Renault

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Renault (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Renault.
Renault S.A.
Renault 2009 logo.svg
Beurs Euronext: RNO
Motto of slagzin Drive The Change
Oprichting 1898: eerste auto
1899: bedrijf
Sleutelfiguren Louis Renault, Oprichter
Carlos Ghosn, Bestuursvoorzitter/CEO
Hoofdkantoor Boulogne-Billancourt (Parijs), Frankrijk
Producten Automobielen, vrachtwagens, tractoren, vliegtuigmotoren: zie voor automodellen hieronder
Omzet Gestegen € 42,628 miljard (2011)
Winst Gestegen € 2,39 miljard (2011)
Website Renault
Portaal  Portaalicoon   Economie

Renault S.A. is een Franse fabrikant van personenauto's, bedrijfswagens, trucks, tractoren en vliegtuigmotoren. Het concern is opgericht door Louis Renault en is een groot gedeelte van zijn bestaan staatsbedrijf geweest, onder de naam Régie Nationale des Usines Renault. Bijnaam van het Franse merk is dan ook 'La Régie'. Een andere bijnaam is 'La Losange', verwijzend naar het logo.

Het hoofdkantoor van het concern is gevestigd in Boulogne-Billancourt en het onderzoekshoofdkantoor (Technocentre Renault) in Saint-Quentin-en-Yvelines. Sinds maart 2005 is Carlos Ghosn, een Braziliaan die wereldfaam heeft bereikt door zijn optreden bij Nissan, bestuursvoorzitter en CEO van het bedrijf en volgde daarmee de Zwitser Louis Schweitzer, die Renault vanaf 1992 leidde, op. In 1999 was Ghosn naar dochterbedrijf Nissan uitgezonden om daar orde op zaken te stellen.

Groupe Renault bestaat uit vier bedrijven: Renault (2.260.694 auto's/lichte bedrijfswagens in 2011), Renault Samsung Motors (118.135 auto's), Dacia (343.233 auto's/lichtebedrijswagens) en Alpine (buiten gebruik genomen in 1994). Ook heeft Renault S.A. het grootse aandeel (20%) in de beursgenoteerde Volvo Group, die op zijn beurt de divisie Renault Trucks beheert en een belang van 25% in het Russische Avtovaz (moederbedrijf van Lada). In 1999 voegden Renault en het Italiaanse IVECO (onderdeel van Fiat) hun eigen busdivisies samen tot Irisbus. In 2001 verkocht Renault zijn aandelen in Irisbus aan IVECO, waarmee deze voor de volle 100% eigenaar werd van het busbedrijf. De tractorendivisie is in 2004 overgenomen door het Duitse Claas. In Nissan heeft Renault een aandeel van 43.4% en in het Duitse Daimler AG tot slot, een aandeel van 1.55% (als onderdeel van een samenwerking tussen Daimler AG en de Renault-Nissan alliantie).

Geschiedenis[bewerken]

De broers Renault: v.l.n.r. Marcel, Louis en Fernand Renault
Originele fabriek in Boulogne-Billancourt. Tegenwoordig een museum
Place du Tertre, Montmartre, Parijs.

Op kerstavond in 1898 staan Louis Renault en zijn broers, Marcel en Fernand met wat vrienden te praten over de auto die voor de deur staat. Het is een Voiturette, die de 22-jarige Louis als experiment in elkaar gezet heeft door zijn De Dion-Bouton driewieler om te bouwen tot een vierwielig motorvoertuig. Louis, destijds werkzaam bij het verwarmingsketelbedrijf Delaunay-Belleville, heeft een versnellingsbak ontworpen waarbij de motoras in de eerste versnelling rechtstreeks (prise directe) een cardanas aandrijft die eindigt in een differentieel. Een feestende advocaat besluit om een weddenschap af te sluiten met Louis en deze vertrekt met zijn voertuig de Rue Lepic in, de Montmartre omhoog. In die tijd een onbezonnen actie daar deze weg een stijgingspercentage kent van 13%. De advocaat is zo onder de indruk van de auto dat hij er meteen één voor zichzelf bestelt bij de jonge Fransman, alsook de rest van het gezelschap. Zo stond Louis Renault aan het begin van zijn carrière als automobielfabrikant.

