Oosterhoek (Delfzijl)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Oosterhoek in 1867
Oterdum omstreeks 1920, met links de trambaan van OG

De Oosterhoek is een landstreek in de gemeente Delfzijl in de Nederlandse provincie Groningen.

Gebied[bewerken]

Het gebied, dat nauwelijks nog wordt bewoond, ligt zuidoostelijk van Delfzijl en Farmsum tussen het Weiwerdermaar en het Termunterzijldiep. Het wordt door een primaire waterkering (zeedijk) gescheiden van de Eemsmonding. Het bestaat sinds de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw voor een groot deel uit haven- en industriegebied en is in beheer bij Groningen Seaports. Het Chemiepark Delfzijl en het industrieterrein Oosterhorn worden geëxploiteerd in de vroegere polder Oosterveld en op de voormalige valgen van Weiwerd en Heveskes.

Tot de Oosterhoek behoorden van oudsher

Niet "officieel" tot de Oosterhoek behoren het aangrenzende wierdedorp Borgsweer en de buurtschap Lalleweer. Zij maakten deel uit van de gemeente Termunten, die in 1990 door Delfzijl werd ingelijfd. Ook het gehucht Geefsweer bij Weiwerd hoort er net niet meer bij.

Geschiedenis[bewerken]

De geschiedenis van de overwegend agrarische Delfzijlster Oosterhoek kenmerkt zich door de voortdurende strijd tegen het water en door herhaalde oorlogen tussen rivaliserende landsheren die elkaar de zeggenschap over het gebied betwistten. De bewoners waren te gering in aantal (nooit meer dan 900 in totaal) om die zeggenschap zelf te kunnen bevechten. Dat bleek in het bijzonder in de tweede helft van de 20e eeuw, toen de bewoners zeer tegen hun zin, maar zonder veel tegenstand te bieden, hun dorpen en boerderijen moesten achterlaten op grond van de toenmalige inzichten over economische prioriteiten en grootschalige industrialisatie.

Voor 1814[bewerken]

Hunebed van Heveskesklooster (Muzeeaquarium Delfzijl)

De oudste aanwijzing voor menselijke bewoning in de Oosterhoek is het hunebed dat bij Heveskesklooster is opgegraven (het noordelijkste van Nederland) en dat ongeveer 5400 jaar oud moet zijn. Het is mogelijk dat de wierden waarmee de boeren in de Oosterhoek zich beschermden tegen de overstromingen van de Eems, 2000 jaar oud zijn. Aan het begin van de christelijke jaartelling stond in Heveskesklooster een boerenhoeve van 17 meter lang en 7.5 meter breed. Misschien hebben er in het gebied nog meer gestaan. Ongeveer vanaf het jaar 1000 begon men de eerste dijken te bouwen en in de 13e eeuw was de bedijking van de Oosterhoek door de Friezen in volle gang. De noodzaak hiervan wordt aangetoond doordat maar liefst zeven "rampjaren" (1246, 1248, 1257, 1277, 1287, 1288 en 1290) in de kronieken worden genoemd. Mogelijk in die tijd, maar waarschijnlijk later, ontstond de Dollard, die delen van het naburige Reiderland wegvaagde. Dankzij de dijken nam het aantal overstromingen af, maar geheel uitgebannen werden ze niet.

Tegen de oever van de Eems lag een strook van vette, vruchtbare zeeklei ("valgen"). De wierdedorpen Waqvurt (Weiwerd) en Hewenschenze (Heveskes) stonden op een verhoogde laag van keileem. Uterheem (Oterdum) was naast en gedeeltelijk tegen de dijk gebouwd. Zuidelijk van de dorpen bevonden zich de veenachtiger "meeden" of "warven".

