Nederlandse landschappen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grondsoort en ontginningstype[1]
Hoogte Grondsoort Ontginningstype Ontginningsperiode
Laag Nederland Duin Duinontginningen IJzertijd
Rivierklei Stroomrug- en komontginningen IJzertijd
Zeeklei Oudere zeekleipolders IJzertijd
Recente zeekleipolders Dertiende tot twintigste eeuw
Droogmakerijen Zestiende tot twintigste eeuw
Veen Hoogveenontginningen Negende tot vijftiende eeuw
Hoog Nederland Veenkoloniën Zestiende tot twintigste eeuw
Zand Kampontginningen Neolithicum (4300 v.Chr.)
Rivierterrasontginningen Neolithicum (4300 v.Chr.)
Heide- en bosontginningen Vanaf 1850
Krijt/löss Lössontginningen Neolithicum (5300 v.Chr.)
Oude dijk op het voormalige eiland Wieringen, dat door de aanleg van de Wieringermeerpolder aan het vasteland vast is komen te liggen.
Het Kootwijkerzand is het grootste stuifzandgebied van Europa.

De Nederlandse landschappen kunnen worden ingedeeld op verschillen in substraat (fysische geografie), bodem, waterhuishouding en de ontginningsgeschiedenis.

Bij landschappen met weinig of geen menselijke beïnvloeding, spreekt men van natuurlandschap of wildernis. Menselijke beïnvloeding kan bestaan uit ingrijpen in de waterhuishouding, percelering en de ontsluiting door infrastructuur van het landschap en grondgebruik zoals beweiding, akkerbouw, bewoning. Hier spreekt men dan van cultuurlandschap.

Het strikte onderscheid tussen natuur- en cultuurlandschappen wordt door hedendaagse landschapsonderzoekers ter discussie gesteld. Vrijwel alle Nederlandse natuurgebieden is door menselijk ingrijpen tot stand gekomen en heeft zich onder invloed van menselijk medegebruik ontwikkeld. Met name halfnatuurlijke landschappen hebben vaak een grote natuurlijke en cultuurhistorische waarde.

Geologisch kader[bewerken]

Het grootste deel van het oppervlak van Nederland bestaat uit formaties van de Boven-Noordzee Groep. Alleen de lössafzettingen in het Limburgse heuvelland en de ondergrond van het Oost-Nederlands plateau zijn ouder. Rond 11.500 jaar geleden kwam er een einde aan de laatste ijstijd (Weichselien) van het Pleistoceen en brak het Holoceen aan, dat tot op heden duurt. Het zeeniveau steeg en het klimaat werd warmer. In tijden van transgressie van de zee werden, met name in de gebieden direct achter de duinen en strandwallen van Holland, Zeeland en Friesland moerassen, meren en lagunes gevormd. Er werd daar in open water zeeklei afgezet, terwijl zich in beschutte omstandigheden een metersdik hoogveendek ontwikkelde. Ook de zandgronden raakten gedeeltelijk bedekt met hoogveen. In de benedenloop van de grote rivieren werd rivierklei afgezet, terwijl zich stroomopwaarts rivierterrassen ontwikkelden. Tot de antropogene landschappen behoren de diepe droogmakerijen en de verstedelijkte gebieden.

Indelingen[bewerken]

De indeling in landschapstypes en de benaming daarvan is nogal aan veranderingen onderhevig. Historisch-geografen en cultureel-geografen hebben vaak kritiek op de neiging om de dynamiek van het landschap vanuit strakke kaders te beschrijven. Vanuit de overheid worden dergelijke indelingen echter gestimuleerd; ze worden vooral gebruikt voor de landschapsplanning en als instrument om het landschap als deel van het culturele en natuurlijke erfgoed te beschermen (landschapsbescherming).

De landschapstypologie een belangrijke rol bij het schrijven van landschapsbiografieën. Hieronder wordt "een levensloopbeschrijving van een steeds veranderend cultuurlandschap" begrepen. Het concept is ontwikkeld door archeoloog Jan Kolen, hoogleraar landschapsarcheologie en cultureel erfgoed te Leiden en de bodemkundige en historisch-geograaf Theo Spek, hoogleraar landschapsgeschiedenis te Groningen.