Samen met zijn broers, Marcel en Fernand, richt hij op 25 februari 1899 Renault Frères op, als hij merkt dat er een grote belangstelling is voor de auto's die hij produceert in de achtertuin van het landhuis dat zijn vader heeft gekocht in Boulogne-Billancourt (Parijs). De onderneming groeit snel en de klanten komen van heinde en verre om de auto's van de gebroeders Renault te kopen. Het productieaantal van Renault stijgt snel; van 2200 auto's in 1906, naar 3800 in 1908 en bijna een verdubbeling binnen twee jaar naar 6800 (1910). Marcel Renault overlijdt in 1903 als hij verongelukt tijdens de rally van Parijs naar Madrid. Louis blijft alleen achter aan het roer van het bedrijf als ook Fernand zich, twee maanden voor zijn dood, terugtrekt uit het bedrijf in 1909.

In april 1911 vertrekt Louis naar de Verenigde Staten om te kijken naar de productiefaciliteiten van Ford, waar heel Europa over aan het praten was. Hij ontmoet Henry Ford en als hij terugkeert naar Parijs is hij vastbesloten om Renault een van de grootste industriële concerns van Frankrijk te maken. Renault wordt al snel ontdekt door de Franse elite en binnen een korte tijd wordt het automerk aangesproken door de adel en topzakenmannen uit het Verenigd Koninkrijk, Argentinië, Rusland en Spanje. Tijdens het bezoek van de koning en koningin van Spanje in 1906 verplaatst het gezelschap zich in een Renault 35 CV, samen met de Franse president Emile Loubet. Het autobedrijf blijft doorgroeien en weet de combinatie sport en luxe goed te combineren (zo won Marcel in 1902 de race van Parijs naar Wenen in een Renault).

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt staat Frankrijk voor een dilemma omdat er te weinig gemotoriseerde voertuigen beschikbaar zijn om de oorlog voort te kunnen zetten. Renault wordt een belangrijke spil van het Franse leger als Louis akkoord gaat om geavanceerde pantservoertuigen te produceren voor de oorlog (zie FT-17). Na de Vrede van Versailles (1919) voorspellen vele economen een slechte toekomst voor Europa, nu grote delen van Frankrijk en Duitsland verwoest zijn. Renault Frères is echter goed uit de oorlog gekomen en direct na de oorlog (en een korte restauratie van de fabrieken) hervat Louis Renault de productie van zijn luxe automobielen weer.

Gaston Doumergue vertrekt vanuit Versailles (1924) in een Renault 40 CV
40 CV op de omslag van OMNIA

Op de Autotentoonstelling van Parijs in 1927 neemt het flink gegroeide bedrijf afscheid van een van de succesvolste automodellen uit die tijd, de Renault 40 CV. Dit topmodel heeft Renault niet alleen veel geld opgeleverd, de auto won ook de Rally van Monte Carlo in 1925 en brak verscheidende records. Van 3 tot 4 juni legde een 40 CV in 24 uur precies 3384,749 kilometer af, waarmee de 40 CV het snelheidsrecord verbeterde. Over een tijdsbestek van 24 uur reed de auto gemiddeld 141,031 kilometer per uur, een prestatie destijds. Alhoewel Bentley een paar maanden later het record naar zich toe haalde, brak een nieuw geïntroduceerde 40 CV (uit juli 1926) opnieuw het record door een gemiddelde snelheid van 173,649 km/u te bereiken over een tijdsbestek van 24 uur.

