Annemarie Schwarzenbach

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Annemarie Schwarzenbach
Zelfportret met Rolleiflex Standard 621 camera
Zelfportret met Rolleiflex Standard 621 camera
Algemene informatie
Volledige naam Annemarie Minna Renée Schwarzenbach
Pseudoniem(en) Annemarie Clark
Geboren 23 mei 1908
Overleden 15 november 1942
Land Zwitserland
Werk
Jaren actief 1928-1942
Genre Roman, novelle, feuilleton, reisverhaal, reportage, poëzie, fotografie
Bekende werken Eine Frau zu sehen
(Ned. vert.: Een vrouw zien)
Lorenz Saladin. Ein Leben für die Berge
Das glückliche Tal
Uitgeverij o.a. Lenos Verlag, Bazel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Annemarie Schwarzenbach, officieel Annemarie Minna Renée Clarac-Schwarzenbach[1] (Zürich, 23 mei 1908Sils im Engadin, 15 november 1942), was een Zwitserse (Duitstalige) schrijfster, journaliste, dichteres en fotografe, die vanaf 1935 de Franse nationaliteit had.

Zij schreef romans, verhalen, feuilletons en prozagedichten en publiceerde reisreportages vanuit vele gebieden in Europa, het Midden-Oosten, Afrika en de Verenigde Staten. Ze was fel antifascistisch tijdens het interbellum en in de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog. Haar fotogenieke, charismatische verschijning met androgyne trekken werd door velen als onweerstaanbaar beschouwd. Ze had vele homoseksuele verhoudingen, maar leed ook aan ernstige depressies en verslavingen.

Annemarie Schwarzenbach stierf na een fietsongeluk op 34-jarige leeftijd. Een halve eeuw later ontstond een hernieuwde golf van belangstelling voor persoon en werk van de vergeten schrijfster, die een stroom van (her)uitgaven, biografieën en studies op gang bracht.

Leven en werk[bewerken]

1908 tot 1930[bewerken]

Kinderjaren[bewerken]

Zij was een telg uit een zeer rijke familie van industriëlen in Zürich, een combinatie van 'oud geld' en 'nieuw geld'. Haar vader was een van de meest vermogende Zwitsers, de textielmagnaat Alfred Emil Schwarzenbach (1874-1940). Hij was met zijn twee broers eigenaar van de grootste zijdefirma ter wereld Robert Schwarzenbach & Co. met vestigingen in Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de VS. Hij gold als een hoogst intelligente, strikt rationeel denkende man die zijn dochter zeer na stond, al begrepen ze elkaar vaak niet. Haar moeder Renée Schwarzenbach-Wille (1883-1959),[2] ook aktief in de paardensport en de fotografie,[3] was een dochter van generaal Ulrich Wille en gravin Clara Von Bismarck uit een vooraanstaand Duits adellijk geslacht.[4] Ze wordt beschreven als een impulsieve vrouw die zich vooral door instincten liet leiden. Zij was haar man en kinderen op fanatieke wijze toegewijd, maar combineerde dat met een decennialange relatie met de Duitse sopraan Emmy Krüger,[5] een operazangeres bij onder meer de Bayreuther Festspiele, die met goedvinden van Alfred Schwarzenbach vrijwel bij het gezin hoorde.[6]

Het landhuis op het familielandgoed Bocken, waar Annemarie Schwarzenbach opgroeide.

Annemarie Schwarzenbach groeide op als miljonairsdochter tussen drie broers en een zuster. In 1912, toen ze vier jaar oud was, vestigde het gezin zich vanuit Zürich in Horgen, op het landgoed Bocken[7] aan het Meer van Zürich, niet ver van de zijdefabriek van de firma Schwarzenbach in Thalwil. Haar ouders voerden een grote staat en gaven regelmatig ontvangsten. Als kind ontmoette ze daardoor vele belangrijke kunstenaars, onder wie Arturo Toscanini, Arthur Honegger, Bruno Walter, Richard Strauss, Wilhelm Furtwängler, Hermann Hesse, Wilhelm Backhaus en het echtpaar Elly Ney[8] & Willy van Hoogstraten. Ook haar eerste ontmoeting met Thomas Mann moet toen al hebben plaatsgevonden, maar ook Hitlers rechterhand Rudolf Hess was een regelmatige bezoeker. De positie van de familie in de Zwitserse society leverde bijzondere privileges op: toen ze dertien was mocht ze bij de Zürcher Festspiele[9] onder de lessenaar van Arthur Nikisch zitten om goed te kunnen zien hoe hij de Negende van Beethoven dirigeerde.[10] Haar opvallende schoonheid maakte indruk, fotografen en schilders verdrongen elkaar om haar te mogen portretteren.

Toen ze constateerde dat haar ouders zich anders gedroegen tegen haar en haar zusje dan tegen de broertjes, begon ze zich te kleden en te gedragen als een jongen, een gewoonte die ze haar hele leven heeft behouden en die door haar ouders werd getolereerd en zelfs aangemoedigd. Ze noemde zich "Fritz". Ze kon haar moeder geen groter plezier doen dan door het pagekostuum te dragen van Octavian, de travestierol uit Der Rosenkavalier van Richard Strauss[11] die Emmy Krüger had gezongen onder leiding van de componist.[12] Ze gold als de 'kleine man' in huis[13] en haar vader nam haar graag mee op zakenreis. Annemarie had eerst thuisonderwijs en bezocht later een dure privéschool met uitstekende resultaten. Volgens familieleden toonde ze vele talenten en had ze met gemak balletdanseres of concertpianiste kunnen worden. Ze studeerde jarenlang gedreven piano en verdiepte zich grondig in muziek, maar haar ambities reikten naar het schrijverschap.[14] Al vroeg begon ze verhalen en sprookjes te schrijven, ook om haar toen al optredende nerveuze spanningen de baas te worden. Ze schreef ook in het tijdschrift van de 'Wandervogel'-beweging, afdeling Zwitserland.[15][6]

Studie[bewerken]

Eerste auto: Dodge Victory

Haar eerste publicaties ontstonden nog tijdens haar studie aan de Universität Zürich, waar ze eind jaren twintig de enige studente was met een eigen auto, een Dodge Victory. Haar hoofdvakken waren geschiedenis en germanistiek, haar bijvakken filosofie en psychologie. Ze bracht ook een jaar door in Parijs aan de Sorbonne. Haar eerste literaire pogingen waren gedichten die sterk geïnspireerd waren op het werk van Stefan George en Rainer Maria Rilke, die altijd voorbeelden voor haar bleven. Haar eindscriptie in de germanistiek wijdde ze aan de poëzie van Georg Trakl.[16] Op 23-jarige leeftijd promoveerde ze in Zürich magna cum laude op een dissertatie over de geschiedenis van Oberengadin.[17] Haar 'Doktorvater' (promotor) was de historicus Karl Meyer.[18] Tot haar hoogleraren behoorde ook de invloedrijke germanist en schrijver Robert Faesi,[19] die medebepalend was voor de richting van haar poëtica. Ze was enige tijd assistent van de historicus Carl Jacob Burckhardt,[20] de latere president van het Internationale Comité van het Rode Kruis, met wie ze tot 1942 is blijven corresponderen.[21]

Door haar intellect, haar uiterlijk, haar vele talenten en haar vroege doctorstitel gold zij als het wonderkind van de familie en het kroonjuweel van de Zwitserse upper class, maar die zou zich spoedig van haar afkeren. Vanaf het midden van de jaren twintig werd ze zich bewust van haar homoseksualiteit. Dat uitte zich literair in een in 1929 geschreven novelle die beschouwd kan worden als Schwarzenbachs coming-out. Daarmee kwam ze op tegen de sociale en morele beperkingen die gemeengoed waren in de tijd waarin ze leefde en in het milieu waaruit ze voortkwam. Het werk had echter geen effect op haar tijdgenoten doordat het tijdens haar leven ongepubliceerd bleef. Het verscheen pas in 2008 in druk onder de titel Eine Frau zu sehen.[22]

1930 tot 1933[bewerken]

Berlijn[bewerken]

Vanaf 1930 woonde zij in Berlijn, aangetrokken door de kosmopolitische atmosfeer van de wereldstad. Tijdens de uitloop van de 'roaring twenties' tot aan 1933 bood het Berlijn van de Weimarrepubliek relatief veel vrijheid aan lesbische vrouwen. Ze bewoonde een appartement aan de Königin-Elisabeth-Straße in Westend, leidde een bohemien leven, reed in snelle auto's, hield van dansen en stortte zich in het Berlijnse nachtleven, zoals ze dat eerder gedaan had tijdens haar studiejaar in Parijs. Ze raakte bevriend met de actrice en schrijfster Ruth Landshoff[23] en haar geliefde, de toneel- en scenarioschrijver Karl Vollmoeller.[24] Die was opgetogen over Schwarzenbachs uiterlijk, charme en intellect, terwijl zij onder de indruk was van zijn nauwe connectie met haar held Stefan George.[25] Ze reisde Vollmoeller achterna naar Venetië, waar hij het Palazzo Vendramin-Calergi bewoonde, maar het plan om gedrieën met Ruth Landshoff in dat renaissancepaleis (Wagners sterfhuis) te gaan wonen werd niet doorgezet. Omdat ze zich had ingelaten met types als Vollmoeller en Landshoff en de reis verzwegen had, wilden haar ouders hun handen van haar aftrekken. Dit heftigste conflict tot dan toe kon met moeite worden bezworen, maar er zouden nog vele volgen.[10]

Via Vollmoeller leerde ze 'The Literary Mann Twins' kennen,[26] de Duitse auteurs Erika Mann en Klaus Mann die ze bewonderde om hun onafhankelijke en vrijmoedige opstelling tegenover vraagstukken van politiek en seksualiteit. Ze raakten nauw bevriend. Via hen kwam ze ook in contact met hun vader, de beroemde Thomas Mann. Toen ze in München met hem kennismaakte merkte hij op: "Als u een jongen was geweest had u toch als ongewoon knap gegolden".[27][28] Tot grote ergernis van haar eigen familie behield ze levenslang een sterke band met de familie Mann. In de dagboeken van Thomas Mann komt ze vele malen voor.[29] Met Erika had ze een kortstondige verhouding, maar haar jarenlange fascinatie voor deze actrice en schrijfster was niet volledig wederzijds.[30] Erika Mann, die haar 'das Schweizerkind' noemde, vond het in de loop der jaren af en toe nodig enige afstand te nemen tot de vriendin die naar haar liefde hengelde en haar brieven ondertekende met "Dein Kind A.",[31][32] maar ze bleven bevriend. Een complicatie daarbij was de jaloezie van Renée Schwarzenbach, omdat haar dochter in Erika een vervangende moeder leek te zoeken.[33] Klaus Mann, die haar de bijnaam 'Miro' gaf,[34] bleef door de jaren heen Annemarie's beste vriend en grootste vertrouweling.

