Cornelis van Eesteren
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Cornelis van Eesteren (1897 - 1988) was een Nederlandse architect en stedenbouwkundige. Hij richtte zich vooral op stedenbouw. Maatschappelijke problemen wilde hij ruimtelijk oplossen. Naar aanleiding van hoe hij dat wilde oplossen ontstond pas het werk. Hij liet de vorm ontstaan naar aanleiding van het probleem. De centrale plaats was dus weggelegd voor de functionaliteit.
Inhoud |
[bewerk] Levensloop
Van Eesteren was een zoon van de aannemer Balten van Eesteren, directeur van aannemersbedrijf Boele & Van Eesteren, later wethouder van Alblasserdam en vanaf 1919 lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. Cornelis was als oudste zoon voorbestemd ook aannemer te worden en leerde het vak van onderaf.[1] Hij begon zijn loopbaan als timmerman, bouwopzichter en tekenaar in het bouw- en timmerbedrijf.[2] In 1914 begon hij een opleiding aan de Academie van Beeldende kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam, niet om architect te worden, maar om architecten, zijn toekomstige klanten, te leren kennen en vertrouwd te raken met het ontwerpproces. Zijn medeleerlingen waren Willem Gispen, Leendert van der Vlugt, J.M. Luthman en H.P.J. de Vries. Daarnaast was hij werkzaam bij Willem Kromhout en de architectenmaatschap Alb. Otter en W.F. Overeynder, waar hij Jan Wils ontmoette. Kromhout wekte zijn interesse in de architectuur en dus koos Van Eesteren ervoor in plaats van aannmer architect te worden. In 1917 voltooide hij zijn opleiding.
Vervolgens voelde hij zich zelfverzekerd genoeg om deel te nemen aan een prijsvraagontwerp voor een pakhuisgevel, in 1917 uitgevaardigd door de Rotterdamse Vereniging Bouwkunst en Vriendschap. Het ontwerp dat hij indiende, en waarmee hij een gedeelde eerste plaats won, sloot aan bij de Amsterdamse School, terwijl hij in zijn prijsvraagontwerp voor het Stadspark in Groningen, eveneens in 1917 uitgevaardigd, in de voetsporen van zijn leraar Kromhout trad.
Aan het einde van zijn studie en enkele maanden daarna ontwierp hij voor het aannemersbedrijf van zijn vader verschillende woonhuizen in Alblasserdam, waaronder het woon-winkelhuis van A. van Zessen, en de verbouwing van het huis van zijn vader. In deze periode, die hij later zijn 'korte aannemerspraktijk' noemde, besloot hij om op een 'hooger plan' te komen definitief architect te worden. In het midden van 1918 gaf zijn vader, inmiddels CHU-gemeenteraadslid in Alblasserdam, hem ook de opdracht een uitbreidingsplan voor Alblasserdam te maken. In dit eerste stedenbouwkundige project van Van Eesteren volgde hij in grote lijnen Berlage.[3] Eind 1918 of begin 1919 trad hij als tekenaar in dienst van architect Willem Verschoor in Den Haag, waar hij ook tekenlessen volgde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Verschoor maakte hem bekend met de mogelijkheden van gewapend beton en confronteerde Van Eesteren met het door Frank Lloyd Wright geïnspireerde werk van de De Stijl-architecten Robert van 't Hoff en Jan Wils. Onder Verschoor ontwierp hij een ambitieus uitbreidingplan voor Alphen aan den Rijn.[4]
Van 1919 tot 1921 volgde hij een avondopleiding aan het Voortgezet Hooger Bouwkunst Onderricht in Amsterdam, waar hij onder meer les kreeg van J.L.M. Lauweriks (architectuur en meubelontwerp), Jan de Meyer en Arie Keppler (stedenbouwkunde), terwijl hij overdag op het architectenbureau van Gerrit Jan Rutgers, eveneens in Amsterdam, werkte. De nadruk op het VHBO lag destijds niet de practische kant van de architectuur, maar op synthese, vormgeving en het grote gebaar. Van de student werd verwacht dat hij het bouwkundige deel al beheerste en deze nu alleen nog zou moeten overstijgen. Van Eesteren was in zijn studententijd enerzijds een navolger van Berlage en werd anderzijds beïnvloed door het uit Duitsland overgewaaide expressionisme.[5] In 1919 sloot hij zich ook aan bij de Amsterdamse School door lid te worden van Architectura et Amicitia, waar hij tot 1924 lid van zou blijven.
