Stoof (hout)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Essenstoof in de Gelderingensteeg ten zuiden van Steenwijkerwold
Stoof van Tamme Kastanje
Oude hakhoutstoof van wintereik


Een stoof is het onderste deel van een boom die herhaaldelijk van zijn takken wordt ontdaan voor de winning van hakhout. Dat kan op werkhoogte kort boven de grond gebeuren, maar ook hoger, zoals bij knotwilgen het geval is. Vroeger was er veel vraag naar dit hout dat vooral werd gebruikt als geriefhout.

Het betreft loofbomen, zoals wilgen, eiken en essen die worden geknot en daarna weer uitlopen. Het hout wordt meestal eens in de vijf tot tien jaar geoogst. Eventueel blijven enkele takken staan om wind of zand te vangen, of om als haag te dienen. Als een tak blijvend gespaard wordt bij het oogsten kan bij sommige boomsoorten op de stoven een spaartelgenbos ontstaan.

Stoven van eiken kunnen zeer oud worden en in omvang toenemen tot meer dan 10 meter. Aanvankelijk werd gedacht dat de oudste van deze stoven op de Veluwe mogelijk al geplant zijn in de tijd van de middeleeuwse ontginningen, de 13e eeuw. In 2007 bleek echter uit onderzoek van Theo Spek en Jan den Ouden dat de stoven 150 tot 200 jaar oud zijn.[1]

In het Reestdal nabij Oud Avereest en in de Gelderingensteeg ten zuiden van Steenwijkerwold bevinden zich eeuwenoude essenstoven.[2] Ook in de Drunense duinen, de Bedafse Bergen en de Sonse Bergen bevinden zich stoven.[3]

Pas in de 2e helft van de 20e eeuw raakte de oogst van geriefhout in onbruik. Soms worden de stoven nog onderhouden door vrijwilligers.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]