Bonsai

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een bonsai

Bonsai (盆栽) is een Japans woord dat letterlijk 'boom in pot' betekent. Het woord heeft betrekking op een door manipulatie klein gehouden plant die echter de illusie wekt een groot en oud exemplaar te zijn. Dit wordt in de praktijk bereikt door taksnoei, wortelsnoei, kweken in kleine potten en door stengels en stammen met behulp van aluminium- of uitgegloeid koperdraad in de gewenste vorm te laten groeien. Zo kan een boom, die onder natuurlijke omstandigheden uitgroeit tot een enige meters of tientallen meters hoog exemplaar, een sierlijke plant worden op kamerplantformaat.

Geschiedenis[bewerken]

Acer buergerianum in de Seki-joju-stijl. Deze esdoornsoort is één van de oudste soorten die speciaal voor bonsai worden gekweekt.

De eerste potbomen[bewerken]

Geschiedkundigen gaan ervan uit dat de klassieke Egyptische samenleving, voor het eerst planten in potten kweekte. Het meest tastbare bewijs daarvan komt van oude muurschilderingen uit de Graftombe van Nakht in Thebe (Egypte; ca. 1500 v.Chr.). Daarop staan duidelijk potplanten met grasachtige gewassen afgebeeld. De ontwikkeling van plantenteelt in potten heeft zich voortgezet in het Perzische Rijk. De oorspronkelijke opkomst van de potteelt van bomen in Perzië moet ongeveer synchroon hebben gelopen aan die in China. Alleen zal er in China meer aangestuurd zijn op een zekere mate van esthetiek, in tegenstelling tot in Perzië, waar de functionaliteit van de potplant belangrijker moet zijn geweest. China was immers rijker aan water dan Perzië. Potten met een grote inhoudsmaat waren in het drogere Perzië simpelweg belangrijker om een grotere hoeveelheid vocht vast te houden. De eerste bomen die in potten gekweekt werden, waren waarschijnlijk fruitboompjes. De vijg (Ficus carica) is de fruitboomsoort die al het langst in potten gekweekt wordt.

China[bewerken]

Gedurende de Han-dynastie (202 v. Chr. - 220 n. Chr.) bereikte de bonsaikunst in China een zeker hoogtepunt. Destijds was het uitsluitend de rijke en gegoede burgerij, die zich met deze kunstvorm bezighield. Chinezen spraken toen nog niet van bonsai, maar van pun-sai, wat ook 'boompje in pot' betekent. Waarom er in dat verleden zo'n behoefte ontstaan is om bomen terug te brengen tot een miniatuur, is nog steeds niet echt duidelijk. Getekende kunst uit de Han-dynastie geeft wel aan dat er destijds door de gegoede burgerij veel bonsais cadeau werden gedaan, die dan per schip of koets vervoerd werden. Ook verkeerden mediterende monniken vaak in de buurt van zulke miniatuurbomen.[bron?]

Japan[bewerken]

Bonsai at the gardens of pagoda Yunyan Ta.jpg

De sterke verbreiding van het boeddhisme in de Middeleeuwen zorgde voor een export van de eerste bonsai naar Japan. Rond 1195 werden de eerste bomen ingevoerd in Japan. Daar nam de populariteit van bonsai een grote vlucht. De eerste echte, historische verwijzing naar het bestaan van bonsai in Japan, is afkomstig van het kunstwerk op rol Kasugagongen-genki uit 1309, van de schilder Takakane Takashina. Takashina schilderde gedurende de Kamakura-periode(1183-1333), een tijd waarin de Japanse kunst zich sterk ontwikkelde onder invloed van het zenboeddhisme. De Japanners verfijnden destijds de bonsaikunst door de toepassing van ingewikkeldere handelingen, waardoor de bomen beter gemanipuleerd konden worden. In de 16e eeuw ontwikkelde de boomchirurgie zich verder in Japan onder invloed van de bonsaikunst; bomen werden door middel van fijn gesmede werktuigen en rauwe chemicaliën (vooral zwavelverbindingen) 'verbeterd'. Die verbeteringen waren sterk gericht op verfijning en versobering in de geest van Boeddha.

Japanse essentie[bewerken]

De Japanners waren degenen die het begrip 'Bonsai' verrijkten met een filosofie die heden ten dage erkend wordt als de hoofdfilosofie. Vóór de introductie van bonsai in Japan creëerden de Chinezen al miniatuurlandschappen gedurende de Han-dynastie. Dergelijke landschappen werden penjing genoemd. Van de Chinese filosofie achter bonsai en de miniatuurlandschappen is niets concreets bekend. Derhalve is er volop ruimte voor historici om te gissen naar de beweegredenen. Vooralsnog wordt de sierwaarde van dergelijke objecten nog steeds beschouwd als de achterliggende hoofdreden voor de creatie van bonsai en penjing in China.