[bewerk] Prix de Rome
In juni 1921 nam Van Eesteren deel aan de Prix de Rome voor architectuur. Hiervoor had hij drie maanden de tijd een ontwerp te maken van een 'Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten' aan de Amstel.[6] Hij won de eerste plaats en zijn ontwerpen werden van 25 december tot en met 1 januari 1922 tentoongesteld in de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Naar aanleiding hiervan schreef hij de notitie 'mij is de Prix de Rome toegekend', waarin hij het stedenbouwkundige probleem in relatie tot het moderne leven beschrijft en concludeert dat, ondanks het pionierswerk van Berlage, er nog steeds geen bruikbare theorie aangaande dit probleem bestond. Hiermee was Van Eesterens interesse voor stedebouwkunde definitief gewekt.[7]
In 1922 gebruikte Van Eesteren zijn Prix de Rome-toelage om gedurende tien maanden architectuur en stedenbouw in Duitsland, de landen rond de Oostzee, Tsjechië en Wenen te bestuderen. Eind februari kwam hij aan in Berlijn. Zijn contactpersoon van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aldaar, de gezantschapsraad Johannes Sievers, was echter de eerste drie weken met vakantie, waardoor Van Eesteren Berlijn aanvankelijk met zijn Baedeker als gids verkende. Volgens zijn dagboek bezocht hij het Schinkelmuseum in de Technische Hogeschool in Charlottenburg, een herdenkingstentoonstelling van Franz Marc, het Museumsinsel en de Gendarmenmarkt. Ook was hij geïnteresseerd in (expressionistisch) theater; hij bezocht een opvoering van Schillers 'Don Carlos' in Schinkels Staatliches Schauspielhaud, onder regie van Leopold Jeßner met decors van Oskar Strnad, en een voorstelling in Hans Poelzigs Große Schauspielhaus. Eind april zag hij het stuk 'Die Ratten' van Gerhard Hauptmann in de Volksbühne, onder regie van Jürgen Fahling, dat het begin markeerde van het magisch realisme. Midden maart kon hij zich voorstellen bij gezantschapsraad Sievers en aan het einde van die maand ontmoette hij de expressionistische architect Erich Mendelsohn, na het zien van diens ontwerptekeningen van het te verbouwen Mossehuis. Van Eesteren was zeer onder de indruk van de kleuroplossing van Mendelsohns Gebäude der Hausleben-Versicherung aan de Dorotheenstrasse, dat hij op 22 maart bezocht.[8] Van Eesterens gevoeligheid voor kleur in de architectuur zou later een reden zijn om zich later bij De Stijl aan te sluiten. Naast de architect Heinrich Straumer (ontwerper van o.a. metrostation Thielplatz en de Landbouwhogeschool in Dahlem), met wiens traditionalistische architectuur hij echter weinig op had, ontmoette Van Eesteren in Berlijn verder alleen kunstcriticus Adolf Behne, die Van Eesteren aanraadde naar Dresden te reizen, de bakermat van het expressionisme en dé stad om de Duitse barokarchitectuur te bestuderen. Gezien Van Eesterens eerdere ontwerpen was dit geen vreemde keuze.
