Peter Paul Rubens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Pieter Paul Rubens)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Peter Paul Rubens
Zelfportret Rubens, 1623
Zelfportret Rubens, 1623
Persoonsgegevens
Pseudoniem Pieter Paul, Pieter Pauwel, Petrus Paulus
Geboren Siegen, 28 juni 1577
Overleden Antwerpen, 30 mei 1640
Geboorteland Heilige Roomse Rijk
Nationaliteit Zuid-Nederlander
Beroep(en) schilder, tekenaar, graficus, beeldhouwer, architect, diplomaat
Oriënterende gegevens
Jaren actief 1597 tot 1640
Stijl(en) Barok
RKD-profiel
Coat of Arms of Peter Paul Rubens.svg
Wapen na vermeerdering door de Engelse koning
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Tenhemelopneming van de Goddelijke en Heilige Maagd Maria olieschets; een ontwerp voor een altaarstuk
Portret van de kunstenaar en zijn vrouw in een prieel van kamperfoelie, Isabella Brant samen met haar echtgenoot Rubens
Hélène Fourment, tweede echtgenote van Rubens
Albrecht en Isabella, Rubens' mecenassen
Grafkapel PP Rubens in de Antwerpse Sint-Jacobskerk met schilderij van zijn hand Madonna omringd door heiligen

Peter Paul Rubens (Siegen,[1] 28 juni 1577Antwerpen, 30 mei 1640) was een Zuid-Nederlands schilder van Vlaamse barok, tekenaar en diplomaat, werkzaam in Antwerpen. Hij werd ook wel Pieter Paul, Pieter Pauwel of Petrus Paulus genoemd.

Biografie[bewerken]

Geboorte en jeugd[bewerken]

Rubens' vader Jan Rubens was advocaat en bekleedde van 1562 tot 1568 in Antwerpen een schepenambt. Zijn moeder was Maria Pypelinckx en kwam uit een vooraanstaande familie. De Vlaamse adel koos, voornamelijk om politieke redenen, de zijde van de Reformatie. Ook Jan Rubens ging tot het calvinisme over. In 1566 woedde de Beeldenstorm, gevolgd door de wraak van de Spaanse koning Filips II: de komst van Alva. Alva ontketende in Vlaanderen een meedogenloze vervolging. In 1568 week het gezin Rubens, met twee jongens en twee meisjes, uit naar Keulen omdat ze als calvinisten in hun thuisland vervolging vreesden.[2] Keulen was een katholieke stad en Jan Rubens moest het calvinisme afzweren. Nadat Peter Pauls vader werd aangesteld als juridisch adviseur van Anna van Saksen, de tweede vrouw van Willem van Oranje, verhuisde het gezin Rubens in 1570 naar Siegen waar haar hof gevestigd was.

Jan Rubens had vervolgens een affaire met Anna van Saksen die tot een zwangerschap leidde. Jan Rubens werd hiervoor opgesloten in slot Dillenburg en liep het risico ter dood veroordeeld te worden. Het kind werd geboren in augustus 1571.

Dankzij de smeekbeden van zijn vrouw kon Jan Rubens na twee jaar de gevangenis verlaten. Na zijn vrijlating werd Jan Rubens een tijd lang verboden het beroep van advocaat uit te oefenen. Dit legde een zware druk op het gezin die pas verlicht werd toen in 1577 het beroepsverbod werd opgegeven na de dood van Anna van Saksen. In deze moeilijke situatie werd in 1574 Philip Rubens geboren, gevolgd in 1577 door zijn broer Peter Paul. In 1578 mocht Jan Rubens Siegen verlaten en verhuisde het gezin Rubens naar Keulen, waar vader Jan Rubens in 1587 overleed. In Siegen had het gezin noodgedwongen tot de Lutheraanse Kerk behoord. In Keulen ging het gezin over tot het katholicisme.[3] De oudste zoon, Jan Baptist, die mogelijk ook kunstenaar is geweest, vertrok in 1586 naar Italië. De weduwe Maria Pypelinckx keerde in 1590 met haar gezin (met Blandina, Filips en Peter Paul) terug naar Antwerpen, waar ze zich opnieuw tot het katholicisme bekeerde.[4] Ze betrok een huis aan de Meir.