De Johannieter monniken van Oosterwierum namen in het begin van de 14e eeuw de leiding over de waterhuishouding op zich en droegen zo bij tot de economische groei. Zij beheerden het Oterdumerzijlwerk en bezaten in heel Oost-Groningen landerijen en boerenhoeven, waaronder de voorwerken Nijenhuis in Oterdum en (waarschijnlijk) Woltersweer in Oterdumerwarven. Het aan de zeedijk gelegen Oterdum, waar de Stadsweg vanuit Groningen, Appingedam en Farmsum overging op de zeeroute naar Oost-Friesland en Denemarken, ontwikkelde zich tot het handelscentrum van de Oosterhoek. In 1451 wordt melding gemaakt van een veerman die van Oterdum op Emden voer. In de 17e eeuw, vermoedelijk in 1658, werd het vertrekpunt verplaatst naar Termunterzijl, vier kilometer oostelijk van de Oosterhoek, waar in 1601 een schutsluis in gebruik was genomen.

In de 15e en 16e eeuw vonden regelmatig veldslagen plaats tussen de ridders van Oost-Friesland en die van de stad Groningen, die elkaar de zeggenschap over het gebied betwistten. In 1427 wist de Oost-Fries Focko Ukena de strategisch belangrijke vesting Oterdum te veroveren, maar daarvoor moest hij wel de dijken laten doorsteken. In 1450 was het gezag over het Oldambt, inclusief de Oosterhoek, in handen van een Stad-Groninger drost die zetelde in het Huis te Oterdum.

Daarmee was de strijd met de Oost-Friezen nog niet gestreden. Edzard I van Oost-Friesland voerde in de Oosterhoek oorlog tegen de Saksische hertogen Albrecht de Kloekmoedige en Georg "met de baard" en bouwde daartoe een schans bij Oterdum. In 1514 moest hij het definitief afleggen tegen de Groningers die zich verbonden hadden met Karel van Gelre.

Het strategisch doorsteken van de dijken in de Oosterhoek gebeurde opnieuw in 1583 tijdens de Tachtigjarige Oorlog, door Wigbold van Ewsum en Asinge Entens. Daardoor kon Oterdum als enige bruggenhoofd van het Staatse leger langs de Groninger kust stand houden tegen de Spaanse troepen van Francisco Verdugo. Al hield men hierdoor de vijand op afstand, in de acht jaar waarin deze situatie voortduurde (tot aan de Inname van Delfzijl door prins Maurits van Oranje in 1591) veroorzaakte het zoute water grote schade aan de landerijen en boerderijen. De protestantse Staatsen plunderden daarbij ook het katholieke klooster Oosterwierum. In 1586 viel dit aan brand ten prooi en de resten van het complex werden in 1610 gesloopt. Op deze plek verrezen vier grote boerderijen, waarvan er een in juni 1806 door brandstichting werd verwoest. De fundamenten van de kloosterkerk en de bijbehorende kerktoren werden omstreeks 1980 teruggevonden bij opgravingen.

Marcus Busch (1769-1843), bevelhebber in de strijd tegen de Fransen

Elk van de drie dorpen had sinds de middeleeuwen een kleine kerk. Oorspronkelijk rooms-katholiek, werden ze hervormd na de reductie van Groningen in 1594. Die van Weiwerd en Oterdum werden in de 19e eeuw vervangen door kerken die inmiddels ook niet meer bestaan. Alleen die van Heveskes, die na de beschadigingen van de Tachtigjarige oorlog grotendeels opnieuw moest worden opgebouwd, staat nu nog overeind in een ontvolkte omgeving.

In de periode 1678-1717 maakte de Oosterhoek opnieuw vijf grote overstromingsrampen mee, zoals de Sint-Maartensvloed van 1686 en de Kerstvloed van 1717, waarbij onder zowel de bevolking als de veestapel veel slachtoffers vielen. Aanvankelijk was er in het gebied veel veeteelt, maar na massale uitbraken van de runderpest in de jaren 1710, 1715 en 1717 stapten de geruïneerde boeren, die dit niet nog eens wilden meemaken, over op akkerbouw.

Bij het beleg van Delfzijl (1813-1814), aan het eind van de Franse tijd, streed een coalitie van Hollanders, Pruisen en Kozakken, aangevoerd door Marcus Busch, kolonel van de schutterij, tegen de Franse troepen van kolonel Pierre Maufroy. In de Oosterhoek stonden batterijen in Weiwerd en Oterdum, waarvan de eerstgenoemde door de Fransen werd vernietigd.