Op 29 maart reisde hij naar Dresden, waar hij vrijwel onmiddellijk de door Matthäus Daniel Pöppelmann ontworpen Zwinger bezocht, alleen al omdat de Amsterdamse architect Adriaan Willem Weissman Van Eesterens Prix de Rome-ontwerp met dit gebouw vergeleek. Pas na het zien van de Zwinger kon hij dit compliment op zijn juiste waarde schatten. Minder positief was hij over Gottfried Sempers direct aan de Zwinger grenzende Gemäldegalerie Alte Meister. Ook bezocht hij Gaetano Chiaveri's Hofkerk en van Georg Bährs Frauenkirche viel hem de loges op de eerste gallerij op, die hij later gebruikte voor zijn, tijdens deze reis voltooide, afstudeerontwerp van een universiteitsgebouw, dat hij inpaste in Berlages Plan Zuid. In Dresden ontmoette hij barokkenner en voorzitter van de Bund Deutscher Architekten, Cornelius Gurlitt, die later de restauratie van de Zwinger zou begeleiden. Veel aandacht voor (oude) schilderkunst had Van Eesteren echter niet; die zou de ontwikkeling van hedendaagse kunstenaars alleen maar in de weg staan. Wel bezocht hij de directeur van de Städtische Sammlungen, Paul Ferdinand Schmidt, die hem aan enige (waarschijnlijk expressionistische) kunstenaars voorstelde.
Vanuit Dresden bezocht Van Eesteren het crematorium van Fritz Schumacher (1909-1911) en het schildersatelier in de porseleinfabriek Ernst Teichert in Meissen. Hij had weinig oog voor de in 1908 door Richard Riemerschmid in romantische stijl ontworpen tuinstad Hellerau, maar des te meer voor de daarin gelegen Dalcrozeschool van Heinrich Tessenow (1910-1912). De Dalcrozeschool, maakte vooral ruimtelijk grote indruk op hem, omdat Tessenow erin geslaagd was om een monumentaal, grootstedelijk complex toch een zeer geborgen karakter te geven. Van 13 tot 25 april bezocht Van Eesteren de stad Praag, waar hij kennis maakte met het architectonisch kubisme en het op de barok geïnspireerde 'rondo-kubisme', van architecten als Jan Kotera en Pavel Janák, beiden leerlingen van de Oostenrijkse architect Otto Wagner. Janák leidde hem rond in een door hem ontworpen villa buiten Praag en raadde Van Eesteren aan 'ook naar Wien te reizen, dat als schakel in de ontwikkeling der moderne bouwkunst van groot belang is'. Om die reden bezocht hij wellicht ook de Nationale Galerie om werk van Gustav Klimt te bekijken. In Wenen moet hij architect Adolf Loos ontmoet hebben, over wie hij het later nog veel zou hebben.
Op 26 april keerde hij weer terug naar Berlijn, waar hij op de 27e opnieuw een ontmoeting had met Adolf Behne. Deze adviseerde hem dit keer ongetwijfeld het Bauhaus in Weimar te bezoeken te meer omdat Van Eesterens landgenoot, Theo van Doesburg, daar een Stijl-cursus begonnen was. Op 30 april bezocht hij een tentoonstelling van Willi Baumeister in de galerie van Der Sturm en schreef hierover in zijn dagboek: 'Zondag bezocht ik de Sturmausstellung en kwam iets verder in de kubistische gedachtegang door enige geëxposeerde teekeningen. Figuurstudies in zoo eenvoudig mogelijke lichaamssamenstellingen, ik bedoel, samengesteld gedacht uit louter meetkundige figuren. Goed was de indruk zeker'.