Met Ruth Landshoff vormde ze in Berlijn het middelpunt van een vrijgevochten "Mädchenkreis" van aanhangers van de 'Garçonne'-stijl, waarvan ook 'Mopsa', de dochter van de schrijvers Carl Sternheim en Thea Bauer,[35] deel uitmaakte. Veel mannen en vrouwen werden gefascineerd en aangetrokken door de androgyne verschijning van Annemarie Schwarzenbach. "Ze leefde gevaarlijk. Ze dronk te veel. Ze ging nooit slapen voor het ochtendkrieken", herinnerde zich Ruth Landshoff.[14] Samen met Klaus Mann en Mopsa Sternheim[36] begon ze te experimenteren met morfine, wat leidde tot een levenslange verslaving.[37] Door een besmette injectienaald liep ze een infectie op die haar bijna het leven kostte. Onder invloed van een alcoholvergiftiging reed ze met haar auto tegen een tram.

Eerste literair werk[bewerken]

In die periode (1931) verscheen haar eerste roman Freunde um Bernhard, die goed werd ontvangen door pers en publiek, evenals de twee jaar later verschenen Lyrische Novelle. Ze geven een treffend beeld van het leven onder bohemiens, al hebben ze literair nog weinig betekenis. In beide boeken is het thema van de eenzaamheid, dat een overheersende positie in haar werk zou gaan innemen, al aan te wijzen. De verborgen verwijzingen naar homoseksualiteit werden niet door elke tijdgenoot herkend. Op de omslag van Freunde um Bernhard stond een foto van de auteur, die door veel lezers werd aangezien voor een illustratie van de hoofdpersoon 'Bernhard'. Dit was kenmerkend voor de verwarring die haar androgyne uiterlijk altijd heeft opgeroepen.[38] Tussendoor werkte ze als co-auteur mee aan Das Buch von der Schweiz, onderdeel van de licht ironisch getoonzette 'alternatieve' reisgidsenreeks Was nicht im "Baedeker" steht.[39] Het manuscript van een roman Aufbruch im Herbst - waaruit ze in januari 1932 op een literaire avond in Sankt Gallen fragmenten voorlas - is vermoedelijk verloren gegaan, evenals het historisch drama Cromwell, haar enige poging tot toneelwerk. Wel bewaard bleef het typoscript van de roman Flucht nach oben (1933), die pas in 1999 in druk verscheen en waarin een Alpenlandschap het decor is voor een thematiek van ontworteling en eenzaamheid.

Iemand uit haar kring, de kunstenaar Ricki Hallgarten,[40] pleegde in mei 1932 zelfmoord aan de vooravond van een grote autotocht die ze gevieren met Klaus en Erika Mann zouden maken naar Voor-Azië. Het was de eerste keer dat ze rechtstreeks met de dood werd geconfronteerd.[41] Voor de aangeslagen Klaus en 'Miro' was dit aanleiding tot verhoogde drugsconsumptie, tot ergernis van Erika. De reis ging niet door, maar het drietal ging wel naar Venetië en later dat jaar naar Zweden en Finland. Dat laatste inspireerde Klaus Mann tot de roman Flucht in den Norden (1934).[42] In het hoofdpersonage, de jongensachtige 'Johanna', portretteerde hij Annemarie Schwarzenbach.[28] Zijzelf schreef Finnländische Reiseaufsätze, die ze in oktober 1932 voorlas voor de Zwitserse radio.[21]

Politiek[bewerken]

Grootvader Ulrich Wille.

Ze werd in deze periode ook politiek bewust. In de ontwikkeling van haar denken speelde haar contact met de linkse Franse journalist Claude Bourdet[43] een rol. Ze kende hem doordat hij ook in Zürich gestudeerd had. Zij onderhield met hem een geregelde correspondentie van 1931 tot 1938.[44] Ze keerde zich sterk tegen het fascisme dat in Duitsland in opkomst was. Al toen ze in Zürich studeerde had ze felle kritiek geuit op fascistische tendensen die ze meende waar te nemen in de opvattingen en stijl van de invloedrijke theoloog Emil Brunner, wiens colleges ze volgde.[45]

Door haar levensstijl en haar politieke overtuiging kreeg ze een steeds slechtere verstandhouding met haar conservatieve familie, die na verloop van tijd toch al een afkeer had gekregen van haar drugsgebruik en van de openlijkheid van haar gedrag als lesbienne (althans zonder de façade van een burgerlijk gezinsleven). Annemaries grootvader Ulrich Wille had zich 'Deutschfreundlich' getoond als opperbevelhebber van het neutrale Zwitserse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Diverse familieleden, onder wie haar moeder,[46] sympathiseerden met de fascistische Schweizerische Frontenbewegung. Annemaries oom, 'Oberstkorpskommandant' Ulrich Wille junior,[47] streefde zelfs zeer openlijk naar aansluiting van Zwitserland bij nazi-Duitsland, was bevriend met Rudolf Hess en had regelmatig contact met Adolf Hitler, Joseph Goebbels en Heinrich Himmler. Annemarie Scharzenbach zelf telde onder haar vrienden vele Joden en Duitse ballingen en bleef haar leven lang fel antifascistisch. Het was een voorname maar niet de enige oorzaak van talloze heftige conflicten tussen de dominante moeder en haar lievelingsdochter.[48]

1933 tot 1935[bewerken]

Reizen[bewerken]

In de jaren na de nazi-machtsovername in 1933 kon zij haar levensstijl in Berlijn niet voortzetten. De belangstelling voor haar eerste romans ebde weg onder invloed van de politieke gebeurtenissen. Ze raakte depressief en probeerde dat met steeds meer verdovende middelen te bestrijden. Waarschijnlijk mede om aan de druk van haar Hitler-gezinde familie te ontsnappen ging ze rusteloos op reis, vaak samen met Klaus Mann of de Duits-Joodse fotografe Marianne Breslauer,[49] die ze via Ruth Landshoff had leren kennen.

Breslauer was door haar gefascineerd en schreef later over Annemarie: "Ze was het mooiste wezen dat ik ooit ontmoet heb. Ze was geen man en geen vrouw, maar een engel, een aartsengel".[50] Marianne Breslauer heeft haar talloze malen gefotografeerd, waarbij in het bijzonder een portretfoto uit 1931 legendarische status heeft gekregen.[51] Daarop wordt Annemarie Schwarzenbach recht van voren getoond met een geraffineerde wisselwerking van licht en schaduw, als een jongen, kortharig, met een koele blik waarin velen een ondefinieerbare triestheid menen te herkennen.[52] Het is deze foto die rond 1987 werd herontdekt als Breslauers meesterwerk en mede daardoor de Schwarzenbach-revival in gang zette.

Breslauer en Schwarzenbach maakten in het voorjaar van 1933 hun eerste gezamenlijke reis naar de Spaanse Pyreneeën. Voor Annemarie Schwarzenbach betekende dit het begin van haar carrière als reisjournaliste en fotografe. Diverse Zwitserse tijdschriften waren bereid haar reportages te plaatsen. Ze leerde van Marianne Breslauer - die André Kertész en Erich Salomon bewonderde en lessen had gevolgd bij Man Ray - de uitgangspunten van de Nieuwe Fotografie. Verdere reizen voerden hen naar Italië, Scandinavië en diverse landen in het Midden-Oosten, in het bijzonder Iran. Toen Breslauer als Joodse na hun terugkomst moeilijkheden kreeg bij het publiceren van haar foto's in Duitsland, trok Schwarzenbach daaruit de conclusie dat ze solidair moest zijn met kunstenaars die te lijden hadden van de maatregelen van de Duitse nationaalsocialisten. Ze besloot haar kapitaal voor hen in te zetten. Het behoort tot de paradoxen van haar leven dat de familie haar altijd financieel is blijven ondersteunen.

Eerste nummer uit 1933 van Die Sammlung.

Die Sammlung[bewerken]

In de jaren 1933-1935 was zij de initiatiefneemster en de voornaamste financier van het literair tijdschrift voor Duitse Exilliteratuur Die Sammlung,[53] dat een podium bood aan auteurs die in nazi-Duitsland niet meer mochten publiceren. Het verscheen onder redactie van Klaus Mann bij Querido Verlag, de Duitstalige afdeling van Em. Querido's Uitgeverij in Amsterdam die onder leiding stond van Fritz Landshoff.[54] Aan het blad, dat openstond voor auteurs van allerlei politieke richtingen, werkten grote namen mee als Alfred Döblin, René Schickele, Stefan Zweig, Arnold Zweig, Joseph Roth, Max Brod, Berthold Brecht en Ernst Bloch. Het comité van aanbeveling werd gevormd door André Gide, Aldous Huxley en Klaus Manns oom Heinrich Mann.

Annemarie Schwarzenbach betaalde de auteurs uit eigen middelen, maar leverde zelf nauwelijks bijdragen.[55] Haar vader zou haar onder druk gezet hebben om niet in het blad te publiceren.[14] Volgens een andere visie was Klaus Mann beducht dat hem zou worden verweten dat de voornaamste geldschieter zich een plaats kocht in het blad. Die Sammlung moest na twee jaar door politieke meningsverschillen en het afhaken van de meeste abonnees worden opgeheven. Van de 2000 abonnees van het begin waren er nog 400 over. Klaus Mann werkte voornamelijk pro Deo en het kapitaal van Annemarie Schwarzenbach was niet onuitputtelijk. Als gevolg van haar deelname aan het tijdschrift werd de toegang tot Duitsland haar ontzegd.

Sils im Engadin[bewerken]

Vanaf 1934 was het dorp Sils-Baselgia de thuisbasis.

