Geschiedenis van de sociologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Sociologie
SNA segment.png

Basisdisciplines
Arbeid · Beleid · Cultuur · Economisch · Godsdienst · Historisch · Kennis · Medisch · Milieu · Niet-Westers · Ontwikkelings · Onderwijs · Politiek · Recht · Ruraal · Sociometrie · Sociale ruimte · Sport · Taal · Urbaan · Verzorging · Wetenschap · Wiskundig

Gerelateerde disciplines
Sociobiologie · Sociale filosofie · Sociale geografie · Sociale psychologie

Gerelateerde onderwerpen
Geschiedenis van de sociologie
Lijst van sociologen
Sociologie van A tot Z

De sociologie begon kort na de Franse Revolutie als een positivistische wetenschap ter bestudering van de samenleving. Zij kwam voort uit het Verlichtingsdenken en dankt haar ontstaan mede aan een aantal belangrijke stromingen in de wetenschapsfilosofie en de kennisfilosofie. De sociale analyse in bredere zin heeft echter haar oorsprong in de sociale filosofie en is dan ook van veel vroeger datum.

Achtergrond[bewerken]

De moderne academische sociologie is ontstaan als een reactie op de moderniteit, kapitalisme, urbanisatie, rationalisatie en secularisatie; meer specifiek de opkomst van de moderne natiestaat, zijn sociale instituties, het proces van socialisatie, en de middelen van toezicht. De focus op het concept van de moderniteit, in plaats van de Verlichting, onderscheidt het sociologische discours van dat van de klassieke politieke filosofie.[1]

In relatief korte tijd maakte de discipline een sterke uitbreiding en diversificatie door, zowel thematisch als methodologisch, met name als gevolg van de vele reacties op het empirisme. In de sociologie heeft de theoretische discussie over de relatie tussen actor en structuur (in het Engels structure and agency) altijd een centrale plaats ingenomen.[2] De ene stroming nam de handelende persoon (actor) als uitgangspunt, de andere de werking van instituties als de staat, sociale klasse en de kerk. De hedendaagse sociale theorie poogt beide benaderingen te verenigen. Naast het postmodernisme, dat leidde tot een hausse aan uiterst abstracte theorieën, zagen nieuwe kwantitatieve methoden voor gegevensverzameling - waar overheden, bedrijven en organisaties nog steeds gebruik van maken - het licht.

Sociaalwetenschappelijk onderzoek is voortgekomen uit de sociologie, maar heeft inmiddels een zekere mate van autonomie verworven, daar beoefenaars van andere disciplines zich er ook in verdiepen. Het begrip sociale wetenschap is opgekomen als hyperoniem voor de verschillende disciplines die de maatschappij of de menselijke cultuur bestuderen.

Voorlopers vanaf de Klassieke Oudheid[bewerken]

Het sociologisch denken kan in ieder geval worden teruggevoerd tot de oude Grieken, getuige bijvoorbeeld Xenophanes' bewering "Als paarden de goden zouden aanbidden, dan zouden die goden op paarden lijken". Proto-sociologische waarnemingen zijn te vinden in teksten van de westerse filosofie van onder meer Herodotus, Thucydides, Plato, Polybios enzovoort, alsmede in het niet-Europese gedachtegoed van figuren, zoals Confucius.[3]

De kenmerkende trends in het sociologische denken van de oude Grieken kunnen worden herleid tot de sociale omgeving. Omdat er in die tijd zelden uitgebreide of sterk gecentraliseerde politieke organisatie binnen de stadstaten bestond, kon de tribale geest van lokalisme en provincialisme vrij spel hebben. Lokalisme en provincialisme doordrongen dan ook een groot deel van het Griekse denken over sociale fenomenen.[4]

De oorsprong van het Engelse begrip survey, vertaald veldonderzoek, is terug te voeren op het Domesday Book besteld door koning Willem I in 1086.[5][6]

