Verenigde Nederlandse Staten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Verenigde Belgische Staten)
Naar navigatie springen Jump to search
Samenvoegen   Ten minste één Wikipediagebruiker vindt dat de onderstaande inhoud, of een gedeelte daarvan, samengevoegd zou moeten worden met Geschiedenis van de Verenigde Nederlandse Staten, of dat er een duidelijkere afbakening tussen deze artikelen dient te worden gemaakt  (hier melden).
Verenigde Nederlandse Staten
États Belgiques Unis
 Oostenrijkse Nederlanden januari – december
1790
Oostenrijkse Nederlanden 
Flag of the Brabantine Revolution.svg
(Details)
Kaart
grondgebied van de Verenigde Nederlandse Staten (1790). In grijs de gebieden van Limburg en Overmaas, die zich later aansloten bij de statenbond
grondgebied van de Verenigde Nederlandse Staten (1790). In grijs de gebieden van Limburg en Overmaas, die zich later aansloten bij de statenbond
Algemene gegevens
Talen Nederlands, Frans
Religie(s) Rooms-katholiek
Regering
Regeringsvorm Confederale republiek
Geschiedenis van België

Tijdlijn · Bibliografie


..Naar voormalige koloniën

Portaal  Portaalicoon  België
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

De Verenigde Nederlandse Staten (Frans: États-Belgiques-Unis) waren een confederatie van de Zuidelijke Nederlanden die heeft bestaan van januari tot december 1790. De acht stichtende leden van deze statenbond waren Brabant, Henegouwen, Vlaanderen, West-Vlaanderen, Namen, Mechelen, Gelre, Doornik en het Doornikse. De confederatie ontstond tijdens een kortstondige opstand tegen de Oostenrijkse keizer Jozef II en verdween weer na het Verdrag van Reichenbach en de Conventie van Den Haag (1790), onderhandeld tussen de toenmalige Europese grootmachten Oostenrijk, rivaal Pruisen met diens bondgenoot De Republiek der zeven Verenigde Nederlanden en het Koninkrijk Engeland.

Staatkundige toestand in het jaar 1790

Aanleiding[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van de Oostenrijkse Nederlanden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bij de (militaire) instorting van het Oostenrijks gezag stuurde de voorman van de opstand Hendrik van der Noot op 14 december 1789 ‘in naam van de Staten van Brabant en Verenigde Staten’ boodschappers naar Brussel, Leuven en Antwerpen, om daar het Manifest van het Brabantse Volk uit te plakken. De Staten van Brabant namen op 27 december achter gesloten deuren de soevereiniteit in handen. In het kielzog van Brabant verklaarden ook andere gewesten zich onafhankelijk. De Staten van het belangrijke graafschap Vlaanderen vaardigden op 4 januari 1790 hun Manifest van de Provincie Vlaanderen uit. Alleen de Staten van het hertogdom Luxemburg hielden zich afzijdig.

Deze onafhankelijkheidsverklaringen kwamen voort uit de onvrede van de Oostenrijkse Nederlanden (Latijn: Belgium Austrianum) over de vernieuwingspolitiek van keizer Jozef II (ook wel de keizer-koster genoemd), die zijn Habsburgse rijk efficiënter en moderner wilde organiseren. Het kwam daarbij tot een open conflict, en uiteindelijk breuk, met de vertegenwoordigers van vooral de Staten van Brabant en Henegouwen, die vasthielden aan hun vrijheden. De keizer was ervan overtuigd dat welvaart en welzijn de kracht van de staat vormden; de zuidelijke Nederlanden moesten daaraan bijdragen - zoals alle Habsburgse bezittingen.

Zijn regering had er een paar jaar naar gestreefd aan de hand van tellingen, statistieken en rapporten zicht te krijgen op de situatie.

De katholieke geestelijkheid in de Oostenrijkse Nederlanden had zich aanvankelijk terughoudend opgesteld en probeerden zijn moderniserende maatregelen in de Kerk in de luwte tegen te werken. Maar de bisschoppen en kardinaal Franckenberg, de aartsbisschop van Mechelen, traden de protesterende Staten openlijk bij toen keizer Jozef II ook de bestuurlijke en rechterlijke instellingen ging aanpakken.

