Jom Kipoeroorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jom Kipoeroorlog
1973 sinai war maps.jpg
1973 Yom Kippur War - Golan heights theater.jpg
Datum 6 oktober 1973 - 25 oktober 1973
Locatie Azië: Sinaï, Golanhoogten en omringende gebieden
Resultaat VN-resolutie 338, gevolgd door de Conferentie van Genève
Casus belli Egypte en Syrië deden een gecoördineerde verrassingsaanval op Israël. Israël vierde op dat moment Jom Kipoer (Grote Verzoendag).
Strijdende partijen
Flag of Israel.svg Israël Flag of Egypt (1972-1984).svg Egypte
Flag of Syria.svg Syrië


Flag of Iraq (1963-1991); Flag of Syria (1963-1972).svg Irak

Commandanten
Vlag van Israël Moshe Dayan
Vlag van Israël David Elazar
Vlag van Israël Ariel Sharon
Vlag van Israël Shmuel Gonen
Vlag van Israël Benjamin Peled
Vlag van Israël Israel Tal
Vlag van Israël Rehavam Zeevi
Vlag van Israël Aharon Yariv
Vlag van Israël Yitzhak Hofi
Vlag van Israël Rafael Eitan
Vlag van Israël Abraham Adan
Vlag van Israël Yanush Ben Gal
Flag of Egypt (1972-1984).svg Saad El Shazly
Flag of Egypt (1972-1984).svg Ahmad Ismail Ali
Flag of Egypt (1972-1984).svg Hosni Mubarak
Flag of Egypt (1972-1984).svg Mohammed Aly Fahmy
Flag of Egypt (1972-1984).svg Anwar Sadat
Flag of Egypt (1972-1984).svg Abdel Ghani el-Gammasy
Flag of Egypt (1972-1984).svg Abdul Munim Wassel
Flag of Egypt (1972-1984).svg Abd-Al-Minaam Khaleel
Flag of Egypt (1972-1984).svg Abu Zikry
Flag of Egypt (1972-1984).svg Mustafa Tlass
[1], [2]
Troepensterkte
Vlag van Israël Israël : 415.000 soldaten; 1.500 tanks; 3.000 pantserwagens; 945 artillerie eenheden;[1] 561 vliegtuigen; 4 helikopters; 38 schepen.[2] Flag of Egypt (1972-1984).svg Egypte: 800.000 soldaten (300.000 ingezet); 2.400 tanks; 2.400 pantserwagens; 1.120 artillerie eenheden; 690 vliegtuigen; 161 helikopters; 104 schepen
Flag of Egypt (1972-1984).svg Syrië: 150.000 soldaten; 1.400 tanks; 800/900 pantserwagens; 600 artillerie eenheden; 350 vliegtuigen; 36 helikopters; 21 schepen;
Flag of Iraq (1963-1991); Flag of Syria (1963-1972).svg Irak: 60.000 soldaten; 700 tanks; 500 pantserwagens; 200 artillerie eenheden; 73 vliegtuigen;
Verliezen
- 2.656 doden

- 7.250 gewonden
- 400 tanks vernietigd
- 600 tanks beschadigd
- 102 vliegtuigen neergehaald

- 8.528 doden

- 19.540 gewonden
(Volgens het Westen)
- 15.000 doden
- 35.000 gewonden
(Volgens Israël)
- 2.250 tanks vernietigd
- 432 vliegtuigen neergehaald

De Jom Kipoeroorlog of Oktoberoorlog, ook bekend als de Ramadanoorlog, begon op Jom Kipoer 6 oktober 1973 en duurde tot 25 oktober, afhankelijk van het oorlogsfront. De oorlog werd geïnitieerd door een coalitie van Egypte en Syrië die een aanval inzetten tegen Israël. Ook Algerije, Irak, Koeweit, Libië, Marokko, Saoedi-Arabië, Soedan en Tunesië stuurden soldaten, tanks en/of gevechtsvliegtuigen naar de strijd.

Achtergronden

De Arabische wereld wilde zich in 1967 niet neerleggen bij de militaire nederlaag die Egypte, Jordanië en Syrië in de Zesdaagse Oorlog hadden geleden. De Arabische Liga had op 1 september 1967 in Khartoem een resolutie opgesteld die de "drie nee's" omvatte: geen onderhandelingen met Israël, geen vrede met Israël, geen erkenning van Israël. Hiermee verwierp men een Israëlisch voorstel om de in 1967 bezette Sinaï en Hoogten van Golan te demilitariseren. Weliswaar waren er aan zowel Israëlische als Arabische zijde ook 'duiven', die gebiedsteruggave in ruil voor vrede bepleitten conform resolutie 242 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, maar in het algemeen overheerste vanaf dat moment de harde lijn. Israël wenste niet meer te onderhandelen over een regeling, tenzij die mede gericht zou zijn op diplomatieke erkenning. Al snel kwam het zo tot vijandelijkheden in de vorm van beschietingen, bombardementen, luchtgevechten, zeeslagen en commando-overvallen tijdens de zogenaamde Uitputtingsoorlog die tot augustus 1970 duurde, toen een wapenstilstand gesloten werd. Deze gevechten verliepen over het algemeen sterk in het voordeel van Israël en versterkten het gevoel van militaire superioriteit in dat land. In feite echter was gedurende die jaren de professionaliteit van het Egyptische leger flink gestegen. Na 1970 legde Egypte een vernieuwde luchtafweergordel van luchtdoelraketten aan. De bescherming die dit verschafte tegen de Israëlische luchtmacht, bood de Egyptenaren goede kansen op een succesvolle poging het Suezkanaal over te steken.

Sadat bespreekt in 1973 oorlogsplannen samen met Hosni Moebarak

In Egypte was in september 1970 president Nasser overleden en opgevolgd door Anwar Sadat.[3] Sadat erfde een stagnerende economie, hoge schulden en enorme militaire uitgaven. Hij stelde een economisch herstel- en groeiprogramma op, met lagere overheidsuitgaven door een vermindering van het defensiebudget en impopulaire bezuinigingen. Tegelijkertijd waren ook voor Israël de lasten van de oorlogsdreiging sterk toegenomen: tussen 1966 en 1971 steeg het defensiebudget daar van een al aanzienlijke 10,4 % naar 26,3 % van het BNP. Deze kosten slokten een belangrijk deel van de economische groei tijdens deze periode op en verhinderden een opbouw van een verzorgingsstaat. In maart 1971 braken er vanwege de slechte sociaaleconomische omstandigheden in Jeruzalem rellen uit onder arme jonge Israëliërs van Noord-Afrikaanse afkomst.[4] Het leek er dus op dat beide landen veel te winnen hadden bij een vredesregeling. Sadat maakte op 4 februari 1971 in het Egyptische parlement openlijk bekend dat hij, in ruil voor een terugtrekking van veertig kilometer door het Israëlische leger tot de Gidi- en Mitlapassen, een wapenstilstand voor zes maanden wilde aangaan, gecombineerd met een opening van het Suezkanaal en vredesbesprekingen in het kader van de missie van de VN-gezant Gunnar Valfrid Jarring gericht op een demilitarisering van de Sinaï ten oosten van de passen.[5] De Israëlische minister van defensie Mosje Dajan wilde hierop wel ingaan — de plannen kwamen nauw overeen met een voorstel dat hij de Egyptenaren zelf had willen doen. Premier Golda Meir antwoordde echter op 9 februari in de Knesset dat er eerst vrede moest komen voordat er sprake kon zijn van enige terugtrekking. Achteraf zou ze toegeven niet onderkend te hebben dat hiermee een belangrijke kans op vrede verloren ging.[6] In de zomer van 1971 zond de Amerikaanse president Richard Nixon staatssecretaris Joseph John Sisco naar Meir om haar te bewegen toch een gebaar te maken. Sisco had echter weinig middelen om Israël onder druk te zetten daar Nixon in 1970 bij de onderhandelingen over een wapenstilstand had moeten beloven nooit een vredesregeling op te zullen leggen. Hij zou onverrichter zake terugkeren.

Voor Sadat was het gezien de politieke situatie in zijn land onacceptabel zich bij het verlies van de Sinaï neer te leggen. Hij begon te overwegen een oud plan uit te voeren, dat al was opgesteld onder Nasser, om Israël tot onderhandelingen te dwingen door de oostelijke oever van het Suezkanaal te bezetten. Een dergelijke overwinning zou hem ook steun opleveren voor zijn economische politiek. In 1972 begon Sadat een agressievere toon aan te slaan en de militaire infrastructuur bij het Suezkanaal te verbeteren. Op 24 oktober 1972 beval hij het Egyptische oppercommando om de bestaande operationele plannen voor een oorlog met Israël die uitgingen van een herovering van de gehele Sinaï, te vervangen door de uitwerking van een beperkte operatie. Dit was mede gemotiveerd door de vrees dat bij een totale oorlog de Israëlische luchtmacht de Egyptische industrie zou vernietigen. Alleen een dreiging met "Scud"-raketten of jachtbommenwerpers voor de lange afstand zou Israël hiervan kunnen afschrikken.[7] De Sovjet-Unie, Egyptes belangrijkste wapenleverancier, had echter in het verleden categorisch geweigerd zulke wapens te verschaffen en bleef in de zomer van 1972 bij dat standpunt.[8] Het Egyptische oppercommando had grote bedenkingen bij de operatie. Men voorspelde dat na successen in de beginfase het leger zou bezwijken onder het Israëlische tegenoffensief zodat er opnieuw een beroep op de Sovjet-Unie zou moeten worden gedaan om een totale nederlaag af te wenden. Sadat zette zijn zin echter door.[9]

De weigering van de Sovjet-Unie had ten dele haar oorzaak in verslechterde verhoudingen met Egypte. In 1970 had een eskadron Sovjetvliegtuigen meegedaan aan de strijd tegen de Israëlische luchtmacht en bedienden vele duizenden Sovjetspecialisten de raketbatterijen. Na de Uitputtingsoorlog bleven deze troepen in het land. Ze legden nauwe contacten met procommunistische officieren. Sadat begon hierom te vrezen voor een communistische staatsgreep. Op 18 juli 1972 stuurde hij vijftienduizend van deze "militaire adviseurs" Egypte uit. Hij hoopte dat hij zo in een beter blaadje zou komen bij de Verenigde Staten. Begin 1973 deed Sadat nog een poging via de Amerikanen tot een regeling met Israël te komen. Op 23 februari 1973 zond hij zijn veiligheidsadviseur Hafez Ismael naar Nixon. Ismael had op 24 en 25 februari drie geheime besprekingen met zijn Amerikaanse tegenhanger Henry Kissinger. Die gaf echter aan weinig voor Egypte te kunnen doen tenzij het tot een crisis kwam. Sadat interpreteerde dat als een aanmoediging om de patstelling door een oorlog te doorbreken.[10]

Aanloop naar de oorlog

Sadat betrekt Syrië bij zijn plannen

In het voorjaar van 1973 nam Sadat het definitieve besluit tot een aanval. De Egyptische oversteekpoging kreeg de codenaam Operatie Badr, genoemd naar de Slag bij Badr. Voor het welslagen daarvan was het echter essentieel dat ook Syrië aan de oorlog zou deelnemen; anders zou Israël slechts een kleine dekkingsmacht op de Golan kunnen handhaven en ondertussen alle reserves inzetten voor een offensief tegen Egypte. In april 1973 nodigde Sadat de Syrische president Hafiz al-Assad uit voor een geheime beraadslaging op Borg el Arab ten westen van Alexandrië. Toen Assad het plan van Sadat geopenbaard werd, bleek dat ook Syrië in een vergevorderd stadium was in de voorbereiding van een aanval op Israël. Assad had in 1970 alle macht in zijn land naar zich toegetrokken. Hij was persoonlijk geërgerd door het feit dat in 1967 een dappere verdediging van de Hoogten van Golan uiteindelijk mislukte door een amateuristische bevelsvoering. Zijn regime trachtte de diepe etnische en religieuze tegenstellingen te overbruggen door alle Syriërs te verenigen in een poging de "nationale schande" van 1967 uit te wissen door een herovering van de Golan. Er was veel geïnvesteerd in de opbouw van de Syrische strijdmacht.

