De twee reisgezellen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De twee reisgezellen of De twee reizigers is een sprookje dat werd genoteerd door de gebroeders Grimm voor Kinder- und Hausmärchen met volgnummer KHM107. De oorspronkelijke naam is Die beiden Wanderer.

Het verhaal[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Een schoenmaker en kleermaker komen elkaar tegen als ze op ambachtsreis zijn, de kleermaker is altijd vrolijk en opgewekt en klein van postuur. Hij roept: stik de naald, rijg de draad, smeer hem in met pek, sla de spijker krek en de schoenmaker wordt kwaad en wil hem bij zijn kraag grijpen. Maar de man houdt zijn fles voor en begint te lachen. De schoenmaker neemt een slok en ze reizen samen verder. Ze gaan naar de grote stad en de kleermaker krijgt snel werk en de dochter van de patroon geeft hem een kusje. De schoenmaker heeft niks verkocht en is jaloers, maar de kleermaker deelt alles met zijn kameraad. Ze komen bij een bos en er zijn twee voetpaden, één is zeven dagen lang en het andere maar twee. Ze weten echter niet welke de kortste is en ze rusten onder een eik. De schoenmaker neemt voor zeven dagen brood mee, maar de kleermaker vertrouwt op God en neemt geld mee en voor twee dagen brood. De schoenmaker heeft een zware last en is somber, maar de kleermaker springt en fluit. Hij denkt dat God in de hemel wel blij zal zijn met zijn plezier. Na drie dagen lopen ze nog in het bos en de kleermaker heeft geen brood meer, maar hij blijft vertrouwen op God. De volgende ochtend lacht de schoenmaker hem uit en zegt dat hij maar moet voelen hoe het is om het niet naar de zin te hebben. Hij kent geen medelijden en de vijfde ochtend kan de kleermaker niet meer opstaan, waarna de schoenmaker hem een stuk brood geeft.

De schoenmaker steekt ook één oog uit en de gewonde kleermaker eet van het brood, maar de zesde dag is zijn eten opnieuw op. Hij valt neer bij een boom en de volgende ochtend kan hij niet opstaan en de schoenmaker deelt opnieuw zijn brood, maar steekt ook het andere oog uit. De kleermaker bidt tot Onze Lieve Heer en zegt de schoenmaker dat het kwaad wordt vergolden. In goede dagen heeft hij zijn winst met de schoenmaker gedeeld en hij zal moeten bedelen als hij blind is. De schoenmaker neemt de blinde kleermaker mee en geeft hem een stok, ze komen aan de rand van het bos waar een galg staat. De blinde kleermaker slaapt bij de galg onder twee zondaars, de schoenmaker gaat alleen verder. Er zitten kraaien op de hoofden en ze vertellen dat de dauw van de galg iedereen zijn ogen terug geeft. De kleermaker pakt zijn zakdoek en drukt hem in het gras, waarna hij zijn oogkassen wast. Hij heeft nieuwe, gezonde ogen en hij ziet de zon opgaan achter de bergen. De kleermaker ziet de grote koningsstad met poorten, kruisen op spitsen en vogels en muggen dansen door de lucht.

De kleermaker dankt God en bid voor de arme zondaars en loopt fluitend verder. Hij komt een bruin veulen tegen en deze vraagt hem te laten gaan, omdat het te jong is en zijn rug zal breken onder het gewicht van de kleermaker. Als het sterker geworden is, kan het misschien een wederdienst doen. De kleermaker geeft het dier een tik met zijn roe en wil iets eten. Hij grijpt een ooievaar, maar deze zegt een heilige vogel te zijn. Vader Langbeen wordt vrijgelaten en de kleermaker ziet jonge eendjes in de vijver, maar de moedereend vraagt haar jongen te sparen. De goedhartige kleermaker laat de jongen vrij en ziet een hol in een oude boom. De bijenkoningin waarschuwt dat haar bijen hem zullen steken met tienduizend angels en de kleermaker loopt de stad in. Het is twaalf uur en hij gaat eten in de herberg, hij zoekt een onderkomen en wordt al snel beroemd. Iedereen wil zijn nieuwe jas door deze kleermaker laten maken en de koning stelt hem aan als hofkleermaker.