Oorzaken[bewerken]

De maatschappij in de Oostenrijkse Nederlanden werd nog steeds beheerst door de traditionele en schijnbaar stevig gevestigde machten van adel, geestelijkheid en gilden. De economische en sociale kracht van de adel was vooral overheersend in Brabant en Henegouwen; de adel beschikte daar over meer kapitaal dan elke andere klasse. Door stijging van de landbouwopbrengsten nam het fortuin nog toe. In Vlaanderen was het kleingrondbezit van onafhankelijke boeren typerend voor het economische en sociale leven, maar ook daar domineerde de adel en streefde de opkomende klasse van de industriële burgerij naar toelating tot de oude aristocratische kring.

De geestelijkheid was eveneens invloedrijk in economisch, sociaal en cultureel opzicht. Van de geschatte 2,2 miljoen inwoners van de Oostenrijkse Nederlanden waren ruim 17.000 mannen en vrouwen, in één of andere vorm, lid van de geestelijkheid. Volgens tijdgenoten zou de geestelijkheid meer dan de helft van het totale grondbezit hebben. Door het heffen van lage pachten door de kloosterorden ontstond welstand op het platteland en trouw vanwege de economisch sterkste groepen binnen de plattelandsbevolking.

De Derde Stand was georganiseerd in een ingewikkeld gildesysteem dat in de loop der eeuwen vanuit de steden was uitgegroeid en opgeld ging doen in de industrie. Deze gilden werden nu beheerst door de patroons en vormden een belemmering voor de groei van de economie. Zij bestreden elkaar omwille van competenties in eindeloze processen, waar kapitaal en energie in ging zitten. Mede daardoor waren ze impopulair bij de overheid en de publieke opinie, die hun opheffing en sanering verlangden.

De Zuid-Nederlandse economie ontwikkelde zich zoals die in Frankrijk: binnen de eeuwenoude, traditionele kaders. Door nieuwe ontginningen, betere methoden en bemesting, bereikte de agrarische productie een opmerkelijk peil. De bevolkingsgroei was ook het sterkst op het platteland, en was, zoals elders in Europa, beduidend groter dan in de steden. Er was tevens een groei van het aantal armlastige burgers, die niet kon worden opgevangen door de agrarische maatschappij waar gebrek was aan werkgelegenheid, onvoldoende scholing en een gebrekkige armenzorg.

De op zich opvallende economische groei van industrie en handel bleef nog erg beperkt, omringd door protectionistische buurlanden en met een gebrek aan ervaring in scheepvaart en overzeese handel. De afhankelijkheid van het verzwakte handelsimperium, de Republiek der Verenigde Nederlanden, werd verminderd door vernieuwingen in de textielindustrie, die de eenzijdigheid enigszins brak, en de ontwikkeling van Oostende als haven, die geen belemmering ondervond van de 'sluiting' van de Schelde.

Daar stond tegenover dat de ontwikkeling van industriële bedrijven werd gehinderd door gebrek aan kapitaal, onwil van de adel en de geestelijkheid om erin te investeren en gebrek aan een ontwikkeld bank- en kredietwezen. Toch ontstond in sommige steden een groep van gegoede ondernemers, die belangstelling had voor technische ontwikkelingen, die niet in het gildesysteem was opgenomen en de mogelijkheid schiep om in het Zuiden een industriële revolutie door te voeren.

Opgelegde hervormingen[bewerken]

Vanaf 1784 achtte de ongeduldige Keizer-Koster het ogenblik gekomen voor radicale hervormingen in de Oostenrijkse Nederlanden. Er lagen reeds geruime tijd plannen voor kerkelijke hervormingen klaar: kloosterorden reorganiseren om ze los te maken van hun oversten in het buitenland (lees: in Rome), uitvaardigen van beperkende verordeningen op kerkelijke feesten en broederschappen, ultramontaanse invloeden weren uit het theologisch onderwijs, kermissen in het hele land op dezelfde dag organiseren, begraafplaatsen buiten de bebouwde kom aanleggen. Buiten de Oostenrijkse Nederlanden waren in zijn gehele rijk door Jozef II de contemplatieve kloosterordes opgeheven. Bovendien werd een groot deel van het gemeenschappelijk en kerkelijk bezit geconfisqueerd.