In 1928 verrast Renault door op de Autotentoonstelling van Parijs met een opvolger van de 40 CV te komen; de Reinastella (officieel: RM). De grootste verrassing ligt onderhuids, het is de allereerste Renault met een achtcilindermotor. De Reinastella zal een van de laatste modellen in die vorm van Renault zijn en de Reinastelladynastie eindigt dan in 1938. De beurskrach aan de andere kant van de oceaan zorgt ervoor dat de luxe, elitaire Reinastella overbodig raakt. Renaults productie daalt door de krach met 26% en Frankrijk zakt snel op de wereldranglijst van autofabrikanten. Het Parijse autobedrijf komt de klap te boven als het in 1930 en de jaren daarna allerlei nieuwe modellen introduceert, zoals de Nervastella, de Reinasport en de Nervasport. Renault komt zij aan zij te staan op de boulevards met Rolls-Royce en Hispano Suiza.

In 1933 kocht Renault de vliegtuigfabrieken van de gebroeders Caudron op.

Aan het einde van de jaren dertig waait uit de Verenigde Staten een trend over om gestroomlijnde auto's te ontwerpen. Renault past alle modellen aan en de productie van de uit de mode geraakte Reinastella wordt definitief gestaakt. Renault begint steeds meer vliegtuigmotoren te produceren en bereikt hiermee veel succes. De Caudron-Renault wint Coupe Deutsch-de-la-Meurthe en breekt twee wereldsnelheidsrecords achter elkaar.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog produceert Renault zowel machines en gevechtsvoertuigen voor de geallieerden als voor de Duitsers. Louis Renault wordt na de bevrijding van Frankrijk in 1944 gearresteerd op beschuldiging van collaboratie. Kort daarna overlijdt hij in de gevangenis, nog voordat de rechtszaak tegen hem kon beginnen. Renault Frères wordt genationaliseerd en omgedoopt in Régie Nationale des Usines Renault. Na de Tweede Wereldoorlog wordt de populaire 4CV geïntroduceerd. Renault komt snel bovenop de klap van de Tweede Wereldoorlog en onder president-directeur Pierre Lefaucheux worden er allerlei berlines gelanceerd die Renault in binnen- en buitenland populair moeten maken. De Renault Frégate luidt dit nieuwe tijdperk in.

Naast de berlines experimenteert Renault in de jaren vijftig ook veel met prototypes en nieuwe, exotische modellen. In 1956 wordt de experimentele sportwagen Etoile Filante in de Verenigde Staten geïntroduceerd en deze breekt in de jaren daarna tweemaal de Amerikaanse snelheidsrecords. Nadat Lefaucheux in 1955 is verongelukt en de avontuurlijke Pierre Dreyfus hem is opgevolgd komen er nog meer experimenten . Zo wordt een serie extreem gestroomlijnde prototypes gelanceerd, zoals de Renault 900 en uiteindelijk ook de Renault Floride, die ook in productie gaat en meerdere filmsterren tot wanhoop drijft (onder wie Brigitte Bardot).

In de jaren zestig leveren de experimenten uit de jaren vijftig eindelijk vrucht op. Dreyfus introduceert de Renault 16. Met dit nieuwe model, de allereerste hatchback, heeft het concern tevens een wereldprimeur. De vorm, het achterliggende idee en de fabricage wordt geroemd in de internationale autopers, terwijl men in het begin binnen Renault nog niet echt tevreden was over het model. Ook wordt de Renault Alpine gelanceerd, een model sportwagen waarmee Renault weer de sportieve regionen van de industrie opzoekt. Het grootste succes boekt Renault in de jaren '60 met de introductie van de Renault 4. Dit model werd een daverend succes en werd tot 1993 bijna ongewijzigd geproduceerd met een productieaantal van meer dan 8 miljoen.

In de jaren zestig behoort het Amerikaanse automerk AMC-Rambler ook tot het concern. Veel van de modellen, zoals de Rambler 1966, worden geproduceerd in België. Als blijkt dat dit merk niet de gewenste opening betekent voor de Amerikaanse markt, stoot Renault het weer af. In 1979 wordt Renault weer in de Verenigde Staten actief, nu als eigenaar van de American Motors Corporation (AMC), onder andere verantwoordelijk voor de authentieke Jeeps. In 1987 verkoopt Renault AMC weer, aan Chrysler, nadat een aantal Renault-modellen in de VS werden verkocht onder de naam AMC.

