Annemarie Schwarzenbach

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Annemarie Schwarzenbach
Zelfportret met Rolleiflex Standard 621 camera
Zelfportret met Rolleiflex Standard 621 camera
Algemene informatie
Volledige naam Annemarie Minna Renée Schwarzenbach
Geboren 23 mei 1908
Overleden 15 november 1942
Land Zwitserland
Werk
Genre Reportage, roman, reisverhaal, poëzie, fotografie
Bekende werken Lorenz Saladin. Ein Leben für die Berge
Eine Frau zu sehen
Das glückliche Tal
Uitgeverij Lenos Verlag
Portaal  Portaalicoon   Literatuur
Het landhuis op het familielandgoed Bocken, waar Annemarie Schwarzenbach opgroeide.

Annemarie Minna Renée Schwarzenbach (Clarac), bekend als Annemarie Schwarzenbach (Zürich, 23 mei 1908 - Sils im Engadin, 15 november 1942) was een Zwitserse (Duitstalige) schrijfster, journaliste, dichteres en fotografe.

Leven en werk[bewerken]

Vroege jaren[bewerken]

Zij was een telg uit een rijke, aristocratische familie van industriëlen in Zürich. Haar vader was de textielmagnaat Alfred Schwarzenbach.[1] Haar moeder Renée Schwarzenbach-Wille,[2] ook aktief als fotografe,[3] was een dochter van generaal Ulrich Wille en gravin Clara Von Bismarck uit een vooraanstaand Duits adellijk geslacht.[4] Annemarie groeide op als miljonairsdochter in Horgen, op het familielandgoed Bocken. Al vroeg begon ze zich te kleden en te gedragen als een jongen, een gewoonte die ze haar hele leven heeft behouden. Volgens familieleden toonde ze vele talenten en had ze met gemak danseres of pianiste kunnen worden, maar haar ambities reikten naar het schrijverschap.[5]

Haar eerste journalistieke en literaire publicaties ontstonden terwijl ze nog studeerde, eerst aan de Universität Zürich, later in Parijs, waar ze een jaar doorbracht aan de Sorbonne. Ze begon met gedichten die sterk geïnspireerd waren op het werk van Stefan George en Rainer Maria Rilke. Haar eindscriptie in de germanistiek wijdde ze aan de poëzie van Georg Trakl. Op 23-jarige leeftijd promoveerde ze in Zürich op een dissertatie over de geschiedenis van Oberengadin.[6] Kort daarna verscheen haar eerste roman Freunde um Bernhard, die goed werd ontvangen door pers en publiek, evenals de twee jaar later verschenen Lyrische Novelle. Daartussenin werkte ze als co-auteur mee aan Das Buch von der Schweiz, onderdeel van de licht ironisch getoonzette 'alternatieve' reisgidsenreeks Was nicht im "Baedeker" steht.[7]

Door haar intelligentie, haar vele talenten en haar vroege doctorstitel gold zij als het wonderkind van de familie en het kroonjuweel van de Zwitserse artistocratie, maar die zou zich spoedig van haar afkeren. Aan het eind van de jaren twintig werd ze zich bewust van haar homoseksualiteit. Dat uitte zich in een in 1929 geschreven novelle die pas in 2008 onder de titel Eine Frau zu sehen verscheen en die te beschouwen is als Schwarzenbachs uit de kast komen. Daarmee kwam ze op tegen de sociale en morele beperkingen die gemeengoed waren in de tijd waarin ze leefde en in het milieu waaruit ze voortkwam.[8]

Berlijn[bewerken]

Omstreeks 1931 verbleef zij in Berlijn en raakte daar nauw bevriend met de auteurs Klaus Mann en Erika Mann. Toen ze kennismaakte met hun vader Thomas Mann merkte hij op: "Als u een jongen was geweest had u tóch als ongewoon knap gegolden".[9] Tot grote ergernis van haar eigen familie behield ze levenslang een sterke band met de familie Mann. Met Erika had ze een kortstondige verhouding, maar haar jarenlange fascinatie voor deze actrice en schrijfster was niet volledig wederzijds. Erika Mann vond het in de loop der jaren af en toe nodig enige afstand te nemen tot de vriendin die naar haar liefde hengelde en haar brieven ondertekende met "Dein Kind A.",[10] maar ze bleven bevriend.

Annemarie woonde in Charlottenburg, leidde een bohemien leven, reed in snelle auto's, hield van dansen, stortte zich in het Berlijnse nachtleven en was het middelpunt van een "Mädchenkreis" van aanhangers van de 'garçonne'-stijl. Veel mannen en vrouwen werden gefascineerd en aangetrokken door haar androgyne verschijning. "Ze leefde gevaarlijk. Ze dronk te veel. Ze ging nooit slapen voor het ochtendkrieken", herinnerde zich een vriendin.[5] Samen met Klaus Mann begon ze te experimenteren met morfine, wat leidde tot een levenslange verslaving. Door een besmette injectienaald liep ze een infectie op die haar bijna het leven kostte. Onder invloed van een alcoholvergiftiging reed ze met haar auto tegen een tram.