Rubens en zijn oudere broer Philip Rubens kregen een humanistische opvoeding in Keulen, en daarna in Antwerpen. Tot aan zijn dood in 1587 hield vader Jan zich persoonlijk met het onderwijs van zijn zonen bezig.[5] Later studeerden ze aan de Latijnse school van Rombout Verdonck in Antwerpen, waar ze de Latijnse klassieken leerden kennen. In 1590 dienden de broers om financiële redenen hun scholing af te breken, meer bepaald om een bruidsschat te voorzien voor hun zuster Baldina.

Page in Oudenaarde[bewerken]

Peter Paul ging dan eerst als page dienen bij de gravin Marguerite de Ligne-Arenberg, wier schoonvader de gouverneur-generaal van de Spaanse Nederlanden was geweest. De gravin was de weduwe van graaf Philippe de Lalaing en woonde waarschijnlijk in Oudenaarde.

Schildersopleiding[bewerken]

Antwerpen bezat eind 16e eeuw nog een florerende schilderschool met kunstenaars als Maerten de Vos en Frans Francken. Paul Bril en Joos de Momper waren bekende landschapschilders en de landschap- en bloemenschilder Jan 'de Fluwelen' Brueghel was een bekende meester van die dagen.

Peter Paul Rubens wilde geen carrière als hoveling, maar een artistieke opleiding volgen en zijn moeder zorgde er voor dat hij in de leer kon bij Tobias Verhaecht, die met haar familielid Suzanna van Mockenborch was getrouwd. Verhaecht was gespecialiseerd in kleine landschappen, en het is niet waarschijnlijk dat hij Rubens doorslaggevend beïnvloed heeft.[6][5] Maar Rubens leerde bij hem wel de basistechniek voor de compositie en de uitvoering van landschappen.

Na een jaar bij Tobias Verhaecht in de leer te zijn geweest, studeerde hij vermoedelijk vier jaar (1594-1598) onder de portretschilder Adam van Noort om ten slotte zijn leer te beëindigen bij Otto van Veen (Otto Venius), een van de leidende schilders van Antwerpen en een vooraanstaand vertegenwoordiger van de "Romanisten", een groep schilders die in Italië hadden gestudeerd en die doordrongen waren van de geest van de Renaissance.[5] Van Veen had vijf jaar in Rome doorgebracht als leerling van Federico Zuccaro en zich verdiept in de kunst van de Oudheid en Renaissance. Hij ontwierp de 'Boog van de Spanjaarden' bij de 'Blijde Intocht' van de aartshertogen Albrecht en Isabella in 1599 in Antwerpen. Rubens zou later net als van Veen een verzameling prenten en tekeningen aanleggen als studiemateriaal. Hij gebruikte bijvoorbeeld Italiaanse prenten als uitgangspunt voor eigen werk en hij zou zijn hele loopbaan aan andere kunstenaars blijven ontlenen.

Rubens werd in 1598 opgenomen als meester in het Antwerpse Sint-Lucasgilde.[6] Als onafhankelijk meester mocht hij nu opdrachten aannemen en leerlingen opleiden. zijn eerste leerling was Deodatus Delmonte. Behalve een in 1597 gedateerd classicistisch portret, dat zich te New York bevindt, kent men alleen onzekere toeschrijvingen van jeugdwerk van voor 1600. Hij schilderde omstreeks die tijd Adam en Eva in het Paradijs (voor 1600) en Het oordeel van Paris (ca. 1600).

In dienst van de hertog van Mantua[bewerken]

Op 9 mei 1600 vertrok hij met zijn leerling Deodatus Delmonte naar Italië, waar hij beïnvloed werd door de kunst van de Oudheid. In Venetië trad hij, volgens Rubens' neef, op uitnodiging van een Mantuaans edelman, in dienst van de hertog van Mantua, Vincenzo I Gonzaga, tot 1608. Gonzaga was een neef van aartshertog Albrecht en had hem het jaar ervoor in Brussel bezocht. Waarschijnlijker echter verwierf Rubens zo gauw een positie door een aanbevelingsbrief van Albrecht. Het werk van Andrea Mantegna, met name de negen doeken die de Triomf van Caesar uitbeeldden, maakte vermoedelijk de meeste indruk op de jonge Vlaming. Rubens maakte aan het hof kennis met kapelmeester en componist Claudio Monteverdi. Galilei bezocht Mantua tweemaal in de periode dat Rubens er verbleef en de hertog nam in die tijd Torquato Tasso op aan zijn hof. Rubens sprak later over het hof van Mantua van 'de verrukkelijke tijd die ik daar in mijn jeugd heb doorgebracht'.