Vanaf juli 1934 huurde Schwarzenbach een huis, het Chesa Jäger in Sils-Baselgia in het Oberengadin (kanton Graubünden) om zich in alle rust te kunnen terugtrekken. Bij al haar reizen bleef het de thuisbasis waarnaar ze steeds bleef terugkeren en waar ze in 1942 zou sterven. Tot de regelmatige gasten behoorden - naast Klaus en Erika Mann - ook hun vader Thomas Mann die in 1933 was uitgeweken van München naar het Zwitserse Küsnacht, en hun broer Golo Mann. Ze maakte vaak fietstochten in de omgeving.

Toch vond zij niet de innerlijke rust die ze zocht. Wegens haar toenemende verslaving en psychische problemen was ze jarenlang in therapie bij de gerenommeerde psychiater Oscar Forel,[56] oprichter van de privékliniek Les Rives de Prangins in het dorp Prangins aan het Meer van Genève, waar tal van prominenten uit heel Europa zich lieten behandelen. Hij stelde vast dat ze zich in haar talrijke liefdesaffaires gedroeg als een Don Juan en identificeerde haar extreme binding aan haar moeder enerzijds en aan Erika Mann anderzijds als het centrale probleem.[57]

In Rusland nam ze met Klaus Mann deel aan het eerste schrijverscongres van de Sovjet-Unie, dat in augustus 1934 in Moskou georganiseerd werd door de Bond van Sovjetschrijvers. Het socialistisch realisme dat de Sovjets van schrijvers verlangden was niet aan haar besteed, maar ze maakte wel haar ouders razend met een brief waarin ze hen confronteerde met haar in Moskou opgedane antikapitalistische overtuiging.[10] Ze deed er ook veel nuttige contacten op. De Duitse schrijver Oskar Maria Graf observeerde haar daar als "een schrijvende miljonairsdochter uit Zwitserland, die voor de lol en, waarschijnlijk om zich interessant te maken, drukke omgang had met belangrijke mensen en grote reizen maakte."[58]

Der Falkenkäfig[bewerken]

In dezelfde jaren reisde ze opnieuw naar het Midden-Oosten en nam deel aan archeologische opgravingen in Syrië en Iran. De archeologie boeide haar zo, dat ze overwoog hiervan haar vak te maken.[59] Over haar ervaringen in dat gebied schreef ze dagboeknotities (Winter in Vorderasien) en een achttiental verhalen die ze wilde uitgeven onder de titel Der Falkenkäfig.[60] Ondanks positieve reacties van diverse uitgevers (onder wie Landshoff) en actieve hulp van onder anderen Klaus Mann en Stefan Zweig lukte dat echter niet.[61] Pas in 2008 verschenen veertien van deze "traurige Stückchen"[62] postuum onder de titel Bei diesem Regen.[63] De manuscripten van de overige vier verhalen, waaronder het beoogde titelverhaal Der Falkenkäfig, zijn onvindbaar.

Het thema van veel van deze vertellingen is de vergeefse droom van westerlingen die naar het Midden-Oosten zijn gereisd op zoek naar geluk of op de vlucht voor de politieke situatie, maar ook daar niet ontkomen aan sociale problemen en de invloed van de nazi's. Schwarzenbachs verhalen - die invloed van Ernest Hemingway verraden - markeren een sprong voorwaarts in haar ontwikkeling als literair auteur. Als een hoogtepunt van beeldende kracht beschouwen critici Die Mission, waarin de auctoriële verteller als in een reportage verslag doet van de Assyrische genocide door de Jonge Turken in het Ottomaanse Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog.[64]

Die Pfeffermühle[bewerken]

In de herfst van 1934 traden Klaus en Erika Mann met hun antifascistische cabaret 'Die Pfeffermühle'[65] op in Zürich. Dit veroorzaakte zoveel oproer van Zwitserse nationaalsocialisten, dat alleen onder politiebewaking kon worden opgetreden. Een van de stenen des aanstoots was een bedekte toespeling op Annemaries oom Ulrich Wille junior, de omstreden 'Oberstkorpskommandant' die Zwitserland wilde aansluiten bij nazi-Duitsland. Toen ze na terugkomst uit Iran ervoer wat er aan de hand was, schreef ze een felle verdediging van het cabaret in de Zürcher Post.[66] Dit leverde een nieuw heftig conflict op met de familie, temeer omdat familieleden bij de acties betrokken waren. Haar neef James Schwarzenbach[67] had het tumult georkestreerd en zou dit gedaan hebben op instigatie van zijn tante Renée Schwarzenbach-Wille, die Erika Mann een grondige haat toedroeg omdat ze haar dochter zou hebben "afgepakt".[68][69] Er wordt verband gelegd tussen deze kwestie en de zelfmoordpoging, haar eerste, die Annemarie Schwarzenbach in januari 1935 deed. Ze kon niet verdragen dat Erika en mogelijk ook Thomas Mann nadeel zouden ondervinden van acties die met haar samenhingen. Hoewel die haar niet te verwijten waren, bespeurde ze afwijzing in de houding van Erika, die haar de gebeurtenissen kwalijk nam.[70][31] Bovendien had Alfred Schwarzenbach verkondigd dat het moment nabij was waarop hij zijn drugsverslaafde dochter zou verstoten.

1935 tot 1940[bewerken]

Huwelijk[bewerken]

In een poging haar leven te normaliseren trouwde ze in mei 1935 - tot verbazing van haar omgeving - in Beiroet met de in Teheran werkzame Franse diplomaat Claude-Achille Clarac,[71] waardoor ze de Franse nationaliteit verkreeg. Met haar diplomatieke paspoort kon ze nu vrijer reizen. Omdat beiden homoseksueel waren, was dit te beschouwen als een gelegenheidshuwelijk. Eerder had zij de biseksuele Klaus Mann gevraagd met haar te trouwen, maar daarop was hij niet ingegaan. Ook Claude Bourdet had ze gevraagd. Hij wilde graag, maar aarzelde wegens familieomstandigheden. Beiden waren verbaasd door de aankondiging van het huwelijk met Clarac. Om te benadrukken dat de verstandhouding met de familie goed was, accepteerde ze een witte bruidsjurk van de Parijse modeontwerpster Vera Borea[72] en liet ze zich door haar moeder wegbrengen naar de boot in Triëst.[6]

Het Lārdal bij de berg Damāvand, inspiratiebron voor Tod in Persien en Das glückliche Tal.

Ze woonde enige tijd met Claude Clarac in Teheran. In de zomer ontvluchtten ze de hitte van de stad en verbleven in het Lārdal aan de voet van de berg Damāvand. Ze verwerkte haar impressies in Tod in Persien, dat ze later in Zwitserland zou voltooien. Het landschap, de bevolking en de rijke historie van Perzië fascineerden haar, maar het verblijf bracht haar tot wanhoop en daardoor ook weer aan de morfine. Haar depressie werd aangewakkerd door een heftige liefde voor de doodzieke tuberculeuze dochter van de Turkse ambassadeur in Teheran,[6] die model stond voor het meisje 'Jalé' in Tod in Persien en Das glückliche Tal.

Ze kende Clarac nog maar enkele maanden. Hij was niet de geschikte echtgenoot voor haar. Hij was een montere man, die met beide benen op de grond stond en van haar problemen niets begreep. Ze noemde hem "een schooljongen".[73] Dit huwelijk - gesloten om los te komen van haar ouders - beschreef ze later ook als een poging om een normaal leven te leiden in een 'kring' met eigen vertrouwde gewoonten.[74] Dat lukte niet, maar wel kreeg ze een verhouding met Claracs vroegere verloofde, de Amerikaanse Barbara Hamilton-Wright, die een zekere mate van stabiliteit bracht. Hoewel ze in de loop der tijd wel eens overwoog te scheiden omdat dit huwelijk niets voorstelde - ze zagen elkaar soms in geen jaren - kwamen Clarac en zij tot de conclusie dat ze elkaar daarvoor toch te graag mochten.[6]

Lorenz Saladin

In 1937 was ze weer in Moskou, nu om onderzoek te doen naar de dood van de Zwitserse bergbeklimmer Lorenz Saladin,[75] die een jaar eerder in Kirgizië was verongelukt. Ze had Saladins verslagen in de kranten gevolgd en was onder de indruk van zijn foto's. Zijn positieve levenshouding fascineerde haar, evenals het zelfvertrouwen waarmee hij problemen tegemoet trad. Daarmee leek zijn karakter sterk van het hare te verschillen. Wel herkende ze haar eigen antifascistische overtuiging in zijn krachtige politieke stellingname, die in niets leek op de geïsoleerde neutraliteit die hun vaderland Zwitserland nastreefde. Voor haar werd het een persoonlijke en ideologische erezaak om Saladins erfenis voor het nageslacht vast te leggen. De contacten die ze bij het congres in 1934 had gelegd wierpen nu vruchten af, want de Sovjets waren bereid Saladins documentatie voor haar te openen. De neerslag hiervan verscheen in de vorm van een uitgebreide biografie onder de titel Lorenz Saladin: Ein Leben für die Berge. Met een voorwoord van de gerenommeerde Zweedse ontdekkingsreiziger Sven Hedin[76] werd het haar meest succesvolle boek, dat al snel was uitverkocht.[77]

Reportages[bewerken]

Op het gebied van reisverhalen en fotografie had ze inmiddels een professioneel hoog niveau bereikt. Door de vernieuwende collage-achtige vorm ontkwamen haar reportages aan het clichéstramien van tekst met afbeeldingen. Ze werden gepubliceerd in Zwitserse kranten en tijdschriften zoals de Schweizer Illustrierte Zeitung (SIZ),[78] de Neue Zürcher Zeitung (NZZ) en de in Bazel gevestigde National-Zeitung.[79] De camera was voor de moderne generatie het middel bij uitstek om het eigentijdse leven weer te geven. Een belangrijk hulpmiddel was daarbij de luxe automobiel, die de moderne reiziger gebruikte als symbool van de nieuwe vrijheid.[80] Op foto's van Annemarie Schwarzenbachs Oriëntreizen is haar auto vaak in beeld, waarbij de kameel het contrast tussen twee werelden laat zien. Voor haar symboliseerde het reizen echter vooral de onophoudelijke zoektocht naar het eigen bestaan.[81]