Binnen de bonsaileer in Japan werd in het begin van de 18e eeuw sterk aangestuurd op de ontwikkeling van een essentialisme. In de 18e eeuw werd de tuinarchitectuur sterk verrijkt door de integratie van bonsai in de gehele compositie. Japans Wijsgerenraad stelde destijds Ibo Ito aan als 's lands 'bonsai-toezichthouder'. Ito bezat zelf een gigantische collectie bonsai, die hij uitgestald had in verschillende kwekerijen. Ito was de eerste bonsaimeester die de essentie van de bonsaicompositie combineerde met haiku. Hij richtte daartoe op zijn privé-grondgebied verschillende tokonama's in. Tokonama's combineren een lege ruimte met een plant (vaak een bonsai), steen of landschap en een wijze spreuk (vaak een haiku) tot een essentieel geheel. Het was de bedoeling om de waarnemer een gevoel van rust te bezorgen door de 'ruis' uit de natuur weg te nemen en uitsluitend datgene wat de kunstenaar van belang achtte, te tonen. Vaak waren de overgangen tussen de verschillende seizoenen een reden om tokonama's opnieuw in te richten.

De opkomst van de tokonama zorgde voor een nieuw inzicht in het begrip bonsai. Het werd steeds belangrijker om het aanzicht van een boom terug te brengen tot de meest wezenlijke delen. Datgene wat wezenlijk was werd destijds ingegeven door godsdienst. Het zenboeddhisme, dat destijds in Japan populair was, hing sterk aan natuur en stelde de mens als ontvankelijke macht ondergeschikt aan de essentie van de natuur. Om dit gegeven zichtbaar te maken, waren bonsai zeer geschikt, mits ze in een sobere opstelling werden ondergebracht. Uitsluitend dan zouden ze de aanschouwer de essentie van Boeddha kunnen tonen. Bovendien ontwikkelde zich toen het inzicht dat het innerlijke van de plantensoort leidend moest zijn voor de gehele compositie. Van circa 1700 tot 1849 ontwikkelden zich tal van bonsai-stijlen die toegeschreven werden aan hoofdlijnen van 'plantengeesten'; bonsaimeesters hadden destijds nauwkeurig naar wilde bomen en planten gekeken en hun bevindingen genoteerd. Dit leidde tot het optekenen van 15 hoofdstijlen.

Bonsai wereldwijd[bewerken]

In 1850 gooide Japan haar grenzen gedeeltelijk open na 250 jaar van afzondering. Vele reizigers passeerden de 17e-eeuwse tuinen, die perfect in harmonie met de menselijke geest leken. Veel reizigers ervoeren in de tuinierskunsten van de Japanners een geheimzinnige kracht. Ook de kleine boompjes maakten hevige emoties van schoonheid los.

In 1862 deed Japan mee aan de wereldtentoonstelling in Londen. De aanblik van de esthetisch volmaakt lijkende boompjes zorgde voor een toename van de vraag naar Japans-Engelse tolken, want vooral de Engelsen met hun drang naar perfectie in het tuinieren, waren geïnteresseerd in de kunde van de bonsaimeesters. Na de wereldtentoonstellingen van 1873 (Wenen), 1867 en 1900 (beide Parijs) was de vraag naar bonsai enorm gestegen en zodoende de voorraad exportboompjes in Japan tot een minimum geslonken. Japan besloot na de wereldtentoonstelling van 1900 over te gaan tot de opzet van professionele kwekerijen die als enige doel het kweken, trainen en exporteren van bonsai hadden.

Massaproductie in de 20e eeuw[bewerken]

Bonsai forest at the gardens of pagoda Yunyan Ta.jpg

Binnen de 20ste-eeuwse professionalisering, perfectioneerde de bonsaikunst zich tot het niveau van nu. Bonsai met bedradings- of snoeimerken worden door de huidige bonsaimeesters als minderwaardig beschouwd. Ook zijn de Japanners steeds meer, minder veeleisende soorten met kleinere bladeren in cultuur gaan nemen. Belangrijk voor de Japanners in de 20e eeuw was de geleidelijke ontwikkeling van Omiya bij Tokio. Daar werd in 1925 de eerste grote bonsaikwekerij door de heer Shimizu opgericht. Shimizu ontvluchtte Tokyo na de grote aardbeving in 1923. Tegenwoordig geldt Omiya als de wereldhoofdstad van de bonsaikunst.

Bonsai-principes[bewerken]

Bonsai kweken en vormen is iets wat iedereen kan leren. Het is zaak daarbij richting te geven aan je creativiteit door kennis te nemen van de basisprincipes van de bonsaikunst. In het verleden ging de kunst/kunde over van vader op zoon, van meester op leerling. Tegenwoordig neemt men verschillende (korte) cursussen en workshops, wordt men lid van een bonsaivereniging en zoekt men informatie op het Internet en de honderden boeken over bonsai, die inmiddels geschreven zijn.

