Nederlandse landschappen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Landschappen[1]
Hoogte Grondsoort Ontginningstype Ontginningsperiode
Laag Nederland Duin Duinontginningen IJzertijd, incidenteel eerder
Rivierklei Stroomrug- en komontginningen IJzertijd, incidenteel eerder
Zeeklei Oudere zeekleipolders IJzertijd
Recente zeekleipolders Late Middeleeuwen tot
twintigste eeuw
Droogmakerijen 1532 - 1968
Veen Veenontginningen Negende tot vijftiende eeuw,
incidenteel eerder
Veenkoloniën Twaalfde tot twintigste eeuw
Hoog Nederland Zand Kampontginningen Neolithicum (4300 v.Chr.)
Rivierterrasontginningen Neolithicum (4300 v.Chr.)
Heide- en bosontginningen Vanaf 1850
Krijt/löss Lössontginningen Neolithicum (5300 v.Chr.)
Oude dijk op het voormalige eiland Wieringen, dat door de aanleg van de Wieringermeerpolder aan het vasteland vast is komen te liggen.
Het Kootwijkerzand is het grootste stuifzandgebied van Europa.

De Nederlandse landschappen kunnen worden ingedeeld op verschillen in substraat, bodem, waterhuishouding en de ontginningsgeschiedenis. Het grootste deel van het oppervlak van Nederland bestaat uit formaties van de Boven-Noordzee Groep.

Rond 11.500 jaar geleden kwam er een einde aan de laatste ijstijd (Weichselien) van het Pleistoceen en brak het Holoceen aan, dat tot op heden duurt. Het zeeniveau steeg en het klimaat werd warmer. In tijden van transgressie van de zee werden, met name in de gebieden direct achter de kuststrook van Holland, Zeeland en Friesland moerassen, meren en lagunes gevormd. Er werd daar in het geval van open water zeeklei en in het geval van moeras en drasland laagveen afgezet.

Bij landschappen zonder, of met zeer kleine menselijke beïnvloeding, spreekt men van natuurlandschap. Menselijke beïnvloeding kan bestaan uit ingrijpen in de waterhuishouding, percelering van het landschap en grondgebruik zoals beweiding, akkerbouw, bewoning. Hier spreek men dan van cultuurlandschap.

Duinlandschap[bewerken]

Voor de kust werden in de eerste transgressieperiode van het Holoceen strandwallen gevormd: de oude duinen. Tijdens eb stonden de strandwallen droog en kon het zand door de wind worden opgewaaid tot duinen. Deze duinen konden tot 15 meter hoog worden. In de tweede regressieperiode waren veel oude duinen door de zee weggeslagen. Nadat het zeeniveau in de tweede transgressieperiode weer steeg, herhaalde het proces van duinvorming zich zoals dat bij de oude duinen gebeurd was. De jonge duinen werden tot wel enkele tientallen meters hoog en vormen nu nog steeds een groot deel van de kust langs de Noordzee.

Rivierkleilandschap[bewerken]

Het landschap langs de grote rivieren bestaat uit een afwisseling van stroomruggen en komgronden. De stroomruggen liggen op de plekken waar een rivier stroomde en bestaan uit een ondergrond van grover sediment (zand en zavel). De komgronden stonden alleen tijdens overstromingen onder water en bestaan uit fijne rivierklei. De zware, ondoorlatende klei is veel minder geschikt voor de landbouw dan de stroomruggen. De hoger gelegen stroomruggen zijn de plaatsen waar de bewoning zich vroeger concentreerde. Op deze ruggen kan vaak tuinbouw worden gevonden (zoals de fruitteelt in de Betuwe). De vroeger natte, slecht toegankelijke en niet bewoonde komgronden kenden in het verleden eendenkooien en hooiland. Tegenwoordig zijn ze in gebruik als weilanden voor de veeteelt.