Na zijn machtsgreep in 1970 streefde al-Assad naar een herovering van de Golan

Beide presidenten besloten hun acties te coördineren in een "opperraad" van hoge Egyptische en Syrische generaals. Dit instituut had echter geen operationeel bevel over hun gezamenlijke strijdkrachten; het was meer een overlegorgaan voor informatie-uitwisseling. In feite hielden beide landen wezenlijke delen van hun strategie voor elkaar verborgen. De Egyptenaren begrepen dat als hun inspanning beperkt zou blijven tot het heroveren van de oostelijke oever van het Suezkanaal, dit voor de Syriërs weinig aanlokkelijks had; Israël zou zijn reserves dan wel eens tegen hun kunnen concentreren. Daarom pretendeerden ze dat de oversteekpoging onmiddellijk gevolgd zou worden door een tweede fase, "Operatie Graniet Twee", waarin men door de Sinaï zou oprukken richting Israëlische grens, in ieder geval tot de Mitla- en Gidipassen.[11] In werkelijkheid was men dat niet van plan, tenzij zich uitzonderlijk gunstige omstandigheden zouden voordoen. De Syriërs op hun beurt hadden heimelijk grote twijfel over de uitvoerbaarheid van hun eigen aanval. Hun oorspronkelijke plan had namelijk voorzien in een nachtelijke overval op de parate Israëlische eenheden die direct aan de grens gestationeerd waren. De Egyptenaren gaven echter aan dat ze onmogelijk 's-nachts het kanaal konden oversteken. Aldus zelf gedwongen tot een aanval overdag, vreesde het Syrische opperbevel voor zware verliezen. Men besloot de belangrijkste tankreserves alleen in te zetten als op korte termijn een doorbraak gerealiseerd was.

Het Suezkanaal kon alleen overgestoken worden bij een gunstig getij, dat zich slechts op enkele dagen per maand voordeed. Tijdens besprekingen in Alexandrië op 22 en 23 augustus kwam de opperraad tot de conclusie dat de aanval moest plaatsvinden in de periode 7 tot 11 september of 5 tot 10 oktober 1973. De troepen hadden echter minstens vijftien dagen waarschuwingstijd nodig.[12] Sadat en Assad ontmoetten elkaar hierover pas op 28 en 29 augustus. Dit leidde ertoe dat aanval in oktober plaatsvond. Op 3 oktober vloog een Egyptische delegatie naar Damascus en stelde het tijdstip voor een gelijktijdige verrassingsaanval vast op de middag van 6 oktober 1973, 14:00 plaatselijke tijd.[13] In de nacht van 6 op 7 oktober was het volle maan, wat het aanleggen van bruggen over het kanaal zou vergemakkelijken. Die datum had als bijkomend voordeel dat hij samenviel met het joodse Jom Kippoer, de Grote Verzoendag, de heiligste dag in het joodse geloof. Het gehele openbare leven in Israël zou stilliggen en een deel van het leger zou met verlof zijn, zodat het land op zijn kwetsbaarst was. Bovendien viel de dag in de Ramadan, de vastenmaand waarin moslims overdag niet mogen eten of drinken, wat het verrassingseffect zou kunnen vergroten door een schijn van geringere paraatheid. Tijdens het gevecht zouden de troepen vrijgesteld zijn van de vastenplicht.

Israël laat zich verrassen

Egypte en Syrië gingen er in hun planning officieel van uit dat een Israëlische mobilisatie vier dagen zou duren maar hun opperbevelen begrepen dat als Israël in feite ook maar één dag de tijd kreeg reserves te mobiliseren voor het begin van het offensief, dit geen schijn van kans meer zou maken. Het was dus noodzakelijk over niet alleen het tijdstip maar ook het feit zelf van de aanval geen enkel concreet vermoeden te laten ontstaan. Op het eerste gezicht leek dit onmogelijk want het offensief was geen strategische verrassing: beide landen waren officieel in staat van oorlog met Israël en de inlichtingendiensten van dat land waren permanent verdacht op aanwijzingen dat de wapenstilstand verbroken zou gaan worden. Daarbij hadden Egypte en Syrië weliswaar grote staande legers maar ook die hadden nog een zekere deelmobilisatie nodig om de aanval uit te kunnen voeren. Daarom werd een ingewikkelde misleidingscampagne in gang gezet, Operatie Sjarara ("vonk") genaamd, teneinde het Israëlische kabinet een onjuist beeld te geven van de risico's op een verrassingsaanval. Al in 1972 had Sadat voorgewend dat het vertrek van de Sovjettroepen het Egyptische leger in een diepe crisis gestort had. De internationale pers kreeg bij bezoeken haveloze soldaten en vervallen barakken te zien, als teken van een gedemoraliseerde strijdmacht.[14] In 1973 speelde een vermoedelijke dubbelspion, Ashraf Marwan, schoonzoon van Nasser en de assistent van Sadat, de Mossad de correspondentie toe aangaande het Egyptische verzoek om "Scuds" en bommenwerpers aan de Sovjet-Unie. Dat bleek zeer succesvol: de Israëlische regering raakte door de authentieke documenten ervan overtuigd dat men geen aanval te vrezen had zolang Egypte zulke vergeldingswapens miste.[15] Het probleem van de deelmobilisatie werd in Egypte opgelost door een snelle opeenvolging van oproepen van reservisten, in totaal tweeëntwintig voor het begin van de oorlog. De eerste keer dat dit gebeurde, ging het gepaard met een waarschuwing van de dubbelspion dat er een aanval uitgevoerd zou worden op 15 mei 1973.[16] Op 19 april voerde Israël daarom Plan Kachol-Lavan, "Blauw-Wit" uit, de gedeeltelijke mobilisatie van de reserves van het Zuidelijk Commando in de Sinaï. Een oorlog bleef echter uit, ook na een hele reeks andere valse alarmen, en op 12 augustus werden de troepen weer gedemobiliseerd. Het ministerie van financiën protesteerde hevig tegen de gemaakte kosten van 45 miljoen dollar en het kabinet raakte hierdoor onwillig opnieuw te mobiliseren.[17] Syrië deed iets gelijksoortigs door regelmatig troepen te activeren voor "slagdagen" waarop even felle artillerieduels werden uitgevochten aan de wapenstilstandslinie waarna het weer rustig werd. Egypte zond op 4 oktober twintigduizend man op verlof 'voor de Ramadan' maar ook dat was slechts misleiding. Op 1 oktober was oefening Tahrir 41, "bevrijding", in gang gezet, in feite de directe concentratiefase voor Operatie Badr.[18] De officieren kregen het nieuws daarvan pas toen te horen, de soldaten enkele uren voor de aanval.

De spion Ashraf Marwan op latere leeftijd

Desalniettemin kreeg Israël uit verschillende bronnen waarschuwingen over de aanval. De Jordaanse koning Hoessein had Sadat en al-Assad op 13 september in Egypte ontmoet. Hoewel hij niet bij de plannen betrokken werd, leerde hij al snel via een spion bij het Syrische hoofdkwartier dat er een aanval op de Golan op handen was. In 1970 had hij door Israëlische steun een inval van Syrië weten af te slaan en hij besloot een wederdienst te verlenen. Op 25 september vloog hij in het geheim naar de "Midrasja", het hoofdkwartier van de Mossad, waar hij Golda Meir en Mosje Dajan inlichtte. Die vroegen hem echter of Syrië zo'n aanval zou aandurven zonder een gelijktijdig offensief van Egypte. Toen de koning stelde dat dit zeer onwaarschijnlijk was, trokken beide ministers de foute conclusie dat het dus zo'n vaart niet zou lopen.[19]

Op 3 december deed zich het ernstigste veiligheidslek voor. Sadat had de Sovjet-Unie, de bondgenoot van Egypte en Syrië, niet in een vroeg stadium willen informeren omdat de nieuwe Sovjetleider Leonid Brezjnev streefde naar een detente met de Verenigde Staten en er dus geen behoefte aan had dat zijn cliëntstaten Israël zouden aanvallen. Hij besefte echter dat er uiteindelijk wel een waarschuwing vooraf moest komen, wilde hij tijdens de oorlog nog kunnen rekenen op leveringen van materieel, munitie en essentiële reserveonderdelen. Op de woensdag voorafgaande aan de aanval lichtte hij daarom de Sovjetambassadeur in Caïro, Wladimir Binogradov, in. Die had echter instructies om te voorkomen dat de Sovjet-Unie direct bij een oorlog betrokken zou raken en evacueerde op 4 oktober de nog overgebleven enkele honderden militaire adviseurs per vrachtvliegtuig. Sovjetschepen in Alexandrië kozen allen overhaast zee. De Israëlische militaire inlichtingendiensten zagen dit als een zeker teken dat een oorlog onmiddellijk aanstaande was en sloegen alarm. De volgende ochtend, op 5 oktober, opende Meir om 11:30 een zitting van het zes leden tellende kernkabinet om de situatie te bespreken. Tijdens de vergadering concludeerde de directeur van de Militaire Inlichtendienst, Eli Zair, dat de aanwijzingen nog onvoldoende duidelijk waren. Het opperbevel was het hier mee eens. Men zag af van een mobilisatie. Achteraf is deze cruciale beslissing sterk bekritiseerd. Ze wordt begrijpelijker vanuit Israëls algemene instelling. In Israël heerste na de overwinning van de Zesdaagse Oorlog een superioriteitsgevoel. Men geloofde dat de Arabische landen geen grootscheepse aanval op Israël meer zouden aandurven. Als ze het toch zouden wagen, zo meende men, zou het superieure Israëlische leger korte metten met ze maken. Daarbij voelde men ook geen urgentie om te mobiliseren omdat volgens de Israëlische operationele plannen de parate troepen en de luchtmacht afdoende waren om een aanval te stoppen.[20] Hierbij zouden zware verliezen worden toegebracht wat weer gunstige omstandigheden zou scheppen voor een tegenoffensief, de hoofdfunctie van de reserves. Men wilde daarbij zelf het Suezkanaal oversteken en Egypte een beslissende nederlaag toebrengen. Het traditionele uitgangspunt van de Israëlische defensiepolitiek was dat een oorlog moest eindigen in een totale overwinning.

In de loop van 5 oktober werden de indicaties voor een aanval steeds sterker. In de avond stelde het opperbevel de alarmfase Gimmel in, waarbij verloven werden ingetrokken en parate troepen in hun geplande reserveposities opgesteld. De 7e Pantserbrigade, de elite-eenheid van de landmacht, was al eind september de hoogvlakte van Golan opgebracht.[21] Rond vier uur 's-nachts, 6 oktober, vergaderde het Israëlische kabinet opnieuw. Het was nu geen vraag meer óf er gemobiliseerd moest worden maar in welke mate. Dajan en de opperbevelhebber luitenant-generaal David Elazar hielden een urenlange discussie of men twee divisies moest oproepen of de vier die Elazar meende nodig te hebben voor een onmiddellijk tegenoffensief.[22] Om 08:30 besliste Meir in het voordeel van de laatste en om 10:00 kwam de mobilisatie op gang,[23] van 100.000 tot 120.000 man. Om 13:00 beval Elazar eigenmachtig een totale mobilisatie van 200.000 man. De Israëlische luchtmacht was er in de planning voor een oorlog vanuit gegaan dat men een waarschuwingstijd zou hebben van minstens 48 uur. Die periode wilde men gebruiken om de vijandelijke luchtafweergordels aan te tasten en zoveel mogelijk Arabische luchtbases uit te schakelen. In de ochtend van 6 oktober stond men klaar om dergelijke preventieve aanvallen uit te voeren maar ze werden rond 09:20 door het kabinet afgelast. Er was geen tijd meer het programma geheel uit te voeren en de vliegtuigen leken weldra nodig te zijn voor directe ondersteuning van de grondtroepen. Daarbij was uit een haastig telefonisch contact met Kissinger duidelijk geworden dat de Amerikanen geen steun zouden verlenen als Israël als eerste toesloeg.