Renault RE40

Formule 1 en luxe modellen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Renault F1 Team voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de jaren zeventig introduceert Renault een Formule 1-auto, de RS 01. In 1978 wordt Renault in de 24 uren van Le Mans eerste, met de Renault Alpine A442B. De successen in de autosport worden door Renault ingezet in de personenwagens die ze produceren. Zo past Renault vanaf eind jaren zeventig een populaire turbotechnologie in de motorentechniek voor de personenwagens toe. Men introduceert als opvolger van de Renault 4 de Renault 5 die nu als nummer acht op de ranglijst meest verkochte auto's ooit staat.

In 1984 introduceert Renault twee van de succesvolste modellen uit zijn geschiedenis; in maart de Renault 25 en in mei de Espace (MPV). Beide auto's zijn door Robert Opron ontworpen, en worden door Renault neergezet als luxe ruimtewagens, de Espace in familieverband en de Renault 25 als luxe limousine. Er worden zelfs 832 speciale "Limousine"-edities ontworpen door carrossier Heuliez. De Renault 25 wordt al snel gekozen door president François Mitterrand als zijn presidentiële vervoermiddel en verkoopt door heel Europa goed.

Jaren 90[bewerken]

Ile Seguin, in Boulogne-Billancourt, was een van de iconen van de betekenis van Renault voor de Franse industriële geschiedenis

Alhoewel de Renault 25 veel succes heeft gebracht in de jaren tachtig zaten de ontwerpers niet stil en waren ze tijdens introductie in 1984 al bezig met een nieuw model. Patrick le Quément wordt in oktober 1987 bij Renault gehaald om het tot stilstand liggende project nieuw leven in te blazen en op 1 januari 1988 treedt hij aan als hoofd van het ontwerpcentrum. De opvolger, betitelt met de projectnaam X84, moet niet alleen de 25 opvolgen, maar volgens Raymond Lévy, de bestuursvoorzitter van Renault sinds de dood van Georges Besse mid jaren tachtig, moet de X84 ook het concern een nieuwe impuls schenken. Uiteindelijk wordt het project gelanceerd in 1992 als de Renault Safrane, vlak nadat de Clio (1990) en het tweede model van de Espace (1991) geïntroduceerd werden. De Safrane droeg als eerste Renault het nieuwe gestroomlijnde logo, geïntroduceerd nadat Louis Schweitzer bestuursvoorzitter van Renault werd in maart 1992.

In 1990 meldt Renault in Amsterdam dat een meerjarig samenwerkingscontact is afgesloten met Volvo. Eind jaren negentig verkoopt Renault de divisie Renault Véhicules Industriels aan de Volvo Group (die de naam wijzigt in Renault Trucks). Renault krijgt in ruil hiervoor een aandeel van 20% in het concern. Schweitzer, altijd al een voorstander van een onafhankelijker Renault, weet uiteindelijk in 1993 de Franse overheid over te halen om Renault (gedeeltelijk) los te laten. In 1994 vindt de beursgang plaats op de beurs van Parijs en in 1996 wordt Renault officieel een particulier bedrijf door de aanname van de eerste non-gouvernementele aandeelhouder. Sindsdien is de staat bezig zijn belang in het bedrijf significant te verlagen (in 2005 is het overheidsbelang gedaald tot 15,7%, in vergelijking tot een percentage van 60% in 2000). Sinds de beursgang draagt het concern de neutralere naam Renault S.A..

Van 1992 tot 1997 wint Renault aaneensluitend zes constructeurstitels in de Formule 1 als Williams-Renault en in 1995 als Benetton-Renault. In 1997 constateert men echter bij Renault dat de groei uit de huidige modellen is en dat de personenwagendivisie slechter presteert. In dat jaar trekt Renault zich terug uit de Formule 1, om later in 2002 het Benetton-team over te nemen en als Renault F1 verder te gaan en in zowel 2005 als 2006 de constructeurstitel en rijderstitel (Fernando Alonso) te veroveren.