Ze werd in deze periode ook politiek bewust. In de ontwikkeling van haar denken speelde haar contact met de linkse Franse journalist Claude Bourdet[11] een rol. Zij onderhield met hem een geregelde correspondentie van 1931 tot 1938.[12] Ze keerde zich sterk tegen het fascisme dat in Duitsland in opkomst was. Al toen ze in Zürich studeerde had ze felle kritiek geuit op fascistische tendensen die ze meende waar te nemen in de opvattingen en stijl van de invloedrijke theoloog Emil Brunner, wiens colleges ze volgde.

Door haar levenswijze en politieke opvattingen kreeg ze een steeds slechtere verstandhouding met haar conservatieve familie, die toch al een afkeer had gekregen van haar 'mannelijke' manier van kleden, al had haar moeder die in haar jeugd getolereerd en zelfs aangemoedigd. Haar grootvader Ulrich Wille had zich als opperbevelhebber van het neutrale Zwitserse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog zeer Duitsgezind getoond. Diverse familieleden, onder wie haar moeder Renée, sympathiseerden met de Schweizerische Frontenbewegung, die streefde naar aansluiting van Zwitserland bij nazi-Duitsland.[13] Annemarie Scharzenbach zelf telde onder haar vrienden vele Joden en Duitse ballingen en bleef haar leven lang fel antifascistich.

Onrust[bewerken]

Eerste nummer uit 1933 van Die Sammlung, Querido's tijdschrift voor emigrantenliteratuur, geredigeerd door Klaus Mann en gefinancierd door Annemarie Schwarzenbach.

In de jaren na de nazi-machtsovername in 1933 kon zij haar levensstijl in Berlijn niet voortzetten. Ze raakte depressief en in 1934 deed ze haar eerste zelfmoordpoging. Vanaf juli van dat jaar tot aan haar dood in 1942 huurde ze in Sils-Baselgia in Engadin het buitenhuis Jäger, om zich in alle rust te kunnen terugtrekken. Tot de regelmatige gasten behoorden, naast Klaus en Erika Mann, ook hun vader Thomas Mann en hun broer Golo Mann. Ze maakte vaak fietstochten in de omgeving, maar toch vond zij niet de innerlijke rust die ze zocht. Wegens haar toenemende verslaving en haar psychische problemen was ze jarenlang in therapie bij de gerenommeerde psychiater Oscar Forel.[14]

Waarschijnlijk mede om aan de druk van haar Hitler-gezinde familie te ontsnappen ging ze rusteloos op reis, vaak samen met Klaus Mann of de Duits-Joodse fotografe Marianne Breslauer,[15] die door haar gefascineerd was en later over haar schreef: "Ze was geen man en geen vrouw, maar een engel, een aartsengel".[16] Zo bezocht zij Italië, Scandinavië, Spanje en Iran. In Rusland nam ze met Klaus Mann deel aan het eerste schrijverscongres van de Sovjet-Unie, dat in augustus 1934 in Moskou georganiseerd werd door de Bond van Sovjetschrijvers. De Duitse schrijver Oskar Maria Graf observeerde haar daar als "een schrijvende miljonairsdochter uit Zwitserland, die voor de lol en, waarschijnlijk om zich interessant te maken, drukke omgang had met belangrijke mensen en grote reizen maakte."[17]

In de jaren 1933-35 was ze ook de initiatiefneemster en de voornaamste financier van het literair tijdschrift voor emigrantenliteratuur Die Sammlung. Het verscheen onder redactie van Klaus Mann bij Querido Verlag, de Duitstalige afdeling van Em. Querido's Uitgeverij in Amsterdam die onder leiding stond van Fritz Landshoff.[18] Aan het blad werkten grote namen mee als Alfred Döblin, René Schickele, Stefan Zweig, Arnold Zweig, Joseph Roth, André Gide, Aldous Huxley en Klaus Manns oom Heinrich Mann. Annemarie betaalde de auteurs uit eigen middelen, maar leverde zelf nauwelijks bijdragen.[19] Haar vader zou haar onder druk gezet hebben om niet in het blad te publiceren.[5] Volgens een andere visie was Klaus Mann beducht dat hem zou worden verweten dat de voornaamste geldschieter zich een plaats kocht in het blad.[20] Die Sammlung moest na twee jaar door politieke meningsverschillen en het afhaken van de meeste abonnees worden opgeheven.[21]

Reizen[bewerken]

In dezelfde jaren reisde ze opnieuw naar het Midden-Oosten en nam deel aan archeologische opgravingen in Syrië en Iran. Over haar ervaringen in dat gebied schreef ze dagboeknotities (Winter in Vorderasien) en een twintigtal korte verhalen die ze wilde uitgeven onder de titel Der Falkenkäfig. Ondanks positieve reacties van diverse uitgevers (onder wie Landshoff) en actieve hulp van onder anderen Thomas Mann en Stefan Zweig lukte dat echter niet. Pas in 2008 verschenen veertien van deze "traurige Stückchen"[22] postuum onder de titel Bei diesem Regen.[23] Het thema van veel van deze vertellingen is de vergeefse droom van westerlingen die naar het Midden-Oosten zijn gereisd op zoek naar geluk of op de vlucht voor de politieke situatie, maar ook daar niet ontkomen aan sociale problemen en de invloed van de nazi's. De verhalen markeren een sprong voorwaarts in haar ontwikkeling als literair auteur.

