Springspitsmuizen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Springspitsmuizen
Fossiel voorkomen: Laat-Eoceen tot heden
Slurfspitsmuis (Macroscelides proboscideus)
Slurfspitsmuis (Macroscelides proboscideus)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Onderklasse: Theria
Infraklasse: Placentalia (Placentadieren)
Superorde: Afrotheria
Orde: Macroscelidea
Butler, 1956
Familie
Macroscelididae
Bonaparte, 1838
Afbeeldingen Springspitsmuizen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Springspitsmuizen op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren
Olifantspitsmuis in Artis,
Polygoonjournaal 1961

Springspitsmuizen of olifantspitsmuizen (orde Macroscelidea, familie Macroscelididae) zijn een groep Afrikaanse zoogdieren uit de Afrotheria. Springspitsmuizen zijn kleine, langsnuitige bodembewoners met verlengde achterpoten. Ze voeden zich voornamelijk met insecten. De oudste fossielen dateren uit het Eoceen; tegenwoordig bestaan er zestien soorten in vier geslachten.

Beschrijving[bewerken]

Springspitsmuizen hebben wel wat weg van spitsmuizen, maar zijn in de regel duidelijk groter. De kop-romplengte bedraagt 105 tot 315 mm, de staartlengte 80 tot 270 mm. Het gewicht varieert meestal van 25 tot 280 g, maar de grootste soort, Rhynchocyon udzungwensis, kan 750 g bereiken. De kleur van de vacht op de bovenkant van het lichaam varieert afhankelijk van de habitat van geelgrijs tot roodbruin; de slurfhondjes en de viertenige olifantspitsmuis hebben daarnaast nog strepen of vlekken. De onderkant van het lichaam is lichter, meestal wit of lichtgrijs. De dieren hebben grote, ronde ogen en een typische, spitse snuit, die aan de punt zeer beweeglijk is en op de slurf van slurfdieren lijkt. De oren zijn verhoudingsgewijs groot. Opvallend zijn de lange en zeer slanke poten; de achterpoten zijn langer dan de voorpoten, wat een aanpassing is aan een springende voortbeweging. De grote teen en de duim zijn sterk verkleind of ontbreken geheel. Zoals veel andere zoogdieren lopen en staan springspitsmuizen vooral op de tenen of zelfs slechts op de punten van de tenen. De staart is lang en vrijwel onbehaard en lijkt daarmee op die van een rat. Met de uitscheiding van geurklieren aan de onderkant van de staart, op de voetzolen, op de borst en bij de anus markeren ze hun territorium. Vrouwtjes bezitten twee tot drie paren van mammae op de buik.

Zoals bij de meeste zoogdiergroepen zijn de belangrijkste onderscheidende kenmerken (autapomorfieën) die de status van de springspitsmuizen als aparte orde ondersteunen te vinden in de bouw van het skelet, in het bijzonder van de schedel. In de sterk verlengde achterpoten zijn vooral het kuitbeen, het scheenbeen en de middenvoetsbeenderen lang. De botten in het onderbeen zijn aan de onderkant vergroeid; ook de botten in de onderarm zijn vergroeid of liggen in ieder geval zeer dicht bij elkaar. Springspitsmuizen hebben zeven hals-, dertien borst-, zeven of acht lenden-, drie heiligbeen- en twintig tot achtentwintig staartwervels. De schedel is in wezen een typische zoogdierschedel. Het omhulsel van de hersenen is vrij groot en breed. Tot de belangrijkste kenmerken behoren de zeer complexe bouw van de bulla tympanica, het benen gehoorkapsel, en de zeer grote oogkassen, die aan de achterkant niet volledig door bot zijn afgesloten. Het kaakgewricht ligt zeer hoog. Op de onderkaak bevindt zich een duidelijk, haakvormig processus coronoides. De tandformule bedraagt 0-3.1.4.2/3.1.4.2-3. De laatste valse kiezen (P4 en p4) zijn breed en worden gebruikt bij het kauwen, de laatste kiezen (M3 en m3) zijn afwezig of minstens sterk gereduceerd. De hoektand in de bovenkaak (C1) is ook breed en lijkt op een kies, behalve bij het goudstuitslurfhondje. Springspitsmuizen hebben, zoals de meeste zoogdieren, als jonge dieren een melkgebit, in plaats waarvan pas later een permanent gebit wordt gevormd.

Steppeslurfhondje (Rhynchocyon petersi).