Oudere systemen[bewerken]

Klassiek zijn de indelingen van Nederlandse cultuurlandschap die de historisch-geograaf Hendrik Jacob Keuning in 1946 introduceerde. Keuning ging uit van een combinatie van fysisch-geografische kenmerken, bodemsoorten en ontginningstype's. Op grond daar onderscheidde hij ruim honderd regio's, die weer aan de basis stonden van zestig regio's die het Monumenten Inventarisatie Project omstreeks 1990 hanteerde. Deze indeling sloot aan bij de traditionele indeling van Nederland in landbouwgebieden, die sinds de negentiende eeuw gangbaar was. Hij correspondeert tevens met de indeling in fysisch-geografische landschappen, zoals die in de Wetenschappelijke Atlas van Nederland uit 1987 werd gepubliceerd.

De Werkgroep Landschapstypologie ontwierp omstreeks 1989 een nieuwe indeling, die uitging van negen types cultuurlandschappen, min of meer samenvallend met de fysisch-geografische regio's: kustzone, zeeklei-, laagveen-, zand- en rivierengebied, heuvelland, droogmakerijen, hoogveenontginningen en verstedelijkte zones, waarbij telkens deellandschapstypes voor verschillende regio's van Nederland werden onderscheiden. In het Histland-project ontwikkelde men vervolgens een meer verfijnde indeling die uitging van elf ontginningsvormen of hoofdtypen (onderverdeeld in 54 subtypen), die min of meer samenvielen met de landschapstypes waarin deze vormen het meest voorkwamen. Zo onderscheidde men oude en jonge zeekleigebieden (klei), kamp- en heideontginningen (zand), middeleeuwse veenontginningen en recentere veenkoloniën (veen), stroomrug-, kom- en rivierterrasontginningen (rivieren) en lössontginningen (heuvelland).

Provinciale en gemeentelijke overheden hanteren vaak een eigen typologie die van de algemene indelingscriteria afwijkt, bijvoorbeeld omdat men behalve landschapskenmerken ook nederzettingstypologieën hanteert. Zo vinden we in Overijssel de termen essenlandschap, kampenlandschap, maten- en flierenlandschap (beekdalen), klei-ontginningslandschap (broeklanden), kraggenlandschap (trilveen met petgaten) en oeverwallandschap. In Drenthe onderscheidt men esdorpen, esgehuchten, ontginningskoloniën, randveen-, laagveen- en hoogveenontginningen. Noord-Holland kent een veenrivierlandschap (Vechtstreek); Friesland en Groningen hebben een klei-op-veen-landschap of miedenlandschap en een streekdorplandschap; Zeeland een poelen- en kreekruggenlandschap.

Panorama landschap (2017)[bewerken]

De nieuwste indeling, die door Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt gehanteerd in het project Panorama Landschap (2017), gaat uit van 26 hoofdlandschappen, 45 landschapszones en 78 regio's. Hij sluit min of meer aan bij de eerder opgestelde 'archeologische landschappenkaart'. De landschapszones baseren zich vooral op fysisch-geografische kenmerken.

Hierbij zijn de zand- en zeekleigebieden en het heuvelland op grond van fysisch-geografische eigenschappen in een aantal afzonderlijke hoofdlandschapstypes uiteengevallen, terwijl de Rijn-Maasdelta een nieuw hoofdtype is geworden dat zowel rivierklei- als veengebieden omvat. Nieuw in deze indeling zijn ook de terrassenlandschappen langs Maas en Rijn, die eerder gedeeltelijk tot de zandlandschappen werden gerekend; samen met het eigenlijke Maasdal vormen ze de Maasvallei. De recente hoogveenontginningen zijn gereduceerd tot landschapszones binnen de zandgebieden. De overgangsgebieden met het Duitse Münsterland, de Nederrijnse Laagvlakte en de Ardennen kregen een afzonderlijke plek binnen deze indeling. De maritieme landschappen of seascapes zijn daarentegen buiten schot gebleven.

Duitsland en België[bewerken]

De Nederlandse indeling in landschapstypes sluit - dankzij Keuning - min of meer aan bij het Duitse achterland, met name in Nedersaksen en Sleeswijk-Holstein, waar eveneens de trits klei (Marsch), veen (Moor) en zand (Geest) wordt gehanteerd. Rivierkleigebieden worden doorgaans als Flussmarschen betiteld, lösslandschappen als Börden. Het Oost-Nederlands plateau rond Winterswijk is nauw verbonden met het Krijtbekken van Münster (Westmünsterland), het terrassenlandschap met het landschap van de Nederrijnse Laagvlakte, het heuvelland met de Jülicher Börde, het Ardennenvoorland met het Eifelgebied.