Krachtsverhoudingen

Israël

Luchtmacht

De Skyhawk was het werkpaard van de Israëlische luchtmacht

De operationele plannen van Israël vertrouwden in hoge mate op de slagkracht van de Israëlische luchtmacht. Men ging ervan uit dat die de heerschappij in de lucht zou bezitten en dat dit het leger zou beschermen tegen aanvallen van de Arabische luchtmachten en ondersteunen door verwoestende bombardementen op de vijandelijke legers. Deze verwachting was gebaseerd op de superieure training van de Israëlische piloten en de kwalitatieve voorsprong van het materieel die in de jaren voor de oorlog nog vergroot was door Amerikaanse leveranties. Israël bezat ongeveer 560 vliegtuigen waaronder zo'n 360 jachtbommenwerpers. Daarvan waren 127 van het Amerikaanse type McDonnell Douglas F-4 Phantom II, geleverd sinds 1970, een middelzware jachtbommenwerper. Het vliegtuig was krachtig genoeg om een groot aantal lucht-luchtraketten mee te voeren en kon daarmee op moderne wijze het luchtruim beheersen. Daarnaast kon het over lange afstand een grote bommenlast dragen en was zo uitstekend in staat vliegvelden uit te schakelen. De Arabische luchtmachten beschikten niet over een toestel met vergelijkbare capaciteiten. Israël had ook behoefte aan een relatief goedkope lichte tactische bommenwerper voor de directe ondersteuning van de troepen aan het front. Die rol werd vervuld door de Amerikaanse A-4 Skyhawk waarvan men er ruim 160 bezat, geleverd sinds 1968. Het was het meest voorkomende vliegtuig in de Israëlische luchtmacht.

De Nesjer of "Gier" was een snelle onderscheppingsjager

Raketten hadden in die tijd een beperkte bruikbaarheid en Israël had daarom een gespecialiseerde luchtoverwichtsjager nodig die desnoods met kanonvuur een klassieke dogfight in zijn voordeel kon beslechten. De Phantom II was daarvoor wat te log en de Skyhawk te traag. Voor deze functie bezat men nog veertig toestellen van het Franse type Dassault Mirage III. Om verliezen te compenseren had Israël in 1966 vijftig toestellen besteld en betaald van een vereenvoudigde versie, de Dassault Mirage 5. Een Frans wapenembargo, als straf voor het opblazen van dertien passagiersvliegtuigen op de luchthaven van Beiroet, voorkwam daarvan de officiële levering. Onder sterke Amerikaanse druk echter werden in het geheim van 1971 af alsnog vijftig exemplaren in kratten naar Israël verscheept en onder Amerikaanse leiding aldaar geassembleerd. Het verrassende verschijnen van dit type in het Israëlische luchtruim werd verklaard met het verhaal dat men door spionage de blauwdrukken had verworven en een eigen productielijn had opgezet. In mei 1971 was het eerste exemplaar klaar van wat eerst de Raam genoemd werd en daarna de Nesjer. In oktober 1973 was er een veertigtal van beschikbaar. De meeste andere Franse typen in Israëlische dienst werden toen niet meer als gevechtstoestel gebruikt: de Dassault MD.450 Ouragan was in januari 1973 geheel uitgefaseerd, de Sud Aviation Vautour II al in 1972, de Dassault Mystère IV in maart 1972 en de Fouga Magister functioneerde nog slechts als straaltrainer. Wel waren er nog twee dozijn toestellen als lichte tactische bommenwerper in gebruik van het type Dassault Super Mystère B.2, omgebouwd tot de Sa'ar versie. De vloot aan jachtbommenwerpers was zo tussen 1967 en 1973 niet alleen bijna in omvang verdubbeld maar ook sterk gemoderniseerd.

Israël had verschillende lanceerinstallaties voor de HAWK luchtdoelraket. De meeste daarvan beschermden de kerncentrale te Dimona maar twee batterijen waren opgesteld in de Sinaï en twee in Galilea.

Landmacht

De M60A1 was de modernste tank in Israëlische dienst en de zwaarst gepantserde die aan beide zijden ingezet zou worden

De landmacht van Israël was sterk gemechaniseerd, met een groot aantal tanks. Net zoals de jachtbommenwerpers waren die na de junioorlog bijna in aantal verdubbeld. Ook bij deze wapens had Israël een modernisering nagestreefd maar was daarin maar ten dele geslaagd. Voor de oorlog had Israël met Frankrijk afspraken gemaakt over de bouw en aanschaf van de AMX 30, een snelle moderne middelzware tank, die zeer geschikt was voor de Israëlische tactiek van de bewegingsoorlog. Van het Verenigd Koninkrijk hoopte men daarnaast de duurdere Chieftain te betrekken, een zwaar gepantserde en bewapende tank, waarvan vast twee exemplaren beproefd werden. Het type zou vooral nuttig zijn voor een eerste verdedigende fase door de parate troepen. Zowel de Fransen als de Britten waren na 1967 echter niet meer bereid de modernste tanks te leveren. Israël wende zich hierop tot de Verenigde Staten. Dat land was niet in staat grote aantallen nieuwe tanks te verschaffen: het wilde de tankproductie wegens de hoge kosten van de Vietnamoorlog niet verhogen boven de 360 per jaar die sinds 1962 de norm was en had die voertuigen grotendeels zelf nodig om een minimale modernisering van de tankeenheden bestemd voor centraal Europa te garanderen. Zelfs oudere tanks wilde men, ondanks Israëlische verzoeken daartoe in vrijwel ieder diplomatiek contact, liever niet kwijt om de oorlogsvoorraden niet gevaarlijk te verminderen. Sommige oudere boeken schatten de aantallen Amerikaanse tanks in Israëlische dienst ten tijde van de Jom Kipoeroorlog op elfhonderd: ongeveer achthonderd M48 Pattons en driehonderd M60 Pattons van verschillende versies. In feite was het aantal M48s maar gestegen van 225 tot 445 en waren er honderd M60s van de oorspronkelijke versie ontvangen; Amerika had in 1971 slechts vijftig echt nieuwe tanks geleverd van de M60A1-versie. Wel was bij alle M48s het 90 mm kanon vervangen door een Brits 105 mm kanon.

De Centurion was in Israël de meest gebruikte tank, die op alle fronten ingezet werd

Zoals vaker deed Amerika een beroep op zijn bondgenoten om Israël ter compensatie materieel van mindere kwaliteit te leveren. De Britten verdubbelden tot 1973 hun leveranties van de Centurion. In 1971 begon Nederland Centurions uit te faseren voor de Leopard 1; deze tanks waren indertijd geleased door de Amerikanen en dus hun eigendom. Ze bepaalden dat 222 overtollige voertuigen naar Israël verscheept werden. Samen met wat op Jordanië buitgemaakte Centurions bracht dit het totaal op 1023. Daarvan waren er 709 omgebouwd tot de Sho't-versie, voorzien van een nieuwe Continental-dieselmotor en zwaardere pantsering. Een laatste bron van nieuwe tanks was de buit uit 1967. Toen waren zo'n driehonderd T-54/55s in Israëlische handen gevallen. Die werden omgebouwd tot wat men de Tiran noemde, ze aanpassend aan de Israëlische behoeften door er een 105 mm kanon in te bouwen, zodat ze de standaardmunitie konden verschieten. In oktober 1973 waren 146 Tirans in de legerorganisatie opgenomen. De instroom van nieuwe tanks was niet voldoende om alle verouderde typen te vervangen. Nog 374 M4 Shermans uit de Tweede Wereldoorlog bleven in dienst, de meeste van het M51 "Isherman"-type, verbeterd met een Frans 105 mm kanon, sommige van de M50 "Super Sherman"-versie met een 75 mm kanon. Dit bracht het totaal aan tanks in de organisatie op 2138.

Anders dan verwacht zouden oudere reservisten met hun oude "Ishermans" in de oorlog een belangrijke rol spelen

Israël beschikte op 6 oktober 1973 over veertien pantserbrigades en vier gemechaniseerde brigades. Tussen 1967 en 1973 was de gevechtsdoctrine wat veranderd: er werd meer de klemtoon gelegd op het "verbonden wapenen"-gevecht, een nauwe samenwerking tussen tanks en infanterie in plaats van het op eigen houtje opereren van de tanks alleen. In principe beschikte een pantserbrigade daartoe over een gemechaniseerd infanteriebataljon met twee organieke tankcompagnies. De feitelijke sterkte van een pantserbrigade varieerde sterk. In theorie zou die moeten beschikken over drie tankbataljons van zevenenveertig tanks plus tweeëntwintig tanks in het infanteriebataljon voor een totaal van 163. Dit zou echter 2282 tanks gevergd hebben, meer dan de hele voorraad, nog afgezien van noodzaak ongeveer een derde daarvan als materieelreserve achter te houden. De typische organisatie ven een brigade bestond daarom uit twee tankbataljons van drieëndertig tanks plus twintig tanks in het infanteriebataljon wat de sterkte op zesentachtig bracht. Er waren echter uitschieters naar boven toe. De brigades werden gecombineerd in zeven Ugdot. Iedere Ugda was een divisiehoofdkwartier dat het bevel kon voeren over een wisselend aantal kleinere eenheden. De Ugdot werden verdeeld over de slagvelden: het Noordelijk Commando op de Golan, het Centrale Commando aan de Jordaan en het Zuidelijk Commando in de Sinaï. Meer dan in 1967 was de toedeling van eenheden vanwege de toegenomen afstanden al van te voren vastgelegd. Door de slechte transportverbindingen zou het Israël lastig vallen met de troepen tussen de fronten te schuiven en zo was reeds bepaald dat het Zuidelijk Commando drie divisies zou tellen, het Noordelijk Commando twee en het Centraal Commando één. Het materieel van de reserve-eenheden was al gedeeltelijk op hun bestemming aanwezig. Om de logistiek te vergemakkelijken concentreerde men tanktypen zoveel mogelijk bij een bepaald front. Zo waren moderne Amerikaanse tanks alleen in de Sinaï aanwezig. De oude M51 Ishermans waren geconcentreerd in de gemechaniseerde brigades, in feite een soort gemankeerde pantserbrigades met maar één tankbataljon. Drie daarvan waren toegevoegd aan het Centraal Commando omdat men de dreiging vanuit Jordanië gering achtte. Men had voor 1974 de oprichting voorzien van een zevende divisie, de 440e Ugda. Wegens de deelmobilisaties in Egypte werd dit vervroegd tot mei 1973. Deze divisie fungeerde als hoofdkwartierreserve maar stelde voorlopig weinig voor: zij omvatte voornamelijk slechts de 11e Gemechaniseerde brigade met Ishermans.

Deze al complexe slagorde van het Israëlische leger zou tijdens de oorlog nog ingewikkelder worden doordat vanwege het chaotische gevechtsverloop eenheden opgericht, opgeheven, samengevoegd en bij andere commando's ondergebracht zouden worden. Het is bijzonder lastig om dit proces in oudere boeken te volgen daar die om redenen van geheimhouding een veranderde of geheel foute nummering vermelden. De bekende historicus Chaim Herzog bij voorbeeld zette er vaak een cijfer voor of liet er een wegvallen.

Wegens de nauwere samenwerking met de tanks moest ook de infanterie mechaniseren. De VS leverden echter slechts een vierhonderd moderne M113s wat Israël dwong zo'n 3.500 M3 Half-Tracks als pantserinfanterievoertuig in te zetten. Lang niet alle infanterie werkte direct met tanks samen: er was een dozijn infanteriebrigades of parachutistenbrigades, vaak reserve-eenheden die bij een mobilisatie een belangrijk deel van groei van de strijdmacht zouden vertegenwoordigen waarvan de sterkte van 75.000 tot 350.000 man zou toenemen. Bij de artillerie was het aantal gemechaniseerde vuurmonden toegenomen maar het merendeel van het geschut was nog getrokken. In de Israëlische gevechtsdoctrine speelde artillerie maar een beperkte rol; tijdens de oorlog zouden zo'n tachtigduizend granaten worden verschoten.

Egypte

Luchtmacht en luchtverdediging

Een Egyptische Soe-7

De Egyptische luchtmacht beschikte op 6 oktober 1973 over ongeveer 540 jachtbommenwerpers, alle van Sovjetmakelij. De belangrijkste daarvan waren 220 MiG-21s waarvan de hoofdtaak was het luchtoverwicht te bevechten op de Israëlische jagers. Als lichte tactische bommenwerper voor de directe steun aan de grondtroepen werd de MiG-17 ingezet waarvan er zo'n tweehonderd beschikbaar waren. Voor wat diepere penetraties konden 120 Soechoj Soe-7s worden uitgezonden. Naast de jachtbommenwerpers had Egypte ook bommenwerpers in enge zin: er waren achttien zware Toepoljew Toe-16s beschikbaar en tien middelzware Iljoesjin Il-28s. Beide typen waren straalvliegtuigen. De luchtmacht stond onder bevel van vice-maarschalk Hosni Moebarak, de latere president van het land.

