Hakhout

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Stobbe van pas gekapte zwarte els
Dezelfde boomstronk na een jaar

Hakhout (ook: strubben, strubbel of schaarhout) is hout dat gekapt wordt van bomen en struiken voor gebruik. De boom wordt daarbij niet helemaal gekapt, maar tot net boven de stambasis. Op de stronk laat men soms een 'spaartelg' staan waaruit dan weer een nieuwe boom groeien kan.

De frequentie waarmee gekapt wordt, is afhankelijk van de boomsoort: els en wilg om de 6 à 10 jaar, eik om de 10 à 15 jaar en es om de 5 à 7 jaar. Het meest werd op de zandgrond en lichtere leemgronden de eik als hakhout gebruikt, maar ook de wilg, els, linde, iep en beuk lenen zich voor het gebruik als hakhout. Onder andere op de Veluwe zijn stoven of hakhoutstoelen te vinden van eeuwenoude hakhoutcultures met eiken hakhoutstrubben.

Wanneer het hout weer vanaf de staan gebleven stobbe moet opgroeien loopt het een goede kans door het wild aangevreten te worden. Daarom werd soms om een veld met hakhout een heg van moeilijk doordringbare struiken geplant om het wild buiten te houden.

Vorming van uitlopers na beschadiging[bewerken]

Het hakhoutbeheer is gebaseerd op het vermogen van een boom zich steeds weer te herstellen. Het deel dat verloren gaat door het oogsten van het hout vervangt de boom door nieuwe uitlopers. Deze uitlopers worden gevormd aan de overgebleven stobbe.

Als gevolg van de beschadiging die houtkap oplevert zullen slapende knoppen worden geactiveerd en uitlopen. Daarnaast kunnen er door de beschadiging nieuwe takmeristemen worden geproduceerd in het cambium. Deze takmeristemen zijn de adventiefknoppen, vanuit deze knoppen kunnen nieuwe takcomplexen en uiteindelijk zelfs bomen groeien.[1]

Gebruik[bewerken]

  • Van de eik werd de bast gebruikt voor eek, het overblijvende dikke geschilde hout als palen voor de paling- en worstrokerijen en het dunnere hout als takkenbossen voor het stoken van ovens.
  • Hakhout uit zogenaamde geriefbosjes werd geoogst voor huiselijk gebruik als brandhout en voor het maken van gereedschappen.
  • Griendhout uit wilgenplantages langs rivieren werd elk jaar gesnoeid om te gebruiken als bindwilg, of vlechtwerk voor manden. Takken van meerdere jaren oud vonden onder andere toepassing in de waterbouw, bij het maken van zinkstukken.
  • Een moderne toepassing van hakhout is als biobrandstof voor het produceren van groene stroom.

Zie ook[bewerken]