Florence[bewerken]

In deze Italiaanse periode leerde hij veel van de werken van de kunstschilder Caravaggio kennen. In 1601 reisde hij met de hertog naar Florence voor het 'huwelijk met de handschoen' van Maria de' Medici en Hendrik IV van Frankrijk. Twintig jaar later zou hij voor Maria's nieuwe Palais du Luxembourg in Parijs, de Bruiloft in Florence schilderen.

Eerste verblijf in Rome[bewerken]

Eind 1601 reisde Rubens naar Rome. Kardinaal Montalto, een neef van de paus, verleende hem 'protectie', omdat hertog Gonzaga hem daar om in een brief had gevraagd. Rubens zou schilderijen gaan kopiëren en tekeningen maken naar beelden uit de Oudheid, terwijl de hertog naar Kroatië trok om strijd te leveren. Rubens maakte er kennis met de Griekse en Romeinse kunst en kopieerde in Rome werken van de Italiaanse meesters. Hij tekende onder meer de 'Afrikaanse visser', de 'Laocoön-groep' en de 'Belvédère-torso'. In Rome schilderde hij zijn eerste altaarstuk voor het Santa Helena altaar in de kerk van het Heilig Kruis (Santa Croce in Gerusalemme). De eerste Romeinse opdracht had hij aan aartshertog Albrecht te danken, die voor zijn huwelijk kardinaal-aartsbisschop van Toledo was geweest en in de Santa Croce zijn kardinaalshoed had ontvangen. Op twee kleinere panelen voor de zijaltaren van de kapel schilderde Rubens de Bespotting van Christus en een Kruisoprichting, die verloren zijn gegaan.

In 1600 was de Duitse kunstenaar Adam Elsheimer naar Rome gekomen. Hij zou er tot zijn overlijden in 1610 blijven. Rubens raakte in Rome met Elsheimer bevriend.

In april 1602 keerde Rubens terug in Mantua. Hij schilderde De vlucht van Aeneas (ca. 1602) en het Zelfportret met vrienden, wat het vroegst bekende zelfportret is van de meester. Toen ontving Rubens zijn eerste opdracht als diplomaat: geschenken brengen naar het hof van koning Filips III van Spanje, dat, wat later bleek, naar Valladolid was afgereisd. Daar onder waren schilderijen van andere meesters, die zó beschadigd raakten door de regen tijdens de reis, dat Rubens ze moest restaureren.

Spanje[bewerken]

Van 1603 tot 1604 verbleef hij in Spanje. Hij beleefde er de confrontatie van de Spaanse kunst met de Venetiaanse werken van Titiaan in Madrid. In opdracht van de Hertog van Lerma schilderde hij de dertiendelige reeks der Apostelen en een Christusfiguur, alsook een schilderij van zijn opdrachtgever gezeten op diens paard. Dat ruiterportret was zijn 'eerste oefening in realpolitische propaganda'.[7] In feite oefende in Spanje de eerste minister, de hertog van Lerma, de feitelijke macht uit.

Venetië[bewerken]

Begin 1604 was Rubens terug in Mantua, maar hij ging naar Venetië om zoveel mogelijk te leren van Titiaan, Paolo Veronese en Tintoretto om daarna in Mantua te beginnen aan de grote opdracht van de hertog: de decoratie van het hoogaltaar van de jezuïetenkerk, die aan de Heilige Drievuldigheid was gewijd. Rubens schilderde er De familie Gonzaga in aanbidding voor de H. Drievuldigheid, een Transfiguratie en een Doop van Christus voor. Daarna kreeg hij gelegenheid om naar Rome terug te keren.

Tweede verblijf in Rome[bewerken]

In 1605 verbleef Rubens samen met zijn oudere broer Filips in Rome. Filips had aan de universiteit van Rome zijn rechtenstudie afgemaakt en was bibliothecaris geworden bij kardinaal Ascanio Colonna. ze bewoonden een huis in de strada della Croce bij de Piazza di Spagna. Ze maakten samen een grondiger studie van de kunst en levenswijze van de Romeinen, wat resulteerde in het boek Electorum libri II (1608, gedrukt bij Plantijn in Antwerpen), met tekst van Filips en tekeningen van Peter Paul.

Door kopieën te maken, verzamelde Rubens zoveel mogelijk 'documentatiemateriaal'. Hij kopieerde Michelangelo Buonarroti, Rafaël, Titiaan en Leonardo da Vinci. Later zou hij een bijzonder talent aan de dag leggen voor het 'integreren van andermans ideeën' in zijn eigen werk.