Er bestaan aanwijzingen van vroege islamitische sociologie uit de 14e eeuw. Zo gaf Ibn Khaldun (1332-1406) in zijn boek De Muqaddima (later vertaald als Prolegomena in het Latijn) in zeven delen, een eerste aanzet tot een analyse van de universele geschiedenis. Verder ging dit werk ook dieper in op sociale filosofie en sociale wetenschappen, waarbij er theorieën waren geformuleerd over sociale cohesie en sociale conflicten. Door sommigen wordt hij daarom gezien als de voorloper van de sociologie.[7]

Oorsprong van het vakgebied[bewerken]

Comte, Spencer en Marx[bewerken]

De term "Sociologie" werd geïntroduceerd door de Franse essayist Emmanuel Joseph Sieyès (1748-1836).[8] Het begrip stamt van het Latijnse socius, "metgezel", en het achtervoegsel -logie, "de studie van".[9] Onafhankelijk hiervan werd de term opnieuw geïntroduceerd als een neologisme door de Franse denker Auguste Comte (1798-1857) in 1838.[10] Comte had zijn eigen werk eerder bestempeld als "sociale fysica", maar die term was toegeëigend door anderen, met name de Belgische statisticus Adolphe Quételet (1796-1874).

Voortbouwend op het gedachtegoed van de Verlichting en de politieke filosofen van het sociaal contract, hoopte Comte alle studies van de mensheid te kunnen verenigen door middel van het wetenschappelijk inzicht in de sociale sfeer. Het schema, dat hij presenteerde was typerend voor 19e-eeuwse humanisten. Hij geloofde dat het menselijk leven verschillende historische stadia doorliep, en dat, als men deze vooruitgang kon begrijpen, men remedies kon voorschrijven voor alle sociale kwalen. Sociologie was in het schema Comte de "koningin der wetenschap". De opkomst van alle fysische wetenschappen zou onvermijdelijk leiden tot de meest fundamentele en lastig wetenschap van de menselijke samenleving zelf.[10] Comte is door deze oorspronkelijke ideeën beschouwd als de "vader van de Sociologie".[10] Comte publiceerde zijn bredere wetenschapsfilosofie in het werk Cours de Philosophie Positive [1830-1842], terwijl hij zijn visie op het positivisme uit de doeken deed in Discours sur l'ensemble du positivisme (1865), waarin hij tevens de specifieke doelen van de sociologie benadrukte.

In zijn latere leven ontwikkelde Comte een seculaire "religie van de mensheid", die naar zijn zeggen, in de positivistische samenleving de cohesieve functie van de traditionele eredienst kon vervullen. In 1849 stelde hij een hervorming van de kalender voor tot een zogenaamde "positivistische kalender". Volgens de tijdgenoot John Stuart Mill was het mogelijk om onderscheid te maken tussen de "goede Comte", de auteur van de Cours de Philosophie Positive, en de "slechte Comte", de auteur van het seculier-religieuze systeem.[11] Het systeem zelf was niet succesvol, maar ondervond wel enige steun met de publicatie van Darwins's On the Origin of Species. Het beïnvloedde de verspreiding van verschillende humanistische organisaties in de 19e eeuw, mede door het werk van de seculieren, zoals George Holyoake en Richard Congreve. Hoewel de Engels volgelingen van Comte's, waaronder George Eliot en Harriet Martineau, het grootste deel van zijn sombere systeem afwezen, hadden ze wel bewondering voor het idee van een religie van de mensheid en zijn gebod "vivre pour altrui": ofwel "leven voor anderen", waar het woord "altruïsme" vandaan komt.