Hieronder worden de bonsaimethoden en -technieken globaal benoemd: Bonsai heeft niets te maken met een bepaalde dwergvariant van een plant- of boomsoort, maar uitsluitend met de methoden en technieken om een kleine plant of boom te kweken, te vormen en te onderhouden zodanig dat de suggestie of illusie ontstaat van een grote, volwassen en oude boom. Deze bonsaitechnieken vinden hun voedingsbodem in de botanische kennis en in de algemene ontwerp kennis. Naast een gedegen kennis over het gedrag van een bepaalde boomsoort bij een bepaalde ingreep, en de daarbij horende problemen of ziektes, moet de bonsaiist zich ook verdiepen in begrippen als ritme, perspectief, diepte, kracht door herhaling, bewegingsleer, kleuren, texturen en de daarbij horende emoties, enz. Het moge duidelijk zijn dat ontwerpen altijd een creatief proces is dat tevens enige kunstzinnigheid vereist.

De gefaseerde methode om van een zaailing of een startplant tot een volwaardig bonsai te komen ziet er globaal zo uit: Eerst moet bepaald worden of de stam dik genoeg is en de wortelvoet goed genoeg is voor het uiteindelijke ontwerp. Zo niet dan moet de stam bij voorkeur in de volle grond worden geplant om snel dikker te worden. Correctie aan de wortelvoet is mogelijk maar vereist nog meer tijd dan de stamontwikkeling. Dit kan dus enige (tientallen) jaren duren. Om de groeiscenario’s te kunnen bepalen moet men dus eerst een globaal idee hebben over het uiteindelijke uiterlijk (ontwerp). De globale afmetingen en vorm moeten eerst bepaald worden: hoogte, vorm, compositie, karakter. Dit is zonder twijfel een van de moeilijkste onderdelen van bonsaivorming, omdat men ver in de toekomst moet kijken, gewapend door ervaring én inspiratie/idee. Beginners hebben natuurlijk nog geen ervaring, maar hopelijk wel frisse inspiraties.

Het ontwerp begint altijd met de bepaling van de voorzijde van de bonsai, de vorm of stijl, en de gewenste afmetingen. Uit deze drie "gegevens" wordt het ontwerp vervolgens bepaald, verder uitgedacht en uitgevoerd, en wel in de volgorde: stam, gesteltakken, tweede, derde en eventueel vierde vertakking.

Na het ontwerp volgt de eerste stylingsronde, de echte ingrepen aan de boom of plant zelf. De wortelvoet, de stamdikte en de stambeweging moeten dan al min of meer goed zijn, omdat men dit moeilijk nog kan omvormen. Meestal bestaat de eerste styling uit een grove snoeibeurt om alleen de essentiële gesteltakken te behouden en te ontwikkelen. Alle "foute" of onnodige takken worden weggesnoeid. Men gaat hier soms heel ver: er bestaan klasse-bonsais die bij nader inzien slechts uit drie gesteltakken bestaan (maar wel met 2e, 3e en zelfs 4e vertakkingen binnen/op deze gesteltakken). Een mooie boom uit drie gesteltakken is bijna ondenkbaar. Na de (grove) snoei wordt vaak bedrading als techniek ingezet om alle takken in de juiste vorm en richting te kunnen buigen. De (zwaar) gesnoeide en bedrade pré-bonsai wordt daarna met rust gelaten, bemest en vertroeteld om zich te herstellen van de snoeibeurt. De nieuwe groei zal de pré-bonsai nu dichter brengen bij de uiteindelijke vorm dan voor de styling.

Een tweede, derde, en verdere stylingsronde volgt zo nodig in de loop der jaren. Een bonsai wordt dan "af" verklaard wanneer de bonsai de beoogde vorm heeft bereikt. Toch is een bonsai nooit werkelijk af. Laat men de bonsai namelijk verder groeien zonder ingrepen, dan zal hij weer uit de (mooie) vorm geraken.

Bonsaistijlen[bewerken]

Tussen 1700 en 1849 werden er in Japan door de hoogste Japanse bonsaimeesters, geheel in overeenstemming met het zenboeddhisme, 15 hoofdstijlen voor bonsaivorming ontwikkeld. Deze hoofdstijlen zijn gebaseerd op boomzielen uit de vrije natuur.

