Nederlands kabinet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Actuele informatie Voor actuele informatie, zie:
Kabinet-Rutte IV
De samenstelling en taken van de overheid, regering, het kabinet en parlement in Nederland.

Een Nederlands kabinet in de landelijke politiek bestaat uit alle ministers van een zittende regering, met hun staatssecretarissen. Het wordt in de regel gevormd na Tweede Kamerverkiezingen. Een kabinet draagt doorgaans de naam van de regeringsleider, die voorzitter is van de ministerraad en minister-president of premier (eerste minister) wordt genoemd. Zijn er meerdere kabinetten met dezelfde premier komt er een (Romeins) volgnummer achter de naam (bijvoorbeeld: kabinet-Balkenende II).[1]

Grondwet[bewerken | brontekst bewerken]

Nederlandse politiek

Wapen van Nederland
Wapen van Nederland

Portaal
Portaalicoon Politiek & Nederland Portaalicoon

De Nederlandse Grondwet kent het begrip 'kabinet' niet, maar wel de begrippen regering en ministerraad. De regering, zoals omschreven in artikel 42, bestaat uit de Koning (thans Willem-Alexander) en de ministers, waarbij de Koning onschendbaar is en de ministers de verantwoordelijkheid dragen. Artikel 45 stelt dat de ministers (zonder hun staatssecretarissen) met elkaar de ministerraad vormen, waarvan de minister-president (eerste minister) de voorzitter is. "De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid". (Art. 45, lid 3).

Eerste kabinet in 1848[bewerken | brontekst bewerken]

Sinds 1848 kent Nederland kabinetten. Daarvóór waren de ministers in de eerste plaats dienaren van de koning die slechts zelden gezamenlijk vergaderden.[2] In de negentiende eeuw verschoof de macht van de Koning naar de ministers die verantwoording moesten afleggen aan het parlement. In 1842 werd er een geregelde kabinetsvergadering in het leven geroepen. In 1848 werd voor het eerst een kabinet geformeerd.

Kabinet is een oud begrip, afkomstig uit het Frans.[3] Het heeft meerdere betekenissen maar in deze samenhang duidt het op de kamer in een paleis die een vorst kon afsluiten zodat hij of zij er vertrouwelijk overleg kon voeren met adviseurs. Deze bijeenkomsten in de privévertrekken van een vorst zijn de wieg van de ministerraden. In de loop van de 18e eeuw kwamen de Engelse kabinetten steeds vaker zonder hun koning bijeen omdat deze ofwel in Hannover was of geen Engels sprak. Een vergadering van de belangrijkste ministers heette Cabinet Council. Het begrip kabinet des konings kwam vanaf 1840 in Nederland in zwang, er werd het secretariaat van de koning mee bedoeld, later ging men spreken over het kabinet van ’s Gravenhage, waarmee de regering werd bedoeld.[3] In België wordt er een secretariaat of stafafdeling mee aangeduid.

Ministeriële verantwoordelijkheid[bewerken | brontekst bewerken]

In 1840 werd de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd. Besluiten van de Koning moesten vanaf dat moment door één of meer ministers worden medeondertekend (contraseign). Met de Grondwetswijziging in 1848 werd ook de politieke ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd. Ministers werden verantwoording schuldig aan het parlement voor hun eigen optreden, dat van het kabinet en van de Koning.

Ministers zonder politieke binding[bewerken | brontekst bewerken]

De kabinetten hadden tot 1888 geen duidelijk politiek gezicht en sommige ministers bemoeiden zich vooral met hun eigen departement. De ministers van Oorlog en Marine, van Buitenlandse Zaken en van Waterstaat waren veelal specialisten zonder politieke voorkeur. Op Oorlog en Marine werden bijna altijd ervaren officieren benoemd, op Buitenlandse Zaken vaak een diplomaat en op Waterstaat meestal een ingenieur.

Verkiezingen en politieke partijen[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf 1888 kwamen er vierjaarlijkse verkiezingen voor het parlement die waren opengesteld voor een klein deel van de bevolking. Toen begonnen er politieke partijen te ontstaan en kregen kabinetten een duidelijke politieke kleur.