Na 1814[bewerken]

Na de Franse tijd brak een periode van relatieve rust aan. De kerk van Oterdum werd in 1827 (toren) resp. 1830 (kerk) vervangen door een nieuwe, die tegen de dijk aan was gebouwd. Weiwerd kreeg een nieuwe kerk in 1877. Alleen Heveskes behield de oude kerk. Tot na de Tweede Wereldoorlog behield de Oosterhoek zijn agrarische karakter en onderging het landschap nauwelijks veranderingen.

Voor het waterbeheer in het oostelijk deel van het gebied waren er naast het al uit de 14e of 15e eeuw daterende Oterdumerzijlvest nog vier waterschappen (Heveskes, Lalleweer, Oterdumerpolder en Smitspolder), die bij een reorganisatie in 1908 opgingen in het waterschap Oterdum. De belangrijkste watergang was het Oterdumerdiep, waarop het Kloostermaar, het Oortjesmaar en de Lalleweerstermolenwatering uitkwamen. In 1908 werd een stoomgemaal gebouwd voor de afwatering op de zeesluis. Dit ondanks tegenstand van de meeste boeren, die zo'n dure voorziening, waaraan zij moesten meebetalen, niet nodig vonden. Zij gingen akkoord toen hun een gedeeltelijke ontheffing van de waterschapslasten in het vooruitzicht werd gesteld. In 1923 werd de stoomaandrijving van het gemaal vervangen door de toen revolutionaire verstuiverbakmotor van de Appingedammer Bronsmotorenfabriek. Voor de westelijke polders waren er drie waterschappen, waarvan De Valgen en De Putten ieder op een ander deel van het Weiwerdermaar afwaterden. Na het omwaaien van een molen in 1880 loosden zij op hetzelfde water, zodat in 1913 deze waterschappen werden samengevoegd tot De Valgen en de Putten, dat in 1926 werd ingelijfd door het waterschap Weiwerd.

Het gebied kreeg diverse railverbindingen, maar geen daarvan was succesvol. Het station Weiwerd diende van 1910 tot 1934 voor de treinen van de NOLS-spoorlijn Zuidbroek - Delfzijl en nog korter, van 1929 tot 1941, voor die van de Woldjerspoorlijn Groningen - Weiwerd - Delfzijl. De sporen werden in 1942 opgebroken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het station Weiwerd door de Duitse bezetters gevorderd voor de verdediging. Langs de opgebroken spoorlijn waren bunkers en loopgraven aangebracht en langs de zuidkant van Weiwerd stond geschut opgesteld. Het stationsgebouw werd in 1945 door de geallieerden opgeblazen bij de bevrijding van Delfzijl. Ook het dorp zelf liep aanzienlijke schade op.

Het kaapspoor van de OG-stoomtramlijn Winschoten - Delfzijl, bijgenaamd "Ôl Graaitje" (Ouwe Grietje) door het sukkelende tempo, liep van 1919 tot 1948 aan de noordkant van de weg door de dorpskernen van Oterdum, Heveskes en Weiwerd. Het reguliere reizigersvervoer werd al in de jaren dertig aan de streekbus overgelaten. De lijn was ook een schakel in het goederenvervoer vanuit Drenthe en de Groninger Veenkoloniën naar de haven van Delfzijl. Tijdens de Tweede Wereldoorlog keerden de reizigerstrams terug, maar door oorlogsschade werd de tramdienst door de Oosterhoek na de bevrijding van Delfzijl niet hervat. De bussen van DAM en GADO zorgden verder voor het openbaar vervoer in de Oosterhoek.