Zeekleilandschap[bewerken]

In Zeeland en het noorden van Noord-Holland, Groningen en Friesland is sprake van een zeekleilandschap. In deze gebieden heeft de zee in de loop van het Holoceen een grotere invloed gehad dan in de moerassen van Holland, die tegen de zee beschermd werden door een duinenrij. Ze bestonden uit getijdengebied, waar de zee bij hoge waterstanden het land overspoelde. Een dergelijk getijdengebied bestaat, vergelijkbaar met de stroomruggen en komgronden van het rivierengebied, uit kreekruggen en poelgebieden. De kreekruggen zijn de plekken waar kreken stroomden, de ondergrond bestaat hier uit zand of zavel dat voor de landbouw geschikter is dan de klei die in de poelgebieden werd afgezet. Om de regelmatige overstromingen te weerstaan, legden de inwoners van Groningen en Friesland in de Middeleeuwen terpen of wierden aan waar de bebouwing op lag. Later ging men ook dijken aanleggen.

Op veel plekken in met name het westen van Nederland is door inpoldering land gewonnen op het water (bijvoorbeeld zee, meren of eerder door vervening ontstane plassen). De indeling van de polders is met name bij de jongste polders op de tekentafel ontstaan en kenmerkt zich door zeer strak aangelegde bebouwing en infrastructuur. Dit wordt rationele verkaveling genoemd.

Het zeekleilandschap kan in twee gebieden worden onderverdeeld:

Veenlandschap[bewerken]

Veenlandschappen worden gevonden op sommige plekken in het westen (delen van de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht) en het noorden (delen van Drenthe en in het zuiden van Friesland en de Kop van Overijssel) van Nederland. Op de meeste van deze plekken is het veen grootschalig afgegraven om als brandstof te gebruiken (vervening). Het afgraven gebeurde in stroken, die tegenwoordig nog in het landschap te herkennen zijn (strookverkaveling). Op sommige plekken werd het veen tot ver onder de waterspiegel afgegraven, zodat er meren ("veenplassen") ontstonden, zoals de Loosdrechtse Plassen, de Vinkeveense Plassen, de Weerribben en de Wieden. Binnen de veenlandschappen kunnen twee gebieden worden onderscheiden:

Zandlandschap[bewerken]

Verder van de kust af zou het landschap tijdens het Holoceen weinig veranderen. Hier ligt, net als bij de stuwwallen, het Pleistocene zand meestal nog aan het oppervlak. Uitzonderingen zijn kleinschalige beekafzettingen of hoogveen, dat in vennetjes en laagtes afgezet wordt. Grote delen van het noorden, midden en zuiden van Nederland, in de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg, bestaan uit zulke Pleistocene zandlandschappen. Het grondwaterpeil ligt er lager dan in het westen van Nederland en de grond is armer. Grote delen van het zandlandschap bestonden vroeger uit zogenaamde woeste gronden, die vrij extensief gebruikt werden om vee te laten grazen, hout te sprokkelen of turf te steken. Veel dorpen in deze gebieden zijn esdorpen: ze bestaan uit een dorpskern omgeven door essen, waar op akkerbouw plaatsvond, en laag gelegen gronden in een beek-of rivierdal die als grasland in gebruik waren. De essen zijn door eeuwenlange bemesting vaak een stuk hoger in het landschap komen te liggen.

Binnen het zandlandschap bestaan er duidelijke verschillen, waardoor er een onderverdeling gemaakt kan worden:

Heuvellandschap[bewerken]

In het Zuid-Limburgse Heuvellandschap is sprake van een plateau dat is bedekt met vruchtbare eolische löss uit het Weichselien. Onder de löss ligt krijtgesteente (in Limburg mergel genoemd). De Maas heeft zich in dit plateau ingesleten met verschillende rivierterrassen. In de Sint-Pietersberg en de hellingen van het Geuldal zijn door ondergrondse kalksteenwinning gangenstelsels ontstaan, in de volksmond ook wel mergelgrotten genoemd.