De minister-president wordt bij koninklijk besluit (KB) benoemd en ontslagen, evenals de overige ministers en de staatssecretarissen. Elke minister geeft leiding aan een per koninklijk besluit ingesteld ministerie, hoewel het ook mogelijk is dat een enkele minister niet belast is met de leiding van een ministerie. Een staatssecretaris beheert meestal een deel van de portefeuille van een minister en kan op diens verzoek optreden namens de minister.

Een Kabinet 'treedt aan' en wordt 'geïnstalleerd'. Ministers en staatssecretarissen leggen bij hun ambtsaanvaarding tegenover 'de Koning' de eed of verklaring en belofte van zuivering af, en zweren of beloven trouw aan 'de Koning', het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt (Art. 49 van de Grondwet).

Sinds 1945 zijn er 28 kabinetten aangetreden, onder voorzitterschap van in totaal vijftien verschillende ministers-presidenten. De ministers-presidenten die de meeste kabinetten hebben voorgezeten zijn Willem Drees sr. en Jan-Peter Balkenende, die beide vier kabinetten hebben voorgezeten. Drees was minister-president van 1948 tot 1958 en Balkenende van 2002 tot 2010. De huidige premier Mark Rutte is sinds 2022 ook bezig aan het voorzitten van zijn vierde kabinet. De langstzittende minister-president is Mark Rutte. Het record van langstzittende naoorlogse kabinet is in handen van het kabinet-Rutte II, dat was 1750 dagen in functie. Het langstzittende kabinet ooit was het kabinet-Heemskerk met 2025 dagen.

In plaats van minister-president spreekt men wel van premier, hoewel de Grondwet die term niet kent, omdat de minister-president staatsrechtelijk niet de "baas" is van de ministers. Daarin verschilt het Nederlandse systeem van bijvoorbeeld het Belgische, het Britse en het Duitse, al hebben de Staten-Generaal steeds meer de neiging om de minister-president eindverantwoordelijk te achten voor al het beleid.[bron?]

Soorten kabinetten[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn verschillende manieren om een kabinet samen te stellen (formeren) en afhankelijk daarvan te typeren. Heeft één partij de meerderheid in de Tweede Kamer en gaat deze de bewindslieden voor de regering leveren, is er wel sprake van een kabinet, maar niet van een coalitie. Het laatste omdat er geen samenwerkingsverband tussen meerdere partijen (nodig) is. Wordt er een coalitie gevormd en kan het door de coalitiepartijen gevormde kabinet voor het uitvoeren van een aantal vooraf besproken beleidsvoornemens en het opstellen van de begroting rekenen op steun van een meerderheid van de Tweede Kamer, wordt gesproken van een meerderheidskabinet. Om tot een meerderheidskabinet te komen, maken partijen uit de Tweede Kamer (kamerfracties of partijfracties) onderling afspraken op welke onderdelen ze bereid zijn de regering hun stem te geven.

Is dat niet het geval dan wordt het kabinet aangeduid als een minderheidskabinet.

Een tweede manier om kabinetten te onderscheiden is de formatiemethode. Spelen de (beoogde) regeringsfracties een belangrijke rol bij de formatie en achten zij zich gebonden aan een regeerakkoord, is sprake van een sterke verbinding tussen regering en parlement, wat daarom een parlementair kabinet wordt genoemd. Zijn de fracties daarentegen nauwelijks of niet bij de formatie betrokken en hebben zij zich ook niet aan een regeerakkoord gebonden, dan wordt wel gesproken van een extraparlementair kabinet, van het Latijnse woord extra, in de betekenis van buiten, dus buiten het kabinet om. Maar over gebruik van het begrip wordt van oudsher gediscussieerd.

Geen enkel kabinet kan echter tot uitvoer van beleidsvoornemens komen, als het daarvoor onvoldoende steun in de Kamer krijgt. Er wordt daarom ook gesteld dat er maar twee soorten kabinetten zijn, een meerderheids- en een minderheidskabinet. Er wordt in het algemeen gestreefd naar parlementaire meerderheidskabinetten, en komen andere vormen slechts voor als dit niet mogelijk blijkt.