Een apart wapen vormde de luchtverdediging onder luitenant-generaal Mohamed Ali Fahmi. Ten westen van het Suezkanaal was een luchtverdedigingsgordel aangelegd met veertig batterijen S-75 Dvina, "SAM-2", luchtdoelraketten, vijfentachtig batterijen S-125 Newa, "SAM-3", raketten en veertig mobiele batterijen 2K12 Kubs, "SAM-6s". De SAM-2s waren bedoeld om doelen op grote hoogte neer te halen, de SAM-3 en SAM-6 konden ook laagvliegende toestellen treffen.

Landmacht

Als volkrijk land had Egypte vijf parate infanteriedivisies met ieder drie brigades waarvan er meestal één gemechaniseerd was en een organiek tankbataljon had. Deze troepen werden in het gevecht typisch versterkt met externe pantserbrigades. Voordat doel waren twee onafhankelijke pantserbrigades beschikbaar en werden verder brigades gedetacheerd vanuit de vijf grote pantsereenheden: drie gemechaniseerde divisies en twee pantserdivisies. In totaal waren er negentien infanteriebrigades, tien pantserbrigades en acht gemechaniseerde brigades paraat. De pantsereenheden waren alle voorzien van moderne Sovjettanks. De standaardtank was de T-54/55, waarvan er ongeveer 1350 beschikbaar waren. Ten dele waren dit tweedehandsvoertuigen uit het Warschaupact. Elite-eenheden waren uitgerust met de modernere T-62 waarvan er 580 verworven waren. De T-62 droeg een 115 mm gladdeloopskanon, het krachtigste wapen van enige tank in het conflict. De sovjettanks waren niet erg geschikt voor de rol die ze in de Egyptische strategie moesten spelen: het afslaan van een Israëlisch tegenoffensief. Ze hadden namelijk een lage vuursnelheid en misten een afstandsmeter. Om dit te compenseren waren de infanterie-eenheden voorzien van een ruime hoeveelheid antitankwapens, variërend van ouderwetse antitankkanonnen, terugstootloze kanonnen en raketwerpers tot moderne geleide antitankraketten. De infanterie was voor een belangrijk deel technisch gemechaniseerd in de zin dat men over pantservoertuigen beschikte. Sommige eenheden waren daarbij uitgerust met een geheel nieuw wapentype, het infanteriegevechtsvoertuig met krachtige bewapening, in de vorm van de BMP waarvan er zo'n 250 door de Sovjet-Unie geleverd waren. De artillerie beschikte, mortieren niet meegerekend, over ongeveer 2500 stukken geschut, alle getrokken.

De divisies waren samengevoegd tot legers. Het Tweede Veldleger lag aan de noordelijke sector van het Suezkanaal, het Derde Veldleger aan de zuidelijke sector. Daarnaast was er een kleine hoofdkwartierreserve. Er was ook een Eerste Veldleger met reserve-eenheden van lage kwaliteit. In principe had Egypte een groot aantal getrainde reservisten, ongeveer 1,2 miljoen man. Ruwweg een kwart daarvan was in actieve dienst. Zo'n vierhonderd verouderde T-34-85 tanks waren beschikbaar. Die worden soms bij de Egyptische tanksterkte gerekend maar zouden nauwelijks worden ingezet.

Syrië

Luchtmacht en luchtverdediging

De Syrische luchtmacht was wat kleiner dan de Egyptische en beschikte over ongeveer 310 jachtbommenwerpers: tweehonderd MiG-21's, tachtig MiG-17s en dertig Soechoi Soe-7s. Ook Syrië had een luchtafweergordel van zesendertig batterijen luchtdoelraketten. Een voorstel van generaal-majoor Israel Tal om de lanceerinstallaties in de zomer van 1973, toen ze grotendeels werden opgebouwd, preventief te vernietigen was afgewezen wat als gevolg had dat de gordel, hoewel minder dicht dan de Egyptische, een lastig obstakel voor de Israëlische luchtmacht zou blijken.[24]

Landmacht

Een Syrische T-62 als wrak in de noordelijke Golan

De Syrische landmacht was tussen 1970 en 1973 sterk gemoderniseerd en uitgebreid. Een grote verbetering in de professionaliteit maakte het mogelijk dat grotere eenheden in de vorm van divisies werden opgericht. Aan het front lagen drie infanteriedivisies, ieder met een organiek bataljon van dertig tanks in de drie infanteriebrigades en versterkt door een pantserbrigade van negentig tanks. De tankreserve werd gevormd door twee pantserdivisies. Daarnaast was er nog de Presidentiële Garde, ook een pantserbrigade, die diende om de veiligheid van het regime te waarborgen. Het aantal moderne tanks was aanzienlijk toegenomen. Als standaardtank werd de T-54/55 gebruikt waarvan er ongeveer 875 beschikbaar waren. Elite-eenheden, waaronder de Presidentiële Garde, beschikten over de T-62 die in een aantal van vijfhonderd in de legerorganisatie aanwezig was. Door de mechanische onbetrouwbaarheid van de Sovjettanks was een materieelreserve van 50% nodig om de gevechtssterkte op peil te houden. Dit zou ongeveer tweeduizend moderne tanks gevergd hebben zodat men daaraan een zeshonderd tekort kwam. Dit probleem werd opgelost door deze tanks bij de belangrijkst geachte eenheden, de eigenlijke pantserbrigades, te concentreren terwijl de infanterie-eenheden het voorlopig met minder moesten doen. De Vijfde Infanteriedivisie was hierdoor maar op de helft van haar nominale tanksterkte. De tekorten werden ten dele aangevuld door het inzetten van tweehonderd verouderde T-34-85s. Nog eens tweehonderd van deze tanks waren in statische posities ingegraven in de diepe verdedigingsgordels die tussen de Golan en Damascus lagen. Ook was er nog een zwaar tankbataljon met een dertigtal oude IS-3s. De artillerie beschikte aan de Golan over een duizendtal vuurmonden, alle getrokken, en verder over achthonderd eenheden raketartillerie.

Verschillende Arabische landen hadden in september 1973 troepen toegezegd. Marokko was op 6 oktober als enige werkelijk aan het front aanwezig: een infanteriebrigade, versterkt met een bataljon T-55s, lag op de zuidelijke hellingen en de top van de Hermonberg. Zij was onder het bevel gesteld van de Syrische 7e Infanteriedivisie.

Gevechtshandelingen

6 Oktober

Sinaï

Een dramatisch Egyptisch diorama dat de belangrijkste elementen van de overtocht verbeeldt

De Israëlische positie aan het Suezkanaal was erg kwetsbaar, een gevolg van een gebrekkige verdedigingsstrategie. De diepere oorzaak hiervan lag in de behoefte tijdens de Uitputtingsoorlog om Egyptische infiltraties door commando-eenheden te voorkomen. Daartoe werden groepen kazematten, Moazim, aan het kanaal geplaatst, samen de zogenaamde Bar-Lev-Linie vormend. Om die ondoordringbaar te maken voor artilleriebombardementen waren ze tegen hoge kosten aanzienlijk versterkt. Op zich was het Suezkanaal, indertijd tot 230 meter breed, een zeer nuttig obstakel om een vijandelijke opmars te helpen stuiten. Volgens de moderne gevechtsdoctrine moet een hoofdweerstandslijn echter niet direct aan zo'n obstakel worden aangelegd daar de vijand dan die lijn ongehinderd in volle sterkte kan naderen. De voorste vuurposities moeten op enige afstand van een kanaal worden ingericht, zodat overstekende vijandelijke troepen geleidelijk door langeafstandswapens kunnen worden vernietigd, terwijl ze hun eenheden proberen op te bouwen voor een aanval. Het grote bereik van zulke wapens maakt het ook overbodig om een continue lijn in te richten. Ze worden geconcentreerd in "schouders" waartussen zich killing zones bevinden waar oprukkende vijandelijke voertuigen door enfilerend vuur in de flanken kunnen worden beschoten. Ook het Israëlische leger was van plan zijn verdediging in wezen zo in te richten. Vanwege de grote investeringen was men echter onwillig de Bar-Lev-Linie bij een grootschalige oorlog zomaar op te geven. In plaats daarvan besloot men in december 1972, in het plan Sjovach Jonim, "Duiventil", de Moazim de schouders te laten vormen. In geval van een directe oorlogsdreiging zouden twee compagnies tanks iedere cluster kazematten komen versterken. De tanks moesten tegelijkertijd een verbinding open houden met het achterland en een wat dieper gelegen derde compagnie van het tankbataljon zou het vijandelijk bruggehoofd afgrendelen. Het probleem dat de vijand vlak bij de kazematten zijn vuurkracht kon concentreren loste men ten dele op door een twintig meter hoge zandmuur die direct aan de oostelijke oever van het kanaal was opgespoten. Die muur zou ook de opmars van voertuigen ernstig vertragen. De pantserdivisie die aan het kanaal paraat lag, de 252e Ugda, had voldoende troepen om drie bruggehoofden zo te omsingelen. De Israëlische luchtmacht werd geacht te verhinderen dat er meer gevormd zouden worden.

Egyptische troepen steken het Suezkanaal over door middel van een pontonbrug

Generaal-majoor Ariel Sharon was tussen 1970 en 1973 bevelhebber geweest van het Zuidelijk Commando. Hij had weinig fiducie in deze strategie gehad en liet de helft van de clusters kazematten met zand opvullen. Toch richtte hij geen diepere linie in. Hij verwachtte namelijk op tijd de reservedivisies te kunnen mobiliseren en meende daarmee overgestoken vijandelijke troepen in korte tijd te kunnen vernietigen. Hij dacht dat zo snel te kunnen uitvoeren dat de vijandelijke pontonbruggen hem in handen zouden vallen. Daarover hoopte hij binnen 48 uur na het begin van een oorlog het Suezkanaal zelf te kunnen oversteken en met een beslissend tegenoffensief, Operatie Chatoel Midbar, "Woestijnkat", Egypte te verslaan. Daartoe liet hij ook geavanceerd brugslagmaterieel produceren, de oevers op geplande oversteekpunten versterken en de zandmuur daar verzwakken. In oktober 1973 hield opperbevelhebber Elazar dit plan nog steeds aan.

Om 13:55, zaterdag 6 oktober, gaf de Egyptische artillerie, ten dele op veertig meter hoge zandplatforms geplaatst om over de oostelijke wal te kunnen richten, langs het hele kanaal massaal uitwerkingsvuur af, voornamelijk geconcentreerd op de kazematten teneinde de overtocht te dekken. Rond 14:00 drongen tweehonderd Egyptische vliegtuigen, ongeveer het maximum dat men gelijktijdig kon inzetten, het luchtruim van de Sinaï in voor bombardementsvluchten. Minstens vijf vliegtuigen daarvan werden neergeschoten. Om 14:20 begon de eerste golf van vierduizend infanteristen in stormboten het kanaal over te peddelen. In het Egyptische plan was het voor lief genomen dat er bij de overtocht tienduizend doden zouden vallen; in feite beliep het totaal die dag 208 gesneuvelden. De kazematten, bezet door bij elkaar nog geen vijfhonderd man slecht getrainde infanterie die pas rond het middaguur gewaarschuwd werden voor een aanval, waren nauwelijks in staat de oversteekpogingen te stoppen. Volgens "Duiventil" hadden de fortificaties bemand moeten zijn door elitetroepen van een parachutistenbrigade. Om 15:15 stonden er 14.000 man Egyptische troepen op de oostoever.