Comte's ideeën over sociale evolutie vertonen gelijkenis met Karl Marx' opvattingen over de menselijke samenleving, wiens vooruitgang zou uitmonden in communisme. Dit is niet verwonderlijk want beiden waren sterk beïnvloed door de ideeën van de utopisch socialist Henri de Saint-Simon (1760-1825), die eens Comte's mentor was. Beide denkers werkten aan een nieuwe wetenschappelijke ideologie in het kielzog van de Europese ontwikkeling van secularisatie. In de traditie van het hegelianisme verwierp Marx de positivistische methode, en deed een poging een eigen wetenschap van de maatschappij te ontwikkelen. Toen de sociologie later een bredere betekenis kreeg, werd Marx hierdoor ook erkend als één van de grondleggers. Isaiah Berlin beschreef Marx zelfs als de "echte vader" van de moderne sociologie, "voor zover iemand kan aanspraak maken op de titel".[12]

De vroege sociologie van Herbert Spencer (1820-1903) kwam in grote lijnen als een reactie op Comte. Voortbouwend op diverse ontwikkelingen in de evolutionaire biologie, probeerde Spencer tevergeefs om de discipline te herformuleren in, wat we nu zouden kunnen omschrijven als, sociaal darwinistische termen. Spencer was in feite een voorstander van Lamarckisme in plaats van het Darwinisme.

Andere invloeden[bewerken]

Veel andere filosofen en wetenschappers hadden invloedrijk op de ontwikkeling van de sociologie, zoals theoretici van het sociaal contract en historici, zoals Adam Ferguson (1723-1816). Door zijn theorie over sociale interactie wordt Ferguson wel beschreven als "de vader van de moderne sociologie".[13] Voorbeelden van andere vroege werken, die de term "sociologie" droegen, waren A Treatise on Sociologie van de Noord-Amerikaanse advocaat Henry Hughes en Sociology for the South, or the Failure of Free Society[14] van de Amerikaanse advocaat George Fitzhugh. Beide boeken werden gepubliceerd in 1854, in het kader van het debat over de slavernij in de vooroorlogse VS. Het boek The Study of Sociology van de Engels filosoof Herbert Spencer verscheen in 1874. Lester Frank Ward, door sommigen beschreven als "de vader van de Amerikaanse sociologie publiceerde Dynamic Sociology in 1883. De Britse Harriet Martineau, een sociale theoreticus van de Whig Party en het Engels vertaler van veel van Comte's werken, wordt genoemd als "de eerste vrouwelijke socioloog".

Diverse andere sociaal historici en economen zijn erkend als klassieke sociologen, waaronder Robert Michels (1876-1936), Alexis de Tocqueville (1805-1859), Vilfredo Pareto (1848-1923) en Thorstein Veblen (1857-1926). De klassieke sociologische teksten verschillen van die van de politieke filosofie, door hun poging om wetenschappelijk, systematisch, structureel, en/of dialectische te blijven, in plaats van zuiver moreel, normatief of subjectief.

Vorming van de academische discipline[bewerken]

Klassieke theoretici van de sociologie uit de late 19e en vroege 20e eeuw waren onder meer Ludwig Gumplowicz (1838-1909), Ferdinand Tönnies (1855-1936), Émile Durkheim (1858-1917), Georg Simmel (1858-1918), Max Weber (1864 - 1920), en Karl Mannheim (1893-1947). Veel van deze geleerden beschouwen zichzelf niet als strikt "sociologen" en droegen ook regelmatig bij aan de rechtswetenschap, economie, psychologie en filosofie.

De formele academische sociologie begon met de opzet van Durkheim van de eerste Europese afdeling van sociologie aan de Universiteit van Bordeaux in 1895, en zijn publicatie van The Rules of Sociological Method. In 1896 richtte hij het tijdschrift L'Annee sociologique op. In zijn monografie Suicide (1897), een casestudie van suïcide bij katholieke, protestantse en joodse bevolking, onderscheidde Durkheim de sociologische analyse van de psychologie of filosofie. Dit werk was ook een belangrijke bijdrage aan het gedachtegoed van het latere structureel functionalisme.[15]