De schoenmaker is hofschoenmaker en ziet zijn oude kameraad, zijn geweten begint te knagen en is bang dat de man wraak zal nemen. Hij zegt de majesteit dat de kleermaker een opschepper is en iedereen zegt dat hij de verdwenen gouden kroon kan vinden. De kleermaker wordt bij de koning geroepen en moet de kroon halen, of de stad voorgoed verlaten. Hij komt bij de vijver en de moedereend poetst haar veren, ze wil hem helpen en de eendjes duiken de kroon op van de bodem. De kleermaker spreidt zijn zakdoek uit op de oever en na vijf minuten leggen de dieren de kroon erop. De kleermaker krijgt als dank een gouden ketting van de koning. De schoenmaker zegt dan dat de kleermaker vertelt het paleis in was te kunnen namaken. De kleermaker komt bij de holle boom en de bijen helpen hem en maken een prachtig paleis. Het is zo wit als sneeuw en zo zoet als honing en de koning geeft als dank een stenen huis aan de kleermaker. Het paleis wordt in een zaal opgesteld en de schoenmaker vertelt dan dat de kleermaker water kan doen ontspringen op het binnenplein. De kleermaker gaat de stad uit, omdat hij ter dood zal worden gebracht als het water niet ontspringt. Hij ontmoet het bruine paard en deze rent met de man op zijn rug de stad in.

Ze komen bij het binnenplein en het paard rent driemaal rond het plein, waarna het neerstort. Een straal water springt omhoog en de koning omhelst de kleermaker terwijl iedereen het ziet. De schoenmaker gaat naar de koning en zegt dat de kleermaker zegt de koning een zoon door de lucht kan laten brengen. De kleermaker zal als beloning de koningsdochter krijgen en hij gaat met gekruiste benen op tafel zitten. Hij gaat de poort uit en ziet de ooievaar en vertelt zijn verhaal. De ooievaar wil wel een klein prinsje uit de put halen en na negen dagen brengt hij dit naar het paleis. De koningin krijgt het kindje op schoot en zij kust het, ze krijgt ook nog een reistas met zakjes gekleurde suikererwten die onder de prinsesjes worden verdeeld. De oudste krijgt niks, maar trouwt met de kleermaker. De schoenmaker moet voor de kleermaker de schoenen maken die gedragen worden op het bruiloftsfeest en wordt daarna uit de stad verbannen. Uitgeput loopt hij langs de galg en rust, maar de kraaien pikken zijn ogen uit en hij rent het bos in. Waarschijnlijk is hij omgekomen, want niemand heeft hem ooit weer gezien.

Achtergronden[bewerken]