In Iran trouwde ze in mei 1935 met de Franse diplomaat Achille (Claude) Clarac,[24] waardoor ze de Franse nationaliteit verkreeg. Omdat beiden homoseksueel waren, was dit te beschouwen als een gelegenheidshuwelijk. Eerder had zij de biseksuele Klaus Mann gevraagd met haar te trouwen, maar daarop was hij niet ingegaan. Clarac was een montere man, die van haar problemen niets begreep en die ze "een schooljongen" noemde. Dit huwelijk noemde ze later een poging om een normaal leven te leiden, in een 'kring' met eigen vertrouwde gewoonten. Dat lukte niet, maar wel kreeg ze een verhouding met Claracs vroegere verloofde, de Amerikaanse Barbara Hamilton-Wright, die een zekere mate van stabiliteit bracht. Hoewel ze in de loop der jaren wel eens overwoog te scheiden omdat dit huwelijk niets voorstelde, kwamen Clarac en zij tot de conclusie dat ze elkaar daarvoor te graag mochten.[25]

Lorenz Saladin
Erika Mann, omstreeks 1938

In 1937 was ze weer in Moskou om onderzoek te doen naar de dood van de Zwitserse bergbeklimmer Lorenz Saladin,[26] die een jaar eerder in Kirgizië was verongelukt. Ze had Saladins verslagen in de kranten gevolgd en was onder de indruk van zijn foto's. Zijn positieve levenshouding fascineerde haar, evenals het zelfvertrouwen waarmee hij problemen tegemoet trad. Daarmee leek zijn karakter sterk van het hare te verschillen, maar wel herkende ze haar eigen antifascistische overtuiging in zijn krachtige politieke stellingname, die in niets leek op de geïsoleerde neutraliteit die hun vaderland Zwitserland nastreefde. Voor haar werd het een persoonlijke en ideologische erezaak om Saladins erfenis voor het nageslacht vast te leggen. De neerslag hiervan verscheen in de vorm van een uitgebreide biografie onder de titel Lorenz Saladin: Ein Leben für die Berge. Met een voorwoord van de gerenommeerde Zweedse ontdekkingsreiziger Sven Hedin werd het haar meest succesvolle boek, dat al snel was uitverkocht.[27]

Op het gebied van reisverhalen en fotografie had ze inmiddels een professioneel hoog niveau bereikt. Door de vernieuwende collage-achtige vorm ontkwamen haar reportages aan het clichéstramien van tekst met afbeeldingen. In 1937 en 1938 maakte ze fotoreportages waarin ze de opkomst van het fascisme in Europa liet zien, vooral in Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije. Ook kwam ze voor het eerst in de Verenigde Staten en legde daar het leven van het arme bevolkingsdeel vast. Met Barbara Hamilton-Wright bezocht ze zowel de oostkust als het diepe zuiden. De reportages verschenen in Zwitserse tijdschriften en werden in 2000 postuum gebundeld in Jenseits von New York.

Erika Mann berichtte vanuit New York aan haar moeder:[28] "Met Annemarie gaat het beter, maar omdat haar onbedachtzaamheid geen grenzen kent, zal ze spoedig weer alles verknoeid hebben".[29] De voorspelling kwam uit. Ondertussen had zich haar drugsgebruik tot een ernstige verslaving ontwikkeld. In 1938 en 1939 bracht zij maandenlang door in diverse ontwenningsklinieken in Samedan, Kreuzlingen en Yverdon. In laatstgenoemde kliniek kwam ze enigszins tot rust. Ze schreef toen het boek Tod in Persien dat pas in 1998 is uitgegeven, maar waarvan in 1940 een aangepaste versie verscheen onder de titel Das glückliche Tal. Het wordt beschouwd als haar persoonlijkste en meest indringende literaire werk.

Met de Zwitserse schrijfster en ethnologe Ella Maillart[30] reed ze in juni 1939 in een kleine Ford via Turkije en Iran naar Afghanistan. Toen in september de Tweede Wereldoorlog uitbrak, waren ze in Kabul. Zij werd daar ziek en Ella Maillart liet haar noodgedwongen in de steek, omdat ze niet opgewassen was tegen Schwarzenbachs neiging tot zelfdestructie. Maillart heeft dit in 1947 geboekstaafd onder de titel The cruel way.[31] Annemarie Schwarzenbach wordt daarin 'Christina' genoemd.[32] Het boek werd in 2001 verfilmd onder de titel Die Reise nach Kafiristan / The Journey to Kafiristan.[33]

Laatste jaren[bewerken]

Waterval bij Sils im Engadin, het gebied waar Annemarie Schwarzenbach op de fiets verongelukte.

Na haar herstel trok Schwarzenbach opnieuw naar de VS met de barones Margot von Opel-Löwenstein, echtgenote van de in de auto-industrie rijk geworden Fritz von Opel. Ze vestigde zich, net als Klaus en Erika Mann, in New York. Daar leerde ze de tien jaar jongere Carson McCullers kennen, wier debuutroman The Heart is a Lonely Hunter zij in diverse recensies gunstig besprak en die in 1941 Reflections in a Golden Eye aan haar opdroeg. McCullers hevige verliefdheid kon ze niet beantwoorden, maar de beide schrijfsters bleven wel bevriend en onderhielden een vaste briefwisseling.[34]