Corresponderende landschapstypes in België zijn de Vlaamse Kustvlakte met de Kustpolders en Scheldepolders (zeeklei), de Zandstreek en de Kempen (zand), Schelde-, Nete- en Maasbekken (rivierenlandschap), Maasvallei (terrassen) en Entre-Vesdre-et-Meuse met het Land van Herve (heuvelland en Ardennenvoorland).

Landschapstypes[bewerken]

Voor de overzichtelijkheid wordt hieronder een aangepaste indeling gehanteerd, waarbij in het midden gelaten wordt of droogmakerijen, terrassenlandschap en Ardennenvoorland als afzonderlijke hoofdlandschapstypes moeten worden gezien.

Maritiem landschap[bewerken]

Duinen en strandwallen[bewerken]

Voor de kust werden in de eerste transgressieperiode van het Holoceen strandwallen gevormd: de oude duinen. Tijdens eb stonden de strandwallen droog en kon het zand door de wind worden opgewaaid tot duinen. Deze duinen konden tot 15 meter hoog worden. In de tweede regressieperiode waren veel oude duinen door de zee weggeslagen. Nadat het zeeniveau in de tweede transgressieperiode weer steeg, herhaalde het proces van duinvorming zich zoals dat bij de oude duinen gebeurd was. De jonge duinen werden tot wel enkele tientallen meters hoog en vormen nu nog steeds een groot deel van de kust langs de Noordzee. Tot het duinen- en strandwallenlandschap behoren onder andere de Duin- en Bollenstreek, Kennemerland en de Waddeneilanden.

Zeekleilandschap[bewerken]

In Zeeland, op de Zuid-Hollandse eilanden en het noorden van Noord-Holland, Groningen en Friesland is sprake van een zeekleilandschap. In deze gebieden heeft de zee in de loop van het Holoceen een grotere invloed gehad dan in de hoogveenmoerassen van Holland, die tegen de zee beschermd werden door een duinenrij.

Het gaat vooral om getijdengebieden, waarbij de zee bij hoge waterstanden het land overspoelde. Een dergelijk getijdengebied bestaat (vergelijkbaar met de stroomruggen en komgronden van het rivierengebied) uit kreekruggen en poelgebieden. De kreekruggen zijn de plekken waar kreken stroomden, de ondergrond bestaat hier uit zand of zavel dat voor de landbouw geschikter is dan de klei die in de poelgebieden werd afgezet. Om de regelmatige overstromingen te weerstaan, legden de inwoners van Groningen, Friesland en de Kop van Noord-Holland sinds de IJzertijd terpen of wierden aan, waarop huizen en akkertjes werden gesitueerd. Vanaf de elfde eeuw werd het gebied systematisch bedijkt.

Een deel van de zeekleilandschappen bestaat uit voormalige hoogveenlandschappen, waar het veendek ten gevolge van ontginning al in de late Middeleeuwen is verdwenen. Dat is met name het geval in West-Friesland en een deel van het Groningse Woldgebied. Kenmerkend hiervoor is de slagenverkaveling. Ook het zuidwestelijke Deltagebied bestaat voor een groot deel uit voormalige veenmoerassen, die in de vroege middeleeuwen zijn verdronken.

Op veel plekken is door inpoldering van kwelders of drooglegging van binnenmeren en diepe veenplassen nieuw land gewonnen. De perceelsindeling is met name bij de jongste polders op de tekentafel ontstaan en kenmerkt zich door strak aangelegde bebouwing en infrastructuur. Dit wordt rationele verkaveling genoemd. In het Dollardgebied is daarentegen de oorspronkelijke slagenverkaveling intact gebleven.

Het zeekleilandschap kan in een aantal hoofdlandschapstypes worden onderverdeeld:

  • Noordelijk zeekleigebied
    • Fries-Gronings kleigebied: terpengebied in Westergo, Oostergo, Middag-Humsterland en Reitdiep, De Marne en Hogeland, en Fivelingo
    • Noord-Hollands kleigebied: zeekleipolders in West-Friesland en delen van Kennemerland
    • Jonge aanwas: zeekleipolders rond de Waddenzee (Kop van Noord-Holland en Texel, Middelzee en 't Bildt, Groningse Wadpolders)
    • Jonge zeeinbraken: zeekleipolders voormalige Lauwerszee en Dollard
  • Zuidwestelijk kleigebied