Ten slotte hebben er ook nog koninklijke kabinetten bestaan, die op gezag van het staatshoofd zijn gevormd. Het begrip 'zakenkabinet' wordt gebruikt voor kabinetten die volledig of grotendeels bestaan uit ministers van buiten de politiek. Dergelijke kabinetten kennen wij niet (meer).

Meerderheidskabinet[bewerken | brontekst bewerken]

We spreken van een meerderheidskabinet wanneer het kabinet steunt op een parlementaire meerderheid. Dit is het geval wanneer de coalitie gezamenlijk een meerderheid heeft in de Tweede Kamer en het regeringsprogramma in overleg tussen de deelnemende partijen tot stand is gekomen.

In het algemeen kan men stellen dat een meerderheidskabinet goed kan functioneren, omdat de meerderheid van de Tweede Kamer vooraf laat weten vertrouwen in het kabinet te hebben en er over (mogelijke) geschilpunten compromissen zijn gesloten.

Minderheidskabinet[bewerken | brontekst bewerken]

Een minderheidskabinet bestaat uit bewindslieden van partijen die samen geen meerderheid in de Tweede Kamer hebben. Zo'n kabinet kan heel moeilijk een beleid voeren, omdat de oppositie meer zetels heeft dan de regeringspartijen en dus makkelijk kabinetsvoorstellen kan blokkeren. Per onderwerp zal het kabinet in de Kamer een meerderheid moeten zien te verwerven.

Het minderheidskabinet-Colijn V (1939) kon zelfs niet aan de slag, omdat het bij het afleggen van de regeringsverklaring een motie van afkeuring niet overleefde.

Minderheidskabinetten komen nauwelijks voor. Ze bestaan vrijwel alleen als 'overgangskabinet' na de val van een voorgaand meerderheidskabinet. Veelal wikkelt zo'n kabinet de lopende zaken af en schrijft het Tweede Kamerverkiezingen uit.

Voorbeelden zijn de kabinetten Zijlstra (1966-1967), Biesheuvel II (1972-1973), Van Agt III (1982), Balkenende III (2006-2007) en kabinet-Rutte I (2010-2012). Het kabinet-Rutte kon ten aanzien van de kern van het beleid dat het voerde wel rekenen op een meerderheid van de Tweede Kamer, daar de PVV middels een gedoogakkoord een gedoogpartner en de SGP een informele gedoogpartner was van dit kabinet. Na het vertrek van PVV'er Hero Brinkman op 20 maart 2012 kwam deze meerderheid in gevaar, en op 21 april 2012 zegde de PVV haar gedoogsteun op na stukgelopen onderhandelingen. Hiermee bleef het kabinet-Rutte als 'echt' minderheidskabinet achter. Op 23 april 2012 vroeg minister-president Rutte het ontslag aan bij de koningin.

Parlementair kabinet[bewerken | brontekst bewerken]

Een parlementair kabinet is een kabinet waarbij de coalitiefracties in de Tweede Kamer zeer nauw bij de formatie betrokken zijn en waarbij (al dan niet gedetailleerd) de hoofdlijnen van het te voeren beleid worden vastgelegd in een regeerakkoord.

De onderhandelaars van de coalitiefracties in de Tweede Kamer hebben op die manier vooraf veel invloed op het te voeren beleid. Het kabinet weet zich verzekerd van steun van de meerderheid van de Tweede Kamer. Een parlementair kabinet kan in het algemeen slagvaardig optreden.