Reeds in 1781 had de keizer persoonlijk toegezien op de invoering van de burgerlijke tolerantie, die protestanten en even later ook joden de volledige burgerrechten en een - weliswaar nog beperkte - godsdienstvrijheid toestond. Dit zette de toon. Tijdens zijn incognito bezoek dat jaar aan de Oostenrijkse Nederlanden wekte de keizer onrust bij de lokale gezagsdragers in de Oostenrijkse Nederlanden. Ook kardinaal Franckenberg legde aan de keizer zijn bezwaren voor, maar die zag niet in waarom hij voor zijn Nederlandse onderdanen uitzonderingen zou maken voor maatregelen die elders in zijn Rijk, Oostenrijk en Noord-Italië, met succes doorgezet werden.

De bisschoppen kwamen daarna unaniem in het geweer tegen het edict van 1784, dat een seculiere huwelijkswetgeving invoerde en de - tot dan toe bijna exclusieve - rol van de Kerk sterk beperkte. De katholieke Kerk kwam in 1786 in opstand na het afschaffen van de bisschoppelijke seminaries, de traditionele priesteropleiding, en het oprichten van een door de staat geleid Seminarie-Generaal in Leuven en een filiaal in Luxemburg, door Jozef II bedoeld om een beter opgeleid, verlicht en regeringsgezind priesterbestand op te leiden. De seminaristen kwamen in opstand en er verscheen een vloed aan pamfletten die de omstreden keizerlijke politiek aanviel of verdedigde.

Op 1 januari 1787 werden met twee decreten hervormingen doorgevoerd op gerechtelijk en bestuurlijk vlak, waardoor er centralisatie en eenvormigheid kwam in plaats van de talrijke eeuwenoude privileges voor jurisdicties en rechtbanken. Dat bracht de keizerlijke overheid in het nauw, omdat het kerkelijk ongenoegen begrip ontmoette van andere maatschappelijke groepen die zich al evenzeer bedreigd voelden. Talloze functionarissen, meestal uit voorname families, verloren door deze decreten hun functies, vergoedingen, maatschappelijke status en machtsbasis.

Oppositie[bewerken]

De traditionele gezagsdragers in de Zuidelijke Nederlanden zagen deze vernieuwingspogingen als een vorm van centralisme van het bestuur, die ze niet wilden accepteren. Zij beschouwden ze als bemoeizucht en aantasting van de relatieve zelfstandigheid die de vorstendommen al eeuwen hadden genoten.

Het verzet kwam tot uiting in de Provinciale Staten, eerst in Henegouwen, daarna in Brabant en ook in Vlaanderen. Na massaal protest van talloze instellingen en besturen braken er op vele plaatsen rellen uit, wat aanleiding gaf tot de oprichting van stedelijke burgerwachten voor handhaving van de orde. In feite waren het vrijheidskorpsen, zoals eerder bij de patriotten in de Noordelijke Nederlanden.

De landvoogden Maria Christina, zuster van de keizer, en haar man Albert Casimir van Saksen-Teschen schrokken van het protest en probeerden in 1787 bepaalde maatregelen terug te draaien, maar Jozef II hield voet bij stuk, en zijn regering verloor daarop steeds meer greep op de gebeurtenissen. De keizer was daarna bereid de gerechtelijke en bepaalde bestuurlijke hervormingen in te trekken, op voorwaarde dat de kerkelijke van kracht zouden blijven. In 1788 vielen echter in Antwerpen tientallen doden onder burgers tijdens het gewapenderhand ontruimen van het bisschoppelijke seminarie. Toen in 1789 de Henegouwse en Brabantse privileges werden ingetrokken ("abrogés, cassés et annulés") en de aartsbisschop protesteerde en ingreep tegen het regeringsonderwijs in het Seminarie-Generaal, kreeg de oppositie volop de wind in de zeilen.