Assepoester · Berenpels · Bontepels · Broertje en zusje · Bruidskeuze · De anjer · De arme en de rijke · De arme jongen in het graf · De arme molenaarsknecht en het katje · De bijenkoningin · De boden van de dood · De boer en de duivel · De Bremer stadsmuzikanten · De broodkruimels op de tafel · De bruiloft van vrouw Vos · De dood als peet · De dood van het hennetje · De dorsvlegel uit de hemel · De drie broers · De drie gelukskinderen · De drie handwerksgezellen · De drie heelmeesters · De drie luiaards · De drie mannetjes in het bos · De drie slangenbladeren · De drie spinsters · De drie talen · De drie veren · De drie vogeltjes · De drie zwarte prinsessen · De duivel en zijn grootmoeder · De duivel met de drie gouden haren · De duur van het leven · De ganzenhoedster · De ganzenhoedster aan de bron · De gauwdief en zijn meester · De geest in de fles · De geschenken van het kleine volkje · De gestolen duit · De glazen doodskist · De goede ruil · De gouden gans · De gouden sleutel · De gouden vogel · De goudkinderen · De Grafheuvel · De groente-ezel · De haas en de egel · De hanenbalk · De hazelaar · De heldere zon brengt het aan het licht · De hemelse bruiloft · De hoefnagel · De hond en de mus · De huishouding · De ijzeren kachel · De jonge reus · De jood in de doornstruik · De kabouters · De kikkerkoning · De kleermaker in de hemel · De koning van de gouden berg · De koningszoon die nergens bang voor was · De korenaar · De kristallen bol · De laarzen van buffelleer · De luie spinster · De maan · De meesterdief · De mus en zijn vier kinderen · De ondankbare zoon · De oude bedelares · De oude grootvader en zijn kleinzoon · De oude Hildebrand · De oude Rinkrank · De oude Sultan · De oude vrouw in het bos · De peetoom · De raaf · De raap · De ransel, het hoedje en het hoorntje · De rattenvanger van Hamelen · De reus en de kleermaker · De roerdomp en de hop · De roetzwarte broer van de duivel · De roversbruidegom · De schol · De schrandere knecht · De sterrendaalders · De stukgedanste schoentjes · De trommelslager · De trouwe Johannes · De twaalf broeders · De twaalf jagers · De twaalf luie knechten · De twee gebroeders · De twee koningskinderen · De twee reisgezellen · De uil · De verstandige boerendochter · De verstandige lieden · De vier kunstvaardige broers · De volleerde jager · De vos en de ganzen · De vos en de kat · De vos en de moeder van zijn petekind · De vos en het paard · De ware bruid · De waternimf · De waternimf in de vijver · De witte slang · De witte en de zwarte bruid · De wolf en de mens · De wolf en de vos · De wolf en de zeven geitjes · De wonderlijke speelman · De zes dienaren · De zes zwanen · De zeven Zwaben · De zeven raven · De zingende springende leeuwerik · De zoete pap · Dokter Weetal · Doornroosje · Duimendik · Duimpje de wereld in · Eenoogje, tweeoogje en drieoogje · Eva's ongelijke kinderen · Frieder en Katherliesje · Gelukkige Hans · Hans en Grietje · Hans viert bruiloft · Hans-mijn-egel · Hazekebruid · Het aardmanneke · Het blauwe licht · Het boerke · Het boerke in de hemel · Het boshuis · Het dappere snijdertje · Het doodshemdje · Het eigenzinnige kind · Het ezeltje · Het gedierte van de Heer en de Duivel · Het gespuis · Het herdersjongetje · Het huishouden van kat en muis · Het kind van Maria · Het lammetje en het visje · Het leugensprookje uit Ditmar · Het mannetje dat jong gegloeid werd · Het meisje zonder handen · Het meiske van Brakel · Het mooie Katrinelletje en Pief Paf Poltrie · Het raadsel · Het snuggere snijdertje · Het sprookje van Luilekkerland · Het water des levens · Het winterkoninkje · Het winterkoninkje en de beer · Het zingende botje · IJzeren Hans · Jonkvrouw Maleen · Jorinde en Joringel · Klitten · Klosje, schietspoel en naald · Knappe Elsje · Knoest en zijn drie zonen · Koning Lijsterbaard · Lief en leed samen delen · Luie Hein · Luisje en Vlootje · Magere Liesje · Meester Priem · Meneer Korbes · Met z'n zessen de hele wereld rond · Op reis gaan · Raadselsprookje · Raponsje · Repelsteeltje · Roodkapje · Simeliberg · Slangensprookje · Slimme Grietje · Slimme Hans · Sneeuwwitje · Sneeuwwitje en Rozerood · Speelhans · Sprookje van iemand die erop uittrok om te leren griezelen · Sterke Hans · Strohalm, kooltje vuur en boontje · Tafeltje dek je, ezeltje strek je en knuppel uit de zak · Trouwe Ferdinand en Ontrouwe Ferdinand · Van de visser en zijn vrouw · Van de wachtelboom · Van het muisje, het vogeltje en de braadworst · Vleerkens vogel · Vogel Grijp · Vondevogel · Vrijer Roland · Vrolijke Frans · Vrouw Holle · Vrouw Trui