  • Chokkan (Rechtopgaande stijl): deze stijl is een veel voorkomende Bonsai vorm. Ook in de natuur komt deze stijl veel voor, vooral op lichte plekken waar de boom geen concurrentie heeft van andere bomen. In de recht lopende stam moet een duidelijke verjonging te zien zijn, de stam moet dus onder dikker zijn dan aan de top. Op ongeveer 1/4 van de stamlengte groeien de eerste zijtakken. De top wordt gevormd door een tak, de stam loopt dus niet helemaal tot het einde door.
  • Shakkan (hellende stijl): hierbij staat de boom schuin naar één kant. Vaak wordt een hoek van 70 tot 90 graden beschreven. De wortels onder de hellende stam lijken in de grond te worden gedrukt, terwijl de wortels zich aan de andere zijde krachtig tonen. Asymmetrische verdeling van takken en taps toelopende stam. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Moyogi (gebogen opgaande stijl): onderaan beschrijft de stam een goed zichtbare bocht, waarna in de hogere delen van de stam het evenwicht gezocht wordt. De takken zijn asymmetrisch verdeeld en de stam loopt taps toe. Zichtbaar bij vrijwel alle boomsoorten.
  • Kengai (cascadestijl): in deze stijl wordt een door natuurkrachten naar beneden groeiende boom afgebeeld. In de natuur treedt dit fenomeen onder andere op in rotsachtige omgeving, waar bomen onder meer door vallende rotsblokken en hevige sneeuwval, vaak gedwongen worden om krom naar beneden te groeien. Niet zichtbaar bij snel groeiende boomsoorten.
  • Han-Kengai (half-cascadestijl): de kruin is aanwezig, doch laag. een der takken helt over en doet denken aan Kengai. Niet zichtbaar bij snel groeiende boomsoorten.
  • Bunjingi (literati- of wijsgerenstijl): deze stijl is gebaseerd op het principe van de vrijgestelde boom in een bos op voedselarme grond. Deze bosbomen hebben namelijk een hoge, sierlijke kroon die op een matig gekronkelde stam staat. Zichtbaar bij met name naaldbomen.
  • Hokidachi (bezemstijl): de naam geeft al aan dat de boom qua uiterlijk gelijkt op een bezem. Een rechte stam eindigt in een ronde, dicht vertakte kroon. Zichtbaar bij iep en haagbeuk.
  • Sharimiki (drijfhoutstijl): uitsluitend vertegenwoordigd door jeneverbes. De stammen van jeneverbessen die in rotsachtige gebieden groeien, worden door steenslag vaak ontschorst en gedeeltelijk geschild. Door de zon bleken deze wonden vaak uit tot witte lijnen in de stam. Dit worden Shari's genoemd.
  • Seki Joju (wortels-over-steenstijl): deze stijl is gebaseerd op bomen die op rotsen hun wortels naar beneden sturen ten einde daar meer voedingsstoffen en water te vinden. Wortel en stam krijgen daardoor hetzelfde uiterlijk. Zichtbaar bij vrijwel alle boomsoorten.
  • Ishisuki (hangend-aan-een-rotsstijl): de boom groeit in een spleet van een rots. Wortels zijn niet zichtbaar buiten de rots, wel de wortelaanzet. Alle voedingsstoffen en water worden uit het diepe van de rots gehaald. Zichtbaar bij vrijwel alle boomsoorten.
  • Sokan (dubbelstammige stijl): twee stammen komen uit dezelfde wortelhals, waarbij de één dikker is dan de ander. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Kabudachi (meerstammige stijl): drie of meer stammen komen uit dezelfde wortelhals. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Ikadabuki (vlotstijl): een omgeworpen boom richt de zijtakken op, waaruit schijnbaar nieuwe boomindividuen omhoogkomen. De stam(-loop) blijft zichtbaar. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Yose-ue (bosstijl): een groep bomen die als geheel een natuurlijk element van een landschap vertegenwoordigen. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Saikei (natuurlijk landschap): een natuurlijk landschap dat in zijn aanzicht vrij is van menselijke invloeden. Per definitie niet gebonden aan de aanwezigheid van bomen, wel vaak gewenst in het kader van bonsai.
  • Bonkei (menselijk landschap): een natuurlijk landschap dat in zijn aanzicht verrijkt is met menselijke invloeden. Per definitie niet gebonden aan de aanwezigheid van bomen, wel vaak gewenst in het kader van bonsai.

Nieuwe ontwikkelingen[bewerken]

Naast de klassieke, Japanse bonsaivormen met de specifieke, esthetische regels, doen nieuwe termen zoals potensai, mallsai en snobsai de ronde. Potensai wordt vaak gebruikt als men een bonsai in wording wil aanduiden. Mallsai is een massabonsai die met weinig toewijding en esthetische criteria heel goedkoop wordt aangeboden in de supermarkten of tuincentra. Snobsai is een aanduiding voor een dure bonsai die door rijke mensen zonder enige kennis van bonsai wordt gekocht en puur als decoratie en/of statussymbool wordt gebruikt.