Haar reisverslagen verschenen in de SIZ als 'Auto-Abenteuer' met titels als Mein Ford und ich am Kyber-Pass en Vorderasiatische Auto-Anekdoten. Na verloop van tijd verlegde ze haar focus meer naar sociale fotografie. In 1937 en 1938 maakte ze fotoreportages waarin ze de opkomst van het fascisme in Europa liet zien, vooral in Oostenrijk na de Anschluss en Tsjecho-Slowakije. Ook kwam ze voor het eerst in de Verenigde Staten[82] en legde daar het leven van het arme bevolkingsdeel tijdens de Grote Depressie vast. Met Barbara Hamilton-Wright bezocht ze zowel de oostkust als de zuidelijke staten. Ze had in New York de fotocollecties van de Farm Security Administration[83] bestudeerd - met werk van onder anderen Dorothea Lange, Walker Evans, Gordon Parks en Ben Shahn - en dat gaf een kwaliteitsimpuls aan haar eigen fotografie.[84] Ze deed pionierswerk met foto's van de leefomstandigheden van de zwarte Amerikanen en met analyserende artikelen, bijvoorbeeld over de stad Knoxville (Tennessee).[85] Ze toonde daarbij een scherp inzicht in de racistische mechanismen die een rol speelden in de sociale verhoudingen[86] en was zich ook bewust van haar eigen positie als observerend journalist.[87] Deze reportages uit Zwitserse tijdschriften werden, inclusief foto's, in 1997 postuum gebundeld in Jenseits von New York.[88]

Erika Mann berichtte vanuit New York aan haar moeder Katia:[89] "Met Annemarie gaat het beter, maar omdat haar onbedachtzaamheid geen grenzen kent, zal ze spoedig weer alles verknoeid hebben".[90] De voorspelling kwam uit, want ondertussen had zich haar drugsgebruik tot een ernstige verslaving ontwikkeld. In 1938 en 1939 bracht zij maandenlang door in diverse ontwenningsklinieken in Samedan, Kreuzlingen en Yverdon. In laatstgenoemde kliniek, waar de behandelmethode niet repressief was zoals in de beide andere, kwam ze enigszins tot rust. Ze voltooide toen het boek Tod in Persien, gebaseerd op haar ervaringen in Iran. Het is pas in 1998 uitgegeven, maar in 1940 verscheen een omgewerkte versie onder de titel Das glückliche Tal, een verwijzing naar het Lārdal waar ze in 1935 met Claude Clarac geweest was. Het wordt beschouwd als haar meest indringende literaire werk, zowel door de atmosferische evocatie van landschap en bevolking van Iran als door de uiting van diepe persoonlijke emoties van de hoofdpersoon.

Afghanistan[bewerken]

In Kabul eindigde in 1939 de reis naar Afghanistan.

Met de Zwitserse (Franstalige) schrijfster en ethnologe Ella 'Kini' Maillart,[91] een zeer ervaren reizigster, reed ze in juni 1939 in een De Luxe Ford roadster van Genève via Turkije en Iran naar Afghanistan. Voor haar had deze reis ook een therapeutisch oogmerk, omdat ze net was afgekickt. Het uiteindelijke doel was Brits-Indië, maar toen in september de Tweede Wereldoorlog uitbrak, waren ze in Kabul. Zij werd daar ziek en Ella Maillart liet haar noodgedwongen in de steek, omdat ze niet opgewassen was tegen Schwarzenbachs neiging tot zelfdestructie. Al in Turkije en Iran was de reis bijna afgebroken omdat ze - tegen de uitdrukkelijke afspraak in - zich onderweg verdovende middelen had verschaft. Maillart heeft de reis in 1947 geboekstaafd onder de titel The cruel way.[92] Annemarie Schwarzenbach wordt daarin 'Christina' genoemd.[93] Zijzelf legde haar indrukken van deze reis vast in een aantal artikelen, feuilletons, reportages en verhalen, die postuum gebundeld zijn onder de titel Alle Wege sind offen.[94] Terwijl Maillart in laconieke stijl veel informatie verschaft over de reis, de moeilijkheden onderweg en de gebieden waar ze kwamen, is Schwarzenbachs proza impressionistischer en emotioneler. Delen uit de verslagen van beide auteurs zijn in 2001 in gefictionaliseerde vorm verfilmd onder de titel Die Reise nach Kafiristan / The Journey to Kafiristan.[95]

1940 tot 1942[bewerken]

Crisis in Amerika[bewerken]

Na haar herstel reed Schwarzenbach met de Ford geheel alleen van Kabul naar Bombay, waar ze de doorgereisde Ella Maillart nog een keer ontmoette en een boot naar Genua nam. Vandaar trok ze opnieuw naar de Verenigde Staten met haar vriendin Margot von Opel-Löwenstein - echtgenote van de tot de Opel-autofamilie behorende raketpionier Fritz von Opel[96] - die zich had voorgenomen haar af te leren in mannenkleren te lopen en daarom dure kleding van Parijse couturiers liet komen. Annemarie droeg die zonder er veel acht op te slaan. Het was haar vierde bezoek aan de VS. Ze verbleef enige tijd met Margot von Opel op Nantucket en daarna, net als Klaus en Erika Mann, in New York. Het was haar bedoeling zich permanent in de VS te vestigen, maar bij dit hernieuwde bezoek stelde Amerika haar teleur. Ze schreef: "Ik vertrouw de vrede hier niet, noch het democratische gehalte ervan".[97] Ze slaagde erin enkele opdrachten te verwerven van Amerikaanse kranten zoals The Washington Post, maar leverde toch voornamelijk reportages aan de Zwitserse pers. Ze zette zich in voor de Emergency Rescue Committee, de organisatie van Varian Fry die ballingen hielp die voor de nazi's naar de VS waren gevlucht. Ook was ze opnieuw een van de sponsors van Klaus Manns opvolger van Die Sammlung, het New Yorkse tijdschrift voor Exilliteratuur Decision,[98] dat in 1940-1941 slechts een jaar bestaan heeft.

Ze leerde de tien jaar jongere Carson McCullers kennen, wier debuutroman The Heart is a Lonely Hunter zij in diverse recensies gunstig besprak.[99] De door het sensationele succes van dat boek overdonderde McCullers, die psychisch even labiel was als zijzelf, ontstak in een obsessieve verliefdheid met een huwelijkscrisis als gevolg. "Ze had een gezicht waarvan ik wist dat het door mijn hoofd zou blijven spoken tot het eind van mijn dagen", herinnerde McCullers zich later, "prachtig, blond, met strak kort haar. Er was een uitdrukking van verdriet in haar gezicht die ik niet kon peilen".[100] Annemarie Schwarzenbach had zelf te veel problemen om de liefde van McCullers te kunnen beantwoorden.[101] Zij deed wel haar best om met de Amerikaanse schrijfster bevriend te blijven en bleef haar ook vanuit Europa schrijven, waarbij hun gedeelde visie op het schrijverschap het belangrijkste thema werd.[102] "Jij bent de enige schrijver die net zo denkt over de zwaarte van onze opdracht en ons werk, alsof we broeders waren - en dat zijn we", schreef ze.[103] McCullers droeg haar tweede roman Reflections in a Golden Eye op aan Annemarie Clarac-Schwarzenbach, die overwoog de Duitse vertaling te maken. Deze 'gay novel', die al voltooid was voordat de beide schrijfsters elkaar ontmoetten, veroorzaakte in de VS enige ophef bij publicatie in 1941.[104]

Schwarzenbach moest zich ook in de VS meermalen psychiatrisch laten behandelen wegens haar morfineverslaving en zware depressies. Dat in deze periode haar vader stierf maakte haar toestand er niet beter op. De inmiddels in New York wonende familie Mann gaf deze keer niet thuis.[105] Ze raakte in een diepe crisis. In haar conflictueuze liefdesaffaire met Margot von Opel had ze zelfs fysiek geweld gebruikt door een wurgpoging te doen. Ze werd opgenomen in een psychiatrische kliniek in Greenwich (Connecticut). Na een nachtelijke ontsnapping, waarbij ze - volgens één versie van het verhaal[106] - in nachthemd en op slippers New York weer bereikt zou hebben,[107] bracht de politie haar naar een staatskliniek met dwangverpleging. Ze had opnieuw een zelfmoordpoging gedaan. Begin 1941 werd ze - op voorspraak van haar broer Freddy[108] - uit de kliniek ontslagen op voorwaarde dat ze de VS onmiddellijk zou verlaten. Haar kans op een nieuw visum was daarmee verkeken.[109] Ze werd op een boot richting Portugal gezet.[6]

Afrika[bewerken]

Het rusteloos reizen ging door. Ze reisde van Lissabon door naar Belgisch-Congo en naar de Vrije Fransen in Midden-Congo, waar ze fotoreportages maakte en de gedichtencyclus Kongo-Ufer schreef. De reis werd bemoeilijkt door beperkingen die haar werden opgelegd. Haar paspoort van Vichy-Frankrijk werd als verdacht beschouwd en er ging een gerucht dat ze een Duitse spionne zou zijn. De neerslag van deze ervaringen - gecombineerd met de dramatische gebeurtenissen in Amerika - bevindt zich in het driedelige Das Wunder des Baums, een synthese van roman en reportage.[110] Zij beschouwde dit boek zelf als het beste wat ze geschreven had. Er zijn critici die het beschouwen als een teken van afname van haar creativiteit.[6] Anderen zien juist het zoeken naar nieuwe vormen als een bewijs van hervonden scheppingskracht.[111]

Het bezoek aan Tétouan in juni 1942 leidde tot de poëziecyclus Aus Tétouan.

In mei 1942 was ze terug in Lissabon, waar ze een kortstondige maar vertrouwelijke vriendschap had met de Duitse journaliste Margret Boveri,[112] die in de VS geïnterneerd was geweest en op de terugweg was naar Duitsland, waar ze ook onder het naziregime zou blijven publiceren. Boveri waardeerde haar als persoon, maar gaf later te kennen dat ze haar literaire werk, waarvan ze Das glückliche Tal had gelezen, te veel ik-gericht en te weinig algemeen-menselijk vond.[113] Tegenover visies als die van Boveri staat recent literatuuronderzoek dat aandacht heeft besteed aan de complexe verwevenheid van het geslachtelijk onbepaalde 'ik' met het 'collectieve' in de vertelsituatie van deze roman.[114][115]

Uit Schwarzenbachs aansluitende bezoek aan haar echtgenoot Claude Clarac, inmiddels consul van Frankrijk in Tétouan in Spaans-Marokko, kwam de gedichtencyclus Aus Tétouan voort. Hoewel Claracs gezelschap haar ontspannen had en ze genoten had van de omgeving,[116] is de toon van deze poëzie uitgesproken mistroostig.