Rubens vond in Rome hooggeplaatste beschermers: kardinaal Scipio Borghese ('Protector van Germanië en de Lage Landen'), een neef van Sixtus V en bisschop (later kardinaal) Giacomo Serra. De laatste stond er op dat zijn protégé het hoofdaltaar van de Nieuwe Kerk (Chiesa Nuova) zou decoreren. Het schilderij, met daarop centraal Gregorius de Grote, bleek uiteindelijk bij de installatie te veel te spiegelen, waarna Rubens drie schilderijen maakte op leisteen. Voor de inrichting werd hij tussentijds door de hertog weggeroepen om hem naar Genua te begeleiden.

Genua[bewerken]

Het schilderij De besnijdenis werd van Rome verscheept voor de jezuïetenkerk San Ambrogio in Genua. Rond 1606-1607 schilderde Rubens portretten in Genua, waaronder een ruiterportret, vermoedelijk van Giovanni Carlo Doria en het portret van Veronica Spinola Doria. Rubens legde in Genua contacten, die hem later de opdracht opleverden voor het altaarstuk De wonderen van de H. Ignatius voor de jezuïetenkerk van Genua. Na de afwikkeling in de Nieuwe Kerk, vertrok Rubens oktober 1608 naar Antwerpen, waar zijn moeder op sterven zou liggen. Bij aankomst bleek dat zijn moeder al negen dagen was gestorven voor hij uit Rome vertrok. Ze was reeds begraven in de St. Michielsabdij. Rubens liet er in de kapel een altaar bouwen en plaatste er het schilderij boven, dat oorspronkelijk voor de Chiesa Nuova in Rome was bestemd.

Hofschilder van aartshertogen[bewerken]

In oktober 1608 keerde hij terug naar de Spaanse Nederlanden en werd daar in 1609 benoemd als hofschilder van de aartshertogen Albrecht van Oostenrijk en Isabella van Spanje. Hij was de derde zoon van keizer Maximiliaan II en zij de favoriete dochter van Filips II van Spanje. Rubens ontving van hen een jaargeld van 500 florijnen, hoefde zich niet aan het hof in Brussel te vestigen en mocht aan wie hij wilde zijn kunst onderwijzen, want hij werd vrijgesteld van de reglementen van het schildersgilde, dat maar als een 'organisatie van ambachtslieden' werd gezien. Daarmee werd zijn status verhoogd. Hij mocht zoveel leerlingen in dienst nemen als hij wilde, zijn leerlingen betaalden geen lidmaatschapsgeld aan het gilde, Rubens hoefde er geen bestuursfuncties te vervullen en zijn weduwe zou over de erfenis geen belasting hoeven af te dragen. Rubens had an het hof geen vaste verplichtingen en hij zou voor elke opdracht apart worden betaald. Zo wilde men hem voor Antwerpen behouden, want Rubens hield zijn hele leven de wens naar Italië terug te keren. Terwijl Rubens opklom, ging Antwerpen langzaam ten onder.[8] Haar rol in de 16e eeuw werd door 17e eeuws Amsterdam overgenomen.

Eerste huwelijk met Isabella Brant[bewerken]

Hij bleef in Antwerpen wonen en trouwde er op 3 oktober van datzelfde jaar met Isabella Brant, de oudste dochter van stadssecretaris Jan Brant. Isabella was het nichtje van Rubens schoonzuster, de vrouw met wie zijn broer Filips in het voorjaar van 1609 was getrouwd. Filips was ook secretaris in Antwerpen geworden. In 1611 werd hun eerste dochter geboren, Clara Serena, die jong overleed in 1623. In 1614 werd een zoon Albert geboren en in 1618 kreeg het echtpaar een tweede zoon, Nicolaas.[9]

Atelier aan de Wapper[bewerken]

Als gevolg van het Twaalfjarig Bestand in de Nederlanden tijdens de periode 1609-1621 steeg de welvaart in Antwerpen (de blokkade van de Schelde werd opgeheven), waardoor Rubens snel verschillende opdrachten kreeg. Rubens trok met zijn bruid in bij haar vader en kocht in januari 1611 een groot pand met een flink stuk grond aan de Wapper. Hij liet het grondig renoveren, waardoor het stel pas begin 1616 het nieuwe huis betrok. Hij richtte het grote pand, dat nu nog altijd het Rubenshuis heet, in als atelier met een aantal knapen en leerjongens. De meester zelf schilderde vaak bij portretten alleen het gezicht en de handen; de rest was na een grove schets voor de knapen, zo kon de meester in hoog tempo vele opdrachten aanvaarden. Afbeeldingen van dieren liet hij over aan Frans Snyders die in Rubens' atelier werkte, maar ook op zelfstandige basis opdrachten mocht aanvaarden. De productiviteit van de meester was verbazingwekkend. Rubens schilderde tussen 1621 en 1625 24 schilderijen voor het Palais du Luxembourg, zijn grootste opdracht ooit, die historisch-allegorisch de levensloop van koningin Maria de' Medici uitbeelden.