In de Verenigde Staten werd in 1875 voor het eerst een college met de titel "sociologie" gegeven door William Graham Sumner. Dit college was meer was gebaseerd op de gedachte van de Comte en Herbert Spencer. Het oudste doorlopende college in de Verenigde Staten begon in 1890 aan de universiteit van Kansas gedoceerd door Frank Blackmar. Hier werd in 1891 ook het eerste Departement voor Geschiedenis en Sociologie opgericht. De eerste volwaardige onafhankelijke universitaire afdeling voor sociologie werd in 1892 opgericht aan de Universiteit van Chicago door Albion W. Small (1854-1926). Hij was in 1895 tevens oprichter van de American Journal of Sociology. Amerikaanse sociologie ontwikkelde zich op een breed gebied relatief onafhankelijk van de Europese sociologie. Hierbij waren George Herbert Mead en Charles H. Cooley van de Universiteit van Chicago vooral invloedrijk in de ontwikkeling van het symbolisch interactionisme en de sociale psychologie. Lester Ward benadrukte het centrale belang van de wetenschappelijke methode in zijn publicatie Dynamic Sociology (1883).

In het Verenigd Koninkrijk werd in 1904 de eerste afdeling sociologie opgericht aan de London School of Economics in 1904. In 1919 werd de eerste sociologieafdeling opgericht in Duitsland aan de Ludwig Maximilians-Universiteit van München door Max Weber, die een nieuw antipositivistische sociologie had geïntroduceerd. In 1920 werd in Polen de eerste afdeling opgericht door Florian Znaniecki (1882-1958). Het "Institute for Social Research" aan de Universiteit van Frankfurt, waarnaar later de Frankfurter Schule stroming is vernoemd, werd opgericht in 1923.[16] Zij poneerde de kritische theorie, die na de Tweede Wereldoorlog een eigen leven gaan leiden, en invloed had op als literaire theorie en de culturele studies van de Birmingham School.

Internationale samenwerking in de sociologie begon in 1893 toen René Worms het Institut International de Sociologie oprichtte, dat later werd overschaduwd door de veel grotere International Sociological Association die werd opgericht in 1949. In 1905 werd de tegenwoordig grootste vereniging ter wereld, de American Sociological Association opgericht door Lester F. Ward, die tevens als haar eerste president werd gekozen.

Twintigste eeuw[bewerken]

Begin van de twintigste eeuw[bewerken]

In het begin van de 20e eeuw ontwikkelde de sociologie in de VS op het gebied van zowel de macrosociologie, gericht op de ontwikkeling van de samenleving, als de microsociologie, gericht op alledaagse menselijke sociale interacties. Op basis van de pragmatische sociale psychologie van George Herbert Mead (1863-1931), Herbert Blumer (1900-1987) en de School van Chicago, ontwikkelde sociologen het symbolisch interactionisme.

In de jaren 1920 publiceerde György Lukács zijn History and Class Consciousness (1923), terwijl een aantal werken van Durkheim en Weber postuum gepubliceerd werden. In de jaren 1930 ontwikkelde Talcott Parsons (1902-1979) zijn actietheorie; een integratie van de studie van de sociale orde met de structurele en voluntaristische aspecten van de macro- en microfactoren, wat in zijn geheel werd geplaatst in een hogere verklarende context van systeemtheorie en cybernetica.

In Oostenrijk en later de Verenigde Staten ontwikkelde Alfred Schütz (1899-1959) sociale fenomenologie, die later een basis vormde van het sociaal constructionisme. In dezelfde periode ontwikkelde leden van de Frankfurter Schule, zoals Theodor W. Adorno (1903-1969) en Max Horkheimer (1895-1973), de kritische theorie; een integratie van de historische materialistische elementen van het marxisme met de inzichten van Weber, Freud en Gramsci. Deze theorie karakteriseert de kapitalistische moderniteit als een beweging weg van de centrale leerstellingen van de Verlichting.