Brabant in opstand[bewerken]

De Brabantse Staten hadden in 1787 voor de verdediging van hun belangen Hendrik van der Noot aangezocht, een succesvol advocaat. Hij kwam uit het milieu van de Brusselse Gilden, het eeuwenoude patriciaat, waar de kern van het verzet lag. Van der Noot, lid van de vrijmetselaarsloges l'Union Bruxelles en Les Vrais Amis de l'Union Bruxelles, was sinds 1757 toegelaten tot het geslacht Sweerts, een van de Zeven geslachten van Brussel, de eeuwenoude formele oligarchie van de hoofdstad.

Hij stelde in april 1787 een manifest op namens de standenvertegenwoordiging waarin ze zich beriepen op de Blijde Inkomst en het Brabantse stelsel van keuren en privileges als basis van het politieke bestel, en beschouwden Jozef II, die bij zijn aantreden had gezworen deze te zullen respecteren, als meinedig en zelfs ketters. Ze lieten Jozef II weten dat zijn maatregelen misschien wel pasten voor "volkeren in de kindertijd van de beschaving" zoals de Oostenrijkers, maar niet voor "een sinds oudsher beschaafd volk, een natie die sedert zeshonderd jaar geweigerd heeft zich te onderwerpen aan elk systeem van blinde, willekeurige en onderdrukkende feodale autoriteit".

Van der Noot moest in augustus 1788 vluchten naar Breda in Staats-Brabant, waar hij steun zocht voor het verdrijven van de Oostenrijkers. Hij stond vereniging met de Verenigde Provinciën voor, maar zijn plannen werden in het protestantse Noorden op beleefde argwaan onthaald.

Leden van vrije beroepen en van de stedelijke burgerij, vaak beïnvloed door ideeën uit de Verlichting, hadden aanvankelijk wel sympathie voor de liberale keizerlijke hervormingen, maar waren afkerig van het tirannieke optreden van de Oostenrijkse overheid, dat zelfs bloed deed vloeien. Er ontstonden politieke discussieclubs, er verschenen clandestiene pamfletten, en er werden plannen gesmeed. In deze context moet de oprichting gezien worden van het geheime genootschap Pro Aris et Focis ("Voor Outer en Heerd - Voor Altaar en Haard") in april 1789, geleid door de Brusselse advocaten Jan Frans Vonck en Jan-Baptist Verlooy, dat een gewapende opstand ging voorbereiden om de Oostenrijkers te verjagen. Gepensioneerd officier Jan Andries vander Mersch uit Menen, die kolonel was geweest in Franse en Oostenrijkse dienst, werd aangezocht om de leiding te nemen van een opstandelingenleger, waarvoor fondsen werden geworven door de Brabantse abdijen en aangekocht in het Prinsbisdom en de Republiek.

Toen Vonck hierover - tot tweemaal toe - contact opnam met Van der Noot reageerde de laatste afwijzend. De statisten bleven hopen op een buitenlandse interventie, eventueel een oorlog van de andere toenmalige grootmachten Pruisen, Engeland en de Republiek tegen Oostenrijk.

De leden van Pro Aris et Focis wilden steunen op eigen kracht. Door hen kwam er een uittocht van weerbare mannen op gang, eerst naar het prinsbisdom Luik rondom Hasselt, waar de Oostenrijkse generaal Schröder op 10 oktober een militaire raid op hen uitvoerde, daarna naar Staats-Brabant (huidig Noord-Brabant). Op 18 oktober arriveerde Vonck in Breda, vermomd als priester. Onder druk van gevluchte katholieke geestelijken werd er een Comité van nationale bevrijding (Comité van Breda) gevormd dat de twee stromingen verenigde.