Industrialisatie[bewerken]

Aluminiumfabriek van Aldel, 1 kilometer lang. Dit bedrijf ging eind 2013 failliet.
Polygoon-journaal uit 1975 over de sloop van het dorp Weiwerd.
Nuvola single chevron right.svg Zie Oosterhorn voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sinds de prehistorie was het dunbevolkte landschap gekenmerkt door een grotendeels agrarische bedrijvigheid en getekend door de strijd tegen het water, maar in de tweede helft van de 20e eeuw kwam daarin radicaal verandering. Eind jaren vijftig werd de Oosterhoek aangewezen om te worden ontwikkeld tot industriegebied ten behoeve van de haven van Delfzijl. Als eerste vestigde zich er in 1957 de Koninklijke Nederlandse Soda Industrie (in de volksmond "de Soda"), nu onderdeel van AkzoNobel. De grote, één kilometer lange aluminiumsmelterij van Aldel werd in 1966 in gebruik genomen, waardoor Heveskes geïsoleerd kwam te liggen. Op grond van de plannen werd besloten dat de drie dorpen moesten worden ontruimd en gesloopt. In het geval van Oterdum kwam de Deltawet daar nog bij. De zeedijk moest op Deltahoogte worden gebracht, waardoor er geen plaats voor het dorp overbleef. Naar de toenmalige inzichten was er geen aanleiding een alternatieve oplossing te zoeken.

In de periode 1960-1980 moesten de bewoners vertrekken naar andere plaatsen in de omgeving. Een aantal agrariërs maakte gebruik van het aanbod om in Oostelijk Flevoland een nieuw bedrijf op te bouwen. De plaatselijke voetbalclub, opgericht in 1952, vond een nieuwe accommodatie in de Delfzijlster wijk Tuikwerd, maar heet nog steeds v.v. Oosterhoek. Ook in het kerkelijk leven was de neergang zichtbaar. In 1968 werden de kerkgemeenten in de Oosterhoek wegens een teruglopend ledenaantal samengevoegd met die van de kerk van Meedhuizen en het jaar daarop met die van Farmsum.

Het lot van Heveskes, Heveskesklooster, Oterdum en Oterdumerwarven werd in vrij korte tijd beslecht, maar de verwijdering van de bebouwing van Weiwerd werd een langdurig proces. Een klein gedeelte bestaat nog tot op de huidige dag. Het aan de Oosterhoek grenzende Borgsweer is gespaard gebleven, al hebben ook daarvoor sloopplannen bestaan. De oprukkende industrialisatie kwam echter tot stilstand, zodat er geen bebouwing plaatsvond op de plekken waar de dorpen hebben gestaan. Hierdoor is regelmatig de opvatting uitgesproken dat de gedwongen ontvolking en sloop niet nodig waren geweest. Het is echter de vraag of het verantwoord zou zijn geweest het woongebied te handhaven, omringd door chemische industrie met een hoge milieubelasting.

Over het talud van de vroegere spoorlijn bij Weiwerd loopt nu de N991, een belangrijke ontsluitingsweg voor het haven- en industriegebied. Er is weer spoorvervoer in de Oosterhoek: langs het kerkje van Heveskes loopt sinds 1973 een goederenspoorlijn naar Oosterhorn als uitloper van de spoorlijn Groningen - Delfzijl.

Wat nog rest[bewerken]

Het gestolen monument van Thees Meesters bij Oterdum met de kerk in de handpalm
Torenmonument van Hans Mes in Weiwerd

Wat nog rest zijn enkele boerderijen, een klein deel van Weiwerd, de kerk van Heveskes en het gereconstrueerde kerkhof op de vergrote zeedijk bij Oterdum. Hier stond sinds 1976 ook een monument van de kunstenaar Thees Rijkhold Meesters, maar dit werd in februari 2011 door bronsdieven weggehaald. Op 31 mei 2013 kwam er een plastic replica voor in de plaats.

Het in 1982 in Heveskesklooster opgegraven hunebed G5 uit 3400 v.Chr., het noordelijkste dat (min of meer bij verrassing) ooit in Nederland is aangetroffen, bevindt zich in het Muzeeaquarium Delfzijl. De bijbehorende steenkist uit het neolithicum is ondergebracht in het Hunebedcentrum in Borger.