Schwarzenbach moest zich ook in de VS meermalen psychiatrisch laten behandelen wegens haar morfineverslaving en zware depressies. Dat in deze periode haar vader stierf maakte haar toestand er niet beter op. In haar conflictueuze liefdesaffaire met Margot von Opel had ze zelfs fysiek geweld gebruikt. Ze deed opnieuw enkele zelfmoordpogingen en werd opgenomen in een psychiatrische kliniek met dwangverpleging. Begin 1941 werd ze daaruit ontslagen op voorwaarde dat ze de VS onmiddellijk zou verlaten. Ze werd op een boot richting Portugal gezet.[25]

Het rusteloos reizen ging door. Ze reisde van Lissabon door naar Belgisch-Kongo, waar ze succesvolle fotoreportages maakte en de gedichtencyclus Kongo-Ufer schreef. De reis werd bemoeilijkt door beperkingen die haar werden opgelegd. Er ging een gerucht dat ze een Duitse spionne zou zijn, maar de autoriteiten hadden geen serieuze belangstelling voor haar. De neerslag van deze ervaringen, gecombineerd met de dramatische gebeurtenissen in Amerika, bevindt zich in het driedelige Das Wunder des Baums, een synthese van roman en reportage die ze zelf beschouwde als het beste wat ze geschreven had. Uit haar aansluitende bezoek aan haar echtgenoot Claude Clarac, inmiddels consul van Frankrijk in Tétouan in Marokko, kwam de gedichtencyclus Aus Tétouan voort. Hoewel Claracs gezelschap haar ontspannen had en ze genoten had van de omgeving,[35] is de toon van deze poëzie uitgesproken mistroostig.

In mei 1942 was Schwarzenbach terug in Lissabon, waar ze een kortstondige vriendschap had met de Duitse journaliste Margret Boveri.[36] Een maand later keerde ze terug naar Zwitserland. De bekende Duits-Joodse actrice Therese Giehse,[37] die voor de nazi's was uitgeweken, verbleef die zomer bij haar. Annemarie werkte aan het prozagedicht Marc, een omwerking van Das Wunder des Baums die pas in 2012 is gepubliceerd als onderdeel van de bundel Afrikanische Schriften. Voor een Zwitserse krant accepteerde ze een correspondentschap in Lissabon, maar het liep anders.

Einde[bewerken]

Op 7 september 1942 fietste ze in Engadin uit bravoure met losse handen,[38] viel en kwam met haar hoofd op een scherpe steen terecht. Een coma van drie dagen was het gevolg. Haar schedelfractuur werd door een verkeerde diagnose niet goed behandeld. Men zag haar hersenletsel aan voor een symptoom van schizofrenie. Daardoor kwam ze terecht in de psychiatrische privékliniek Les Rives de Prangins, die geleid werd door haar eigen therapeut Oscar Forel. Daar kreeg ze elektroshocks en insuline-injecties toegediend, naast dagelijkse doses morfine, het verdovende middel waarvan ze na veel inspanning juist een jaar 'clean' was geweest. Hierdoor verzwakte haar toestand zo, dat ze niet meer te redden was.[25] Aan haar sterfbed in het huis Jäger liet haar moeder Renée niemand toe, ook niet haar echtgenoot Clarac, die onmiddellijk was toegesneld.

Na haar dood op 15 november 1942 verbrandde haar moeder haar omvangrijke dagboeken en correspondentie, met het gevolg dat de later uitgegeven jarenlange briefwisselingen met onder anderen Klaus en Erika Mann (van 1930 tot 1942), Claude Bourdet (van 1931 tot 1938) en Otto Kleiber[39] (van 1933 tot 1942)[40] slechts één kant van het verhaal laten zien. Haar manuscripten en foto's werden gered en berusten in het Schweizerisches Literaturarchiv in Bern. Toch heeft Renée Schwarzenbach-Wille de levensweg van haar opstandige dochter nauwgezet gedocumenteerd in de fotografische kroniek van het familieleven die ze tientallen jaren heeft bijgehouden.[13] Zelf heeft Annemarie haar psychische problemen altijd toegeschreven aan de druk die haar conservatieve, met de nazi's heulende familie op haar uitoefende, terwijl zij zelf de nazi's haatte. Renée, een niet onverdienstelijk fotografe, is vrijwel alleen nog bekend als de tyrannieke moeder van Annemarie. De dochter schreef in 1935 over haar: "Ze is helemaal goed en helemaal slecht, en ze redeneert zoals het in de Bijbel staat ja ja en nee nee. Ze is 'primitief', omdat ze haar mening als absoluut beschouwt, maar ze is gecompliceerd omdat ze immers lijdt. Ze lijdt bijvoorbeeld aan mij. En dan is ze hulpeloos. (...) Toen ze me zei dat ze een verloren artfremde[41] dochter had, huilde ik uit medelijden - niet omdat ze me verloren noemde".[42]

Postuum[bewerken]

Na haar dood werd Annemarie Schwarzenbach snel vergeten. Het duurde ruim 40 jaar voordat er weer belangstelling voor haar kwam, maar die nam vervolgens explosieve vormen aan. Inmiddels is er "in de Zwitserse literatuur van de laatste 100 jaar nauwelijks een schrijver - en al helemaal geen schrijfster - over wie meer onderzocht, geschreven en gepubliceerd is dan over Annemarie Schwarzenbach", zo werd in 2008 opgemerkt bij de herdenking van haar 100ste geboortedag.[43]

De fascinatie richtte zich allereerst op de vele foto's die Marianne Breslauer[44] gemaakt had van haar androgyne uiterlijk en op haar positie van zich emanciperende vrijgevochten vrouw. Hierdoor werd ze met terugwerkende kracht een stijlicoon en rolmodel. Dat ze met haar jongenskapsel en mannenkleren postuum een cultfiguur werd, ook voor modeontwerpers in de 21e eeuw,[45] is mogelijk mede beïnvloed door de getuigenissen van haar magnetische persoonlijkheid en de bijna kritiekloze verering door vele tijdgenoten in haar omgeving.