Een maand later, in juli 1942, bereikte ze weer het neutrale Zwitserland. Het leek erop dat ze de diepe crisis die ze in Amerika had doorgemaakt, te boven was gekomen. Zelfs met haar moeder leek het tot een verzoening te komen. De voor de nazi's uitgeweken Duits-Joodse actrice Therese Giehse,[117] bekend van 'Die Pfeffermühle', verbleef die zomer bij haar in het Chesa Jäger. Annemarie werkte koortsachtig aan het prozagedicht Marc. Deze onvoltooide omwerking van Das Wunder des Baums is pas in 2012 gepubliceerd als onderdeel van de bundel Afrikanische Schriften. De morfineverslaving leek al een jaar onder controle en een erfenis van haar grootmoeder Schwarzenbach stelde haar in de gelegenheid het gehuurde Chesa Jäger te kopen. Ze vroeg Die Weltwoche[118] om een correspondentschap in Lissabon en maakte plannen voor weer een bezoek aan Clarac in Marokko, maar het liep anders.

Einde[bewerken]

Waterval bij Sils im Engadin, het gebied waar Annemarie Schwarzenbach op de fiets verongelukte.

Op 7 september 1942 fietste ze in Engadin uit bravoure met losse handen. Een vriendin had haar uitgedaagd met de woorden: "Jullie Zwitsers kunnen helemaal niet fietsen!". Ze viel en kwam met haar hoofd op een scherpe steen terecht. Het gevolg was een coma van drie dagen, waaruit ze ontwaakte zonder iemand te herkennen. Haar schedelfractuur werd door een verkeerde diagnose niet goed behandeld. Men zag haar hersenletsel aan voor een symptoom van schizofrenie. Daardoor kwam ze terecht in de psychiatrische privékliniek Les Rives de Prangins, die geleid werd door haar eigen therapeut Oscar Forel. Daar werden haar elektroshocks en insuline-injecties toegediend. Tevens kreeg ze dagelijkse doses morfine, het verdovende middel waarvan ze na veel inspanning juist al een jaar 'clean' was geweest.

In de kliniek werd bezoek niet toegestaan, met het argument dat ze te onrustig was, niets meer wist, niemand herkende en over de grond kroop "als een dier". Ook haar echtgenoot Clarac, die was gearriveerd zo snel als de oorlogsomstandigheden dat mogelijk maakten, werd te verstaan gegeven dat hij niet kon worden toegelaten. Forels suggestie dat hij zijn zieke vrouw, zonder verdere behandeling, meteen mocht meenemen naar Tétouan wees hij verontwaardigd af. In een brief van 5 oktober 1942 liet hij de beslissing over Annemaries toekomst over aan Renée Schwarzenbach. [10]

Haar moeder haalde haar weg uit Prangins en bracht haar via het landgoed Bocken over naar Sils. Tussen het ongeluk en haar dood heeft niemand buiten de familie en het medisch personeel haar nog gezien. Aan haar sterfbed in het Chesa Jäger liet haar moeder Renée geen van haar vrienden toe. Er is wel een foutloos handgeschreven briefje bewaard gebleven met onder meer de zin: "Mama heeft me uit het helse Prangins gehaald, waar mevrouw dr. Favez[119] heel aardig was, maar alle, alle anderen verschrikkelijk waren".[120]

Haar toestand ging zo snel achteruit dat ze niet meer te redden was. De behandelend arts liet openlijk de term euthanasie vallen.[10] Volgens haar moeder en haar grootmoeder Clara Wille-Von Bismarck was ze in haar laatste dagen "lief, aanhankelijk en dankbaar".[6] Annemarie Schwarzenbach stierf op 15 november 1942. Haar urn werd bijgezet in het familiegraf op de begraafplaats van Horgen. De plechtigheid was een familieaangelegenheid, waarbij haar vrienden op afstand werden gehouden.[121]

Moeder en dochter[bewerken]

Na haar dood verbrandde haar moeder haar omvangrijke dagboeken en correspondentie en negeerde daarmee het testament dat Annemarie in 1938 had laten opmaken.[122] Niet duidelijk is of Renée Schwarzenbach dit deed om familiegeheimen te verbergen of om de nagedachtenis van haar dochter - in haar ogen - te beschermen. Het gevolg is dat de later uitgegeven jarenlange briefwisselingen met vrienden, literatoren en politieke medestanders - onder wie Klaus Mann, Erika Mann, Karl Vollmoeller, Claude Bourdet, Carl Jacob Burckhardt, Otto Kleiber,[123] Albrecht Haushofer[124] en Erich Maria Remarque - slechts Annemaries kant van het verhaal laten zien en niet die van haar correspondenten. Haar manuscripten en fotografisch werk[125] werden door haar vriendin Anita Forrer gered en berusten in het Schweizerisches Literaturarchiv in Bern.[126] Een aantal manuscripten van voor 1930 werd na de dood van Annemaries zuster Suzanne Öhman-Schwarzenbach in 1999 aan het archief toegevoegd.

Toch heeft Renée Schwarzenbach-Wille de levensweg van haar opstandige dochter nauwgezet gedocumenteerd in de fotografische kroniek van het familieleven die ze tientallen jaren heeft bijgehouden.[46] De collectie omvat 10.000 foto's.[127] Zelf heeft Annemarie haar psychische problemen altijd toegeschreven aan de druk die haar conservatieve, met de nazi's heulende familie op haar uitoefende, terwijl zij zelf de nazi's haatte. Renée, een niet onverdienstelijk amateurfotografe, is vrijwel alleen nog bekend als de tyrannieke moeder van Annemarie Schwarzenbach. In een voor haar psychiater geschreven zelfanalyse schreef de dochter in 1935 over haar: "Ze is helemaal goed en helemaal slecht, en ze redeneert zoals het in de Bijbel staat ja ja en nee nee. Ze is 'primitief', omdat ze haar mening als absoluut beschouwt, maar ze is gecompliceerd omdat ze immers lijdt. Ze lijdt bijvoorbeeld aan mij. En dan is ze hulpeloos. (...) Mijn mama is alleen hart, impuls, reactie. Dit laatste woord bewijst: ze is ook slachtoffer. En hieruit komt mijn medelijden voort. Toen ze me zei dat ze een verloren artfremde[128] dochter had, huilde ik uit medelijden - niet omdat ze me verloren noemde".[129]

Postuum[bewerken]

'Schwarzenbach-Kult'

Tijdens haar leven was haar naam niet onbekend bij het Duitstalige lezerspubliek. Ze was de meest gelezen reisjournaliste van Zwitserland, maar na haar dood werd Annemarie Schwarzenbach snel vergeten. Haar boeken waren - voorzover uitgegeven - niet meer verkrijgbaar, de tijdschriftreportages waren onvindbaar en veel documenten waren vernietigd. Het duurde 45 jaar voordat er weer belangstelling voor haar kwam, maar die nam vervolgens explosieve vormen aan. Sinds 1987 zijn vele van haar werken herdrukt of voor het eerst uitgegeven. Inmiddels is er "in de Zwitserse literatuur van de laatste 100 jaar nauwelijks een schrijver - en al helemaal geen schrijfster - over wie meer onderzocht, geschreven en gepubliceerd is dan over Annemarie Schwarzenbach", zo werd in 2008 opgemerkt bij de herdenking van haar 100ste geboortedag.[130] In dat jaar trok een aan haar gewijde tentoonstelling in het literatuurmuseum Strauhof in Zürich tweemaal zoveel bezoekers als vergelijkbare exposities over literaire reuzen als Berthold Brecht en Elias Canetti.[131] Van de Zwitserse vrouwelijke auteurs zou alleen Johanna Spyri, de 19e-eeuwse geestelijke moeder van Heidi, nog beroemder zijn, aldus een ironische visie op de "Schwarzenbach-Kult".[132]

De fascinatie richtte zich allereerst op de vele foto's die Marianne Breslauer[133] gemaakt had van haar androgyne uiterlijk - vooral het beroemde portret uit 1931[51] - en op haar positie van zich emanciperende vrijgevochten vrouw. Hierdoor werd Annemarie Schwarzenbach met terugwerkende kracht een stijlicoon en rolmodel. Dat ze met haar jongenskapsel ('Bubikopf') en mannenkleren postuum een cultfiguur werd - ook voor modeontwerpers in de 21e eeuw[134] - is mogelijk mede beïnvloed door de getuigenissen van haar magnetische persoonlijkheid en de bijna kritiekloze verering door vele tijdgenoten in haar omgeving. Marianne Breslauer had haar "een engel, een aartsengel" genoemd en ook twee Nobelprijswinnaars, Thomas Mann en Roger Martin du Gard, hadden het beeld van een 'troosteloze' of 'ontroostbare' engel opgeroepen.[135] Zulke uitingen droegen bij aan de bijna mythische status die de Zwitserse schrijfster postuum kreeg.

