Meierij van 's-Hertogenbosch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De historische Meierij als onderdeel van het hertogdom Brabant en na 1629 als onderdeel van de Republiek

De Meierij van 's-Hertogenbosch was een van de vier delen van het Hertogdom Brabant. Nu wordt de naam gebruikt ter aanduiding van een landstreek in Noord-Brabant. De andere delen waren: Leuven, Brussel en Antwerpen. De naam is afgeleid van de meier (of baljuw) van 's-Hertogenbosch, die in naam van de hertogen van Brabant het gebied bestuurde.

"Vechel in de Meyery van Den Bos", 1676.

De historische Meierij van 's-Hertogenbosch[bewerken]

De historische Meierij van 's-Hertogenbosch besloeg het grootste deel van Oost-Brabant. De hoofdstad van de bestuursregio was 's-Hertogenbosch. De rest was ingedeeld in vier kwartieren (districten).

De bestuurlijke indeling van de Meierij van 's-Hertogenbosch was als volgt:

Binnen of aangrenzend tegen het gebied van de Meierij lagen gebieden die hiertoe niet behoorden, maar tegenwoordig wel deel uitmaken van Noord-Brabant:

De huidige Meierij van 's-Hertogenbosch[bewerken]

De Meierij volgens de gebiedsafbakening van 1998 (bron: provincie Noord-Brabant)

De naam Meierij wordt tegenwoordig meestal gereserveerd voor de streek ten noorden van de lijn Tilburg – Helmond, zodat de Kempen en een deel van Peelland erbuiten vallen. Met name het gebied rond Sint-Michielsgestel, Boxtel, Schijndel, Veghel en Sint-Oedenrode draagt heden ten dage de naam Meierij. Veghel droeg vanaf de 19e eeuw de naam Parel van de Meierij, verwijzend naar de regionale functie van Veghel in de Brabantse Midden-Meierij[1], terwijl Sint-Oedenrode de naam Het groene hart van de Meierij draagt. In 1998 werd door de provincie Noord-Brabant de gebiedsafbakening van de Meierij gemaakt, waarmee de huidige grenzen van de Meierij staan aangegeven.

Landschap[bewerken]

De Meierij van 's-Hertogenbosch bestond (en bestaat nog steeds) vooral uit vlakke tot licht golvende zandgronden in Peelland, de Kempen en de stroomgebieden van Aa en Dommel. In vroeger tijden waren deze gebieden niet al te zeer bevolkt. Vroeger bestonden de gebieden ook nog uit heide-landschappen, moerassen, veengebieden en boslandschappen, ook nu nog hetzij in mindere mate. Verder liggen er twee redelijk belangrijke rivieren in het gebied: de Aa en de Dommel; de grens werd gevormd door de Maas. Bij 's-Hertogenbosch komen de Aa en de Dommel tezamen in de Dieze, die uitmondt in de Maas. Op dit punt is de stad ontstaan.

Populierenlandschap bij Veghel

Kenmerkend voor de Meierij is het zogenaamde populierenlandschap. Dit landschap ontstond in de 18e eeuw toen het voorpootrecht in toenemende mate gebruikt werd voor het planten van populieren. Deze toename werd gestimuleerd door de klompenindustrie die zich met name in de gemeenten Best, Boxtel, Liempde, Sint-Oedenrode, Schijndel en Veghel ontwikkelde. In 1846 had Veghel bijvoorbeeld 20 klompenmakerijen, Best telde er 23 in 1850 en Liempde telde er 15 in 1855. Dat de Meierijse klompenmakerij na 1850 een grote vlucht nam blijkt uit het voorbeeld van Liempde, waar het aantal klompenmakerijen in 1890 was uitgegroeid tot maar liefst 39 bedrijven. Vanaf de jaren na de Tweede Wereldoorlog is de klompen- en luciferindustrie en de daarmee samenhangende populierenteelt nagenoeg verdwenen. Het populierenlandschap ging in rap tempo achteruit en verdween op verschillende plaatsen nagenoeg compleet als gevolg van ruilverkaveling of projectontwikkeling, zoals in de gemeente Veghel. Momenteel worden er verschillende initiatieven ontplooid om dit karakteristieke Meierijse landschap van de ondergang te redden. Men kent een hoge natuurlijke en emotionele (belevings)waarde toe aan het populierenlandschap en met het ontstaan van het Nationaal landschap Het Groene Woud worden de eerste stappen gezet tot het behoud van het Meierijs landschap. Kenmerkend voor de oostelijke Meierij rond de dorpen Schijndel en Veghel was voorheen de bloeiende verbouw en handel van hop die gebruikt werd voor het brouwen van bier. De hop werd verbouwd in grote aantallen hopkuilen. Van de hopteelt rest tegenwoordig niet veel meer dan de spotnaam "Hopbellen" die men voor Schijndelaren gebruikt.

Sinds de middeleeuwen zijn grote delen van de uitgestrekte heide en venen in cultuur gebracht, waardoor hiervan nog maar een klein deel over is. De overheid wil echter in het kader van natuurontwikkeling en de reconstructie (na de varkenspest van 1995) terug naar meer heide en veengebieden.

