Kapvlakte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een kapvlakte is een stuk bos waarvan de meeste bomen gekapt zijn.

Hierdoor veranderen plotseling de omstandigheden. Zo neemt de lichtintensiteit sterk toe en de temperatuurverschillen worden extremer. Dit leidt tot veranderingen in plantengroei.

Kapvlaktes geven tijdelijk onderdak aan vegetaties van de klasse van de kapvlaktengemeenschappen (Epilobietea angustifolii). Massaal kunnen planten als wilgenroosje en vingerhoedskruid gaan optreden. Een typische plant van kapvlakten is ook pilzegge. Van nature zijn zaden van dit soort planten in de zaadbank aanwezig, die wachten op genoemde veranderde omstandigheden welke ook via natuurlijke processen zouden kunnen ontstaan.

Indien het een zuiver productiebos betreft, zal de kapvlakte vrij snel weer worden beplant met jonge boompjes van dezelfde soort en leeftijd. Het is echter ook denkbaar, vooral bij geïntegreerd bosbeheer, dat men de van nature voorkomende (loof-)houtsoorten, zoals Zomereik en Ruwe berk, een kans geeft. Spoedig zal zich verder op een kapvlakte een struiklaag gaan vormen, waarin Sporkenhout en Lijsterbes een belangrijk aandeel hebben.

Als men een bosperceel kapt laat men tegenwoordig ook vaak een aantal oudere, karakteristieke bomen staan.