Literatuurwetenschap

De bemoeienissen van literatuurwetenschappers met Annemarie Schwarzenbach hebben zich lange tijd vooral geconcentreerd op de biografische aspecten: haar turbulente leven, haar extravagante levensstijl, haar vele grote reizen, haar liefdesaffaires met talloze vrouwen en enkele mannen, haar houding tegenover het nazisme, haar verslaving, haar psychoses, de problemen met haar Duitsgezinde familie, de haat-liefdeverhouding met haar moeder, haar connecties met de familie Mann en met Carson McCullers en haar voorliefde als 'Selbstfahrerin' voor snelle auto's. Hierbij speelt een rol dat haar fictionele teksten vaak parallel lijken te lopen met de biografie.[136] De innerlijke monologen van haar romanfiguren lijken haar eigen gedachten te weerspiegelen. Schwarzenbach-vorser Walter Fähnders is van oordeel dat sommige onderzoekers het onderscheid tussen ik-verteller en auteur in het geval van deze schrijfster uit het oog verliezen.[137] Anderen hebben daar minder moeite mee en spreken van "semi-fictionele teksten".[138] Kennis van haar levensloop zou de fictie toegankelijker maken.[6]

De laatste jaren is het accent verlegd van de biografie naar inhoudelijke analyses van haar literaire en journalistieke teksten en haar 5000 foto's, om zo te komen tot een scherpere beschouwing van haar gevarieerde oeuvre. Dat was sinds 1998 diverse malen het onderwerp van een 'Schwarzenbach-Tagung'. Ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag werd in Zürich, Berlijn en München een tentoonstelling ingericht en werd in oktober 2008 in Sils een vierdaags congres georganiseerd. Tot de thema's behoorden - naast een positiebepaling in de literatuur van haar tijd - ook Schwarzenbachs nagelaten ongepubliceerde werk uit haar laatste levensjaren, alsook haar fotografisch oeuvre.[137]

In het Nederlands taalgebied is de naam Annemarie Schwarzenbach nauwelijks bekend. Haar bemoeienissen met het in Amsterdam uitgegeven tijdschrift Die Sammlung hebben enige aandacht getrokken, al wordt daaraan vooral de naam Klaus Mann verbonden. Aan de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel is literatuurwetenschappelijk onderzoek naar haar werk gedaan. In Maastricht werd in 2012 een korte filosofiecursus aan haar gewijd. Pas in 2013 verscheen voor het eerst een van haar werken in Nederlandse vertaling: het kleine, literair nog onvolgroeide maar voor een goed begrip essentiële Een vrouw zien.[22]

Evaluatie[bewerken]

Beeld en werkelijkheid

Annemarie Schwarzenbach was een uitzonderlijke verschijning in de eerste helft van de twintigste eeuw. Ze wordt vaak beschreven als een globetrotter ('Weltenbummlerin'), een onafhankelijke en eigengereide avonturierster die over de wereld zwierf, een bloedstollend mooie, sigaretten rokende automobiliste, een vrijgevochten pionier voor de emancipatie van de moderne vrouw, een androgyne voorvechtster van het lesbische leven, een onverschrokken strijdster tegen het nazisme, een 'freie Geist' in de voetsporen van Nietzsche, wier leven "geheel in het teken stond van het zoeken naar vrijheid, humaniteit en authenticiteit".[139]

Dat is één kant van de medaille. Haar korte leven stond evenzeer in het teken van een obsessieve, hunkerende zoektocht naar liefde en geborgenheid. Ondanks een druk sociaal leven was ze eenzaam en onzeker. Als alternatief voor de pressie die haar dominante moeder uitoefende klampte ze zich vast aan de aanbeden Erika Mann, die daar steeds minder van gediend was. Ze was labiel, diep ongelukkig, zwaar verslaafd en door haar roekeloze levensstijl en excessieve gedrag vaak een gevaar voor zichzelf en soms voor anderen. Voor zelfrelativering was in haar denken geen plaats. Ze verloor op tragische wijze de strijd met het zelfgenoegzame, benauwende milieu waaruit ze voortkwam en waarvan ze zich probeerde te bevrijden, maar waarvan ze zelf een onlosmakelijk deel was.

Werk

Ondanks haar voortdurende psychische problemen, ernstige alcohol- en morfineverslaving en steeds terugkerend doodsverlangen was Annemarie Schwarzenbach bijzonder productief. Hoewel ze slechts 34 jaar oud werd, heeft ze - naast haar literaire boeken en manuscripten - tussen 1933 en 1942 ongeveer 170 artikelen en 50 fotoreportages gepubliceerd. Haar nalatenschap omvat in totaal bijna 300 titels. In haar collage-achtige reportages en reisverhalen bereikte ze door haar trefzekere en indringende observaties een hoog niveau. Ook als fotografe toonde ze een scherpe blik en sociale belangstelling voor de onderkant van de samenleving. In haar werk komt mededogen tot uiting met de verdrukte medemens, waarbij ze ondubbelzinnig stelling nam tegen racisme, uitbuiting en fascisme. Ze heeft een waardevolle bijdrage geleverd aan het genre en daarbij - in de rol van geëngageerd observator aan de zijlijn - de politieke en maatschappelijke problemen aanschouwelijk gemaakt waarmee mensen in de jaren dertig werden geconfronteerd. Voor veel beschouwers is dit het deel van haar werk - de reportages en foto's - dat blijvende waarde heeft.[33]

Voor haar bellettrie kreeg ze minder erkenning. Deels hing dat samen met het feit dat ze in nazi-Duitsland persona non grata was. Ook bij de Exilliteratuur kreeg ze ondanks haar vele contacten geen echte aansluiting omdat ze uit het vrije Zwitserland kwam. Maar ook in haar eigen land bleef een doorbraak uit. Veel van haar boeken werden tijdens haar leven niet uitgegeven en verschenen pas een halve eeuw na haar dood.

De bewonderde Stefan George

Haar literaire romans en verhalen bieden - naast treffende en sfeervolle evocaties van de landen waar ze zich afspelen - vooral inzicht in persoonlijke problemen, maar raken volgens sommige critici niet altijd een universele kern. Men heeft dat wel verklaard uit het feit dat ze in een welgesteld milieu was opgegroeid. Ook bevriende tijdgenoten als Margret Boveri, Ruth Landshoff-Yorck en Klaus Mann constateerden dat de vele problemen van haar romanfiguren niet veroorzaakt werden door zorgen om het dagelijks brood. Het sterke sociale bewustzijn dat prominent is in haar reportages bracht ze niet over naar haar fictie. In haar eigen literaire opvatting is het individu in de eerste plaats de drager van een filosofische gedachte, vandaar de vele innerlijke monologen. Voor veel hedendaagse lezers staan haar personages juist model voor de problemen van de ontwortelde moderne mens zonder houvast. Daarnaast is in haar literatuur de dreigende politieke atmosfeer van het interbellum zeer aanwezig. De literatuurwetenschap sinds 1990 heeft in de structuur, gelaagdheid en thematiek van haar romans en verhalen vele aanknopingspunten voor diepgaand onderzoek gevonden.

Haar door Stefan George beïnvloede literaire schrijfstijl - minder zakelijk en 'modern' dan die van haar journalistieke werk - kenmerkt zich door lange, gecompliceerde zinnen met veel gedachtestreepjes en tussenzinnen. Ze maakt veel gebruik van stijlfiguren als opsomming, herhaling en parallellisme. Vaak balanceert de 'muzikaliserende' zinsbouw tussen proza en poëzie, als een vloeiende, lyrische stream of consciousness waarbij de ik-verteller - die in veel gevallen geen duidelijke genderidentiteit heeft - door herformuleringen en nuanceringen de meest rake bewoordingen lijkt te willen kiezen.

Schwarzenbachs meest persoonlijke uiting Das glückliche Tal geeft - tegen een exotisch orïentaals decor - de worsteling weer met emoties als eenzaamheid, onstilbaar verlangen naar liefde, knellende haat-liefdeverhoudingen met familie, opstand tegen de afkomst en de burgerlijke moraal, heimwee, vrijheidsdrang, angst voor het leven, verlangen naar de dood. Van deze thema's lijken de angst voor de eenzaamheid en de hunkering naar geborgenheid het meest overheersend. Deze thematiek beheerst al het literaire werk, van Eine Frau zu sehen en Freunde um Bernhard tot aan Das Wunder des Baums en Marc.

Citaten[bewerken]