Op 24 oktober viel een leger van 2800 man onder leiding van Van der Mersch de Kempen binnen. Vanaf het stadhuis van Hoogstraten, de eerste plaats die werd veroverd, werd het Manifest van het Brabantse Volk afgekondigd. Dit manifest was letterlijk gebaseerd op het Plakkaat van Verlatinge waarmee twee eeuwen eerder, in 1581, met koning Filips II van Spanje als landsheer van de Nederlanden werd gebroken, de geldende gewestelijke privileges onaantastbaar werden verklaard en in de praktijk de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring werd afgekondigd. Zo werd nu ook Jozef II als hertog van Brabant vervallen verklaard van zijn troon.

Op 27 oktober werd slag geleverd in Turnhout, waar de Oostenrijkers een beschamende nederlaag leden, mede door tussenkomst van de bevolking, en waar enkele kanonnen werden buitgemaakt. Op 16 november viel Gent na drie dagen strijd, waarna de werkelijke bevrijdingsstrijd werd ingezet. Op 21 november sloeg het Oostenrijkse garnizoen in Mons op de vlucht naar Namen, waardoor Henegouwen in beweging kwam. Op 10 december brak in Brussel een breed protest uit tegen de regering, die tevergeefs concessies bleef voorstellen. De hoofdstad werd op 12 december veroverd, waarna de Oostenrijkse troepen en ambtenaren zich terugtrokken naar het oosten. Tegen 22 december waren alle provincies, op Luxemburg na, bevrijd.

Onafhankelijkheidsverklaringen[bewerken]

kaart van de Verenigde Nederlandse Staten (1790)

In het kielzog van Brabant verklaarden ook andere Zuidelijke Nederlanden zich onafhankelijk op het hertogdom Luxemburg na. Op 11 januari 1790 kondigden de Staten, verenigd in een Staten-Generaal de Akte van vereniging van de onafhankelijke Verenigde Nederlandse Staten af. Zij hielden daarbij één oog op de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en het andere op de onafhankelijkheid van de Verenigde Provinciën. Er ontstond een confederatie onder de naam van de stichtingsvergadering, de Verenigde Nederlandse Staten. De Staten van Limburg en Overmaas sloten zich pas op 8 maart aan bij de alliantie.

In buurland Prinsbisdom Luik was op 18 augustus 1789, enkele weken na de bestorming van de Bastille in Parijs, een opstand uitgebroken, waarbij de autoritair regerende prins-bisschop werd verjaagd. De Luikse Revolutie was het resultaat van enkele jaren democratisch verzet vanuit de industriële burgerij met de lagere clerus en de adel. Al snel bleken de democratische krachten in Luik het sterkst: het stadsbestuur werd vervangen en de adel en de geestelijkheid werden gedwongen om het grootste deel van hun privileges af te staan. Toen een maand later de hoogste rechtbank van het Heilig Roomse Rijk beval om de oude structuren te herstellen en de Westfaalse Kreits opdracht gaf om dit vonnis uit te voeren, talmde de koning van Pruisen, die hierover beslissingsmacht had. Hij bood daarentegen Luik zijn bemiddeling aan en maakte zo duidelijk dat hij voorlopig kon leven met het revolutionaire bestuur. Zo kon Pruisische koning Frederik Willem de situatie in Luik gebruiken om zijn Oostenrijkse rivaal verder dwars te zitten.

De Verenigde Nederlandse Staten gaven in 1790 hun eigen propaganda-penningen uit, waarop de Nederlandse leeuw de vrijheidshoed op een stok omhoog houdt, hetzelfde symbool dat in 1570 op gedenkpenningen van de opstand tegen Spanje gestaan had. Ironisch genoeg begonnen vele zuiderlingen rond te lopen met oranje kokardes, die in het Noorden een symbool van de reactie waren, maar in het Zuiden een symbool van trouw aan de gewestelijke privileges die in de door Oranje geleide opstand tegen Filips II verdedigd waren.

