekingmens als eerste het vuur leerde beheersen

In de grotten werden stukken houtskool van takken en zaden aangetroffen, alsmede geblakerde stenen en verkoolde botten. Deze waren geconcentreerd in bepaalde plekken en zetten zich vaak dieper in de bodem door. In de jaren dertig werd dit gezien als het oudste bewijs voor vuurgebuik door de mens.[130][131] Het vuur zou gebruikt zijn voor het braden van vlees, verwarming, verlichting en de verdediging tegen roofdieren.

Een aslaag

Sinds de jaren tachtig begonnen sommige westerse onderzoekers echter te betwijfelen of deze vondsten werkelijk wezen op vuurplaatsen; ze achtten het zelfs onwaarschijnlijk dat Homo erectus überhaupt het gebruik van vuur beheerste. De vuren zouden ontstaan kunnen zijn door het spontaan ontbranden van guano.[132][133] Daarbij zijn er geen opeenhopingen van gesmolten zand gevonden zoals men zou verwachten bij vuurplaatsen. Het is daarom mogelijk dat het verbrand materiaal simpelweg de grot ingespoeld is.[134][135] Het zou ook kunnen dat de opeenhoping van koolstof ontstond door de degeneratie van organisch materiaal in plassen water.[136][137] Chinese onderzoekers bleven grotendeels aan de traditionele interpretatie vasthouden.[138][139]

Van 2009 af is een nieuwe fase aan opgravingen ingegaan. Daarbij werd nog eens een honderdtal verbrande botten aangetroffen.[140][141] Er leek duidelijk een vuurplaats aanwezig te zijn met kunstmatig verhit sediment.[142][143] In 2022 concludeerde een studie dat de botten zo sterk verhit zijn dat het zeer waarschijnlijk is dat vlees opzettelijk gebraden werd. Omdat de fossielen oorspronkelijk in een overkapte grot werden afgezet, is het onwaarschijnlijk dat daar zich spontane vegetatiebranden voordeden.[144]

in de rest van de Oude Wereld duikt het gebruik van vuur pas zo'n vierhonderdduizend tot driehonderduizend jaar geleden op. De technieken van het vuurmaken of onderhouden van vuur zouden eerder niet ontwikkeld zijn. Dat roept echter de vraag op hoe en of populaties zich noordelijk konden handhaven.

Kannibalisme?[bewerken | brontekst bewerken]

In het begin was het de onderzoekers er sterk aan gelegen om de grot als een soort woonplaats voor te stellen.[145] Een alternatieve verklaring voor de opeenhoping van botten is echter, zoals al in het begin van de negentiende eeuw in Engeland onderkend werd, dat de grotten door grote roofdieren als hol gebruikt werd, waarin de resten van hun prooidieren zich opstapelden. Weidenreich ontkende in 1935 dat dit verschijnsel zich in Zhoukoudian voordeed met als voornaamste argument dat de botten geen bijtsporen vertoonden.[146] Nadat hij een artikel gelezen had van Helmuth Zapfe over de kenmerken van knaagsporen door Hyaenidae,[147] zag Weidenreich zich gedwongen zijn mening bij te stellen. In feite toonden de meeste mensachtige resten tekenen van predatie door grote zoogdieren.[148] Die zijn onder de fossielen ook veel talrijker.[149] Van enkele gespleten botten echter meende hij dat het zeker was dat ze door Sinanthropus zelf gekloofd waren om het voedzame merg te verwerven. Daarbij stelde hij dat het ontbreken van de gezichtsmassa en het vergroot zijn van het achterhoofdgat wezen op het vakkundig verwijderen van de vetrijke hersenen. Sinanthropus zou dus een kannibaal geweest zijn. Wellicht was hij, de hypothese van de antropoloog Paul Wernert volgend,[150] ook een koppensneller en onderhield hij een hele schedelcultus waarin de hersenen van tegenstanders werden gegeten om hun kracht over te nemen.[151] Dit standpunt zou Weidenreich tot 1943 verdedigen en het vermeende kannibalisme zou een standaardelement worden in de populair-wetenschappelijke verslagen over de Pekingmens. Breuil dacht al in 1932 dat Sinanthropus door mensachtigen gegeten werd, zij het dan door een moderner mensentype. In 1937 werd die interpretatie bevestigd door Marcellin Boule.[152]