Kenmerkende bijzonderheden in de bouw van de weke delen zijn bij springspitsmuizen niet of nauwelijks voorhanden. Opvallend is de grote blindedarm, die bij de vertering van plantaardig voedsel een grote rol speelt. Vrouwtjes bezitten een tweehoornige baarmoeder. Bij mannetjes blijven de teelballen in de buurt van de nieren en verplaatsen zich niet, zoals bij vele andere zoogdieren, naar een positie buiten het lichaam.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]

Springspitsmuizen leven vooral in centraal, oostelijk en zuidelijk Afrika, van Soedan en de Democratische Republiek Congo in het noorden tot in Zuid-Afrika. Slechts een soort, de Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis, komt in Noordwest-Afrika (van Marokko tot Libië) voor. Springspitsmuizen bewonen een groot aantal leefgebieden, van woestijnen en rotsachtige gebieden via savannes tot tropische regenwouden.

Leefwijze[bewerken]

Springspitsmuizen leven op de bodem en zijn meestal overdag actief, maar wanneer het te heet is of wanneer ze te veel door predatoren worden aangevallen, zijn ze ook 's nachts te zien. Als rustplaats gebruiken ze kuilen, rotsspleten, holle bomen, termietenheuvels of ook wel verlaten knaagdierholen, omdat ze zelf niet goed kunnen graven. Afgezien van enkele soorten van Elephantulus die kleine groepen vormen, leven ze in paren. In een territorium leven meerdere paren, maar ze verdedigen het tegen verdere indringers.

Net als kangoeroes kennen ze twee manieren om zich voort te bewegen, een langzame op alle vier de poten en een snelle waarbij ze met alleen de achterpoten grote sprongen maken. Deze manier wordt bijvoorbeeld gebruikt wanneer ze op de vlucht zijn. Ze leggen een deels zeer complex wegensysteem door het onderhout aan, dat in noodgevallen als vluchtweg kan dienen. Ze verzorgen het systeem in paren. Rennende dieren laten bij hun sprongen een trommelachtig geluid horen.

Voeding[bewerken]

Springspitsmuizen zijn grotendeels insectivoren en voeden zich voornamelijk met mieren, termieten en kevers. De grotere soorten jagen ook op kleine gewervelden en eten weekdieren, vooral slakken. Springspitsmuizen nemen ook vaak vruchten, zaden en ander plantaardig materiaal tot zich.

Goudstuitslurfhondje (Rhynchocyon chrysopygus).

Voortplanting[bewerken]

Na een draagtijd van zes tot tien weken brengt het vrouwtje een tot twee (soms ook drie of vier) jongen ter wereld. Onder gunstige klimaatomstantigheden zijn de vrouwtjes het hele jaar vruchtbaar en kunnen ze drie tot vier keer per jaar werpen, maar bij springspitsmuizen die op grotere hoogte leven gaat de voorplanting niet het hele jaar door.

De jongen zijn bij de geboorte relatief groot, behaard en goed ontwikkeld. Ze zijn nestvlieders en kunnen al kort na de geboorte lopen. De zoogtijd van twee tot drie weken is zeer kort en reeds na vijf tot acht weken zijn de jongen geslachtsrijp. De levensverwachting is niet lang; in het wild zullen weinig dieren ouder dan een of twee jaar worden. De hoogste leeftijd die een springspitsmuis (een Zuid-Afrikaanse olifantspitsmuis) in menselijke gevangenschap heeft bereikt is negen jaar.

Een bijzonderheid van sommige soorten van Elephantulus en van de slurfspitsmuis is dat bij de ontwikkeling van de gameten superovulatie voorkomt, waarbij bij de eisprong meerdere eicellen de eierstok verlaten en ook bevrucht worden, maar waarbij slechts twee eicellen ook daadwerkelijk in de baarmoeder ingenesteld worden. Na een worp volgt altijd een nieuwe eisprong.

Evolutie en systematiek[bewerken]

De verwantschappen van de springspitsmuizen met andere zoogdiergroepen zijn lange tijd omstreden geweest. Ze werden oorspronkelijk in de insecteneters geplaatst, maar vanaf de jaren '50 van de twintigste eeuw als een aparte orde beschouwd. In 1975 werd voor het eerst een verwantschap met de haasachtigen gesuggereerd; later werden ook de knaagdieren als verwant beschouwd. De opkomst van genetisch onderzoek veranderde ook in dit geval de wetenschappelijke consensus: tegenwoordig worden ze in de Afrotheria geplaatst, een voornamelijk Afrikaanse groep die ook de slurfdieren, zeekoeien, klipdassen, buistandigen en Afrosoricida omvat. De exacte verwantschappen binnen de Afrotheria zijn niet goed bekend; zowel een relatie met de buistandigen, als met de Afrosoricida, als met de Paenungulata (slurfdieren, zeekoeien en klipdassen) is gesuggereerd. Volgens een analyse van de morfologie van de tanden is de Eocene Aziatische condylarth Microhyus de nauwste verwant van de springspitsmuizen; de slurfdieren, klipdassen en onevenhoevigen zijn minder nauw verwant.