Belangrijk in de leiding in de Zuidelijke Nederlanden was de rol en het werk van kanunnik Petrus Johannes Simon van Eupen (1744-1804), de rechterhand van de Antwerpse bisschop Nelis. Hij was een invloedrijke ultramontaanse geestelijke, die al jaren strijd voerde tegen de hervormingen van Jozef II. Van Eupen werd adviseur van Hendrik van der Noot, leidend lid van het Comité van Breda, met een actieve rol in de totstandkoming van de Verenigde Nederlandse Staten. Bovendien werd Van Eupen staatssecretaris, met als enige minister Van der Noot, leider van het bestuur van de onmiskenbaar katholieke republiek, met de Staten-Generaal als opperste beslissingsniveau.

In feite ging het om een behoudsgezinde machtsgreep, waarmee de Kerk en de medestanders van Van der Noot de oude structuren probeerden veilig te stellen. Zij verzetten zich tegen elk voorstel om te sleutelen aan het staten- en standenregime, in de overtuiging dat dan alles kon gaan schuiven en er Frans-revolutionaire toestanden zouden kunnen ontstaan. Dat kon de positie van de Kerk in gevaar brengen.

Een voorstel van de Henegouwse staten om nieuwe instellingen voor te bereiden die "de Natie" zouden kunnen vertegenwoordigen, voedden de ongerustheid en de agressie jegens de vernieuwers. Op 30 januari stelde de conservatieve meerderheid in de Brabantse staten de in de Republiek verblijvende Pruisische generaal Schönfeldt aan als opperbevelhebber van het leger, waarmee generaal Van der Mersch opzijgeschoven werd. Een dag later vaardigde kardinaal Franckenberg een vastenbrief uit waarin hij de aanhangers van nieuwe ideeën, zoals de scheiding van kerk en staat, uitdrukkelijk veroordeelde.

Dit bracht hen steeds verder in conflict met Vonck en andere democraten, die de stedelijke middengroepen en zelfs de plattelandsbevolking een stem in het landsbestuur wilden geven. De vonckisten kregen niet enkel de adel, de geestelijkheid en de boeren tegenover zich, maar ook de Brusselse gilden. Op massabijeenkomsten liepen gewapende gildeleden en boeren te hoop tegen de Verlichting, de tolerantie en de vonckisten. De pers wakkerde de afkeer van de als anti-religieus bestempelde filosofie van deze eeuw verder aan.

Op 9 maart 1790 weigerden de vrijwilligerskorpsen die trouw waren gebleven aan de progressieve strekking om de eed van trouw af te leggen aan de Staten van Brabant. Een week later leidde dit tot aanslagen en plunderingen door het opgehitste volk in Brussel, na een campagne tegen de vonckisten, waarbij systematisch huizen van progressieven werden geplunderd en vernield. Het bracht onder meer generaal Van der Mersch in de Antwerpse gevangenis en joeg anderen op de vlucht naar het revolutionaire en liberale Frankrijk. De conservatieve machtsgreep was geslaagd, maar er bleven verzetshaarden in Gent, Doornik, Mons en het hertogdom Limburg.

Herovering[bewerken]

De nieuwe staat kreeg weinig internationale steun. Pruisen, dat sinds de opstand van de Patriotten steeds meer in de politiek van de Lage Landen was betrokken, betuigde niet slechts steun aan de nieuwe republiek, maar zond ook troepen ter ondersteuning, na samenspraak met het orangistische bewind in het Noorden.

Omdat de Staten-Generaal geen toereikende medewerking en financiële bijdragen van de Provinciale Staten kregen, waren er grote financiële moeilijkheden, en de interne spanningen tussen behoudende statisten en democratische vonckisten hadden bijna tot een burgeroorlog geleid.

Keizer Jozef II overleed op 20 februari 1790, net geen 49 jaar oud, geveld door tuberculose. Hij werd opgevolgd door zijn zes jaar jongere broer keizer Leopold II, die als groothertog van Toscane met succes de zelfde hervormingen had doorgevoerd waartegen de Zuidelijke Nederlanden in opstand waren gekomen. Hij beloofde in een verzoenend manifest de maatregelen tegen de Kerk in te zullen trekken en de traditionele wetten na te leven. De Staten-Generaal verwierp de geste van de nieuwe keizer omdat ze geen terugkeer van het Oostenrijkse gezag wenste.