Wrakken van M48s zijn stille getuigen van de uiteindelijk futiele pogingen de fortificaties te versterken

Al meteen begon het Israëlische verdedigingsplan te falen. Egyptische antitankteams, uitgerust met draagbare raketwerpers (rocket-propelled grenades), beklommen rond 17:30 de steile zandmuur en omsingelden de fortificaties. Achtenveertig helikopters, waarvan er twintig werden neergeschoten, zetten commandoteams verder naar het oosten af, in hinderlagen. De bevelhebber van het Zuidelijk Commando, Sjmoeël Gonen, had zijn tanks een vijftien kilometer naar het oosten achtergehouden om eerst de precieze locatie van de bruggehoofden vast te stellen maar zijn bevelvoering raakte overweldigd door de onverwachte massaliteit van de operatie. Uiteindelijk stond hij toe dat een derde, in plaats van de oorspronkelijk voorziene twee derden, van de tanks naar voren reden om de verzoeken om bijstand van de fortificaties te beantwoorden. De eenennegentig M48s van de 14e Pantserbrigade moesten zich nu tijdens het invallende duister door de antitankteams heen vechten; de kleine groepjes tanks die dit lukte, raakten zo zelf omsingeld. Onderworpen aan continue artilleriebeschietingen en infanterieaanvallen waren ze nauwelijks in staat een serieuze vuurpositie op te bouwen. Om de situatie te redden werden meer tanks naar voren gestuurd, die echter eenzelfde lot ten deel viel. Daarbij ontwikkelden zich geen drie maar vijf grotere bruggehoofden: drie ten noorden van de Bittermeren door de 18e, 2e en 16e Infanteriedivisie en twee ten zuiden ervan door de 7e en 19e Infanteriedivisie. De zandwal bleek daarvoor geen grote belemmering. De Egyptische genie spoot daar door middel van 450 Britse en Duitse waterkanonnen snel gaten in waarna men tien pontonbruggen aanlegde waarover gemotoriseerde en gemechaniseerde troepen tot zes kilometer diep de Sinaï konden binnendringen, tot de oostgrens van de dekkingszone van de raketgordel. Binnen 24 uur waren honderdduizend man, duizend tanks en 13.500 overige voertuigen overgestoken. De Israëlische luchtmacht was niet in staat dit te stoppen. Doordat de Egyptische raketgordel niet door een preventieve aanval was uitgeschakeld en er nog geen specifieke electronic countermeasures beschikbaar waren om het doelvolgsysteem van de nieuwe "SAM-6" te storen, kon deze luchtdoelraket zware verliezen toebrengen. Bij sommige aanvallen op de pontonbruggen ging een derde van de ingezette vliegtuigen verloren; in de eerste 36 uur van de oorlog werden in totaal vijfendertig Israëlische toestellen neergehaald. Men besloot deze missies te beëindigen. De zeven getroffen pontonbruggen waren daarbij snel hersteld. Toen hij 153 van zijn 290 tanks verloren had, liet Gonen zijn troepen terugvallen in een zwak dekkingsscherm, een grotere reserve handhavend rond de logistieke basis van Tasa. De fortificaties gaven zich grotendeels over; sommige bleven dagenlang doorvechten.

Hoogten van Golan

Israëlische strategie
De Hoogten van Golan vormen een natuurlijke vesting

In veel beschrijvingen van de strijd op de Hoogten van Golan wordt aangenomen dat de kritieke situatie die daar weldra voor het Israëlische leger zou ontstaan, simpelweg het gevolg was van de numerieke wanverhouding tussen de ongeveer 1350 Syrische tanks en de 185 Centurions van de verdedigers. De verrassingsaanval zou zo verhinderd hebben dat de Israëlische stellingen in het algemeen voldoende bezet waren. In feite echter voorzag het Israëlische mobilisatieplan, Sela, "Rots", in een zorgvuldige opbouw van reserveformaties, die tot zeven dagen in beslag zou nemen. Uitgaande van een waarschuwingstijd van drie dagen zouden de parate troepen op de Golan het volgens het Plan Gir, "Kalk", tot vier dagen lang alleen moeten uithouden. Niet alleen zouden ze daartoe volgens het Israëlische opperbevel moeiteloos in staat moeten zijn, na vier dagen zou het Syrische leger dermate zware verliezen hebben geleden dat het zeer gunstige omstandigheden zou scheppen voor Operatie Ze'ev Aravot, "Prairiewolf", een opmars door de reserve-eenheden naar Damascus eindigend in een beslissende nederlaag voor Syrië.[25]

Een Centurion als monument op een vuurpositie bij de Hermonit, 1700 meter van de tankgracht

Dit optimisme werd gemotiveerd door de specifieke geografische voordelen die de Hoogten van Golan de verdediger bieden en de uitgebreide fortificaties welke die voordelen optimaal hadden uitgebuit. De "Paarse Lijn", de wapenstilstandslijn van 1967, was welbewust gekozen. De scheiding tussen de Golan en de hoogvlakte van Damascus wordt gevormd door een rij kegels, "tels", van dode vulkanen, die zich van de Hermonberg naar het zuiden uitstrekken. Een aanval van gemechaniseerde troepen wordt hierdoor beperkt tot een aantal passen.[26] Rond de vulkanen liggen uitgebreide vlakten van puimsteen die de toegankelijkheid verder verminderen doordat tanks er tot de bodem in dreigen te zakken. In het zuiden van het plateau is het puimsteen door riviertjes die naar het Meer van Tiberias lopen diep ingesneden zodat ravijnen daar onoverkomelijke obstakels vormen. De diepste daarvan is de Jarmoek die, ten dele op de grens met Jordanië, een dertig kilometer lange kloof vormt waarop de rechterflank van de Israëlische verdediging rust.

Deze natuurlijke hindernissen waren tussen 1967 en 1973 vergroot met dichte mijnenvelden, aan de wapenstilstandslinie zo'n 2500 meter diep. Direct aan de Paarse Lijn lagen zeventien clusters met 112 kazematten bezet door elitetroepen van het 17e Infanteriebataljon en het 50e parachutistenbataljon. De hellingen erachter waren bezet door de 1e Infanteriebrigade, de "Golanibrigade". De kazematten moesten zowel een eerste veiligheidslijn vormen als infiltraties door vijandelijke infanterie voorkomen. Daarvoor lag een continue vijf meter brede tankgracht die alleen door bruggenleggende tanks kon worden overwonnen. Omdat deze een makkelijk doel zouden vormen voor Israëlische tanks dwong dit aanvallende pantsereenheden voor de gracht te stoppen en eerst een tankduel uit te vechten. Zo'n 1500 meter ten westen van de tankgracht waren talrijke vuurposities ingegraven met een volledig gedekte nadering. Een Centurion kon hierin een laag plateau oprijden zodanig dat alleen de bovenste helft van de toren, inclusief kanon, zichtbaar was om van daaruit relatief veilig vuur uit te brengen op Syrische tanks. Deze afstand was gekozen omdat een Centurion dan per schot een trefkans had van zo'n 70% op een stilstaande T-54 terwijl deze tank, die niet over een afstandsmeter beschikte, maar een 5% kans had zijn kleine doelwit te raken — en dan alleen nog met een zuiverder pantsergranaat die op deze afstand het frontpantser van de Centurion niet kon doorboren. Gecombineerd met de twee maal zo lage vuursnelheid van de T-54, was zo een uiterst gunstige verhouding van de afruil te verwachten, zeker als er ongeveer evenveel tanks aan beide zijden vuurcontact hadden.

De "Vallei der Tranen", hier bezien van de Hermonit af, vormt de enige brede oostelijke toegang tot de Golan

Zowel het terrein als de dreiging van de Israëlische luchtmacht sloten echt dichte aanvallende tankconcentraties uit. Direct ten zuiden van de Hermon kan men in een standaarddeployering één tankbataljon voorop laten gaan. Ten noorden van Koeneitra ligt, tussen de Hermonit en de Bental, een wat bredere doorgang die aan twee bataljons plaats biedt; bij de stad zelf kan één bataljon ingezet worden. Iets hogere bergen in het midden verdelen de frontlijn in een noordelijke en zuidelijke sector. In het zuiden kan iets boven Rafid, ter hoogte van de uitstekende "punt" in de wapenstilstandslijn, één bataljon gedeployeerd worden. De zuidelijkste toegangen bevinden zich aan weerszijde van de Trans-Arabische Pijpleiding ten noorden waarvan ruimte is voor één bataljon, ten zuiden voor twee. Het Israëlische plan ging er terecht van uit dat de Syriërs per echelon, grotere aanvalsgolf, zelfs dit maximum niet zouden halen. De drie Syrische infanteriedivisies die aan de Paarse Lijn lagen, van noord naar zuid de 7e, 9e en 5e Infanteriedivisie, zouden ieder twee brigades voorop laten gaan, met weer ieder een tankbataljon. Dat kwam neer op zes bataljons van dertig tanks, een honderdtachtig voertuigen. Vandaar dat men meende met 185 Centurions alle opmarsroutes afdoende afgegrendeld te hebben. Gir voorzag eigenlijk zelfs maar in één parate pantserbrigade, de 188e. Een reserve-eenheid, de 179e Pantserbrigade, had zijn materieel opgeslagen bij Nafech ten westen van Koeneitra. Die wilde men sneller mobiliseren en zo zouden de linies dagenlang op een minimale sterkte kunnen worden gehouden. Men verwachtte dat de Syriërs door hun tanks heen zouden zijn, lang voordat de materieelreserves van de twee brigades uitgeput zouden raken. Eind september 1973 vond men dit toch van iets teveel zelfvertrouwen getuigen en versterkte de 7e Pantserbrigade de Golan — daarmee het Zuidelijk Commando van zijn belangrijkste parate reserve berovend. Om de verplaatsing te vergemakkelijken liet deze eenheid zijn tanks achter in de Sinaï en gebruikte het materieel van de 179e Pantserbrigade om zich weer op te bouwen. Dit putte de reserves van Nafech uit en men begon het materieel van de 679e Pantserbrigade van het mobilisatiecomplex in Neder-Galilea uit de Golan op te brengen.

Syrische strategie
Sovjethelikopters konden worden gebruikt om antitankteams achter de vijandelijke linies te brengen

Het Syrische opperbevel begreep zeer wel dat bij een toepassing van traditionele tactieken een aanval op de Israëlische stellingen weinig kans van slagen had. Daarom stelde men plan Al Aouda, "De Terugkeer", op waarin gevechten van tank tegen tank een zo gering mogelijke rol speelden en frontale tankaanvallen vermeden werden. Het plan ging uit van een geslaagde misleiding waardoor er maar één Israëlische pantserbrigade de Golan zou bewaken. Als openingsfase zouden bij zonsondergang helikopters commandoteams met geleide antitankraketten aan de westelijke toegangen van de hoogvlakte afzetten om het gebied van strategische reserves te isoleren. Tegelijk zouden teams direct ten westen van de hoofdweerstandslinie geplaatst worden om de Israëlische tankeenheden aan de Paarse Lijn van hun tactische reserves en aanvoer af te sluiten. In de hierop volgende nacht moesten massale infanterieaanvallen plaatsvinden die de Israëlische infanterie van hun tankeenheden moesten dringen. Die zouden dan omspoeld worden door Syrische antitankteams met raketwerpers. De Israëlische lijn zou fragmenteren, ruimte scheppend voor Syrische tankeenheden, anders dan de Centurions uitgerust met ingebouwde nachtzichtkijkers, om diep de Golan binnen te trekken. Bij zonsopgang zouden de helikopters het westen van hoogvlakte verder versterken. Een snel volgende tweede grote aanvalsgolf zou een duizendtal tanks op het plateau brengen, voldoende om de laatste verzetshaarden te elimineren en Israël van een heroveringsactie te doen afzien. Binnen dertig uur zou de Golan zo veroverd moeten kunnen worden.

Al Aouda zou echter grotendeels niet worden uitgevoerd. De Egyptenaren wilden niet in de avond aanvallen en weigerden ook het Syrische alternatief te accepteren van een gezamenlijke aanval bij dageraad. Ze stonden op een begin om 12:00 en als uiterste compromis aanvaarde Sadat een uitstel tot 14:00. Dat maakte dat het Syrische enthousiasme voor een offensief aanzienlijk bekoelde. De Syriërs hadden Al Aouda strikt geheim gehouden maar een plan laten uitlekken met conventionele tankaanvallen overdag. Nu zouden ze dus moeten oprukken op een wijze die de vijand verwachtte en die hoe dan ook weinig hoop bood op succes. Daarbij leerden ze begin oktober dat ook de 7e Pantserbrigade op de Golan aanwezig zou zijn. Het Syrische regime had altijd gevreesd dat het door Israël ten val zou worden gebracht en die angsten herleefden weer. Men besloot de sterkste pantserreserves achter de hand te houden om een Israëlisch tegenoffensief af te weren en een mogelijke omtrekkende beweging rond de Syrische zuidflank door het grondgebied van Jordanië te pareren. Als er een doorbraak tot stand kwam, mocht maximaal één pantserdivisie worden ingezet om die uit te buiten.