In 1626 overleed zijn vrouw Isabella Brant. In een brief aan de geleerde Pierre Dupuy gaf hij datzelfde jaar uiting aan zijn gevoelens: Ik heb werkelijk een uitmuntende gezellin verloren, die men met recht en rede kon, ja moest liefhebben, omdat zij geen enkele vrouwelijke ondeugd bezat; zij was niet grillig of zwak, maar zo goed en zo oprecht. Tijdens haar leven was zij om haar deugden bemind en na haar dood beweend door iedereen. Een dergelijk verlies kost immens veel verdriet. Alleen de tijd kan deze wonde helen.[10]

Jezuïeten[bewerken]

Rubens had intensieve contacten met de Sociëteit van Jezus (jezuïeten), die in de gunst stond bij de aartshertogen en zeer actief was bij het propageren van de Contra-reformatie. In Italië had Rubens al altaarstukken voor hen geschilderd (in Mantua en Genua) en illustraties gemaakt voor een biografie van hun stichter, Ignatius van Loyola. De jezuïeten richtten in 1609 de vereniging 'Broederschap der Gehuwde Mannen' op, waar Rubens lid van werd. In 1623 werd hij raadslid en in 1629 secretaris van de vereniging. Zijn grootste opdracht voor de jezuïeten, een 'mijlpaal in zijn carrière',[11] was in 1620 de vervaardiging van 39 schilderijen voor hun nieuwe kerk in Antwerpen. In 1718 ging het schip van de kerk met Rubens plafondschilderingen in vlammen op.

Diplomatie[bewerken]

Rubens genoot het volste vertrouwen van de landvoogdes Isabella en kreeg meerdere diplomatieke opdrachten en missies te verwerken. Met deze activiteiten hoopte Rubens zijn verdriet om het verlies van zijn vrouw Isabella te vergeten. Aldus kwam hij weer in Spanje en Engeland terecht. De werken van Titiaan en de bewondering van de eerste Hertog van Buckingham stimuleerden de kunstenaar. Rubens schilderde voor de hertog George Villiers de Glorificatie van de hertog van Buckingham en een allegorisch ruiterportret, waarop hij te zien is in zijn nieuwe functie van vlootadmiraal. Beide werken gingen bij een brand in 1949 verloren. Van het ruiterportret is nog wel een ontwerpschets bewaard gebleven. Later, mogelijk om diplomatieke redenen en om nog meer bij de hertog in de gunst te komen, verkocht Rubens, na Isabella's overlijden, een deel van zijn kunstcollectie, voor 'eenhonderd duizend florijnen'.[12] Rubens zag later in Engeland, na het overlijden van de hertog, de collectie in zijn geheel nog een keer terug.

Rubens zette zich in voor een wapenstilstand tussen Spanje, Engeland en de Verenigde Provinciën. Onder de dekmantel van atelierbezoek ontmoetten de Engelse afgezant van Buckingham, Balthazar Gerbier en Rubens elkaar rond 1627 in Delft. Joachim von Sandrart, leerling op het atelier van Gerard van Honthorst in Utrecht begeleidde hem langs diverse ateliers.[13] Rubens bewonderde ook het werk van Abraham Bloemaert en Cornelis van Poelenburgh. Rubens ging ook kijken in Amsterdam en andere Hollandse steden.

In de periode 1628-29 was Rubens als diplomaat en schilder in Madrid, aan het hof van de Spaanse koning Filips IV. Hij ontmoette er Don Diego Vélasquez en logeerde samen met hem in het paleis van de koning. Rubens schilderde een ruiterportret (bij een brand van het Escorial in 1734 verloren gegaan) en nog vier portretten van de koning en tal van portretten van de koninklijke familie. Ook maakte hij kopieën van Titiaan, waaronder Het feest van Venus. Als 'Secretaris van 's Konings Geheime Raad der Nederlanden' vertrok Rubens 29 april 1629 naar Londen voor verdere vredesbesprekingen.