Pachycrocuta kon ieder bot splijten

Latere onderzoekers zouden dit alles echter in twijfel trekken. De kaken van de reuzenhyena Pachycrocuta brevirostris waren groot genoeg om ieder bot te kraken.[153][154] Daarbij is het een typische methode van hyena's, ook moderne, om menselijke hersenen van onder uit te bereiken.[155] Dit impliceert echter niet dat alle menselijke resten door roofdieren de grot ingesleept waren. Als er vuurplaatsen waren, was de grot ook een woonplaats waarop ook de werktuigen duiden.[137]

Werktuigen[bewerken | brontekst bewerken]

Al in 1918 werden door de Zweden werktuigen van kwarts gevonden. Verder meenden die dat de schedels van veel dierlijke fossielen eruit zagen alsof ze door een steen ingeslagen waren. Ze dachten dat dit een sterke aanwijzing was dat er ook menselijke botten te vinden waren van de jagers die deze dieren met hun werktuigen bejoegen.

Schraper in 1966 opgegraven in Zhoukoudian

Uiteindelijk zouden bij Zhoukoudian zo'n honderdduizend stenen gevonden worden die duidelijk de sporen droegen van menselijke bewerking. Die kregen echter weinig aandacht, ondanks dat ze tot de jaren vijftig als de oudste bekende menselijke werktuigcultuur golden. Dat was wat genant omdat ze de talrijkste verzameling werktuigen van heel Homo erectus vertegenwoordigden. Ook stond het haaks op het belang dat in de marxistische geschiedschrijving gehecht werd aan de ontwikkeling van de materiële cultuur. Pei besloot hier in 1979 en 1985 verandering in te brengen en ordende de 17091 werktuigen uit vindplaats I in drie ontwikkelingsniveaux. Het was hem duidelijk dat de werktuigen sterk leken op de Oldowancultuur uit Afrika en hij viel in wezen terug op de typering die was voorgesteld voor Homo habilis. Volgens Mary Leakey werd in een oudere fase te bewerken steen, de chopper, op een tweede steen geplaatst die als aambeeld diende. Met een derde steen, de klopper of klopsteen, werden lange schilfers afgeslagen. Daardoor kreeg de hoofdsteen snijranden. De afslagen konden daarnaast als scherpe snijwerktuigen worden gebruikt. In een latere fase duiken choppers op die van een tweede snijrand schijnen te zijn voorzien, die chopping tools worden genoemd. Pei vond alleen maar choppers, aambeelden en afslagen. Hij meende dat daarin drie ontwikkelingsfasen waren te onderscheiden. In de oudste fase werden alleen afslagen gewonnen en zonder klopsteen. In een latere fase gebruikte men wel een klopsteen en sloeg men uiteindelijk het aambeeld aan stukken om nog meer werktuigen met snijranden te winnen. In de jongste fase, boven Laag 5, werden die nog verder versplinterd in kleinere snijwerktuigen, waarbij men speciaal hard kwarts uitzocht. In de laatste fase zouden ook burijnen en dissels zijn vervaardigd.[156] Kwartsgesteente kon op korte afstand van de grotten worden verzameld. Er zijn geen werktuigen van bot of hout aangetroffen, anders dan in de jaren dertig nog gedacht werd.[157]

Vuistbijlen worden veel meer in het westen dan het oosten gevonden

Wat Pei niet kon vinden, waren werktuigen met dubbele snijranden; chopping tools ontbraken dus. Dat leek te duiden op een erg laag niveau van werktuigontwikkeling, zelfs onder dat van Homo habilis. Vaak werd aangenomen dat de ontwikkeling in Oost-Azië in ieder geval een periode van honderdduizenden jaren stilstand moet hebben gekend.[158] Lewis Binford stelde in 1985 dat anders dan Pei dacht er ook in Zhoukoudian geen enkele bewijsbare ontwikkeling had plaatsgevonden.[132][159] Later onderzochte locaties in het noorden van China, zelfs van een grotere ouderdom, leveren echter werktuigen met dubbele snijranden op die soms ook nog eens zijn bijgewerkt.[160] Dit vraagstuk houdt verband met de beruchte hypothese die Hallam Leonard Movius opstelde: de Moviuslijn. Ten westen van die lijn zijn vuistbijlen gevonden, ten oosten ervan lijken die in Oost-Azië te ontbreken. De lijn kan echter een illusie zijn veroorzaakt door een minder intensief onderzoek van Oost-Aziatische locaties. Die van Zhoukoudian zijn daarbij niet heel geschikt om een beeld te krijgen van de materiële cultuur omdat het overwegend roofdierlegers waren en geen woonplaatsen. Vuistbijlen vergden een grote investering aan tijd om te maken en waren dus zeldzamer. Het was al niet waarschijnlijk dat ze in de lage concentraties[161] aan laagwaardig materiaal zouden opduiken.