Aanhalingsteken openen
Reizen
  • Unser Leben gleicht der Reise … und so scheint mir die Reise weniger ein Abenteuer und Ausflug in ungewöhnliche Bereiche zu sein, als vielmehr ein konzentriertes Abbild unserer Existenz. — Die Steppe (1939). In: Orientreisen.
  • Reisen ist Aufbrechen ohne Ziel, nur mit flüchtigem Blick umfängt man ein Dorf und ein Tal, und was man am meisten liebt, liebt man schon mit dem Schmerz des Abschieds. — Insel Europa (1936).
Amerika
  • Am steilen Abhang stehen Häuser, lichtlos und leblos wie Kulissen, kein Feuer in den Kaminen, die Türen verschlossen. Hier wohnt niemand, möchte man denken – hier kann niemand wohnen. Blasse Kinder spielen unter den Pfeilern der Brücke, klettern im Stahlgerüst, gedeihen im Schatten. Negerburschen, dünn und schlotternd in ihren zu leichten Kleidern. — Auf der Schattenseite von Knoxville (1938).[85] In: Jenseits von New York.[88]
  • Wir machten Photos, es war peinlich, diesen Haufen Elend als 'Sujet' zu benützen. Aber Pate sagte zu Mrs. J.: "They do it for the right purpose, it's going to help". 'Dokumentar-Photographie' nennt man das. Realität, Beweis - aber wie, wenn die Leute selbst ihre Lage nicht realisieren? — Lumberton. Notizen (1938). In: Jenseits von New York.[88]
Vrouwenliefde
  • Eine Frau zu sehen: nur eine Sekunde lang, nur im kurzen Raum eines Blickes, um sie dann wieder zu verlieren, irgendwo im Dunkel eines Ganges, hinter einer Türe, die ich nicht öffnen darf - aber eine Frau zu sehen, und im selben Augenblick zu fühlen, dass auch sie mich gesehen hat, dass ihre Augen fragend an mir hängen, als müssten wir uns begegnen auf der Schwelle des Fremden, dieser dunklen und schwermütigen Grenze des Bewusstseins... — Eine Frau zu sehen (1929). [140]
Morfine
  • In meiner Not wandte ich mich zur verbotenen Magie. Ich versuchte, mich ihrer Fähigkeiten zu erinnern. Sie war wirksam, ich konnte wieder atmen. Aber sie heilte nicht, verwandelte nicht, befreite nicht. Sie verlieh keine Kräfte, spendete keine Freude und war gnadenlos wie Wasser und Feuer. Sie betäubte nicht wie schwerer Wein und wußte nicht zu berauschen wie Wind und Ähre. Sie legte die Sinne bloß und machte den Herzschlag empfindlich. Sie vertrieb den Schlaf und bediente sich der Ermattung, um mich das Schweigen zu lehren, den Verzicht. Sie stillte keinen Hunger, löschte keinen Durst; aber ich begehrte nicht mehr zu essen, zu trinken. Sie stimmte dieses fremde Land nicht milder; aber in ihrem Bann wußte ich, daß ich das heimatliche Seeufer nie wieder erreichen würde. Sie ließ die Fluten der Schwäche steigen und ertränkte das Verlangen. Die Seele schwebte über dem Wasser, friedlich, wie über dem Todesspiegel, den kein Hauch mehr trübt. — Das glückliche Tal (1940).
Sils
  • Ich denke an das gesprengte Rund der Bergspitzen, die uns mit ihrem Leuchten und ihrer Bläue gnädig waren, und ich denke an die Lieblichkeit des Baches, der in der Mittagshitze zur Erntezeit, so viel über silberne Steine rieselnde Kühlung verbreitete, und an die Schwemme, wo abends die goldenen Pferde standen und ihre Mähne schüttelten. — In Sils (1934).
Schrijven
  • Ich möchte ein Buch schreiben, das man langsam und laut lesen könnte, und jeder Satz, selbst zusammenhanglos, wäre klangvoll und schön, so ungefähr wie im Kornett. — Pariser Novelle (1928).
  • Wirklich, ich lebe nur wenn ich schreibe. — Kabul, 30 augustus 1939.[141]
  • Seit vielen Tagen - ja, wieviel Tage sind seit dem Ende jener Reise schon vergangen? -, versuche ich es, in Worte zu fassen, - dass der dem Dunkel liebend entgegengeneigte Blick, die Besinnung, diese Reise durch eine lange Nacht, zwar unfasslich und schwer zu ertragen ist, - aber nicht verschieden, nicht anders als das unverzagte Gelöbnis des nächsten Aufbruchs. Ich finde das Wort nicht, liebes Herz, - und muss nun die Feder weglegen. Erinnerst du dich an die Strasse, die im Norden gerade und schimmernd wie ein Pfeil immer vorauslief, durch unaufhörliche Dämmerungen? — Die Bucht von Banda. In: Die vierzig Säulen der Erinnerung (1939-1940).[142]
Angst
  • Die Traum-Nacht begann. Die Mauer des kleinen Hauses, die Wand meines Zimmers, war zugleich die Fortsetzung der Gartenmauer; und wenn sie auch gegen Wind und Herbstregen Schütz bot, so schützte sie mich doch nicht gegen das Dröhnen der Karawanenglocken, gegen die Schreie der Treiber, die die Kamele durch die Furt trieben, und gegen das langzame Rauschen des Silverstroms. Dagegen gab es keinen Schütz. Dagegen gab es nichts, und ich weinte nach meiner Mutter.
Als ob mich eine sterbliche Seele hätte hören können!
Langsam begriff ich es. Das war der Anfang der Furcht. Und nie werde ich sie besiegen, nie sie wieder vergessen können. — Tod in Persien (1938).
  • Die Gefahr hat verschiedene Namen. Manchmal heisst sie einfach Heimweh, manchmal ist es der trockene Höhenwind, der an den Nerven reisst, manchmal der Alkohol, manchmal schlimmere Gifte. Manchmal gibt es keinen Namen, dann, wenn man von der namenlosen Furcht heimgesucht wird. — Tod in Persien (1938).
Dood
  • Nichts dauert, nichts rundet sich, nichts ist zu halten – u. genau so wird, zum allerletzten Mal zurückdenkend, das Sterben sich präsentieren. — Brief aan Klaus Mann (1935).
  • Hundertmal hat meine arme Seele den Tod geliebt, der ihr versagt ist. — Kongo-Ufer (1941).[143]
"Die Mission"
  • Am nachmittag brandete der Strassenkampf an das Tor der Mission, und das Tor gab nach und öffnete seine Flügel. Und nun starben alle, Männer und Frauen und Jünglinge und Kinder. Vater François eilte in die Kirche hinüber und rief denen, die sich fliehend hineindrängten, entgegen, dass sie Mut fassen sollten. Und das Morden setzte sich in der Kirche fort. Der Vater wurde erschossen, während er den Leuten mit erhobenen Armen Mut zurief. — Die Mission (1935), in Bei diesem Regen.
Aanhalingsteken sluiten

Wetenswaardig[bewerken]

SBB-treinstel Annemarie Schwarzenbach
  • Boven de schrijftafel van Annemarie Schwarzenbach hing een portret van Stefan George. Op de schrijftafel van haar moeder stond een portret van Adolf Hitler.
  • Annemarie Schwarzenbach heeft niet alleen model gestaan voor het personage 'Johanna' in de roman Flucht in den Norden (1934) van Klaus Mann, maar ook voor 'Engel der Heimatlosen' in Der Vulkan (1939).
  • De Zwitserse politicus en streekromanschrijver James Schwarzenbach,[67] als student in 1934 aanstichter van het 'Pfeffermühle'-schandaal en van 1967 tot 1979 lid van de Nationale Raad voor de extreemrechtse Schweizer Republikanische Bewegung, was haar neef. Hij beschouwde zijn nicht Annemarie als "excentriek en verwend".[144]
  • De Zwitserse federale spoorwegen (SBB) hebben een Intercity-Neigezug de naam Annemarie Schwarzenbach gegeven, zoals dat ook is gedaan bij 43 andere prominente Zwitsers uit kunst en wetenschap. De tekst op de bijbehorende plaquette luidt:
"Annemarie Schwarzenbach. Schriftstellerin, Journalistin, Fotografin, Reisende. Ihr Werk ist der Spiegel eines ruhelosen Lebens auf der Suche nach Liebe und nach sich selbst".
  • Het leven en de persoonlijkheid van Annemarie Schwarzenbach inspireren met regelmaat kunstenaars tot nieuwe fictie. Enkele voorbeelden: de Italiaanse schrijfster Melania Mazzucco schreef in 2000 een biografische roman over Annemarie Schwarzenbach, getiteld Lei così amata ('De zo geliefde').[145] In hetzelfde jaar verscheen ook de Franstalige roman Annemarie S. ou les fuites éperdues van Vinciane Moeschler.[146] De Franse regisseur Véronique Aubouy maakte in 2015 de documentaire/speelfilm Je suis Annemarie Schwarzenbach.[147] Ook zijn sinds 1998 diverse theaterstukken over Annemarie Schwarzenbach opgevoerd en hebben beeldende kunstenaars zich in hun eigen werk laten inspireren door haar beeltenis.

Werkenlijst[bewerken]

In Nederlandse vertaling
  • Een vrouw zien (nawoord van Alexis Schwarzenbach; vertaling door Jantsje Post). Ad. Donker, Rotterdam, 2013. ISBN 978-90-6100-680-0
Tijdens haar leven verschenen
  • Beiträge zur Geschichte des Oberengadins im Mittelalter und zu Beginn der Neuzeit (Dissertatie). Schweizer Studien zur Geschichtswissenschaft. Bd. 16, H.3. Leemann, Zürich / Leipzig, 1931.
  • Das Buch von der Schweiz. Ost und Süd (met Hans Rudolf Schmid). Was nicht im Baedeker steht, Bd. XV. Piper, München, 1932.
  • Das Buch von der Schweiz. Nord und West (met Hans Rudolf Schmid). Was nicht im Baedeker steht, Bd. XVI. Piper, München, 1933.
  • Freunde um Bernhard. Amalthea, Wien, 1933. Herdruk Lenos, Basel, 1993/2008. Nawoord van Michael Töteberg.
  • Lyrische Novelle. Rowohlt, Berlin, 1933. Herdruk Lenos, Basel, 1999.
  • Winter in Vorderasien (reisdagboek). Rascher, Zürich, 1934. Herdruk Lenos, Basel, 2008.
  • Lorenz Saladin. Ein Leben für die Berge. Voorwoord door Sven Hedin. Hallwag, Bern / Stuttgart, 1938. Herdruk bezorgd en van een voor- en nawoord voorzien door Robert Steiner en Emil Zopfi. Lenos, Basel, 2013.
  • Das glückliche Tal. Morgarten, Zürich, 1940. Herdruk Lenos, Basel, 2010.
Postuum verschenen
  • Paris IIIYelindaDas "Namenlose". In: Walter Fähnders, Sabine Rohlf: Annemarie Schwarzenbach. Analysen und Erstdrucke. Aisthesis, Bielefeld, 2005.
  • Pariser Novelle [1928]. In: Jahrbuch zur Kultur und Literatur der Weimarer Republik 8, 2003, p. 11-35.
  • Eine Frau zu sehen [1929]. Nawoord Alexis Schwarzenbach. Kein & Aber, Zürich, 2008.[22]
  • Lettres à Claude Bourdet: 1931-1938. Bezorgd door Dominique Laure Miermont. Zoé, Arles, 2008.
  • Flucht nach oben [1933]. Lenos, Basel, 1999.
  • Vor Weihnachten [1933]. In: Wolfgang Klein, Walter Fähnders, Andrea Grewe (red.): Dazwischen. Reisen – Metropolen – Avantgarden. Aisthesis, Bilelefeld, 2009.
  • Bei diesem Regen [1935]. Bezorgd door Roger Perret. Lenos, Basel, 2008.
  • Tod in Persien [1935-1936]. Lenos, Basel, 1995.
  • Jenseits von New York. Augewählte Reportagen, Feuilletons und Fotografien aus der USA 1936-1938. Bezorgd door Roger Perret. Lenos, Basel, 1997.
  • Auf der Schattenseite. Ausgewählte Reportagen, Feuilletons und Fotografien 1933-1942. Bezorgd door Regina Dieterle en Roger Perret. Lenos, Basel, 1995.
  • Alle Wege sind offen: Die Reise nach Afghanistan 1939/1940. Bezorgd door Roger Perret. Lenos, Bazel, 2002.
  • Unsterbliches Blau. Reisen nach Afghanistan / Bleu immortel. Voyages en Afghanistan. Bloemlezing van teksten van Annemarie Schwarzenbach, Ella K. Maillart en Nicolas Bouvier. Bezorgd door Roger Perret. Scheidegger & Spiess, Zürich, 2003.
  • Les Quarante Colonnes du souvenir / Die vierzig Säulen der Erinnerung [1939-1940]. Bezorgd en in het Frans vertaald door Dominique Laure Miermont. Esperluète, Noville-sur Mehaigne, 2008.
  • Wir werden es schon zuwege bringen, das Leben (brieven aan Klaus en Erika Mann) [1930-1942]. Bezorgd door Uta Fleischmann. Centaurus-Verlag, Freiburg, 1992. Ook verschenen op drie luister-cd's gesproken door Hannelore Elsner.
  • Orientreisen. Reportagen aus der Fremde. [1933-1940] Bezorgd door Walter Fähnders. Ebersbach, Berlin, 2e druk, 2011.
  • Das Wunder des Baums. Roman [1941]. Nawoord van Sofie Decock, Walter Fähnders en Uta Schaffers. Chronos, Zürich, 2011.
  • Afrikanische Schriften. Reportagen – Lyrik – Autobiographisches. Met de eerste druk van Marc en de poëziecycli Kongo-Ufer en Aus Tetouan [1940-1941]. Bezorgd door Sofie Decock, Walter Fähnders en Uta Schaffers. Chronos, Zürich, 2012.
  • Insel Europa. Ausgewählte Reportagen und Feuilletons 1930-1942. Bezorgd door Roger Perret. Lenos, Basel, 2005.
  • Liebeserklärungen einer Reisenden, Feuilletons von Annemarie Schwarzenbach, 1933–1942. Bezorgd door Alexis Schwarzenbach. Kein & Aber, Zürich, 2007. Luisterboek gelezen door Bibiana Beglau.
Niet teruggevonden
  • Aufbruch im Herbst, roman, 1931-1932.
  • Cromwell, toneelstuk, 1932-1933.
  • Enkele verhalen uit Der Falkenkäfig, waaronder het titelverhaal, 1934.