In Engeland portretteerde Rubens Thomas Howard, graaf van Arundel, wiens echtgenote hij tien jaar eerder had geschilderd, toen zij de Spaanse Nederlanden een bezoek bracht. Rubens noemde de Engelse koning Karel I 'de grootste liefhebber van de schilderkunst onder 's werelds vorsten'.[14]

Tweede huwelijk met Hélèna Fourment[bewerken]

Rubens was 53 jaar toen hij, terug uit Engeland, in 1630 hertrouwde met zijn 16-jarige nicht Hélène Fourment. Naar aanleiding van dit tweede huwelijk schreef hij in 1634 het volgende aan de Franse geleerde Nicolas-Claude Fabri de Peiresc: Ik besloot te trouwen omdat ik vaststelde dat ik nog niet geschikt was voor het celibaat. Ik koos een jonge vrouw uit een fatsoenlijke, maar burgerlijke familie, hoewel iedereen mij aanraadde een vrouw van adel te nemen. Maar ik vreesde de hoogmoed, de algemene kwaal van de adel, zeker bij vrouwen. Daarom koos ik een meisje dat niet zou blozen wanneer zij me mijn penselen zag nemen. Om eerlijk te zijn, leek het me hard om de kostbare schat van de vrijheid te verliezen in ruil voor de omhelzingen van een oude vrouw.[15] In 1632 werd zijn dochter Clara Johanna geboren, in 1633 zijn zoon Frans. In 1635 kreeg hij nog een dochter, Isabella Helena, en in datzelfde jaar kocht hij Kasteel Het Steen in Elewijt. Het gelukkige gezinsleven op het platteland begunstigden zijn kunst als landschapsschilder. In 1636 werd zijn zoon Peter Paul geboren.

Hofschilder van kardinaal-infant[bewerken]

In juni 1636 werd hij hofschilder bij kardinaal-infant Ferdinand van Oostenrijk, de broer van de Spaanse koning Filips IV. Hij kreeg de opdracht voor 112 schilderijen naar thema's uit de Metamorfosen van Ovidius voor het jachtslot Torre de la Parada bij Madrid. De meeste van die schilderijen bevinden zich nu in het Prado. In 1637-1638 schilderde hij De verschrikkingen van de oorlog, thans in het Palazzo Pitti.[16]

Overlijden[bewerken]

Lijdend aan jicht stierf Rubens op 30 mei 1640 in het Rubenshuis te Antwerpen. Drie dagen tevoren hij hij zijn testament gemaakt.[16] Zes weken voor zijn dood schreef hij het volgende aan de beeldhouwer Frans Duquesnoy: Indien mijn leeftijd en jicht me er niet van weerhielden, zou ik naar Rome reizen om met eigen ogen van dit werk te genieten en de volmaaktheid ervan te bewonderen. Ik hoop niettemin u weer tussen ons te zien, zodat ons geliefde land op een dag zal schitteren door uw prachtige werken.[17]

Zijn graf[bewerken]

Rubens ligt samen met zijn familie begraven in een grafkapel in de Sint-Jacobskerk te Antwerpen. Boven zijn graf prijkt een beeld van Maria van de hand van zijn leerling Lucas Faydherbe, beeldhouwer in Mechelen en architect, die gedurende de laatste drie jaren van Rubens' leven woonde en werkte in diens atelier aan de Wapper, waar hij uitgroeide tot Rubens' vertrouweling. Maria's hart is met een zwaard doorboord. Dit verwijst naar de naam van de kapel: kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten. Boven het altaar van zijn grafkapel bevindt zich een werk van zijn hand: Madonna omringd door heiligen, dat uit de private kunstcollectie van Rubens kwam en hij daartoe voorbestemde.

Schilderstijl[bewerken]

De stijl van Rubens behoort tot de Antwerpse School uit de vroege 17e eeuw. Rubens' oeuvre wordt gekenmerkt door de triomfalistische contrareformatorische barok. Rubens is waarschijnlijk de belangrijkste vertegenwoordiger van de Vlaamse barok, alhoewel hij duidelijk een Italiaanse invloed onderging.[18] Sommige van zijn portretten hebben trekjes van het absolutisme, maar veel ex-voto's blijven toch trouw aan hun Vlaamse aard.