Een fataal misverstand

Rond 14:00, 6 oktober, begon een vijfenvijftig minuten durende Syrische artilleriebarrage door 650 vuurmonden. Tegelijkertijd vielen honderd Syrische vliegtuigen Israëlische posities aan. Een snelle grondactie nam de hoge Israëlische observatiepost op de Hermon. Op dat moment was alleen de 188e Pantserbrigade daadwerkelijk aan de Paarse Lijn aanwezig. Het 74e Tankbataljon hield de noordelijke sector, het 53e Tankbataljon de zuidelijke. Het gemechaniseerde infanteriebataljon van de brigade was nog niet gemobiliseerd dus de totale sterkte was zesenzestig tanks. Het noordelijke bataljon werd alleen aangevallen door de twee bataljons T-54s van de 7e ID en vernietigde die vrijwel volledig zonder dat aan eigen zijde ook maar één tank verloren ging. Het zuidelijke bataljon echter wist weliswaar ook een zestigtal T-54s uit te schakelen maar was aangevallen door vier bataljons. Het afslaan daarvan kostte twaalf Centurions. Vooral bij bunkercomplex 111, bij Kudne ten noorden van Rafid, ontstond een zorgelijke situatie. De Syrische 9e ID had alleen hier wat ruimte om te ontplooien en liet haar twee bataljons van de voorste brigades in korte opeenvolging aanvallen. Toen die allen op de vlucht gedreven waren, lieten ze vijfendertig voertuigen achter maar van de acht verdedigende Centurions waren er vijf uitgeschakeld. Het was hier voor het afslaan van de volgende Syrische aanvalsgolf dringend nodig dat de 7e Pantserbrigade ingezet werd.[27]

De bevelhebber van het Noordelijk Commando, generaal-majoor Jitzjak Hofi, had tot 6 oktober het commando gevoerd vanuit Nafech maar besloot wat afstand te nemen van het front en zijn staf te verplaatsen naar Safed in Galilea. De 36e Ugda werd als divisiehoofdkwartier geactiveerd en moest in Nafech de directe bevelvoering over de Golan overnemen. De staf van de divisie raakte onmiddellijk overwerkt. Men zag zich meteen geconfronteerd met het probleem dat Hofi's staf de sectorindelingen van het front had meegenomen, zodat niemand wist welke reserve waar naar toe moest. Men begon hierin te improviseren, of veeleer het initiatief te volgen van de 7e Pantserbrigade. Die zag de "gaping" ten noorden van Koeneitra als evidente locatie van het Syrische Schwerpunkt en kreeg dus het commando over de noordelijke sector inclusief het 74e TB. De divisie nam niet de moeite na te gaan waar de dreiging werkelijk het grootst was en stelde de enige overige reserve, het Centurionbataljon van de tankschool, het 71e TB, ook in de "gaping" op achter het 77e Tankbataljon onder bevel van luitenant-kolonel Avigdor Kahalani. De 7e PB moest het 82e Tankbataljon aan de 188e PB in de zuidelijke sector afstaan, maar luitenant-kolonel Avigdor Ben-Gal, de commandant van de 7e PB, splitste daarvan eigenmachtig een compagnie af als eigen reserve. Daarnaast gingen twee compagnies van het 75e Gemechaniseerde Infanteriebataljon van de 7e PB naar de 188e Pantserbrigade.[28] Dat was echter pas in de morgen van 6 oktober op de Golan gearriveerd, zijn M113s op eigen kracht uit de Sinaï gereden hebbend, en had zijn Centurions nog niet uit het depot in Nafech opgepikt zodat het niet begreep dat de order tankcompagnies betrof. Juist deze eenheid werd naar Kudne gestuurd. Toen de infanterie daar aankwam, was de consternatie groot. De commandant van het 82e TB was het contact met zijn eenheid kwijtgeraakt. Zijn twee compagnies waren door de commandant van het 53e TB, luitenant-kolonel Oded Peres, naar diens centrum en rechterflank gestuurd. Toen deze doorkreeg dat er voorlopig geen verdere versterkingen zouden komen, beval hij de zuidelijkste reservecompagnie onverwijld de sector bij Kudne te versterken. De compagnie liep daarbij echter in een hinderlaag door een geïnfiltreerd Syrisch commandoteam: alle tanks ervan werden door geleide antitankraketten vernietigd nog voordat ze konden melden gevechtscontact te hebben.[29] Een noodgreep van de divisie om het tankschoolbataljon naar het zuiden te sturen werd door Elazar persoonlijk afgewezen omdat de dreiging zich nog niet daadwerkelijk gerealiseerd had.[30] De effectieve versterking van de zuidelijke sector beperkte zich zo tot elf tanks in plaats van de bedoelde drieënvijftig. Het centrum daarvan sloeg die avond verdere aanvallen af maar de rechterflank raakte steeds verder geïnfiltreerd. Bij de linkerflank werd de toestand weldra kritiek: hoewel men de verdediging bij Kudne nog wist te vergroten tot acht Centurions, bleek dat te weinig. De commandant van de 9e Infanteriedivisie, kolonel Hassan Tourkmani, was zeer ambitieus en vastbesloten zich niet aan zijn voorgeschreven rol te houden om wat Israëlische reserves aan te trekken. Rond 22:00 forceerde het voorste tankbataljon van de Syrische 51e Pantserbrigade, aan de 9e ID toegevoegd, een niet geruimde sector van het mijnenveld door de helft van zijn tanks op te offeren. In de duisternis reed het door naar Hoesnija en nam daar de afslag rechts naar Nafech. Nog voor middernacht was zo, tegen een prijs van 230 Syrische tanks daar er bij Koeneitra weer een zestigtal verloren gingen, het Golanfront gebroken.

7 Oktober

Het Israëlische kabinet verwacht een totale nederlaag

De radargeleide Sjilka-luchtafweertank werd berucht in de Jom Kipoeroorlog, hoewel het succes van 7 oktober uitzonderlijk was

In de nacht van 6 op 7 oktober werd het Israëlische kabinet verrast door zeer verontrustende berichten van beide fronten. In de Sinaï had het leger zich grotendeels van de vijand losgemaakt. De Moazim aan het kanaal waren omsingeld en leken verloren; ze kregen om 09:30 het bevel zich over te geven. Kleine groepjes tanks bewaakten de wegen naar het oosten. Alleen bij Tasa lag een grotere concentratie. Dat was het logistieke centrum van het Zuidelijk Commando en schermde ook de oostelijker luchtbasis van Rephidim af. Het verlies van Tasa en Rephidim zou catastrofaal zijn want daar lagen honderden tanks in opslag, waaronder de materieelreserve van de 252e Ugda, het volledige oorspronkelijke materieel van de 7e Pantserbrigade en een belangrijk deel van de uitrusting van de 143e Ugda. Als de Egyptenaren onmiddellijk doortastend zouden oprukken, zouden ze het dekkingsscherm eenvoudig kunnen doorbreken en het mobilisatiecomplex afsluiten van de aanvoer van reservisten. Ook in de Golan leek de toestand kritiek te zijn maar de precieze situatie was onduidelijk. Rond 04:00 ging Dajan persoonlijk poolshoogte nemen en bezocht Hofi in Galilea. Deze schetste een inktzwart beeld van de staat van het Noordelijk Commando: er was een enorm gat in het front geslagen, hij had geen enkele serieuze reserve beschikbaar, elk moment kon Nafech overspoeld worden door een horde Syrische tanks en zouden grote aantallen opgeslagen Centurions in vijandelijke handen vallen en de 7e Pantserbrigade omsingeld worden. Niets kon de vijand dan nog hinderen Israël zelf binnen te trekken. Aangeslagen vertrok Dajan hierop naar de bevelhebber van de Israëlische luchtmacht, generaal-majoor Benjamin Peled. Deze schokte hij met de mededeling dat de "Derde Tempel" dreigde te vallen — hij zag de staat Israël als nieuwe belichaming van het jodendom na de Tempel van Salomo en de Tempel van Herodes. In tranen zwoer Peled dat hij desnoods de hele luchtmacht zou opofferen om dit te voorkomen. De luchtmacht had zich ondertussen gerealiseerd dat alsnog de Egyptische raketgordel geneutraliseerd diende te worden. Om 07:00 werd een succesvol begin gemaakt met Operatie Tagar, "Vete". Bij hun terugkeer kregen de piloten tot hun verrassing te horen dat de plannen waren omgegooid en direct Operatie Doegman-5, "Model-5", moest worden uitgevoerd, de vernietiging van de Syrische raketgordel. Er was geen tijd meer actuele informatie te verwerven over de locatie van de lanceerinrichtingen. Dit leidde tot de zwaarste nederlaag van de Israëlische luchtmacht in het conflict: de raketbatterijen waren in de nacht verplaatst en maar één kon er worden uitgeschakeld. Zes Phantom IIs werden echter in hun lage nadering neergehaald door radargeleide ZSOe-23-4 luchtafweertanks. In de loop van de ochtend verzocht het Golanfront voorlopig maar geen grondondersteunende bombardementen uit voeren daar de aanblik van neerstortende jachtbommenwerpers schadelijk was voor het moreel.

In de loop van de dag werd de stemming van het kabinet steeds somberder. Men begreep wel dat Egypte en Syrië officieel een beperkt oorlogsdoel hadden maar Golda Meir meende: "als de Arabieren eenmaal bloed geroken hebben, zullen ze niet stoppen". Ze nam ook aan dat Jordanië een derde front zou openen. Verschillende auteurs, de bekendste Seymour Hersh,[31] hebben op grond van mondelinge getuigenissen beweerd dat het kabinet in deze ondergangsstemming de inzet van kernwapens overwogen heeft, wat dan buiten de officiële notulen gehouden zou zijn. Israël kreeg rond 1967 de capaciteit eenvoudige plutoniumbommen te construeren. Er bestaat geen consensus over het precieze tijdstip van deze overwegingen (7 of 8 oktober), het exacte Israëlische nucleaire vermogen op dat moment (meestal geschat op twintig à dertig kernkoppen), de in te zetten wapensystemen (Hersh claimt dat 20-kiloton-bommen werden geassembleerd voor afworp door acht Phantom IIs) en het doel (doorgebroken pantserspitsen of een leeg stuk woestijn ter "demonstratie"). In elk geval zijn geen kernwapens tot ontploffing gebracht. Wel is zeker dat Dajan voorstelde de Golan te ontruimen teneinde met de restanten van de 7e PB de Jordaanovergangen te houden en ook om zich uit de Sinaï terug te trekken.

Opperbevelhebber Elazar raakte zwaar geërgerd door wat hij zag als het melodramatisch defaitisme van Dajan. Hij achtte de oorlog nog lang niet verloren en meende zelfs dat het gestelde oorlogsdoel, de totale nederlaag van Egypte en Syrië, alsnog gehaald kon worden mits men risicovolle stappen durfde te nemen. De eerste stap zette hij eigenmachtig in de late nacht: hij beval de 146e Ugda, de enige divisie van het Centraal Commando, die als dekkingsmacht tegenover Jordanië moest dienen, na mobilisatie onder het bevel van het Noordelijk Commando te stellen, om de Golan te heroveren. Zelfs het 81e Tankbataljon, een met M50 Super Shermans uitgeruste eenheid van de grenstroepen, werd overgeplaatst zodat de hele grens met Jordanië slechts gedekt werd door het overblijvende M50 tankbataljon; een derde bataljon bewaakte de grens met Libanon.

De fronten stabiliseren zich

El-Sjazli

Toen het Israëlische kabinet de ondergang van het land aanstaande achtte, was het kritieke moment al gepasseerd. Onwetend hadden Arabische commandanten reeds in de vroege nacht de kans op een totale overwinning voorbij laten gaan. Aan Egyptische zijde was de euforie over de geslaagde oversteek groot. Het viel luitenant-generaal Saad el-Sjazli, de chef-staf van het Egyptische leger, op dat de Israëlische verdediging wel erg wankel was en hij liet agressieve verkenningen naar het oosten uitvoeren maar het Egyptisch opperbevel legde de prioriteit bij het consolideren en versterken van de bruggehoofden. Een onmiddellijke uitvoering van Graniet Twee werd te riskant geacht wegens het gevaar van een Israëlische valstrik, waarin de Egyptische pantserreserves naar het oosten gelokt zouden worden, buiten de dekking van de raketgordel, om ze in beweeglijke manoeuvres te vernietigen.