Geschiedenis[bewerken]

Het gebied van de latere Meierij maakte rond het jaar 1000 nog deel uit van de gouw Texandrie. Door verzwakking van het centrale gezag viel de gouw in de loop van de elfde eeuw uiteen. In de bronnen verschijnen voor het eerst plaatselijke heren zoals die van Herlaar, Boxtel, Rode, Heeze, Lieshout en anderen die plaatselijk en regionaal "overheidsgezag" gingen uitoefenen, op basis van macht. Die macht kon gebasseerd zijn op grondbezit, een voogdij over kerkelijk bezit of een machtige leenheer. Bij het graafschap Rode (deel van het latere kwartier Peelland) kan men ook denken aan delegatie van overheidsgezag, terwijl er bij de eninge van de Kempen (deel van het latere kwartier Kempenland plus Hilvarenbeek en Mierde) aanwijzingen zijn dat het een restant was van de oude gouw Texandrie. De hertog heeft in de 12e eeuw en 13e eeuw het grootste gedeelte van dit gebied onder zijn gezag weten te brengen.[2] Om de eigen belangen veilig te stellen tegen met name de graven van Gelre en in mindere mate de graven van Holland, stichtten de hertogen van Brabant een "ring van steden" in de Meierij. Hendrik I van Brabant verleende onder meer stadsrechten aan: 's-Hertogenbosch (ca. 1196), Oisterwijk (1213), Sint-Oedenrode en Eindhoven (beide in 1232). Ondanks die nieuwe steden leed het gebied zeer onder de diverse conflicten tussen Brabant en Gelre. Het gebied werd vaak geplunderd door de Gelderse leider Maarten van Rossum.

De grootste bloeiperiode kende de Meierij in de 15e en het eerste kwart van de 16e eeuw. In deze periode kwamen veel monumentale gebouwen tot stand, zoals de laat-gotische Sint-Jan en de Latijnse School in 's-Hertogenbosch. Ook was in deze periode in 's-Hertogenbosch de beroemde schilder Jheronimus Bosch, beter bekend als Jeroen Bosch, actief.

De Tachtigjarige Oorlog maakte een einde aan die bloeiperiode. Het gebied was een oorlogsgebied geworden. Rond 1590 was het gebied trouw aan de Spaanse kroon. De sterke katholieke contrareformatie had een grote invloed op de bevolking, zowel op mentaal als cultureel gebied. De meierij bleef rooms-katholiek.

Wat eens onmogelijk leek, lukte in 1629: de stad 's-Hertogenbosch werd bij een beleg veroverd door de Staatse troepen, geleid door Frederik Hendrik, Prins van Oranje. Dit leverde hem, naast de verovering van andere steden, de bijnaam "stedendwinger" op. Met behulp van Jan Adriaanszoon Leeghwater werd het moerasgebied, dat de stad naast de stadsmuren altijd beschermd had, drooggemalen. Waarop de Staatsen 'zo' binnen konden vallen. Omdat 's-Hertogenbosch de hoofdstad van de Meierij was, werd de hele Meierij als veroverd beschouwd. De Spaanse koningen waren echter niet van plan het gebied zomaar op te geven. Een moeilijke tijd voor het gebied brak aan: de zogenaamde retorsietijd. In de periode leed de bevolking van zowel de Spanjaarden als de Staatsen. Uit onderzoek van Leo Adriaenssen van de Universiteit van Tilburg (UvT) blijkt echter, dat er in de Tachtigjarige Oorlog van Staatse kant oorlogsmisdaden plaatsvonden in de Meierij. Dat heeft te maken met het feit dat Willem van Oranje reeds toestemming gaf om tijdens de Tachtigjarige Oorlog de dorpen in de Meierij van 's-Hertogenbosch plat te branden en de oogsten stelselmatig te verwoesten. Dat leidde tussen 1579 en 1588 tot een bevolkingsvermindering in dit deel van Noord-Brabant van bijna zeventig procent.

Uiteindelijk kwam het gebied in 1629 na de capitulatie van 's-Hertogenbosch bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Van 1629 tot 1795 lag het gebied in Staats-Brabant en werd als een generaliteitsland bestuurd vanuit Den Haag. Dit gold eveneens voor Zeeuwsch-Vlaanderen (Staats-Vlaanderen), Maastricht en omgeving (Staats-Overmaas) en vanaf 1713 Venlo en omgeving (Staats-Opper-Gelre). Na de Bataafse Revolutie kreeg de bevolking van de Meierij de oude rechten terug: zelfbestuur en de rooms-katholieke eredienst was niet langer verboden. De Meierij verdween echter, het gebied werd ingedeeld bij 'Braband' [sic].

Sinds 1810 (Koninkrijk Holland) is het gebied onderdeel van de provincie Noord-Brabant. Heden ten dage is het gebied nog steeds grotendeels katholiek. In de rest van Nederland staat het gebied bekend als Bourgondisch, omdat zij van uitbundige feesten houden. De Meierij wordt in veel (volks)literatuur beschreven als het ultieme Brabantse land, waar de inwoners zich nog Brabantser dan Brabants voelen.

Rond 1900 veranderde het aanzien van de Meierij rigoureus. De bevolking groeide sterk door een opleving van het katholicisme en een verbeterde economische positie, wat leidde tot hoge geboortecijfers. Eindhoven, Tilburg en Helmond ontwikkelden zich tot industriecentra.

Op dit moment is het gebied rond Eindhoven een van de sterkste motoren van de Nederlandse industrie. Dit veroorzaakt echter het verdwijnen van de regionale cultuur en tradities. Maar tegelijkertijd wordt het landelijke gebied rondom de steden Tilburg, 's-Hertogenbosch en Eindhoven beetje bij beetje teruggegeven aan de natuur in het project Het Groene Woud.

Noten[bewerken]

  1. Frans Govers (2000): Op Eigen Kracht.
  2. Martien van Asseldonk, De Meierij van ’s-Hertogenbosch. De evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen ca. 1200-1832 (Oosterhout, 2002).