Met de Conventie van Reichenbach van 27 juli 1790 kwam er een eind aan de openlijke rivaliteit met Oostenrijk en daarmee verviel de Pruisische steun aan de jonge republiek. Op 10 september 1790 tekenden vertegenwoordigers van de keizer, Pruisen, Groot-Brittannië en de Verenigde Provinciën een conventie in Den Haag die de voorwaarden voor het herstel van het keizerlijk gezag vastlegde, op voorwaarde dat vrijwel alle hervormingen op kerkelijk, bestuurlijk en gerechtelijk gebied zouden worden ingetrokken.

Op 24 november werd Namen door Oostenrijkse troepen bezet, en de Staten van Namen zagen zich verplicht diens gezag weer te erkennen. Twee dagen later onderwierp de Statenvergadering van West-Vlaanderen zich. De rest van het land werd zonder veel geweld heroverd en leider Van der Noot en zijn raadsman Van Eupen vluchtten naar de Verenigde Provinciën. De nieuwe keizer paste de hervormingen milder toe dan zijn voorganger, maar echt rustig werd het nooit meer.

Betekenis[bewerken]

De Zuid-Nederlandse republiek ontstond op een beslissend moment in de geschiedenis van Europa en van de Lage Landen en had verstrekkende implicaties. Zij toonde aan dat de politieke, religieuze en culturele kloof tussen noord en zuid in de 18e en op de drempel van de 19e eeuw nauwelijks breder had kunnen zijn.

Het staatkundige conservatisme en de katholieke vroomheid in de nieuwe republiek verbaasden Europa. De opstandelingen hadden de onwrikbare overtuiging anders te zijn dan, en zelfs tegenpolen te zijn van zowel de revolutionaire beweging in Frankrijk als de patriotten in de noordelijke Nederlanden. Zij wezen de Verlichting en het verlichte absolutisme af, al moet eraan toegevoegd worden dat de vonckisten wat meer steun kregen in Vlaanderen en de Franstalige provincies dan in Brabant.

De Verenigde Nederlandse Staten worden in de Belgische geschiedschrijving vaak beschouwd als voorbode van de Belgische Revolutie in 1830. Enerzijds is dit correct: in beide gevallen was er sprake van een streven naar onafhankelijkheid, tegen een vreemde heerser in het gebied dat later België zal heten. De Brabantse opstandelingen van 1789 waren de eerste politieke ideologen die de gezamenlijke bevolking van het Nederlands- en Franstalige Zuiden 'de Belgen' - 'les belges'- noemden.

Anderzijds is deze kijk op de geschiedenis te eng, omdat het in 1790 ging om een - overwegend - behoudsgezinde opstand tegen het centraliserende beleid van een verlicht despoot als Jozef II, en ook omdat er toenaderingen waren tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. De revolutie van 1830 had juist de Belgische afscheiding van het noorden op het oog: de Belgische Revolutie was een liberale revolutie waar ook conservatieve katholieke krachten aan meewerkten (Unionisme), tegen de protestantse Willem I, die steeds meer regeerde als een absoluut monarch.

Tot slot was er in 1790 geen sprake van een Belgisch volk dat de soevereiniteit opeiste, maar wel van de traditionele elite binnen de Vlaamse, Brabantse, Naamse, Henegouwse, etc. Staten, die zich niet meer gebonden achtte aan de Habsburgse keizer. Het confederale karakter van de Zuidelijke Nederlanden onder Jozef II en erna in de Verenigde Nederlandse Staten mag niet onderschat worden. Het unitaire Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en later het unitaire België zijn duidelijk een ontwikkeling die door de Franse Revolutie waren veroorzaakt.

Toch zou de latere koning Willem I erkennen, dat het onder invloed van de vraag van Hendrik van der Noot tot hereniging was, dat bij hem het idee van een Verenigd Koninkrijk der Nederlanden ontstond.[1]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Wikisource NL Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Vereenigde Nederlandsche Staeten (tractaet van vereeninge) op de Nederlandstalige Wikisource.