Secundaire literatuur[bewerken]

Biografieën
  • Areti Georgiadou: Annemarie Schwarzenbach. Das Leben zerfetzt sich mir in tausend Stücke. Campus, Frankfurt, 1995.
  • Dominique Grente, Nicole Müller: L'Ange inconsolable. Une biographie d'Annemarie Schwarzenbach. Lieu Commun, Paris, 1989. In het Duits vertaald als: Der untröstliche Engel. Knesebeck, München, 1995.
  • Charles Linsmayer: Annemarie Schwarzenbach. Ein Kapitel tragische Schweizer Literaturgeschichte. Huber, Frauenfeld, 2008.
  • Dominique Laure Miermont: Annemarie Schwarzenbach ou le mal d'Europe. Payout, Paris, 2004. In het Duits vertaald als: Annemarie Schwarzenbach. Eine beflügelte Ungeduld. Ammann, Zürich, 2008.
  • Alexis Schwarzenbach: Auf der Schwelle des Fremden. Das Leben der Annemarie Schwarzenbach. Collection Rolf Heyne, München, 2008/2011.
  • Andreas Tobler: Annemarie Schwarzenbach 1908-1942. Eine Biographie. NZZ Libro, Zürich, 2009.
Monografieën
  • Sofie Decock: Papierfähnchen auf einer imaginären Weltkarte. Topo- und Tempografien in den Asien- und Afrikaschriften Annemarie Schwarzenbachs. Aisthesis, Bielefeld, 2010 (dissertatie).
  • Kerstin Reimers: Schreiben und Reisen als Versuch der Selbstbefreiung. Zu Leben und literarischem Werk von Annemarie Schwarzenbach (1908-1942). Universität Frankfurt a.M., 1991.
  • Simone Wichor: Zwischen Literatur und Journalismus. Die Reportagen und Feuilletons von Annemarie Schwarzenbach. Aisthesis, Bielefeld, 2013.
  • Elvira Willems: Annemarie Schwarzenbach. Autorin, Reisende, Fotografin. Centaurus, Herbolzheim, 1999.
  • Jelena Zagoricnik: Zentrale Autobiografische Leitmotive in Annemarie Schwarzenbachs Das Glückliche Tal. GRIN, München, 2014 (dissertatie).
Gebundelde analyses
  • Sofie Decock, Uta Schaffers (red.), 14 auteurs: inside out. Textorientierte Erkundungen des Werks von Annemarie Schwarzenbach. Aisthesis, Bielefeld, 2008, 324 p.
  • Mirella Carbone (red.), 16 auteurs: Annemarie Schwarzenbach. Werk, Wirkung, Kontext. Akten der Tagung in Sils / Engadin vom 16. bis 19. Oktober 2008. Met een Schwarzenbach-bibliografie 2005-2009. Institut für Kulturforschung Graubünden ikg / Aisthesis Verlag, Bielefeld, 2010, 316 p.
  • Walter Fähnders, Sabine Rohlf (red.), 13 auteurs: Annemarie Schwarzenbach. Analysen und Erstdrucke. Met een Schwarzenbach-bibliografie. Aisthesis, Bielefeld, 2005, 350 p.
Overige secundaire literatuur (zie ook Bronnen, noten, referenties)
  • Hélène Bezençon: Arrête de rêver, l’etrangère. Annemarie Schwarzenbach, une quête, 1929-1942. In: Mimos: Schweizerische Gesellschaft für Theaterkultur, Basel, 1998
  • Regina Dieterle: Annemarie Schwarzenbach 1908-1942. Zeugin ihrer Zeit. Die Wieder-Entdeckung einer sozialkritischen Reporterin. In: Frauen, Kunst, Wissenschaft. Jonas, Marburg, 1992.
  • Walter Fähnders: Paris, Berlin, Moskau und das "Glückliche Tal'. Zu Annemarie Schwarzenbachs Städte- und Reiseprosa. In: Walter Fähnders, Nils Plath e.a.: Berlin, Paris, Moskau – Reiseliteratur und die Metropolen. Aisthesis, Bielefeld, 2005, p. 91-106.
  • Walter Fähnders: In Venedig und anderswo. Annemarie Schwarzenbach und Ruth Landshoff-Yorck. In: Petra Josting, Walter Fähnders (red.): Laboratorium Vielseitigkeit – Zur Literatur der Weimarer Republik. Aisthesis, Bielefeld, 2005, p. 227–252.
  • Walter Fähnders: Wirklich, ich lebe nur wenn ich schreibe. Zur Reiseprosa von Annemarie Schwarzenbach (1908–1942). In: Sprachkunst. Beiträge zur Literaturwissenschaft 38, Wien 2007, 1. Halbband, p. 27–54.
  • Walter Fähnders: Neue Funde. Annemarie Schwarzenbachs Beiträge im Argentinischen Tageblatt (1933 bis 1941). In: Gregor Ackermann, Walter Delabar (red.): Schreibende Frauen. Ein Schaubild im frühen 20. Jahrhundert. Aisthesis, Bielefeld, 2011, p. 193–198.
  • Walter Fähnders, Helga Karrenbrock: Grundton syrisch. Annemarie Schwarzenbachs "Vor Weihnachten" im Kontext ihrer orientalischen Reiseprosa. In: Wolfgang Klein, Walter Fähnders, Andrea Grewe (red.): Dazwischen. Reisen – Metropolen – Avantgarden. Aisthesis, Bielefeld, 2009 (Reisen Texte Metropolen 8), p. 82–105.
  • Verena von der Heyden-Rausch: Belauschtes Leben. Frauentagbücher aus drei Jahrhunderten. dtv, München, 2000, p. 66-70.
  • Maria de Lurdes das Neves Godinho: "Lob der Freiheit" oder die Schuche nach demokratischen Werten in Europa bei der Schriftstellerin und Fotojournalistin Annemarie Schwarzenbach. In: Gonçalo Vilas-Boas, Teresa Martins de Oliveira: Macht in der Deutschschweizer Literatur, Frank & Timme, Berlijn, 2010, p. 231-240.
  • Niklaus Meienberg: Die Welt als Wille & Wahn. Elemente zur Naturgeschichte eines Clans. Limmat, Zürich 1987.
  • Anabela Mendes: Ach wie grandios, das sie eine so harte Mutter hat! In: Gonçalo Vilas-Boas, Teresa Martins de Oliveira (red.): Macht in der Deutschschweizer Literatur, Frank & Timme, Berlijn, 2010, p. 215-230.
  • Elio Pellin: Mit dampfendem Leib. Sportliche Körper bei Ludwig Hohl, Annemarie Schwarzenbach, Walther Kauer und Lorenz Lotmar. Chronos, Zürich, 2008.
  • Elio Pellin: Ein Vermögen zerrinnt – Annemarie Schwarzenbach. Millionenerbin in Geldnot. In: Brotlos? Quarto – Zeitschrift des Schweizerischen Literaturarchivs Nr. 20, 2005, p. 28–33.
  • Roger Perret: Ernst, Würde und Glück des Daseins. In: Annemarie Schwarzenbach: Lyrische Novelle. Lenos, Basel, 1988.
  • Fréderic Ramade: Literarische Reise durch Persien. Auf den Spuren von Pierre Loti, Robert Byron und Annemarie Schwarzenbach. Knesebeck, München, 2001.
  • Behrang Samsami: Die Entzauberung des Ostens. Zur Wahrnehmung und Darstellung des Orients bei Hermann Hesse, Armin T. Wegner und Annemarie Schwarzenbach. Aisthesis Verlag, Bielefeld, 2009.
  • Barbara Stempel: Asien-Sichten. Reisefotografien von Annemarie Schwarzenbach und Walter Bosshard. VDG, Weimar, 2010.
  • Katharina Sykora: Bilder und Zeichen: zum fotografischen Oeuvre von Annemarie Schwarzenbach. In: Feministische Studien, 1993.
  • Kurt Wanner, Marianne Breslauer: Wo ich mich leichter fühle als anderswo. Annemarie Schwarzenbach und ihre Zeit in Graubünden. Bündner Monatsblatt, Chur, 1998.
Dvd-documentaire
  • Carole Bonstein: Annemarie Schwarzenbach: Une Suisse rebelle. TSR / Arte, 2000. (fr) (de) — Gesprekken met onder anderen Marianne Breslauer, Claude-Achille Clarac en Suzanne Öhman-Schwarzenbach. Authentieke filmbeelden uit het familiearchief en van Ella Maillart.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten, referenties[bewerken]