In 1999 nam het Franse autoconcern een controlerend belang in het noodlijdende Japanse automerk Nissan en startte hiermee een langdurige alliantie tussen de twee autofabrikanten.

Hedendaagse situatie[bewerken]

Schema van de Renault-Nissan-alliantie
Aandeelhoudersverhoudingen

Tegenwoordig is Renault een van de grootste automobielfabrikanten in Europa en tevens de marktleider op het continent. Het concern heeft sinds 2004 meer dan 130.573 werknemers. De automerken Dacia en Samsung (RSM) behoren, samen met het hoofdmerk Renault uiteraard, tot de Groupe Renault. Ook RCI Banque (voorheen Renault Crédit International), de grootste financiële dienstverlener in de Europese auto-industrie, is onderdeel van Groupe Renault. De Renault-Nissan-alliantie (Renault bezit 44% van de Nissan Group) zorgt ervoor dat Renault ook wereldwijd tot de top vijf van autofabrikanten behoort.

Sinds het vertrek uit de Verenigde Staten maakt Renault onder eigen merk geen personenauto's meer in de Verenigde Staten, maar dankzij de alliantie met Nissan, dat een van de grootste merken in de Verenigde Staten is, wil het concern weer zo snel mogelijk terugkeren naar de Noord-Amerikaanse markt (mogelijk medio 2008/2010).

Sinds het begin van de eenentwintigste eeuw groeit het belang in de styling van de auto's binnen de marketingstrategie van Renault. Designchef Patrick Le Quément zette deze nieuwe strategie medio 2001 in gang met de Renault Avantime, die een stilistisch gedurfde combinatie was tussen een MPV, een coupé en een hatchback. De Avantime werd echter slecht verkocht; de productie ervan werd eind februari 2003 stopgezet. Er waren op dat moment in totaal minder dan 10.000 exemplaren van verkocht. De stopzetting van de productie van de Avantime leidde tot het ontslag van 900 werknemers bij Matra S.A., waar de Avantime werd gebouwd. De in 2002 geïntroduceerde en eveneens modieus gelijnde Mégane wordt aanzienlijk beter verkocht.

Sinds 1964 heeft Renault zes keer een vermelding voor de Auto van het Jaar. In 1966 won de Renault 16 de prijs en daarna kwamen de Renault 9 (1982), Renault Clio (1991), Renault Mégane Scenic (1997), Renault Mégane (2003) en de Renault Clio won als laatste de prijs als Auto van het Jaar 2006.

De Franse staat heeft nog maar een belang van 15,7% in het concern. Nissan heeft een belang van 15% en de werknemers en het bedrijf zelf een belang van 6,9%. Het merendeel van de aandelen (62,4%) is in handen van particuliere aandeelhouders, waardoor Renault sinds 2000 een écht particulier automobielenconcern is geworden.

Modellen[bewerken]

Personenauto's[bewerken]

Renault 4CV
Renault R4
Primaquatre
R8
R10 Major (13 juli 2005)
Renault Supercinq (opvolger van de oorspronkelijke Renault 5)
Renault Scénic III (2009)

1930-1960[bewerken]

1960-1990[bewerken]

1990-heden[bewerken]

Elektrische auto's[bewerken]

Bedrijfswagens[bewerken]

De nieuwe Renault Master (2010)

Tractoren[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Renault (tractor) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Trucks[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Renault Trucks voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Renault Magnum

Bussen[bewerken]

Formule 1[bewerken]

  • R25 (kampioensauto 2005)
  • R26 (kampioensauto 2006)
  • R27
  • R28
  • R29
  • R30
  • R31

Prototypes[bewerken]

Scooters[bewerken]

Renault was al eigenaar van de motorfietsmerken Gitane en Solex, maar presenteerde op de motorshow in Parijs van 2001 een eigen lijn scooters. Het betrof een 125- en een 250 cc-model en een prototype van een overdekte driewielige scooter. De machines worden in de toekomst bij Benelli gebouwd.

Externe links[bewerken]