Net als hun levende verwanten zijn ook fossiele springspitsmuizen alleen uit Afrika bekend. De oudste vertegenwoordiger van de orde, Chambius, stamt uit het Vroeg- tot Midden-Eoceen. Uit het Eoceen zijn ook de primitieve geslachten Metoldobotes, Herodotius en Nementchatherium bekend. De Myohyracinae, die uit het Vroeg- tot Midden-Mioceen bekend zijn, hebben een bijzondere structuur van de kiezen die wijst op een meer plantaardig dieet. Volgens een genetisch onderzoek vond veel van de diversificatie van de springspitsmuizen plaats in het Mioceen en is die diversificatie te correleren met de klimaatveranderingen van die periode.

De familie wordt als volgt onderverdeeld:

Onder de nog levende springspitsmuizen zijn de slurfhondjes door verschillen in grootte en in de bouw van de tanden het meest afwijkende geslacht. Daarom worden ze in een aparte onderfamilie, Rhynchocyoninae, geplaatst.

Springspitsmuizen en de mens[bewerken]

De meeste springspitsmuizen zijn niet bedreigd; negen van de zestien soorten worden door de IUCN als "veilig" (LC) geclassificeerd. Drie soorten van Elephantulus zijn "onzeker" (DD), maar alleen de slurfhondjes zijn in gevaar: het gevlekte slurfhondje is "gevoelig" (NT), het steppeslurfhondje en R. udzungwensis zijn "kwetsbaar" (VU), en het goudstuitslurfhondje is "bedreigd" (EN). De laatste drie soorten hebben een klein verspreidingsgebied, terwijl het gevlekte slurfhondje bestaat uit zes geïsoleerde ondersoorten, waarvan sommige overigens een relatief groot verspreidingsgebied hebben.

Vele onderzoekers identificeren de kop van de god Seth met de Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis.

In de menselijke cultuurgeschiedenis spelen springspitsmuizen geen herkenbare rol, hoewel de Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis mogelijk model heeft gestaan voor de kop van de Egyptische god Seth. Dit zou op een grotere vroegere verspreiding van die soort wijzen.

Literatuur[bewerken]

  • Apps, P. (ed.) 1997. Smithers' Mammals of Southern Africa: A Field Guide. Shrewsbury, England: Swan Hill Press, xvi+364 pp. ISBN 978-1-85310-910-2
  • Douady, C.J., Catzeflis, F., Raman, J., Springer, M.S. & Stanhope, M.J. 2003. The Sahara as a vicariant agent, and the role of Miocene climatic events, in the diversification of the mammalian order Macroscelidea (elephant shrews). Proceedings of the National Academy of Sciences 100(14):8325-8330.
  • Kingdon, J. 2004. The Kingdon Pocket Guide to African Mammals. Londen: A & C Black, 272 pp. ISBN 978-0-7136-6981-7
  • McKenna, M.C. & Bell, S.K. 1997. Classification of mammals: above the species level. New York: Columbia University Press, 631 pp. ISBN 978-0-231-11013-6
  • Nowak, R.M. 1999. Walker's Mammals of the World. Baltimore: Johns Hopkins University Press. ISBN 978-0-8018-5789-8
  • Rovero, F., Rathbun, G.B., Perkin, A., Jones, T., Ribble, D.O., Leonard, C., Mwakisoma, R.R. & Doggart, N. 2008. A new species of giant sengi or elephant-shrew (genus Rhynchocyon) highlights the exceptional biodiversity of the Udzungwa Mountains of Tanzania. Journal of Zoology 274:126-133.
  • Schlitter, D.A. 2005. Order Macroscelidea. Pp. 82-85 in Wilson, D.E. & Reeder, D.M. (eds.). Mammal Species of the World: a taxonomic and geographic reference. 3rd ed. Baltimore: The Johns Hopkins University Press, 2 vols., 2142 pp. ISBN 978-0-8018-8221-0
  • Storch, G. 2004. Macroscelidea. Rüsselspringer und Elefantenspitzmäuse. pp. 547–549 in Westheide, W. & Rieger, R. Spezielle Zoologie. Teil 2: Wirbel- oder Schädeltiere. München: Spektrum Akademischer Verlag. ISBN 978-3-8274-0307-0.
  • Tabuce, R., Coiffait, B., Coiffait, P.-E., Mahboubi, M. & Jaeger, J.-J. 2001. A new genus of Macroscelidea from the Eocene of Algeria: A possible origin for elephant-shrews. Journal of Vertebrate Paleontology 21(3):535–546.

Noot[bewerken]

  1. Deze soort is genetisch nauwer verwant aan de viertenige olifantspitsmuis (Petrodromus tetradactylus) dan aan de overige soorten van het geslacht Elephantulus (Douady et al., 2003).
Etalagester
Etalagester Dit artikel is op 2 november 2007 in deze versie opgenomen in de etalage.