De drie veren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De drie veren
Auteur gebroeders Grimm
Originele titel Die drei Federn
Origineel gebundeld in Kinder- und Hausmärchen
Uitgiftedatum 1812
Land Duitsland
Genre sprookje
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De drie veren is een sprookje, opgetekend door de gebroeders Grimm in hun Kinder- und Hausmärchen als KHM63. De oorspronkelijke naam is Die drei Federn.

Synopsis[bewerken | brontekst bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud of de afloop van het verhaal.

Een koning heeft drie zonen, twee slimme en de derde is onnozel en wordt Domoor genoemd. De koning weet niet wie het rijk zal moeten erven en laat zijn zonen een fijn tapijt zoeken. Degene met het fijnste tapijt zal koning worden. Hij blaast drie veren in de lucht en de zonen moeten deze volgen. Eén veer gaat naar het oosten, de ander naar het westen en de derde gaat rechtuit en valt al snel op de grond. Domoor blijft en de andere broers gaan op weg. Dan ontdekt Domoor een valluik en gaat een trap af, hij klopt op een deur en hoort:

Meisje groen, meisje kleen, Rimpelbeen, Rimpelbeen haar hondje, Rimpel rimpel vroeg of laat, ga gauw kijken wie daar staat

Dan gaat de deur open en hij ziet een dikke pad met vele padjes om zich heen. Hij vraagt om het mooiste tapijt en hoort hetzelfde versje. Het kleine padje haalt een doos en de dikke pad maakt het open. Zo mooi kan niemand op aarde weven en de jongen bedankt de pad. De andere jongens grijpen een herdersvrouw en nemen de grove omslagdoek af. Ze komen tegelijk bij de koning aan en deze ziet dat Domoor het koninkrijk zal erven.

De andere broers smeken om andere voorwaarden en dan laat de vader de mooiste ring halen. Hij pakt opnieuw drie veren en de jongens gaan op pad, de dikke pad laat een mooie ring met edelstenen halen. De broers komen weer bij de koning en de oudste nemen een oude wagenring mee. Opnieuw vragen ze om andere voorwaarden en dan laat de koning de mooiste vrouw zoeken. De pad gaat naar een uitgeholde raap met zes muisjes ervoor en laat er een van haar padjes in plaatsnemen.

Dan verandert het padje in een beeldschone dame, de raap wordt een koets en de muisjes veranderen in paarden. De jongen kust haar en ze gaan naar de koning. De broers hebben een boerenmeid meegenomen en de koning zegt dat de jongste zijn rijk zal erven. De oudste broers zeggen dat ze dit niet toestaan en eisen dat degene zal winnen, wiens vrouw door een ring kan springen. De boerenmeiden springen inderdaad door de ring, maar breken hun armen en benen. Dan springt de mooie dame door de ring als een ree en de jongen krijgt de kroon.

Achtergronden bij het sprookje[bewerken | brontekst bewerken]