Diepe droogmakerijen[bewerken]

  • Oude droogmakerijen (Noord- en Zuid-Holland, met name Waterland, Zaanstreek, Meerlanden en Schieland). Deze ontstonden door het droogmalen van diepe veenplassen, waar zich - in tegenstelling tot de veenpolders - geen veen of zand, maar oude zeeklei op de bodem bevond. Ook Friesland en Groningen hebben enkele droogmakerijen.
  • Zuiderzeepolders of nieuwe droogmakerijen (Flevoland en Wieringermeer)

Rivierenlandschap[bewerken]

Het landschap langs de grote rivieren bestaat grotendeels uit een afwisseling van stroomruggen en komgronden of overstromingsvlakten, ook wel rivierkleilandschap genoemd. De stroomruggen liggen op de plekken waar een rivier stroomde en bestaan uit een ondergrond van grover sediment (zand en zavel). De komgronden stonden alleen tijdens overstromingen onder water en bestaan uit fijne rivierklei. De zware, ondoorlatende klei is veel minder geschikt voor de landbouw dan de stroomruggen. De hoger gelegen stroomruggen zijn de plaatsen waar de bewoning zich vroeger concentreerde. Op deze ruggen kan vaak tuinbouw worden gevonden (zoals de fruitteelt in de Betuwe). De vroeger natte, slecht toegankelijke en niet bewoonde komgronden kenden in het verleden eendenkooien en hooiland. Tegenwoordig zijn ze in gebruik als weilanden voor de veeteelt. Rond de rivieren bevinden zich uiterwaarden, in het Maasdal ook hoge grindkoppen, die deels zijn vergraven. De centrale riviervlakte wordt soms onderscheiden van de meer kleinschalig reliëfinversiegebieden langs de Kromme Rijn, Oude Rijn en Utrechtse Vecht. Belangrijke delen van de Rijn-Maasdelta, met name in Zuid-Holland bestaan uit ontgonnen veenvlakten die ook wel tot de veenlandschappen worden gerekend.

Het rivierkleilandschap kan worden onderverdeeld in:

Terrassenlandschap[bewerken]

Het oostelijke rivierengebied oftewel de Maasvallei wordt omzoomd door Lage en Hoge Rijnterrassen, Maasterrassen en stuwwallen, die vanouds gedeeltelijk tot het zuidelijke zandgebied, maar tegenwoordig tot afzonderlijke landschapstypes worden gerekend. Bodemkundigen speken over oude rivierkleigronden uit het Allerød-interstadiaal. Het terrassenlandschap vormt een overgangsgebied met restgeulen, rivierduinen, terrassen, plateau's, hellingen en dekzandgebieden.

Veenlandschap[bewerken]

Veenlandschappen worden gevonden op sommige plekken in het westen (delen van de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht) en het noorden (delen van Drenthe en in het zuiden van Friesland en de Kop van Overijssel) van Nederland. Middeleeuwse hoogveenontginningen hebben doorgaans een slagenverkaveling. De waterrijke variant wordt ook wel als veenweidelandschap gekarakteriseerd; vroeger noemde men dit een laagveenlandschap. In hoger liggende streken spreekt men van een hoogveen-, randveen- of woudontginningslandschap of ook wel een streekdorpenlandschap. Beide types kenmerken zich door het toponiem woud of wold, hetgeen voor een (voormalig) hoogveengebied of moerasbos staat. Het hoogveen is in de meeste gevallen door ontwatering, inklinking en erosie verdwenen.

Vanaf de zestiende eeuw werd het veen grootschalig afgegraven en opgebaggerd om als brandstof te gebruiken (vervening). Het baggeren gebeurde in stroken, die tegenwoordig nog in het landschap te herkennen zijn. Op sommige plekken werd het veen tot ver onder de waterspiegel verwijderd, zodat er ondiepe meren of veenplassen ontstonden, zoals de Loosdrechtse Plassen, de Vinkeveense Plassen, de Weerribben en de Wieden; om die reden sprak men ook wel over het veenplassengebied. In het Friese en Overijsselse veengebied heeft men deze plassen vanaf het einde van de achttiende eeuw drooggemalen. Hierdoor ontstonden (ondiepe) droogmakerijen of veenpolders, die soms tot het afzonderlijke landschapstype van de droogmakerijen worden gerekend.