's Avonds 2 mei kwam hij, na in Potsdam Mendelsohns Einsteintoren en waarschijnlijk nog andere bezienswaardigheden bezocht te hebben, aan in Weimar. De dag daarop bezocht hij daar enkele toeristische bezienswaardigheden, waaronder het marktplein. Hij was niet onder de indruk van zijn ontvangst in het Bauhaus en betwijfelde of hij daar kon werken aan het ontwerp voor een universiteit, waarvoor hij inmiddels plannen had. Op 4 mei bezocht hij een 'tentoonstelling van leerlingenwerk in het Bauhaus' en had hij een ontmoeting met directeur Walter Gropius. Dit gesprek verliep echter niet zo vlot, waarschijnlijk omdat Gropius op dat moment onder vuur lag van de conservatieve reactie enerzijds en de avant-garde, met Theo van Doesburg voorop, anderzijds. Diezelfde avond ontmoette hij Van Doesburg en praatte met hem uitgebreid over kunst en zijn conflict met het Bauhaus. De dag daarop besloot hij een tijdje in het rustige Weimar te blijven om aan zijn afstudeerontwerp te werken. Op 7 mei bezocht hij het monument voor de 'Märzgefallenen' op het kerkhof in Weimar, dat geldt als het hoogtepunt in Gropius' expressionistische periode. 's avonds 10, 18 en 23 mei woonde hij Van Doesburgs Stijl-cursus bij op het atelier van Bauhaus-student en de De Stijl-aanhanger Peter Röhl, waar hij ook Harry Scheibe leerde kennen. Een dag later leidde Adolf Meyer hem rond in het Stadttheater in Jena, waarmee Gropius en Meyer definitief afrekenden met het expressionisme, en waarvan Van Doesburg meende de katalysator van te zijn geweest. Van Doesburg wist Van Eesteren voor zijn ideeën te boeien. Op 14 mei schrijft hij: 'Onze ontmoeting is voor mij van grooten invloed geloof [ik]. Voor het geval ik me niet door die theorie laat leiden, zal zij toch van grooten invloed op mijn ontwikkeling zijn. (...) Ik weet echter te weinig. Al kan ik veel bevatten'. Door deze ontmoeting raakte Van Eesteren ervan overtuigd dat de moderne mens fundamenteel andere behoeften heeft dan de 'Barockmensch'. Hij vroeg zich dan ook af: 'Hoe en met welke middelen kan aan de behoefte aan schoonheid van onze tijd worden voldaan'? Voor de beantwoording van die vraag konden Van Doesburg en andere avant-garde-kunstenaars hem behulpzaam zijn. Eén ding was voor Van Eesteren al duidelijk, namelijk dat 'alleen dat wat nu gemaakt wordt voor den mensch van heden schoon kan zijn, dus een kunstwerk kan zijn'. Van Doesburg leerde hem ook het tegenwoordige in het verleden op te sporen. Hierdoor was hij, in tegenstelling tot zijn indrukken in Dresden, aanzienlijk positiever over het werk een 'oude meester' als Cranach, dat hij op 23 mei bekeek en 'bovenzinnelijk prachtig' noemde. Die dag ontmoette hij ook uitgever Bruno Adler van de expressionistische Utopia-uitgeverij. Op 26 mei ontmoette hij Hans Richter, El Lissitzky, Werner Graeff en Peter Röhl, met wie hij op 28 mei naar Düsseldorf reisde, om daar het Internationaal Congres van Progressieve Kunstenaars bij te wonen. Onderweg bezocht hij de al in 1904 voltooide Wuppertaler Schwebebahn. Tijdens het congres, dat van 29 tot en met 31 mei plaats vond, ontmoette hij Stanislaw Kubicki, Ruggero Vasari, e.a.
Na het congres reisde hij via Maagdenburg, waar hij de 'kleurige fassaden van Taut' bekeek, om op 11 juni opnieuw in Berlijn aan te komen. Hier ontmoette hij, waarschijnlijk via Hans Richter, de Hongaarse kunstenaars László Moholy-Nagy en László Péri, had hij op 16 juli een uitgebreid gesprek met Behne en Mendelsohn en maakte hij een afspraak met 'Naturphänomen' Hans Poelzig. Richter nodigde hem uit aan de Hochschule für Bildende Künste in Charlottenburg te werken aan zijn afstudeerontwerp, dat hij op 2 augustus naar het VHBO opstuurde. Twee dagen later verliet hij Berlijn weer. In Magdenburg had hij nog een goed gesprek met Stadtbaurat Bruno Taut.