"Zwika" Greengold, drager van de O't Ha'gvora

Op de Golan deed het toevallige succes van één tank het tij keren. De commandant van de 188e PB, luitenant-kolonel Jitzjak Ben-Sjoham, had zijn hoofdkwartier nog in Nafech en begon in de late avond het overzicht over zijn brigade kwijt te raken. Hij wist dat er op de basis een luitenant van verlof teruggekeerd was, Zwi Greengold, die opgeleid zou worden tot compagniescommandant. Hij beval hem telefonisch een paar bemanningen bijeen te zoeken en met één of twee tanks naar het zuiden te rijden. Een paar kilometer buiten de basis stuitte Greengold geheel onverwacht op de eerste drie T-55s van de Syrische 51e Pantserbrigade die zich in een uiteengevallen colonne naar het noorden haastte om Nafech te overvallen. Snel reagerend schakelde Greengolds Centurion die op korte afstand uit. Hij besloot om de volgende T-55s niet af te wachten maar evenwijdig aan de weg naar het zuiden te rijden en oprukkende groepjes tanks in de flank te beschieten. Op deze wijze bereikte hij het kruispunt van Hoesnija, onderwijl een tiental T-55s vernietigend. De commandant van het voorste 452e Tankbataljon van de 51e PB, majoor Farouk Ismail, trok hieruit niet de conclusie dat hij tegenover een enkele tank stond maar concentreerde zijn eenheid in een ter verdediging ingericht nachtkamp bij Hoesnija, om het doorbraakpunt af te grendelen tegen de kennelijk grote Israëlische reserve-eenheid die hem aanviel.

De Syrische 9e ID had een tweede belangrijke pantsereenheid, de 43e Gemechaniseerde Infanteriebrigade. Die reed na de 51e PB de Golan op maar draaide eerder naar rechts, oprukkend over de weg richting Koeneitra, evenwijdig aan de Paarse Lijn. Ondertussen had Ben-Gal bij nader inzien de compagnie van het 82e TB die hij achtergehouden had, alsnog naar het zuiden gestuurd, onder leiding van kapitein Meir Zamir. De Golanibrigade kon het niet ontgaan dat ze van achteren omtrokken werd en waarschuwde Zamir die de 43 MIB in een hinderlaag liet vallen en daarna naar het zuiden dreef, waarbij de Syriërs vijfentwintig T-55s verloren.

De Syrische doorbraak was mogelijk geweest door een opeenstapeling van toevalligheden. Het verrassingseffect had daarin ook in zoverre een rol gespeeld dat de Israëlische troepen in de Golan niet helemaal op de geplande volle sterkte waren. De parate hoofdkwartierreserve van het Noordelijk Commando, een ongenummerd Centurionbataljon, was nog niet de Golan opgebracht. Ook was het 71e Gemechaniseerde Infanteriebataljon van de 188e PB nog niet gemobiliseerd, inclusief de twee tankcompagnies die daarvan deel uitmaakten. Dit alles gebeurde in de nacht alsnog. Verder begon de 179e Pantserbrigade in Galilea te mobiliseren. Omdat het eigen materieel in Nafech door de 7e Pantserbrigade gebruikt was, nam de 179e PB op haar beurt maar de uitrusting van de 164e Pantserbrigade over. Op 6 oktober had de 179e brigade nog het bevel gekregen zich voor de Sinaï gereed te maken maar daar kon nu geen sprake meer van zijn — uiteindelijk zou in plaats daarvan de 164e PB naar het zuiden afreizen om zich met het materieel van de 7e PB op te bouwen. De 179e PB begon kleine groepjes tanks de hoogvlakte op te rijden, in de vroege ochtend eerst een groep van zeven, wat later gevolgd door een groep van achttien. Voor het vervoeren van de reservisten naar hun reserve-eenheden werden in het Israëlische mobilisatiesysteem de bussen van het openbaar vervoer gebruikt. Tussen de tanks door reden stoeten lijnbussen naar Nafech waar opgeslagen tanks geactiveerd werden. Door de haast werd de Israëlische mobilisatie een chaos die echter wat getemperd werd door het feit dat veel reservisten op 6 oktober eenvoudig te lokaliseren waren omdat ze thuis zaten voor Jom Kipoer.

Een Centurion en een bus reservisten rijden de Golan op

De versterkingen zorgden ervoor dat de zuidflank van de noordelijke sector in de vroege ochtend door een honderdtal tanks was gedekt. Verdere Syrische pantserreserves om de doorbraak uit te buiten waren toen nog niet gearriveerd. Dat kwam doordat die zich vrij ver achter het front bevonden, bij Kiswe, in overeenstemming met de vooraf besloten terughoudendheid om ze in te zetten. Daarbij lag het feitelijke operationele bevel over de Syrische strijdkrachten in handen van de minister van defensie, Moestafa Tlas. Ook die had zijn hoofdkwartier halverwege Damascus geplaatst om in nauwer contact te blijven met de rest van het regime. Dit verhinderde een onmiddellijk daadkrachtig optreden. Pas om 03:00 kreeg de ie Pantserdivisie haar marsbevel. De horde Syrische tanks die Hofi gevreesd had, ontbrak dus voorlopig. Nadat het zo'n 300 van de oorspronkelijk 540 tanks verloren had, was het Syrische eerste strategische echelon in aantallen panstservoertuigen maar weinig groter dan de verdedigers. In feite deden de Israëlische reserves in de late nacht en ochtend pogingen de reeds verzwakte pantsereenheden van de Syrische 9e Infanteriedivisie, numeriek hun gelijken, te vernietigen en het doorbraakpunt af te sluiten.

De bus had op de Golan een directe aansluiting op de tank

Deze pogingen werden in de morgen van de 7e oktober al snel futiel doordat nu ook het centrum en zuidflank van de 188e PB het begonnen te begeven. Deze had de hele nacht de lijn tussen Rafid en de Jordaanse grens gehouden. Veel van dit gebied lijkt open terrein maar wordt in feite oostelijk van de Paarse Lijn afgeschermd door de noordelijke uitloper van de Wadi al Rukkad. Men had op 6 oktober overwogen naar deze kloof op te rukken maar daarvan afgezien. Bij dageraad bleek de Syrische 5e Infanteriedivisie bezig met een massale methodische opmars over het plateau ten westen van de wadi. Talrijke doorgangen waren door de versperringen en mijnenvelden gemaakt. Aan Israëlische zijde ontbraken hier de diepe infanteriestellingen die nodig zouden zijn geweest om dit op vangen. Daarbij werd de sector in de rug bedreigd door de opmars van de Syrische 9e ID. Oded besloot zijn laatste twaalf tanks te verstoppen in de krater van de Tel Faris die een toegangsweg had omdat hij gebruikt werd als luisterpost. Daar zou hij twee dagen door de Syriërs genegeerd worden totdat het omringende terrein weer in Israëlische handen viel. Door het ineenstorten van de brigade kwam bijna de hele zuidelijke Golan onder Syrische controle. De Syrische 132e Gemechaniseerde Infanteriebrigade richtte zich ter verdediging in ten oosten van Eli Al; de 47e Pantserbrigade, aan de 5e ID toegevoegd, deed hetzelfde aan de oostzijde van de ravijnen die naar het Meer van Tiberias lopen. Gedurende de nacht was al een belangrijk deel van de logistieke eenheden en artillerie van de brigade op eigen initiatief naar het noorden teruggetrokken, tussen de oprukkende Syrische eenheden van de 9e ID doorglippend. Sommige eenheden bleven panisch naar het westen vluchten, zich over de Benot Ya'akovbrug naar Galilea in veiligheid stellend. Dit schokte brigade-generaal Dan Laner die op 7 oktober de 240e Ugda activeerde, zodat een apart divisiehoofdkwartier het bevel kreeg over alle reserves zich aan het noorden en westen van het nieuwe front probeerden op te bouwen. Persoonlijk als verkeersagent op de brug staand, stuurde hij vluchtende troepen weer terug en regelde de stroom van versterkingen.

Tegen de ochtend bereikte de Syrische 1e Pantserdivisie het doorbraakpunt bij Kudne, reed om 09:00 voorbij Hoesnija en zwenkte toen naar het noorden. De divisie zette rond 11:00 een massale aanval in om het front van de 240e Ugda te breken en zo ook de Israëlische verdediging van de noordelijke Golan tot instorten te brengen. Op de linkerflank rukte de 4e Pantserbrigade op, in het midden de 91e Pantserbrigade en aan de rechterflank begon de 51e PB weer naar het noorden te bewegen, ieder met één tankbataljon in de voorste rangen. Het honderdtal verdedigende Israëlische tanks gaf al snel terrein prijs. Daarbij maakten ze optimaal gebruik van een belangrijk voordeel van de Centurion ten opzichte van de Sovjettanks: een sterkere "domping", het vermogen het kanon te laten zakken. Daardoor konden ze makkelijker een gedekte positie vinden aan de achterkant van een heuveltje. Door stap voor stap terug te trekken behielden de verdedigers een optimale afstand om dit uit te buiten. De opmars eiste zo een zware tol onder de aanvallers. Ook die hadden echter een zekere technische voorsprong: de 91e PB zette voor het eerst in de geschiedenis in grote aantallen de T-62 in. Dit type was wat zwaarder gepantserd, zodat het tot op 1200 meter kon naderen voordat het kwetsbaar werd voor de zuivere pantsergranaten die de Israëlische bemanningen prefereerden boven de relatief onnauwkeurige holle lading-granaten waarvan de werking onafhankelijk was van de afstand. Op die afstand had de T-62 zelf ook een goede trefkans omdat het een 115 mm kanon bezat die als innovatie zeer snelle staafpenetratoren afschoot met een enorm doorslagvermogen. Omdat de T-62 sterk leek op de T-55, hadden Israëlische tanks vaak niet in de gaten dat ze tegen een voertuig streden waarmee ze het tankduel op middellange afstand beter konden vermijden. Op langere afstand deed zich dit effect niet voor omdat het die dag stevig woei en de langwerpige projectielen na zo'n 1500 meter last kregen van traagheidskoppel en begonnen te tollen.

Rond 13:30 was er echter geen ruimte meer om terug te trekken. De essentiële Benot Ya'akovbrug noch het logistiek centrum van Nafech mochten vallen en evenmin kon het toegestaan worden dat de vijand in de rug van de 7e PB kwam. De Israëlische noodzaak op deze lijn stand te houden leidde ertoe dat de oprukkende Syrische colonnes in elkaar schoven tot een dichte massa tanks. Voor de Israëliërs schiep dat een zeer dreigende situatie. Ben-Sjoham sneuvelde toen hij, het bovenlichaam uit de toren van zijn commandotank gestoken om beter de slag te kunnen leiden, door machinegeweervuur werd getroffen. Nafech werd aan beide zijden omtrokken. Brigade-generaal Eitan vluchtte met zijn hoofdkwartier naar het noorden toe, persoonlijk een T-62 met een antitankwapen uitschakelend. Basispersoneel voerde een verbeten strijd om vijandelijke tanks buiten het hek te houden terwijl tegelijkertijd reservisten van de 679e Pantserbrigade werden aangevoerd om meer opgeslagen Centurions te bemannen. Het bataljon van de tankschool werd alsnog naar de frontlijn gestuurd teneinde doorgebroken Syrische tanks te onderscheppen. Voor de Syriërs was deze hectiek echter nog ongunstiger. Ze raakten gevaarlijk overgeconcentreerd. Van een ordelijke opmars was geen sprake meer. Eenheden raakten vermengd en een duidelijke bevelvoering ontbrak. Door de snel oplopende verliezen begon de aanval stil te vallen. Doordat het Syrische opperbevel geen goed contact had met het front duurde het lang voordat men ingreep. Om 17:00 kregen de tankeenheden het bevel wat terug te vallen teneinde zich te hergroeperen. Toen was het al te laat. De aanval op het midden van de Golan was een Totenritt geworden voor de Syrische pantsermacht. Israëlische bergingsploegen zouden later ruim tweehonderd wrakken van Sovjettanks in de zone aantreffen. De verdedigers leek het onverwachte omkeren van de Syrische tanks een godsgeschenk dat ze aangrepen om de 179e en 679e Pantserbrigade volledig op te bouwen.

Verder verloop

Een Israëlische tank steekt het Suezkanaal over door middel van een pontonbrug
Wrak van een Egyptische Soechoj Soe-7

Israëlische tegenaanvallen op de Sinaï, onder andere door de toekomstige premier, generaal-majoor Ariel Sharon, brachten op 8 oktober minieme schade toe. De eerste dagen, 6 tot 10 oktober, verloor Israël minstens negenenveertig vliegtuigen en vijfhonderd tanks. De Syriërs zouden met hun luchtafweer gedurende de oorlog veertig Israëlische vliegtuigen neerhalen.

De Syrische aanval liep al na een dag vast, en op 8 oktober gingen de Israëli's in de tegenaanval en had Syrië het initiatief verloren. Op 10 oktober waren de laatste Syrische eenheden verdreven. Israël besloot hierop verder te gaan en Syrië binnen te vallen. De reden hiervoor was dat de Egyptenaren nog steeds een strook in de Sinaï bezet hielden. Netto zou dit dus gezien kunnen worden als een Israëlische nederlaag. Het Israëlische leger rukte op tot veertig kilometer van Damascus, waardoor de Syrische hoofdstad binnen bereik van artillerie kwam. Toen werden ze echter in de flank aangevallen door Iraakse eenheden, waar Israël absoluut niet op had gerekend.