De bemoeienissen van literatuurwetenschappers met Annemarie Schwarzenbach hebben zich lange tijd vooral geconcentreerd op de biografische aspecten: haar turbulente leven, haar vele grote reizen, haar liefdesaffaires met talloze vrouwen en enkele mannen, haar verslaving, haar psychoses, de problemen met haar familie (vooral haar moeder) en zelfs haar voorliefde voor snelle auto's. De laatste jaren is het accent verlegd naar haar literaire teksten, om zo te komen tot een scherpere beschouwing van haar gevarieerde oeuvre. Sinds 1987 zijn vele van haar werken herdrukt of voor het eerst uitgegeven. Ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag werd in oktober 2008 in Sils een vierdaags congres georganiseerd. Tot de thema's behoorden - naast een positiebepaling in de literatuur van haar tijd - ook Schwarzenbachs nagelaten ongepubliceerde werk uit haar laatste levensjaren, alsook haar fotografisch oeuvre.[46]

Evaluatie[bewerken]

Ondanks haar voortdurende psychische problemen, ernstige alcohol- en morfineverslaving en steeds terugkerend doodsverlangen was Annemarie Schwarzenbach bijzonder productief. Hoewel ze slechts 34 jaar oud werd, heeft ze - naast haar boeken - tussen 1933 en 1942 ongeveer 170 artikelen en 50 fotoreportages gepubliceerd, vooral in Zwitserse kranten en tijdschriften zoals de Neue Zürcher Zeitung. In haar collage-achtige reportages en reisverhalen bereikte ze door haar indringende observaties een hoog niveau. Ook als fotografe toonde ze een scherpe blik. In haar werk komt mededogen tot uiting met de verdrukte medemens, waarbij ze ondubbelzinnig stelling nam tegen het fascisme. Ze heeft een waardevolle bijdrage geleverd aan het genre en daarbij - in de rol van geëngageerd observator aan de zijlijn - ook de politieke en menselijke problemen van de jaren dertig aanschouwelijk gemaakt.

Voor haar literaire werk kreeg ze minder erkenning. Veel van haar boeken werden tijdens haar leven niet uitgegeven en verschenen pas een halve eeuw na haar dood. Haar literaire romans en verhalen bieden, naast treffende evocaties van de landen die ze bezocht, vooral inzicht in haar persoonlijke problemen. Haar stijl kenmerkt zich door lange, gecompliceerde zinnen met veel gedachtestreepjes en tussenzinnen. Haar meest persoonlijke uiting Das Glückliche Tal geeft tegen een exotisch orïentaals decor de worsteling weer met eenzaamheid, onstilbaar verlangen naar liefde, knellende haat-liefdeverhoudingen met familie, opstand tegen de afkomst en de burgerlijke moraal, heimwee, vrijheidsdrang en angst voor het leven en voor de dood. Van deze thema's lijkt de angst voor de eenzaamheid en voor het alleen zijn het meest overheersend. Daarmee weerspiegelt haar literatuur haar eigen rusteloze leven.

Annemarie Schwarzenbach wordt vaak beschreven als een avonturierster, een vrijgevochten pionier voor moderne vrouwen in de eerste helft van de 20e eeuw, een 'freie Geist' in de voetsporen van Nietzsche, wier leven "geheel in het teken stond van het zoeken naar vrijheid, humaniteit en authenticiteit".[47] Dat is echter maar één kant van de medaille. Haar korte leven stond evenzeer in het teken van een obsessieve zoektocht naar liefde. Ze was labiel, eenzaam, diep ongelukkig, zwaar verslaafd, vaak een gevaar voor zichzelf en soms voor anderen. Ze verloor op tragische wijze de strijd met het zelfgenoegzame, benauwende milieu waaruit ze voortkwam en waarvan ze zich probeerde te bevrijden, maar waarvan ze zelf een onlosmakelijk deel was.

Trivia[bewerken]

SBB-treinstel Annemarie Schwarzenbach
  • Annemarie Schwarzenbach heeft model gestaan voor twee personages in romans van Klaus Mann: "Johanna" in Flucht in den Norden (1934) en "Engel der Heimatlosen" in Vulkan (1939).
  • De Zwitserse politicus en streekromanschrijver James Schwarzenbach,[48] van 1967 tot 1979 lid van de Nationale Raad voor de extreemrechtse Schweizer Republikanische Bewegung, was haar neef. Hij beschouwde zijn nicht Annemarie als "excentriek en verwend".[49]
  • De Zwitserse federale spoorwegen (SBB) hebben een "Intercity-Neigezug" de naam Annemarie Schwarzenbach gegeven. De tekst op de bijbehorende plaquette luidt:
"Annemarie Schwarzenbach. Schriftstellerin, Journalistin, Fotografin, Reisende. Ihr Werk ist der Spiegel eines ruhelosen Lebens auf der Suche nach Liebe und nach sich selbst".