Begin augustus reisde hij naar de havenstad Altona, dat nu ondedeel is van Hamburg, waar hij bij zijn bezoek aan Oberbaurat Werner Jakstein de Deense architect Knud Lønberg Holm ontmoette. Leter die maand reisde hij naar de toen Oost-Duitse stad Stettin, waar hij Walter Riezler, redacteur van het orgaan van de Deutsche Werkbund, Die Form, bezocht. Van 14 tot 26 augustus was hij in Finland,[9] waar hij allereerst het centraal station van Helsinki van de Finse architect Eliel Saarinen bezichtichde en op 25 augustus een onmoeting met de architect zelf in diens landhuis Hvitträsk, even buiten Helsinki. Verder bekeek Van Eesteren de typisch Finse, houten huizen in Oulu en een 'katoenspinnerij' in Tampere. Op 30 augustus sprak hij in Stockholm met Gunnar Asplund, die juist bezig was met de bouw van zijn stadsbibliotheek. Begin september kwam hij in Kopenhagen via Jakstein in contact met Charles I. Schou. Ook ontmoette hij daar de architecten Carl Petersen, Povl Baumann en Peter Nielsen. Over Martin Nyrops stadhuis schreef hij in zijn dagboek: "Het geheele raadhuis is voor het publiek toegankelijk. De groote overdekte binnenplaats heeft dan ook banken, waar men altijd lezende en pratende menschen kan aantreffen".
Op 19 september was hij weer terug in Berlijn, waar hij de architect Ludwig Hilberseimer ontmoette. Op 20 september werd echter zijn portefeuille gesloten, wat mogelijk de aanleiding was weer naar Weimar te gaan, waar hij eerder dat jaar zo hartelijk was ontvangen. Op 24 september kwam hij in Jena aan, om een bijeenkomst van Walter Dexels Städtische Kunstverein bij te wonen, waar ook Hans Arp, Lucià en László Moholy-Nagy, Kurt Schwitters, Theo en Nelly van Doesburg, Max Burchartz en Werner Graeff aanwezig waren. De dag daarop woonde hij met deze club het door Theo van Doesburg georganiseerde Congres van Dadaïsten en Constructivisten in Weimar bij, waar ook Richter, Hans Vogel, Bernhard Sturzkopf en Peter Röhl aan deelnamen. Op 29 september vertrok hij naar München.
In München logeerde hij bij Hans Arp. Op 3 oktober schreef hij in zijn dagboek: 'bank, pas, Nymphenburg, Waldfriedhof. Sörgel leren kennen. De avond met hem doorgebracht', en de dag daarop: 'Rust. Sörgels Theorie der Baukunst gelezen'. Hiermee bedoelde hij het invloedrijke boek Architektur-Aesthetik van Herman Sörgel uit 1918. Later die maand bezocht hij ook Stuttgart. Op 23 oktober vermeldt zijn dagboek: 'Stuttgart, Baumeister, Döcker enz'. De volgende dag neemt hij uitgebreid de tijd om in Stuttgart werk van deze Richard Döcker te bekijken, zoals zijn in 1922 i.s.m. Hugo Keuerleber ontworpen terraswoningen in de Weissenhofsiedlung. Hij vond de stad blijkbaar zo interessant, want op zondag 17 december reisde hij opnieuw 'naar Stuttgart alwaar tot dinsdagmorgen gebleven'.
Eind oktober ontmoette Van Eesteren de architect Fritz Schumacher, die op dat moment een grote stedebouwkundige studie voor Keulen utvoerde. Van Eesteren was ook erg geïnteresseerd in grote industriesteden en om die reden nam hij begin november minstens drie dagen de tijd het Ruhrgebied te bestuderen. Op 17 november kwam hij aan in Wenen. Zijn dagboek meldt: 'Pension gezocht, Stephanskirche. 18 [november] Loos bezocht', en op zondag en maandag 'met Loos door de stad' gewandeld. Van 21 tot en met 23 november verkende hij Wenen alleen en bezocht onder meer Josef Hoffmann en de Wiener Werkstätte. Maandag 27 november nam hij weer afscheid van Loos. In zijn dagboek schreef hij samenvattend: 'Van Loos gezien: woonhuis van Dr. Scheu, verbouwde villa met geelmarmeren eetkamer [Haus Duschnitz], trappenhuis, Café Museum'. Ook noemt hij gebouwen van Otto Wagner en Loos' opvallende prijsvraagontwerp voor de Chicago Tribune, dat de vorm heeft van een Dorische zuil. Ook al deelde hij Loos' opvatting dat de architectuur geen kunst kon zijn, toch moet Van Eesteren zeer onder de indruk van hem geweest zijn. Zo is de invloed van Loos duidelijk merkbaar in Van Eesterens ontwerp van het huis van de weduwe Van Zessen in Alblasserdam uit 1923, dat vanaf het water gezien kubusvormig is en dat ook van binnen naar buiten lijkt te zijn ontworpen.