Het Egyptische opperbevel werd door de dreigende Syrische nederlaag gedwongen op 14 oktober aan te vallen. Vierhonderd Egyptische tanks zouden buiten de radius van de SAM-raketten nog dieper de Sinaï binnentrekken. De Egyptische luchtmacht zou hen moeten beschermen tegen luchtaanvallen. Men wilde zo de Syrische bondgenoot ontlasten hopend dat het gebied wegens de Israëlische prioriteit voor de Golanhoogten slecht verdedigd zou zijn. Het bleek een vergissing: Israël had afdoende troepen en tanks naar de Sinaï gestuurd: 60.000 manschappen en 600 tanks. De aanval werd een mislukking en kostte Egypte 260 tanks. Egypte zou nu eveneens het initiatief kwijtraken.

Op 15 oktober lanceerde Israël operatie Abiray-Lev. Israëlische eenheden dreven een wig tussen de noordelijke en zuidelijke Egyptische legers en bereikten het Suezkanaal. Daar werden dertig tanks samen met parachutisten door een pontonveer over het kanaal gezet, waar ze een bruggenhoofd vestigden. De parachutisten vielen de nabije SAM-batterijen vanaf de grond aan waardoor de luchtmacht het bruggenhoofd kon beschermen, en al snel stroomden meer troepen binnen en werd het bruggenhoofd uitgebreid. Sadat weigerde echter zijn troepen terug te trekken uit de Sinaï, en beval de corridor naar het bruggenhoofd af te snijden. Na zware tankslagen mislukte dit en werd een drijvende brug het kanaal over gereden. De Israeliërs omsingelden nu het zuidelijke leger door naar Suez op te rukken waardoor uiteindelijk 70.000 manschappen plus 720 tanks opgesloten zaten terwijl de weg richting Caïro open lag.

Twee weken na het begin van de oorlog kwam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in actie (resolutie 338) en voorkwam daarmee een zwaardere militaire nederlaag voor Egypte. Op dat moment stonden de Israëlische troepen op 101 km van Caïro.

De eerste twee dagen had Israël dus terrein prijs moeten geven, maar na het mobiliseren van zijn reserves had het land de aanvallers teruggedreven tot diep in Syrië en Egypte. Bij de Egyptisch-Syrische coalitie sneuvelden in totaal 35.000 soldaten, meer dan 15.000 raakten gewond, 8300 werden krijgsgevangen genomen. De Egyptische luchtmacht verloor 235 vliegtuigen en de Syrische 135. Aan Israëlische zijde sneuvelden 2688 soldaten en werden er ongeveer 7000 gewond. 314 Israëliërs werden krijgsgevangen genomen en tientallen raakten zoek (17 van hen zijn tot het jaar 2003 nog niet gevonden). Het Israëlische leger verloor 102 vliegtuigen en ongeveer 800 tanks.

Hoewel het Israëlische leger dus uiteindelijk de overhand kreeg, wordt de oorlog zowel aan Arabische als aan Israëlische kant meestal als een militaire nederlaag voor Israël gevoeld. De oorlog was immers met een overwinning voor Egypte begonnen, die had aangetoond dat Israël beslist niet onkwetsbaar was.

De luchtoorlog

Wrak van een Israëlische A-4 Skyhawk

De luchtmachten van Egypte en Syrië hadden, inclusief versterkingen van andere Arabische landen, bijna driemaal zoveel operationele jachtbommenwerpers als de Israëlische luchtmacht. Dat betekende echter niet dat er zich gemiddeld ook drie keer zoveel Arabische vliegtuigen in het luchtruim bevonden. Israël voerde gedurende de oorlog 11.223 gevechtsvluchten (sorties) uit; het aantal lag aan Arabische zijde, met naar schatting 10.500 sorties ongeveer even hoog, zowel door zware verliezen als door een lagere sortie rate, de hoeveelheid vluchten per vliegtuig per dag die in Egypte zo laag lag als o,6. De Arabische luchtmachten leverden nauwelijks een effectieve bijdrage aan het totale gevechtsverloop. Luchtgevechten plachten erg eenzijdig af te lopen met 277 neergeschoten Arabische toestellen tegenover zes jagers die Israël als verliezen heeft erkend. Een aanwezigheid in de lucht wordt daarbij pas werkelijk nuttig als die resulteert in bombardementen. De Israëlische luchtmacht voerde 7272 bombardementsvluchten uit, ongeveer het dubbele van het Arabische totaal terwijl de bommenlast per vliegtuig veel hoger lag.

In totaal gingen 442 Arabische toestellen verloren, inclusief helikopters. Israël verloor 103 jachtbommenwerpers, het merendeel door de Arabische luchtafweer waarbij de luchtdoelraketten en de luchtafweerkanonnen ieder ongeveer de helft voor hun rekening namen. Onder de raketten was vooral de "SAM-6" effectief. Gegeven het feit dat duizenden luchtdoelraketten werden afgevuurd, was de trefkans per raket slechts een paar percent. Van de Israëlische HAWKS werden er vijfenzeventig afgevuurd die minstens twaalf Egyptische vliegtuigen troffen.

Strategische bombardementen waren erg beperkt van omvang. Egyptische Toe-16s voerden enkele vluchten voor de Israëlische kust uit waarbij ze vijfentwintig Radoega KRS-2 of KSR-11 "AS-5 Kelt" kruisvluchtwapens afvuurden, voornamelijk op steden, maar de meeste werden neergeschoten en de schade was gering. De tactische inzet van de "Kelt" was succesvoller: op 6 oktober werd een radarinstallatie door twee van deze robotvliegtuigjes vernietigd.

Andere deelnemende landen

Behalve Egypte, Syrië en Irak waren ook andere Arabische landen bij de oorlog betrokken: deze stuurden wapens en financierden de oorlogvoerende Arabische naties. De totale omvang van deze logistieke hulpverlening is onbekend.

Saoedi-Arabië en Koeweit verleenden financiële steun en stuurden enkele eenheden naar het oorlogsgebied; Marokko zond drie brigades naar de frontlinies. Ook de Palestijnen stuurden soldaten; Pakistan leverde zestien piloten.

Van 1971 tot 1973 stuurde de Libische leider al-Qadhafi Mirage-vliegtuigen, en kende hij aan Egypte ongeveer 1 miljoen dollar steun toe. Algerije stuurde soldaten en enkele tientallen tanks. Soedan stuurde 3000 soldaten en Tunesië 1000, die de Egyptenaren hielpen in de Nijldelta. Ook de leider van Oeganda, Idi Amin, stuurde soldaten om tegen Israël te vechten. Cuba zond ongeveer 1500 soldaten met een aantal tanks en helikopters.

Egypte na de oorlog

Ondanks de zware verliezen was de verrassingsaanval voor Egyptenaren een eerherstel na de nederlaag die zij tijdens de Zesdaagse Oorlog hadden geïncasseerd. Toen Israël zich later uit Port Said terugtrok, trokken de Egyptenaren in een grote overwinningsparade de stad binnen. Israël bleef zich steeds verder uit de Egyptische gebieden terugtrekken, waarbij de Egyptenaren ook akkoord gingen met steeds grotere bufferzones.

Uiteindelijk werd in 1978 te Camp David een verdrag getekend, op basis waarvan Israël zich zou terugtrekken naar de internationale grens en de gehele Sinaï gedemilitariseerd gebied zou worden. Een tweede verdrag dat men daar tekende, regelde de Palestijnse zelfbeschikking naast Israël, maar daar voelde de Palestijnse leiding niet voor. Een jaar later werd een vredesverdrag ondertekend. Twee ondertekenaars, Menahem Begin en Anwar Sadat, kregen hiervoor de Nobelprijs voor de Vrede. De Verenigde Staten waren de sponsors van alle verdragen.

In de Arabische wereld werd dit echter gezien als verraad. In 1979 werd Egypte uit de Arabische Liga gestoten, en verbraken veel Arabische landen hun betrekkingen met Egypte. Sadat zelf werd op 6 oktober 1981 te Caïro doodgeschoten tijdens een militaire parade, door fundamentalistische militairen (leden van de Egyptische Islamitische Jihad). Het is niet onaannemelijk dat de motieven voor de moord (mede) lagen in de verzoening met en erkenning van Israël. Als dit zo is heeft Sadat uiteindelijk hiervoor met zijn leven moeten betalen.

De inkomsten uit de olievelden en de toeristensector in de Sinaï, de verminderde militaire uitgaven en de financiële steun die Egypte ieder jaar sinds de terugtrekking uit het schiereiland van de Verenigde Staten ontvangt, vormen belangrijke bijdragen in de economie van Egypte tot heden ten dage.

Israël na de oorlog

Direct na de Jom-kipoeroorlog kwam in Israël een protestbeweging op gang, die onafhankelijk onderzoek eiste naar de vraag hoe de verrassingsaanval mogelijk was. Nog vlak na de oorlog won de Arbeidspartij onder leiding van premier Golda Meïr de verkiezingen; dat was de laatste keer tot 1999 dat de socialisten een overtuigende verkiezingsoverwinning binnen zouden slepen.

De protesten bleven toenemen. Uiteindelijk werd de juridische commissie Agranat opgericht. In 1974, nadat de tussenresultaten van de commissie Agranat gepubliceerd werden, traden premier Golda Meïr en de minister van defensie Moshe Dayan af. Weliswaar waren de onderzoeksresultaten van de commissie niet nadelig voor hen, maar de protesten in het land namen alleen maar toe. Yitzchak Rabin en Shimon Peres, die minder belangrijke posten hadden bezet in de impopulaire regering van Meïr, werden respectievelijk minister-president en minister van defensie. Opperbevelhebber David ("Dado") El'azar werd gedwongen om af te treden. Hij stierf drie jaar later aan een hartaanval.

Gevolgen

Door de Arabische landen werd een olie-embargo ingesteld voor de Verenigde Staten, Nederland en nog een aantal West-Europese landen, wat leidde tot de oliecrisis van 1973.

Voetnoten

  1. The number reflects artillery units of caliber 100 mm and up
  2. (ru) Yom Kippur War at sem40.ru
  3. Bregman (2000), p. 66
  4. Bregman (2000), p. 65
  5. Bregman (2000), p. 67
  6. Bregman (2000), p. 68
  7. Bregman (2000), p. 70
  8. Bregman (2000), p. 71. Scuds zouden in augustus 1973 alsnog geleverd worden maar waren in oktober nog niet operationeel
  9. Bregman (2000), p. 72
  10. Bregman (2000), p. 69
  11. Bregman (2000), p. 81
  12. Bregman (2000), p. 76
  13. Bregman (2000), p. 79
  14. Herzog (1982), p. 228-229
  15. Bregman (2000), p. 73
  16. Bregman (2000), p. 74
  17. Bregman (2000), p. 75
  18. Bregman (2000), p. 78
  19. Bregman (2000), p. 77
  20. Bregman (2000), p. 79
  21. Bregman (2000), p. 83
  22. Bregman (2000), p. 84
  23. Bregman (2000), p. 85
  24. Bregman (2000), p. 82
  25. Kumaraswamy (2013), p. 78
  26. Trevor N. Dupuy, 1984, Elusive Victory: The Arab-Israeli Wars, 1947-1974, Hero Books, Fairfax, p. 439
  27. Asher (1987), p 105
  28. Asher (1987), p. 107
  29. Asher (1987), p. 118
  30. Asher (1987), p. 171-172
  31. Hersh, Seymour, 1991, The Samson Option: Israel's Nuclear Arsenal and American Foreign Policy, Random House

Literatuur

  • Chaim Herzog The Arab-Israeli Wars — War and Peace in the Middle East, 1982, Arms and Armour Press, London, ISBN 0853683670
  • Jerry Asher & Eric Hammel Duel for the Golan — The 100-Hour Battle that saved Israel, 1987, William Morrow and Company, New York, ISBN 0688069118
  • Ahron Bregman, Israel's Wars, 1947-93, 2000, London, Routledge, ISBN 0415214688
  • P.R. Kumaraswamy, Revisiting the Yom Kippur War, 2013, London, Routledge, 256 pp ISBN 1136328955, 9781136328954

Zie ook

Externe links