Werkenlijst[bewerken]

Indien niet anders vermeld, zijn de meest recente (her)drukken verschenen bij Lenos Verlag, Basel.

In Nederlandse vertaling
  • Een vrouw zien (met een nawoord van Alexis Schwarzenbach; vertaling door Jantsje Post). Ad. Donker, Rotterdam, 2013. ISBN 978-90-6100-680-0
Tijdens haar leven verschenen
  • Beiträge zur Geschichte des Oberengadins im Mittelalter und zu Beginn der Neuzeit (Dissertatie). Schweizer Studien zur Geschichtswissenschaft. Bd. 16, H.3. Leemann, Zürich / Leipzig, 1931.
  • Das Buch von der Schweiz. Ost und Süd (met Hans Rudolf Schmid). Was nicht im Baedeker steht, Bd. XV. Piper, München, 1932.
  • Das Buch von der Schweiz. Nord und West (met Hans Rudolf Schmid). Was nicht im Baedeker steht, Bd. XVI. Piper, München, 1933.
  • Freunde um Bernhard. Amalthea, Wien, 1933.
  • Lyrische Novelle. Rowohlt, Berlin, 1933.
  • Winter in Vorderasien (reisdagboek). Rascher, Zürich, 1934.
  • Lorenz Saladin. Ein Leben für die Berge. Voorwoord door Sven Hedin. Hallwag, Bern / Stuttgart, 1938.
  • Das glückliche Tal. Morgarten, Zürich, 1940.
Postuum verschenen
  • Bei diesem Regen
  • Jenseits von New York
  • Tod in Persien
  • Auf der Schattenseite
  • Flucht nach oben
  • Alle Wege sind offen
  • Kongo-Ufer / Aus Tetouan (gedichten)
  • Pariser Novelle, in: Jahrbuch zur Kultur und Literatur der Weimarer Republik 8, 2003, p. 11-35.
  • Unsterbliches Blau (met Ella K. Maillart en Nicolas Bouvier)
  • Wir werden es schon zuwege bringen, das Leben (brieven aan Klaus en Erika Mann, 1930-1942). Bezorgd door Uta Fleischmann. Centaurus-Verlag, Freiburg, 1992.[50]
  • Eine Frau zu sehen. Met een naschrift door Alexis Schwarzenbach. Kein & Aber, Zürich, 2008.[8]
  • Vor Weihnachten [1933]. In: Dazwischen. Reisen – Metropolen – Avantgarden
  • Orientreisen. Reportagen aus der Fremde
  • Das Wunder des Baums. Roman. Met een naschrift door Sofie Decock, Walter Fähnders en Uta Schaffers. Chronos, Zürich 2011.
  • Afrikanische Schriften. Reportagen – Lyrik – Autobiographisches. Met de eerste druk van Marc. Bezorgd door Sofie Decock, Walter Fähnders en Uta Schaffers. Chronos, Zürich 2012.
  • Insel Europa. Ausgewählte Reportagen und Feuilletons 1930-1942. Bezorgd door Roger Perret, 2005.
  • Lettres à Claude Bourdet: 1931-1938. Bezorgd door Dominique Laure Miermont. Zoé, Arles, 2008.