Tijdens het Interbellum werd de sociologie ondermijnd door totalitaire regeringen om redenen van voorgewende politieke controle. Na de Russische Revolutie werd de sociologie geleidelijk aan gepolitiseerd, ingepast in het in de gedachtegoed van de Bolsjewieken en later in dat van Stalin, totdat het in de Sovjet-Unie vrijwel ophield te bestaan.[17] In China werd de discipline samen met de semiotiek, vergelijkende taalkunde en cybernetica in 1952 bestempeld als "Bourgeois pseudowetenschap" en verboden, om niet voor 1979 terug te keren.[18] In dezelfde periode, echter, werd sociologie ook ondermijnd door conservatieve universiteiten in het Westen. Men zag het als spreekbuis van liberale of linkse gedachte.[19]

Vanaf midden twintigste eeuw[bewerken]

In het midden van de 20e eeuw neigde de Amerikaanse sociologie tot meer wetenschappelijkheid, als gevolg van de toenmalige aandacht voor de actietheorie en andere systeemtheoretische benaderingen. Robert K. Merton publiceerde zijn Social Theory and Social Structure in 1949. Tegen het einde van de jaren 1960, werd sociologisch onderzoek in toenemende mate gebruikt als een instrument door overheden en bedrijven wereldwijd. Sociologen ontwikkelde nieuwe vormen van kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden. In 1959 publiceerde Erving Goffman The Presentation of Self in Everyday Life, terwijl C. Wright Mills zijn The Sociological Imagination publiceerde. Beide werken stimuleerden het humanistische discours en verwierpen het geabstraheerde empirisme en de "grand theory" van Parsons.

Parallel met de opkomst van allerlei sociale bewegingen in de jaren 1960 kwam de sociologie ook in beweging. Met name in Groot-Brittannië was er door de culturele wending van conflicttheorieën, die de sociale strijd benadrukten zoals het neo-marxisme, en de tweede golf van feminisme.[20] Ralf Dahrendorf en Ralph Miliband presenteerde baanbrekende theorie over het klasseconflict in geïndustrialiseerde natiestaten. De godsdienstsociologie bloeide met nieuwe debatten over secularisatie, globalisering, en de definitie van de religieuze praktijk. Theoretici zoals Gerhard Lenski en John Milton Yinger formuleerde "functionele" definities van religie, en richtte zich meer op de vraag "wat een religie doet" in plaats van "wat het is" in vertrouwde termen. Hierbij werden verschillende (nieuwe) sociale instellingen en bewegingen onderzocht op hun religieuze rol. Marxistische theoretici bleven in vergelijkbare bewoordingen het consumentisme en de kapitalistische ideologie onderzoeken. Antonio Gramsci's Prison Notebooks [1929-1935] werd uiteindelijk gepubliceerd in het Engels in de vroege jaren 1970.[21]

In de jaren 1960 en 1970 kregen de post-structuralistische en postmodernistische theorie aanzienlijke invloed op het sociologisch onderzoek en debat. De brede culturele stroming van het postmodernisme werkte in de sociologie uit door aandacht voor zaken als intertekstualiteit, pastiche (nabootsing van een werk van een bekende auteur) en ironie. Andere kenmerken waren de ontbinding van het meta-narratieve, met name in het werk van Jean-François Lyotard, en het warenfetisjisme en het "spiegelen" van de identiteit van de consumptie in de laatkapitalistische samenleving, met name bij Guy Debord, Jean Baudrillard, en Fredric Jameson.[22] Het postmodernisme is ook in verband gebracht met de afwijzing van Verlichting-opvattingen over het menselijk subject door denkers als Michel Foucault, Claude Levi-Strauss en, in mindere mate, in het Louis Althussers poging om het marxisme te verzoenen met het antihumanisme. De meeste theoretici, die in dit verband actief waren, wezen het label (van het postmodernisme) af, en wilde postmoderniteit liever accepteren als een historisch fenomeen in plaats van een analysemethode, of helemaal niet. Niettemin verschijnen er nog steeds zelfbewust postmoderne stukken binnen de sociale en politieke wetenschappen in het algemeen.