Binnen de veenlandschappen kunnen twee hoofdlandschappen of regio's worden onderscheiden:

  • het Noordelijk kustveengebied. Dit vormt de overgang van het noordelijk zand- en keileemgebied naar het noordelijk zeekleigebied, in de Kop van Overijssel, het Friese Merengebied, het Lage Midden van Friesland en de Groningse Woldstreek. Een bijzonder overgangstype vormt het Miedenlandschap met een kenmerkende blok-strookverkaveling
  • het Hollands-Utrechts veengebied: tussen het rivierenlandschap, het zeekleilandschap en de duinen, in de provincies Utrecht, Noord- en Zuid-Holland (Waterland, Zaanstreek, De Venen, Meerlanden, Vechtstreek en Arkemheen).

Zandlandschap[bewerken]

Verder van de kust af bleef de Pleistocene ondergrond tijdens het Holoceen vrijwel onaangetast. De zandgebieden bestaan grotendeels uit dekzand- en keileemvlakten, afgewisseld door hogere stuwwallen en keileemruggen. Ze worden doorsneden door kleinschalige beekafzettingen, die soms tot een afzonderlijk landschapstype worden gerekend. Plaatselijk zijnn nog veenrestanten en vennetjes aanwezig. Grote delen van het noorden, midden en zuiden van Nederland, in de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg bestaan uit zulke Pleistocene zandlandschappen. Het grondwaterpeil ligt er lager dan in het westen van Nederland en de grond is armer.

De hoogste en vruchtbaarste delen van het gebied werden vanaf het Neolithicum in cultuur gebracht. De zandgebieden bestonden grotendeels uit zogenaamde woeste gronden, die vrij extensief gebruikt werden om vee te laten grazen, hout te sprokkelen of turf te steken. De akkerbouw vond plaats op centraal gelegen kampen of essen. In Noord-Nederland zijn veel dorpen esdorpen: ze bestaan uit een dorpskern met een es, die door eeuwenlange bemesting vaak een stuk hoger in het landschap is komen te liggen. De laag gelegen gronden in de beek- of rivierdalen waren als grasland in gebruik.

De lagere delen van de dekzand- en keileemvlakten raakten echter - samen met de laagste ruggen - bedekt door metersdik hoogveen, dat sinds de vroege middeleeuwen ontgonnen werd. Hierdoor kwam het zand weer aan de oppervlakte. De middeleeuwse veenontginningen worden doorgaans tot de veenlandschappen gerekend; hier zijn dikwijls nog veenrestanten aanwezig. De latere ontginningen waar het veen tot op het zand is afgegraven, vallen volgens de nieuwse indeling onder de zandlandschappen.

Tussen de zandlandschappen bestaan opvallende verschillen, die echter nauwelijks samenvallen met afzonderlijke streken. Voor Noord-Nederland werd vanouds een regionale indeling gehanteerd. Daarnaast werd het onderscheid gemaakt tussen hoge, middelhoge en lage zandgronden. Tegenwoordig wordt hier een onderverdeling gemaakt tussen dekzandlandschappen en glaciale landschappen (keileemgebied en stuwwallen). Voor Zuid-Nederland, waar stuwwallen en keileem ontbreken, heeft men daarentegen gekozen voor een regionale indeling.

Heuvellandschap[bewerken]

In het Zuid-Limburgse Heuvellandschap (ook: Krijt-lösslandschap) is sprake van een plateau dat is bedekt met vruchtbare eolische löss uit het Weichselien. Onder de löss ligt krijtgesteente (in Limburg mergel genoemd). De Maas heeft zich in dit plateau ingesleten met verschillende rivierterrassen. In de Sint-Pietersberg en de hellingen van het Geuldal zijn door ondergrondse kalksteenwinning gangenstelsels ontstaan, in de volksmond ook wel mergelgrotten genoemd. Het gebied wordt omzoomd door het dal van de Maas en de Hoge Rijnterrassen langs de Duitse grens.

Het gebied wordt onderverdeeld in:

  • Noordelijk lössgebied (Midden-Limburg)
  • Zuidelijk lössgebied, ook wel mergel- en lössgebied genoemd (Zuid-Limburg)

Ardennen[bewerken]

  • Voorland Ardennen

Antropogeen landschap[bewerken]

  • Stadslandschappen (met name Amsterdam, Rotterdam, Haaglanden, Utrecht)
  • Havens en industriegebieden (onder andere Rijnmond en Schiphol)
  • Recreatiegebieden (leisurescapes)

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]