Bronnen[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Alfred Schwarzenbach (1874-1940), eigenaar van de zijdefirma Schwarzenbach, Huber & Co. met vestigingen in o.a. New York.
  2. Renée Schwarzenbach-Wille (1883-1959), Duitstalige Wikipedia.
  3. Alexis Schwarzenbach: Bilder mit Legenden von Renée Schwarzenbach-Wille, Scheidegger & Spiess, Zürich, 2001.
  4. Annemaries grootmoeder Clara Von Bismarck was de dochter van de Pruisische luitenant-generaal Friedrich Wilhelm von Bismarck, in de verte verwant aan de Duitse rijkskanselier Otto von Bismarck.
  5. a b c Alexis Schwarzenbach: Dieses bittere Jungsein, Die Zeit, 10 augustus 2008.
  6. Annemarie Schwarzenbach: Beiträge zur Geschichte des Oberengadins im Mittelalter und zu Beginn der Neuzeit. Dissertatie Universiteit van Zürich, 1931. Herdruk Manz, Zürich, 2007.
  7. Was nicht im „Baedeker“ steht, Duitstalige Wikipedia.
  8. a b Een vrouw zien (Nederlandse vertaling Jantsje Post), Ad. Donker, Rotterdam, 2013.
  9. Klaus Mann: The Turning Point: Thirty-Five Years in this Century. Fischer, New York, 1942. In het Duits vertaald als: Der Wendepunkt. Ein Lebensbericht. Rowohlt, Reinbek, 2006.
  10. Annemarie Schwarzenbach: Wir werden es schon zuwege bringen, das Leben. Centaurus, Freiburg, 1992.
  11. Claude Bourdet (1909-1996), Franstalige Wikipedia.
  12. Annemarie Schwarzenbach: Lettres à Claude Bourdet 1931-1938. Bezorgd door Dominique Laure Miermont. Zoé, Arles, 2008. De brieven die Bourdet terugschreef zijn in 1942 door Renée Schwarzenbach-Wille vernietigd.
  13. a b Alexis Schwarzenbach: Die Geborene. Renée Schwarzenbach-Wille und ihre Familie. Scheidegger & Spiess, Zürich, 2004.
  14. Oscar Forel (1891-1982), Duitstalige Wikipedia.
  15. Marianne Breslauer (1909-2001), Duitstalige Wikipedia.
  16. Marianne Feilchenfeldt Breslauer: Bilder meines Lebens: Erinnerungen. Nimbus, Wädenswil, 2001 / 2009.
  17. Oskar Maria Graf: Reise in die Sowjet-Union 1934. Luchterhand, Berlin, 1974.
  18. Die Sammlung, Literarische Monatschrift unter dem Patronat von André Gide, Aldous Huxley, Heinrich Mann, herausgegeben von Klaus Mann. Querido Verlag, Amsterdam, 24 nummers verschenen van september 1933 tot augustus 1935.
  19. Alleen in de eerste twee nummers van Die Sammlung werd een recensie van Annemarie Schwarzenbach geplaatst.
  20. Fritz Landshoff gaf vele jaren later te kennen dat het niet voor de hand lag dat een auteur uit het vrije Zwitserland publiceerde in een tijdschrift voor Duitse en Oostenrijkse ballingen.
  21. In 1940 behoorde Annemarie Schwarzenbach ook tot de anonieme geldschieters van de opvolger van Die Sammlung in New York, het Engelstalige Decision dat onder redactie van Klaus Mann een jaar bestaan heeft.
  22. Brief van Annemarie Schwarzenbach aan Klaus Mann, 4 november 1934.
  23. Annemarie Schwarzenbach: Bei diesem Regen. Bezorgd door Roger Perret. Lenos, Basel, 2008.
  24. Achille (Claude) Clarac (1903-1999), Duitstalige Wikipedia.
  25. a b c Charles Linsmayer: Annemarie Schwarzenbach. Ein Kapitel tragische Schweizer Literaturgeschichte. Huber, Frauenfeld, 2008.
  26. Lorenz Saladin (1896-1936), Duitstalige Wikipedia.
  27. Ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag in 2008 werd het boek herdrukt. Tijdens hun onderzoek voor de heruitgave ontdekten Robert Steiner en Emil Zopfi in Rusland ook Saladins omvangrijke fotoarchief, waarover Annemarie Schwarzenbach niet had kunnen beschikken.
  28. Katia Mann (1883-1980), Duitstalige Wikipedia.
  29. Brief van Erika Mann aan Katia Mann, 27 november 1936.
  30. Ella Maillart (1903-1997), Duitstalige Wikipedia.
  31. Ella Maillart: The cruel way. Heinemann, London, 1947. In het Duits vertaald als Auf abenteuerlicher Fahrt durch Iran und Afghanistan. Lenos, Basel, 1948, herdruk 2001. Ook verschenen als Flüchtige Idylle, 1988 / 1995 en als Der bittere Weg - Mit Annemarie Schwarzenbach unterwegs nach Afghanistan, 2001.
  32. Ella Maillart zou dit gedaan hebben om problemen met Renée Schwarzenbach te voorkomen.
  33. Die Reise nach Kafiristan, 2001. Regie, scenario en productie: Donatello en Fosco Dubini]], met Jeanette Hain in de rol van Annemarie Schwarzenbach en Nina Petri als Ella Maillart.
  34. Alexandra Lavizzari: Fast eine Liebe. Annemarie Schwarzenbach und Carson McCullers. Ebersbach, Berlin, 2008.
  35. Brief van Annemarie Schwarzenbach aan Marie-Louise Bodmer, 7 juni 1942.
  36. Margret Boveri (1900-1975), Duitstalige Wikipedia.
  37. Therese Giehse (1898-1975), Duitstalige Wikipedia.
  38. Een vriendin had haar uitgedaagd met de woorden: "Jullie Zwitsers kunnen helemaal niet fietsen!"
  39. Otto Kleiber was literair redacteur van de National-Zeitung in Bazel
  40. Walter Fähnders, Andreas Tobler: Briefe von Annemarie Schwarzenbach an Otto Kleiber aus den Jahren 1933-1942. Zeitschrift für Germanistik, 05/2006.