Terug in Nederland, begin 1923, vernam Van Eesteren dat zijn afstudeerontwerp, een universiteit in Amsterdam,[10] niet was geaccepteerd door de examencommissie van het VHBO. Ook kreeg hij in maart dat jaar een vernietigende kritiek van J.P. Mieras over zich heen naar aanleiding van de tentoonstelling van zijn tijdens de Prix de Rome-reis gemaakte reisschetsen en opmetingstekeningen, en werd zijn reisstipendium niet verder verlengd.[11]
[bewerk] De Stijl
Tijdens een studiejaar aan de Sorbonne in Parijs voerde hij samen met Theo van Doesburg drie woonhuisontwerpen uit (zie Ontwerpen),[12] die van 15 oktober-15 november 1923 tentoongesteld werden in Galerie l'Effort Moderne van kunsthandelaar Leonce Rosenberg. Deze drie ontwerpen, Hôtel Particulier, Maison Particulière en Maison d'Artiste verwijzen in grote lijn naar de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright. Maar ook het Maison Particulière, met zijn niveauverschillen, en het Maison d'Artiste met zijn centrale kolom, waaraan een groot deel van de constructie is 'opgehangen', waardoor er geen sprake meer is van dragende buitenmuren, zijn geïnspireerd door Loos.[13] Tegelijkertijd stelde hij elders in Parijs zijn eerdere Prix de Rome-ontwerp tentoon, die beter ontvangen werden dan zijn Rosenbergontwerpen.[14] In september 1924 diende hij bij Bouwbureau Joh. P. Schippers in Den Haag een prijsvraagontwerp voor een winkelgalerij met café-restaurant aan de Laan van Meerdervoort in, waarvan Theo van Doesburg het kleurontwerp maakte.[15] Het motto van dit ontwerp, 'simultanéité', wijst op het open karakter van de winkelgallerij, waardoor de gebruiker het gevoel zowel binnen als buiten te zijn moest krijgen.[16] In 1925 hij een prijs met het ontwerp voor de modernisering van de boulevard Unter den Linden in Berlijn. Naar aanleiding van dit succes werd hij door de Duitse architect Ernst Neufert in december 1926 uitgenodigd als architectuurdocent aan de Bauhochschule in Weimer (de opvolger van Gropius' Bauhaus), welke functie hij, volgens zijn wens, wist om te zetten in docent voor stedenbouwkunde.[17]
[bewerk] ‘Architect-urbanist’
Vanaf 1929 (tot 1959) was hij hoofd van de toen opgerichte afdeling Stadsontwikkeling van de dienst der Publieke Werken in in Amsterdam. Samen met Th. K. van Lohuizen werkte hij aan het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Amsterdam uit 1934. Dit werd de basis voor de stadsuitbreidingen in de volgende decennia, zoals de Westelijke Tuinsteden en Buitenveldert. In 1959 werd hij opgevolgd door Jakoba Mulder. Na de Tweede Wereldoorlog stond zijn loopbaan vooral in het teken van de ruimtelijke ordening van de toen drooggelegde Zuidelijke IJsselmeerpolders. Belangrijk onderdeel hiervan was het plan voor Lelystad, het nieuwe centrum van de polders (1959-1964).
Voorts was hij van november 1930 tot 1947 voorzitter van de CIAM (Congrès Internationaux d'Architecture Moderne) en van 1948 tot 1957 buitengewoon hoogleraar stedenbouwkunde aan de Technische Hogeschool Delft. Tegelijkertijd was hij gastdocent aan de Universiteit van Santiago in de Chileense hoofdstad Santiago.
Van Eesteren was de geestelijk vader van het idee van de functionele stad met strikte scheiding van functies zoals wonen, verkeer, werk, recreatie en natuur (zie ook het Nieuwe Bouwen). In het AUP is dit uitgewerkt. Ook het vingerstadmodel met stedelijke lobben, gescheiden door groene wiggen is een idee van Van Eesteren dat in Amsterdam terug te vinden is. Het uitgraven van de Sloterplas als het blauw-groene hart van de nieuwe tuinsteden was ook deel van de nieuwe opzet van de westelijke stadsuitbreidingen.