Zelf heeft Rubens op latere leeftijd erkend dat hij als jongeling beïnvloed is door een geïllustreerde bijbel uit 1576 met gravures van de Zwitser Tobias Stimmer.[5]

Rubens genoot een goede opleiding bij zijn leermeester en kende de knepen van het vak. Alles werd tot in detail voorbereid, veel studies en tekeningen getuigen hiervan. Uit de gedetailleerde schetsen die nog bewaard zijn gebleven kan worden geconcludeerd dat schilderijen in fasen werden afgewerkt. Zie ook: Olieschets

Het schilderij van de allegorie van De Vereniging van Water en Aarde heeft een driehoekige compositie, die vooral wordt versterkt door de drie gezichten aan de bovenkant van het schilderij (de drie hoofden). De basis van de driehoek is echter breder dan het schilderij zelf. Deze wordt gevonden door vanaf het hoofd van de Aarde over de rug van de tijger naar beneden te gaan, en van de knie van Neptunus aan de andere kant.

Verder zijn er in het schilderij allerlei richtingen zichtbaar. De kijkrichtingen tussen de verschillende personen, de richting van de drietand, het stromende water naar beneden, en de omhoog klauterende tijger aan de linker kant. Verder is de Aarde afgebeeld als naakte Rubensvrouw, naar waarschijnlijk de mode van die tijd, relatief kleine borsten, maar verder goed gevuld met brede heupen. De mannen zijn gespierd, met daarbij de techniek van de verkorting toegepast om diepte en beweging in het schilderij te suggereren.

De meeste schilderijen werden voorafgegaan door een kleine olieschets, zo had de meester een idee van de compositie en de kleuren.

Werken[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Lijst van werken van Peter Paul Rubens voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tussen 1610 en 1620, tijdens het Twaalfjarig Bestand, ontstaan de meesterstukken, die nog altijd in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwe kathedraal te bewonderen zijn: de twee drieluiken de Kruisoprichting en de Kruisafneming, met de opmerkelijke stijlwisseling. In 1626 schildert hij De Hemelvaart van Maria voor het hoogaltaar in de O.L.V.-kathedraal, zowel qua compositie als door de technische uitvoering ervan een uitermate gelukkige interpretatie van het thema. In 1612 schildert hij het schilderij de verrijzenis van Christus dat zich ook in de O.L.V.-Kathedraal in Antwerpen bevindt.

Uit de samenwerking met Jan Bruegel ontstaan kostbare kabinetstukken.

In Spanje laat hij het monumentale Ruiterportret van Hertog Lerma na en te Rome het altaarstuk van S. Maria de Vallicella een monument van de vroeg-barokke kunst.

In 1628 maakt hij zijn omvangrijkste altaarstuk De Madonna met Heiligen in de Antwerpse Augustijnenkerk.

In 1624 ontstaat het grote altaarstuk De Aanbidding door de Koningen (Sint-Michielsabdij), een voorbeeld van barok pathos.

Na 1630 ontstaan nieuwe groepen en dwarrelende massa's in dramatische scènes: De Roof der Sabijnse Maagden, De Kindermoord, Het Venusfeest. Van de Spaanse koning Filips IV kreeg hij de opdracht tot het schilderen van Het Oordeel van Paris. Naast deze eerder allegorische taferelen creëert Rubens grandioze landschappen van een stralende glans en innerlijke bewogenheid.[bron?]

Samenwerking met Brueghel[bewerken]

Rubens was een tijdgenoot van Jan Brueghel de Oude, die een vergelijkbare reputatie genoot en ook contacten had in leidende politieke kringen, maar die eerder bekend stond om fijn afgewerkte landschappen, in tegenstelling tot Rubens' grote, dramatische voorstellingen van taferelen uit de klassieke mythologie. De kunstenaars waren vrienden en werkten tijdens de eerste twee decennia van de 17de eeuw regelmatig samen, wat in die tijd uitzonderlijk was voor topkunstenaars (samenwerking met minder gereputeerde specialisten en leerlingen was de norm). Die samenwerking leverde niet minder dan 24 werken op, te beginnen met Het gevecht der Amazonen in 1598.[19]

Latere interpretatie[bewerken]