Dat onder de werktuigen zich schrapers en priemen bevinden, wijst erop dat huiden werden bewerkt om leren kleding te vervaardigen. Die was wellicht een voorwaarde om koude winters te overleven.

Groei[bewerken | brontekst bewerken]

De moderne mens kent een langere rijping dan basale mensapen. De puberteit wordt later bereikt en de hersengroei langer doorgezet. Het is de vraag of H. erectus het moderne patroon van rijping had of nog het basale. Volgens sommige onderzoekers is dat laatste het geval en verklaart dat de geringere herseninhoud en de simpeler werktuigen, een teken van beperkte leerprocessen en een geringere sociale samenwerking. Chinese geleerden echter menen dat de toenemende hersencapaciteit en complexere werktuigen erop duiden dat de Pekingmens een life history doormaakte die nog niet zo heel ver van de huidige mens afstond.[162]

Afgezien van het tempo van rijping en veroudering, bereikte de Pekingmens meestal geen hoge ouderdom. Van achtendertig individuen kon men een schatting maken van de leeftijd op het moment van sterven. Vijftien waren nog geen veertien jaar oud, drie waren jongvolwassen, drie waren van middelbare leeftijd en één was tussen de vijftig en zestig jaar. Bij de gevonden fossielen was predatie de belangrijkste doodsoorzaak maar dat kwam vermoedelijk omdat ze juist ontdekt konden worden doordat de grotten als legers gebruikt werden. Het leeftijdspatroon zou duiden op een geleidelijke opeenstapeling van botten, niet op een catastrofaal omkomen van hele populaties.[163]

Sociaal gedrag[bewerken | brontekst bewerken]

Vechtende pekingmannen

Aanwijzingen voor het sociaal gedrag zijn gevonden in het skelet. De verdikking van het schedeldak is extreem, zozeer dat de calvariae soms voor schildpadschilden werden aangezien. De wenkbrauwwal is wel gezien als een reactie op sterke krachten die op de bovenkaak werden uitgeoefend, bijvoorbeeld bij het bijten of het dragen van zware voorwerpen met de mond. Meestal wordt de wal of torus echter verklaard als een bescherming tegen agressie binnen de soort. Skull X toont geheelde breuken. Er is een gangbare hypothese dat bij mensachtigen de functie van de hoektanden werd vervangen door stenen of houten wapens. Daarmee zou men zich dan wederzijds op de kop geslagen hebben om conflicten te beslechten. Ook de verdikte botwanden van de ledematen zouden zo te verklaren te zijn.[164] Een probleem bij deze benadering is dat niet verklaard wordt waarom deze verschijnselen zich juist bij de Pekingmens zo sterk voordoen. Die zou dan extra agressief moeten zijn geweest zonder dat duidelijk is waarom. Een alternatieve uitleg is dat een noordelijke populatie als Sinanthropus 's-winters afhankelijk zou zijn geweest van de jacht op de Megafauna met een verhoogd risico op botbreuken.

Voorlopers en oude verwanten van de mens
Fossiel voorkomen Geslacht Soorten
7 - 4,4 Ma Sahelanthropus Sahelanthropus tchadensis
Orrorin Orrorin tugenensis
Ardipithecus Ardipithecus ramidus · Ardipithecus kadabba
4,3 - 2 Ma Australopithecus A. anamensis · A. afarensis · A. bahrelghazali · A. africanus · A. garhi · A. sediba
3,5 Ma Kenyanthropus Kenyanthropus platyops
2,5 - 1 Ma Paranthropus P. aethiopicus · P. boisei · P. robustus
tot heden Homo H. antecessor · H. cepranensis · H. denisova · Homo erectus (Javamens · Pekingmens) · H. ergaster · H. floresiensis · H. gautengensis · H. georgicus · H. habilis · H. heidelbergensis · H. helmei · H. neanderthalensis · H. rhodesiensis · H. rudolfensis · Homo sapiens (H. s. idaltu · Cro-magnonmens · Red Deer Cave-mensen)