In Bos en Lommer werd in de jaren '30 en '40 geëxperimenteerd met strokenbouw. Slotermeer was de eerste tuinstad die volgens de plannen van het AUP vanaf 1951 werd gerealiseerd. Daarna volgden de andere tuinsteden in de jaren '50 en '60.
Opmerkelijk is dat Van Eesteren zijn idee van functiescheiding ook op zijn eigen woonomgeving toepaste. Zo waren de muren van zijn woonhuis in Amsterdam, dat onderdeel uitmaakt van het AUP, op een aan hem in de jaren derig geschonken Mondriaan en enkele ontwerptekeningen na, geheel ongedecoreerd. Hij zag zijn woonhuis op de eerste plaats als werk- en ontmoetingsplaats en niet als 'tentoonstellingsruimte'.[18]
[bewerk] Publicaties
- 'Het waardhuis te Elshout', Bouwkundig Weekblad, 39e jaargang, nummer 15 (13 april 1918): p. 91. Zie scan TU Delft.
- 'Bij de keuze tusschen de plannen van de Rijkscommissie voor de monumentenzorg en die van ir Bakker-Schut zoekt het Gemeentebestuur van Den Haag houvast', Mécano', No 4/5 White, Blanc, Wit, Weiß (1923 [eigenlijk 1924]): [p. 4-5].
- 'Woorden van afscheid aan het graf van J.B. van Loghem', De 8 en Opbouw (1940): pp. 57.
[bewerk] Ontwerpen
[bewerk] Prijsvraagontwerpen
- Pakhuisgevel (uitgeschreven door Vereniging Bouwkunst en Vriendschap). 1917. Motto 'Baksteen'.
- Paviljoen in het Stadspark, Groningen. 1917. Motto 'Zomer'.
- Winkel- en magazijngebouw, Rotterdam (uitgeschreven door de Maatschappij tot Explotatie van Onroerende Goederen 'De Volharding'). 1919. Motto 'Hoek'.
[bewerk] Uitbreidingsplannen
- Uitbreidingsplan Alblasserdam (augustus 1918-1920).
- Studie van een woonwijk (1920-1921).[19]
- Uitbreidingsplan Alphen aan den Rijn. Circa 1920.
[bewerk] Verbouwingen
- Verbouwing woonhuis Balten van Eesteren, West Kinderdijk, Alblasserdam. 1918 (afgebroken 1987).[20]
[bewerk] Niet uitgevoerde ontwerpen
- Studie van een boswachterswoning met wachttoren (1920-1921).
- Studie van een congresgebouw (1920-1921).
- Prix de Rome-ontwerp voor een Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten (juni-september 1921).
- Universiteitsgebouw, Amsterdam-Zuid (1922).
- Hotel Particulier [i.s.m. Theo van Doesburg] (1923).
- Maison Particulière [i.s.m. Theo van Doesburg] (1923).
- Maison d'artiste [i.s.m. Theo van Doesburg] (1923; niet uitgevoerd).
- 'Huis aan een groote rivier' (Huis Balten van Eesteren), Alblasserdam. 1923-1924.
[bewerk] Uitgevoerde ontwerpen
- Woon-winkelhuis A. van Zessen, West Kinderdijk 119, Alblasserdam. 1918.
- Woonhuis met autogarage en schuur bij 'Huis te Kinderdijk', Oost Kinderdijk 195-199.[21]
- Woonhuis Van Zessen (architectuur Van Eesteren, kleur Van Doesburg), West Kinderdijk 89, Alblasserdam (1923).[22]
- Garage van huis Van Eesteren (architectuur Van Eesteren, kleur Van Doesburg), Nieuwe Parklaan 69, Den Haag (augustus 1924).
[bewerk] Van Eesterenmuseum
In het Amsterdamse stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer wordt momenteel toegewerkt naar een van Eesterenmuseum, dat in 2010 gereed zou moeten zijn.
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|