Rubens was bij leven een beroemd, succesvol en gewaardeerd kunstenaar, maar de postume appreciatie voor zijn werk heeft sterk geschommeld. Iedere tijd en heersende artistieke traditie meende in zijn werk aspecten te herkennen die juist in die tijd de voorkeur genoten, dan wel te mijden waren. In de tweede helft van de 17de eeuw stond zijn reputatie op een laag pitje omdat zijn werken moeilijk te verzoenen waren met de strenge moraal van de absolutistische regimes; daardoor is voor veel van zijn werken het wisselende eigenaarschap in dat tijdvak erg onzeker en in elk geval schaars gedocumenteerd. De 18de eeuw kon hem opnieuw waarderen, tot hij weer uit de gratie viel van de Franse revolutionairen en hun rationalistische tijdgenoten. De romantici van de 19de eeuw hemelden hem op. De culturele en politieke breuklijnen in het jonge België vonden hun echo in de uiteenlopende interpretaties van Rubens, die bij de vernieuwers in de smaak viel en de behoudsgezinden voor het hoofd stootte. De meest grondige studie van het complete werk van Rubens verrichtte de kunstcriticus Max Rooses, die bijna zijn hele leven wijdde aan het verzamelen en publiceren van Rubens' correspondentie en het inventariseren van zijn werk. Roooses nam als startpunt deel 2 van de catalogus van de Engelse antiquair John Smith uit 1830. Andere mijlpalen in de Rubenskritiek zijn de lijst van gravures naar Rubens, opgesteld door C. G. Voorhelm-Schneevoogt in 1873, en Jacob Burckhardt’s boek Erinnerungen an Rubens ("Herinneringen aan Rubens") uit 1898.[20]

Werk in openbare collecties (selectie)[bewerken]

Cultureel eerbetoon[bewerken]

  • Op de Groenplaats in Antwerpen staat sinds 1843 een standbeeld van Rubens, gebouwd door Willem Geefs. Rubens was hiermee de eerste Vlaming die een standbeeld kreeg.
  • De Antwerpse etalageschilder Rubbes heeft zijn pseudoniem aan hem ontleend.
  • In de Suske en Wiskealbums De raap van Rubens (1977) en De Krimson-crisis (1988) speelt Rubens een belangrijke rol. Ook in het album Het dreigende dinges (1985) speelt een schilderij van Rubens (Kruisafneming) een belangrijke rol.
  • Rubens eindigde in 2005 op nr. 9 in de Vlaamse versie van de verkiezing van De Grootste Belg en op nr. 21 in de Waalse versie.
  • In de stripreeks De Kiekeboes werkt Fanny in het album "Hotel O" in een hotel waar alle kamers naar schilders vernoemd zijn. De hoteleigenaar raadt de Dikke Dame de Rubenssuite aan. Een knipoogje naar het feit dat op Rubens' schilderijen vaak mollige vrouwen te zien zijn.
  • Als eerbetoon aan Rubens richtten corsobouwers van het bloemencorso in Zundert in juli 2007 een dahliatableau op gemaakt naar een zelfportret van Rubens. Het tableau mat 8 bij 8 meter en bevatte meer dan 30.000 dahlia's. In het corso van 2007 (in september) reed bovendien een wagen naar een ontwerp van Rubens mee: de Zegewagen van Kalloo.
  • Langs diverse invalswegen voor Antwerpen staan bruine toeristische bebording opgesteld om weggebruikers te attenderen dat ze Antwerpen naderen. Op dit bord wordt een zelfportret van Rubens getoond.[22]

Onderscheidingen[bewerken]

Rubens werd twee keer geadeld: in 1624 verhief Filips IV van Spanje hem aan het Spaanse hof tot de adel voor zijn diplomatieke missies in de Noordelijke Nederlanden, en in 1630 werd hij door Karel I van Engeland geridderd aan het Engelse hof in Whitehall.

Wetenswaardig[bewerken]

Rubens was in het bezit van wat men nu het Zilveren sierstel van Peter Paul Rubens noemt, in 2005 opgenomen in het topstukkendecreet van Vlaanderen en in het bezit van de Koning Boudewijnstichting.

De Kindermoord van Bethlehem werd in 2002 voor 76 miljoen dollar geveild en behoort daarmee tot de duurste schilderijen ter wereld. In 2016 werd Lot en zijn Dochters voor 52 miljoen euro geveild bij Christie's.[23]

In juli 2018 raakte bekend dat Facebook naakten van Rubens en andere Vlaamse barokschilders weert van hun netwerk. Het Vlaams picturaal erfgoed valt voor hen onder de categorie onfatsoenlijk en zowaar pornografisch. Toerisme Vlaanderen reageerde daar ludiek op via een video op You Tube.[24]

Medewerkers en leerlingen[bewerken]

Medewerkers en leerlingen van Rubens

B

C

D

E

F

G

H

J

L

M

N

P

Q

R

S

T

U

V

W

Y

Galerij[bewerken]

Externe links[bewerken]