Het Nederlands Openluchtmuseum toonde in 1961 belangstelling voor de witgepleisterde kerk van Oterdum, die in Arnhem opnieuw zou worden opgebouwd, maar dat is niet doorgegaan. Van de gesloopte kerken van Oterdum en Weiwerd werden delen van het kerkmeubilair en sommige kerkklokken opnieuw gebruikt in andere kerkgebouwen van de Nederlandse Hervormde Kerk, soms ver van de provincie Groningen verwijderd. Zo staat het Lohman-orgel (bouwjaar 1855) uit Oterdum sinds 1974 in de monumentale hervormde kerk van Heinenoord in de Hoeksche Waard. Grenzend aan de Oosterhoek is het uit 1878 daterende Meijer-orgel uit Weiwerd te vinden als koororgel in de kerk van Farmsum. Ook de luidklok uit de Weiwerder kerk is daarheen gegaan. De 18e-eeuwse preekstoel met motieven in empirestijl vond een plaats in de kerk van Kropswolde.

Nuvola single chevron right.svg Zie Kerk van Heveskes voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De kerk van Heveskes, die als oudste en enige van de drie nog overeind staat, is een romanogotisch zaalkerkje. De oudste delen dateren van omstreeks 1200. Na beschadiging in de Tachtigjarige Oorlog werd de kerk rond 1600 in gewijzigde vorm hersteld. Enkele delen zijn uit de laatste decennia van de achttiende eeuw. Bij gebrek aan een gemeente is de kerk geen godshuis meer. Diensten worden er niet meer gehouden en het kerkmeubilair is verwijderd. Door de veiligheidseisen in het industriegebied is het gebouw ook nauwelijks voor andere doeleinden te gebruiken. Het Van Dam-orgel uit 1888 werd in 1975 verplaatst naar de kerk van Uitwierde. De kansel uit 1781, met fraai houtsnijwerk van Abraham Bekenkamp, ging naar de kerk van Engelbert, die ook de psalmborden uit Oterdum in gebruik genomen heeft. Het kerkhof van Heveskes werd in 2002 gerestaureerd.

Een monument voor de verdwenen kerktoren van Weiwerd, vervaardigd door Hans Mes, werd in 1993 onthuld. Het draagt als motto de regels:

Bouwend aan een perspectief
verloor de horizon een toren
iets blijft zichtbaar
groei verwisselt eeuwig
het tijdelijke

Plannen[bewerken]

Chemische industrie naast het kerkje van Heveskes

Over het nog bewoonde restant van Weiwerd is in de jaren negentig strijd geleverd door de laatste bewoners tegen Groningen Seaports en de gemeente Delfzijl. Hiertoe werd in 1995 de Stichting Behoud Weiwerd opgericht. In 2001 werd overeengekomen dat een aantal vervallen maar beeldbepalende gebouwen, waaronder de voormalige lagere school, mocht blijven staan in afwachting van verdere plannen voor het gebied.

In 2007 opperde Groningen Seaports de braakliggende wierde van Weiwerd te gaan gebruiken voor een terrein voor kleinschalige en innovatieve bedrijven, dat de naam Delfoord zou krijgen. Middelpunt hiervan zou het te verplaatsen kerkje van Heveskes moeten worden, dat daardoor van zijn geïsoleerde ligging op het industriegebied zou worden verlost. De eigenaar, de Stichting Oude Groninger Kerken, is echter van mening dat de kerk thuishoort op de historische plek waar hij al acht eeuwen staat, zodat dit onderdeel van het plan niet doorgaat.

Groningen Seaports presenteerde in 2010 een nieuwe versie van het plan voor de "Brainwierde Weiwerd", waarbij de nog bestaande gebouwen, zoals de school, zouden worden opgeknapt. Op de fundamenten van gesloopte panden moeten toonaangevende architecten nieuwe bedrijfsgebouwen neerzetten, met respect voor de historische structuur van de wierde. Hiertoe werd een convenant getekend door Groningen Seaports en burgemeester Emme Groot namens de gemeente Delfzijl. Volgens de plannen zal in 2014 hiermee een begin worden gemaakt.

Literatuur[bewerken]

  • C.A. de Groot-van der Meulen e.a.: Weiwerd, Heveskes, Oterdum - de verdwenen dorpen van de Oosterhoek. Profiel, Bedum, 1991, 413 p. ISBN 9052940231

Externe links[bewerken]