  41. Term uit de nationaalsocialistische rassentheorie, zie Artfremd in de Duitse Wikipedia.
  42. Geschreven op verzoek van haar psychiater Oscar Forel.
  43. Klara Obermüller: Am Ende aller Wege. Festvortrag zum 100. Geburtstag von Annemarie Schwarzenbach, 2008.
  44. Marianne Breslauer: Foto's van Annemarie Schwarzenbach, Flickr.
  45. De Londense modeontwerpster Paula Gerbase riep Annemarie Schwarzenbach als androgyn stijlicoon uit tot "de muze" van haar wintercollectie 2013. Hetzelfde deed het Duitse modehuis Jil Sander, dat haar "fashion favorite" noemde voor de zomercollectie 2015.
  46. Mirella Carbone (red.): Annemarie Schwarzenbach. Werk, Wirkung, Kontext. Akten der Tagung in Sils / Engadin vom 16. bis 19. Oktober 2008. (met een Schwarzenbach-bibliografie 2005-2009) Institut für Kulturforschung Graubünden ikg. Aisthesis Verlag, Bielefeld, 2010.
  47. Met die bewoordingen werd in 2012 een aan haar gewijde cursus in Nederland aangekondigd, zie filosofie.nl
  48. James Schwarzenbach (1911-1994), Duitstalige Wikipedia.
  49. Voor een genuanceerd oordeel over neef en nicht zie Pirmin Meier: Annemarie & James Schwarzenbach: Andere Wahrnehmung. Weblog 20 juni 2014.
  50. Ook verschenen op drie cd's gesproken door Hannelore Elsner.
Overige secundaire literatuur
  • Bettina Augustin: Der unbekannte Zwilling. Annemarie Schwarzenbach im Spiegel der Fotografie. Brinkmann und Bose, Berlin, 2008.
  • Sofie Decock, Uta Schaffers (red.): Schwarzenbach inside out. Textorientierte Erkundungen des Werks von Annemarie Schwarzenbach. Bijdragen van Walter Fähnders, Sabine Rohlf, Silvia Henke, Alfred Opitz, Gonçalo Vilas-Boas, Heidy Margrit Müller, Kamal Y. Odisho Kolo, Elio Pellin, Bettina Augustin, Zygmunt Mielczareck, Simone Wichor, Maria Euchner, Melissa De Bruyker, Uta Schaffers en Sofie Decock. Aisthesis, Bielefeld, 2008.
  • Walter Fähnders, Sabine Rohlf: Annemarie Schwarzenbach. Analysen und Erstdrucke. Met een Schwarzenbach-bibliografie. Aisthesis, Bielefeld, 2005.
  • Areti Georgiadou: Annemarie Schwarzenbach. Das Leben zerfetzt sich mir in tausend Stücke. Campus, Frankfurt, 1995.
  • Dominique Grente & Nicole Müller: L'Ange inconsolable. Une biographie d'Annemarie Schwarzenbach. Lieu Commun, Paris, 1989.
    • In het Duits vertaald als: Der untröstliche Engel. Knesebeck, München, 1995.
  • Anke Hertling: Eroberung der Männerdomäne Automobil. Die Selbstfahrerinnen Ruth Landshoff-Yorck, Erika Mann und Annemarie Schwarzenbach. Aisthesis, Bielefeld, 2013.
  • Maria de Lurdes das Neves Godinho: "Lob der Freiheit" oder die Schuche nach demokratischen Werten in Europa bei der Schriftstellerin und Fotojournalistin Annemarie Schwarzenbach. In: Gonçalo Vilas-Boas, Teresa Martins de Oliveira: Macht in der Deutschschweizer Literatur, Frank & Timme, Berlijn, 2010, p. 231-240.
  • Niklaus Meienberg: Die Welt als Wille & Wahn. Elemente zur Naturgeschichte eines Clans. Limmat, Zürich 1987.
  • Anabela Mendes: Ach wie grandios, das sie eine so harte Mutter hat! In: Gonçalo Vilas-Boas, Teresa Martins de Oliveira: Macht in der Deutschschweizer Literatur, Frank & Timme, Berlijn, 2010, p. 215-230.
  • Dominique Laure Miermont: Annemarie Schwarzenbach ou le mal d'Europe. Payout, Paris, 2004.
    • In het Duits vertaald als: Annemarie Schwarzenbach. Eine beflügelte Ungeduld. Ammann, Zürich 2008.
  • Elio Pellin: Mit dampfendem Leib. Sportliche Körper bei Ludwig Hohl, Annemarie Schwarzenbach, Walther Kauer und Lorenz Lotmar. Chronos, Zürich, 2008.
  • Elio Pellin: Ein Vermögen zerrinnt – Annemarie Schwarzenbach. Millionenerbin in Geldnot. In: Brotlos? Quarto – Zeitschrift des Schweizerischen Literaturarchivs Nr. 20, 2005, p. 28–33.
  • Roger Perret: Ernst, Würde und Glück des Daseins. In: Annemarie Schwarzenbach: Lyrische Novelle. Lenos, Basel 1988.
  • Christine Schmidt: Hopes and prospects – but no illusions! Erika Mann (1905-1969) und Pamela Wedekind (1906-1986), Therese Giehse (1898-1975), Annemarie Schwarzenbach (1908-1942). In: Joey Horsley, Luise F. Pusch (red.): Frauengeschichten. Berühmte Frauen und ihre Freundinnen. Wallstein, Göttingen, 2010.
  • Alexis Schwarzenbach: Auf der Schwelle des Fremden. Das Leben der Annemarie Schwarzenbach. Collection Rolf Heyne, München, 2008.
  • Barbara Stempel: Asien-Sichten. Reisefotografien von Annemarie Schwarzenbach und Walter Bosshard. VDG, Weimar, 2010.
  • Andreas Tobler: Annemarie Schwarzenbach 1908-1942. Eine Biographie. NZZ Libro, Zürich, 2009.
  • Kurt Wanner: Wo ich mich leichter fühle als anderswo. Annemarie Schwarzenbach und ihre Zeit in Graubünden. Bündner Monatsblatt, Chur, 1998.
  • Simone Wichor: Zwischen Literatur und Journalismus. Die Reportagen und Feuilletons von Annemarie Schwarzenbach. Aisthesis, Bielefeld, 2013.
  • Elvira Willems: Annemarie Schwarzenbach. Autorin, Reisende, Fotografin. Centaurus, 1999.
Dvd-documentaire
Externe links