Meer recente ontwikkeling[bewerken]

In de jaren 1980 zijn theoretici buiten Frankrijk zich gaan richten op mondialisering, communicatie en reflexiviteit in termen van een 'tweede' fase van de moderniteit, in plaats van een afzonderlijk nieuw tijdperk op zichzelf. Jürgen Habermas poneerde het communicatieve handelen als een reactie op de postmoderne uitdagingen en het discours van de moderniteit, geënt op de kritische theorie en het Amerikaans pragmatisme. Een andere Duitse socioloog, Ulrich Beck, presenteerde het werk The Risk Society (1992) als een verslag van de wijze waarop de moderne natiestaat is georganiseerd.

In Groot-Brittannië trachtte Anthony Giddens de terugkerende theoretische dichotomieën met elkaar te verzoenen door middel van structuratietheorie. In de jaren 1990 begin Giddens te werken aan de uitdaging van de "high moderniteit", evenals "een nieuwe derde weg" politiek, dat een grote invloed had op New Labour in het Verenigd Koninkrijk, en de regering-Clinton in de VS. De vooraanstaande Poolse socioloog Zygmunt Bauman schreef uitgebreid over de concepten van de moderniteit en postmoderniteit, in het bijzonder met betrekking tot de Holocaust en het consumentisme als historische verschijnselen.[23] Terwijl Pierre Bourdieu belangrijke kritieken ontwikkelde omtrent zijn werkzaamheden op cultureel kapitaal,[24] werden bepaalde Franse sociologen, met name Jean Baudrillard en Michel Maffesoli, bekritiseerd voor hun scheppen van verwarring en relativisme.[25][26]

Functionalistische systeemtheoretici, zoals Niklas Luhmann, bleven dominante krachten in de sociologie tot het einde van de eeuw. In 1994 ontving Robert K. Merton de National Medal of Science voor zijn bijdragen aan de wetenschapssociologie.[27] De positivistische traditie is populair tot op de dag van vandaag, met name in de Verenigde Staten.[28] De twee meest geciteerde Amerikaanse tijdschriften, het American Journal of Sociology en de American Sociological Review, publiceren in de eerste plaats onderzoek in de positivistische traditie. Aan de andere kant publiceert het British Journal of Sociology in de eerste plaats niet-positivistische artikelen.[28] De twintigste eeuw zag de verbetering van de kwantitatieve methoden gebruikt in de sociologie. Er was de opkomst van longitudinale studies, die dezelfde populatie gedurende jaren of decennia volgen. Onderzoekers trachten hierbij langetermijnprocessen te bestuderen, en het vermogen om causaliteit te onderkennen te verhogen. Ten gevolge van nieuwe onderzoeksmethoden nam de grootte van de geproduceerd datasets toe, wat leidde tot de uitvinding van nieuwe statistische technieken voor het analyseren van deze gegevens. Analyse op dit gebied wordt tegenwoordig veelal uitgevoerd met statistische software pakketten zoals SAS, Stata, of SPSS.

Sociaal netwerk-analyse is een voorbeeld van een nieuw paradigma in de positivistische traditie. De invloed van sociaalnetwerkanalyse is alomtegenwoordig in veel sociologische deelgebieden, zoals in de economische sociologie (het werk van J. Clyde Mitchell, Harrison White of Mark Granovetter), gedrag in organisaties, historische sociologie, politieke sociologie, of de onderwijssociologie. Er is ook een kleine opleving van een meer onafhankelijke, empirische sociologie in de geest van Charles Wright Mills, en zijn studie van de Power Elite in de Verenigde Staten van Amerika, aldus Stanley Aronowitz.[29]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. John Harriss (1922). "The Second Great Transformation? Capitalism at the End of the Twentieth Century". In Allen, T. and Thomas, Alan (red.) Poverty and Development in the 21st Century. Oxford University Press, Oxford. p.325.
  2. J. Tacq (red.) (2003). Het oeuvre van Pierre Bourdieu. p.41
  3. Macionis, John J.; Plummer, Ken (2005). Sociology. A Global Introduction (3rd ed.). Harlow: Pearson Education. p. 12.
  4. , Harry E. Barnes (1948). An Introduction to the History of Sociology. Chicago, Illinois: University of Chicago Press. p. 5.
  5. A. H. Halsey (2004). A history of sociology in Britain: science, literature, and society. p.34
  6. Geoffrey Duncan Mitchell (1970). A new dictionary of sociology. p.201
  7. Alatas, S. H. (2006). "The Autonomous, the Universal and the Future of Sociology". Current Sociology, 54: p. 7–23.
  8. Des Manuscrits de Sieyès. 1773-1799, Volumes I and II, published by Christine Fauré, Jacques Guilhaumou, Jacques Vallier et Françoise Weil, Paris, Champion, 1999 and 2007
  9. "Sociology" in: Dictionary of the Social Sciences, Craig Calhoun (red.), Oxford University Press, 2002
  10. a b c "Comte, Auguste". In: A Dictionary of Sociology
  11. Bourdeau, Michel, "Auguste Comte", The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Summer 2011 Edition), Edward N. Zalta (ed.), URL = <http://plato.stanford.edu/archives/sum2011/entries/comte/>.
  12. Isaiah Berlin (1967). Karl Marx. Time Inc Book Division, New York. p.130
  13. Willcox, William Bradford; Arnstein, Walter L. (1966). The Age of Aristocracy, 1688 to 1830. Volume III of A History of England, Lacey Baldwin Smith (red.) Lexington, MA. p.133.
  14. Sociology For The South Or The Failure of Free Society Electronic Edition George Fitzhugh (1806-1881)
  15. Gianfranco Poggi (2000). Durkheim. Oxford: Oxford University Press. Chapter 1.
  16. "Frankfurt School". (2009). In Encyclopædia Britannica. Retrieved September 12, 2009, from Encyclopædia Britannica Online
  17. Elizabeth Ann Weinberg (1974). The Development of Sociology in the Soviet Union. Taylor & Francis. p.8-9
  18. Xiaogang Wu (2009). Between Public and Professional: Chinese Sociology and the Construction of a Harmonious Society. ASA Footnotes, May–June 2009 Issue • Volume 37 • Issue 5
  19. Jonathan S. Fish (2005). Defending the Durkheimian Tradition. Religion, Emotion and Morality. Aldershot: Ashgate Publishing.
  20. Haralambos & Holborn (2004). Sociology: Themes and perspectives. 6e ed, Collins Educational.
  21. Selections from the Prison Notebooks of Antonio Gramsci
  22. Chris Barker (2005). Cultural Studies: Theory and Practise. Sage Publications. p.446.
  23. Zygmunt Bauman (1997). Postmodernity and its discontents. New York: New York University Press.
  24. Douglas Johnson (2002). "Obituary: Pierre Bourdieu". In: The Guardian, 28 January 2002
  25. Christopher Norris (1992). Uncritical Theory: Postmodernism, Intellectuals and the Gulf War. Lawrence and Wishart.
  26. Serge Paugam (2008). La pratique de la sociologie Paris, PUF, p. 117 ; Gérald Houdeville (1945). Le métier de sociologue en France depuis 1945. Renaissance d'une discipline. Rennes: Presses Universitaires de Rennes, 2007, p. 261-302 en Bernard Lahire, "Une astrologue sur la planète des sociologues ou comment devenir docteur en sociologie sans posséder le métier de sociologue ?", in L'esprit sociologique, Paris, La Découverte, 2007, p. 351-387.
  27. Renowned Columbia Sociologist and National Medal of Science Winner Robert K. Merton Dies at 92 op columbia.edu
  28. a b Gartrell, C. David, Gartrell, John W. (2002). "Positivism in sociological research: USA and UK (1966–1990)". In: British Journal of Sociology, Dec 2002, Vol. 53, Issue 4
  29. A Mills Revival? by Stanley Aronowitz, Logosjournal.com.