Extraparlementair kabinet[bewerken | brontekst bewerken]

Van oudsher bestaat onenigheid over gebruik, functie en betekenis van het begrip extraparlementair. Zo leverde in 1930 minister Ruijs de Beerenbrouck, jurist en langjarig premier, kritiek op de Leidse hoogleraar Kranenburg, die had opgemerkt dat de regering Ruijs het predikaat extra-parlementair niet mocht voeren. Er zijn geen extra-parlementaire kabinetten, aldus Kranenburg, alleen parlementaire kabinetten en koninklijke kabinetten. Een parlementair kabinet is een kabinet dat op het vertrouwen van een meerderheid der volksvertegenwoordiging steunt. Doet het dat niet is sprake van een koninklijk kabinet. Ruijs zag dat anders en wees op het kabinet-de Geer. Dat had niet geregeerd zonder het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging maar was geen koninklijk kabinet. Er moest dus nog een tussenvariant bestaan, het extra-parlementaire kabinet. Een parlementair kabinet steunt op een vooraf tot stand gekomen regeerakkoord en een extra-parlementair kabinet doet dat niet.[4]

In beginsel worden beide vormen van uitleg, met dezelfde stelligheid als Kranenburg en Ruijs de Beerenbrouck, nog steeds gegeven. de Aan een extra-parlementair kabinet ligt niet een regeerakkoord, maar een regeringsprogramma ten grondslag.[5] De Tweede Kamerfracties kunnen eventueel wel bij de formatie betrokken zijn, maar dat hoeft niet.

Als fracties bij de formatie betrokken zijn, nemen zij een meer afwachtende houding aan.[bron?] Zij 'wachten op de daden van het kabinet'.[bron?] Dit neemt niet weg dat zij in het algemeen hun eigen bewindslieden wel zullen steunen.

Dat kandidaat-bewindslieden tegen de zin van de eigen partij toetreden tot een kabinet is sinds 1939 overigens niet meer voorgekomen. In 1939 werd Gerbrandy tegen de zin van de ARP minister in het tweede-kabinet-De Geer.

Het kabinet-Den Uyl wordt wel extraparlementair genoemd, hoewel dit slechts ten dele juist is. De fracties stemden namelijk in meerderheid in met deelname van hun partij aan het kabinet. Wel was er alleen sprake van afspraken op hoofdlijnen. PvdA en D66 gingen bovendien wel binding aan met het kabinet.

Het onderscheid tussen parlementaire en extraparlementaire kabinetten zit vooral in de mate van binding die partijen aangaan met het kabinet.

Koninklijk kabinet[bewerken | brontekst bewerken]

Koninklijke kabinetten worden op gezag van de Koning(in) geformeerd, zonder dat de fracties in de Tweede Kamer er aan te pas komen. De Londense oorlogskabinetten Gerbrandy zijn koninklijke kabinetten, omdat de Tweede Kamer niet meer functioneerde. Ook het eerste naoorlogse kabinet-Schermerhorn-Drees is als zodanig aan te merken.

Het weinig succesvolle kabinet-Colijn V, dat in 1939 zijn regeringsverklaring niet overleefde, is ook als een koninklijk kabinet te beschouwen. Colijn had meer de Koningin gehoorzaamd, die hem als minister-president wilde behouden, dan, kijkend naar de politieke verhoudingen van 1939, als politicus gehandeld.

Zakenkabinet[bewerken | brontekst bewerken]

Zakenkabinetten zijn extra-parlementaire kabinetten die (vrijwel) geheel uit niet-politieke personen bestaan, zoals uit ondernemers en ambtenaren. Het kabinet-Van Lynden van Sandenburg (1879-1883) wordt als zakenkabinet beschouwd.

In 1926 werd in de moeizaam verlopen formatie enige tijd overwogen om een zakenkabinet te vormen, dat uit ambtenaren zou gaan bestaan. Uiteindelijk kwam er een kabinet onder leiding van Dirk Jan de Geer waarin naast apolitieke figuren ook enkele politici zaten.

Ook het 'koninklijke' vijfde kabinet-Colijn bestond voor een belangrijk deel uit niet-politieke figuren.

Nationaal kabinet[bewerken | brontekst bewerken]

Een kabinet waarin bewindslieden van een groot aantal van de in het parlement vertegenwoordigde partijen zitten, ruim meer dan de benodigde meerderheid, wordt een nationaal kabinet genoemd.

Kabinetten met alle parlementaire partijen, de traditionele betekenis van nationaal kabinet, zijn zeer zeldzaam. Dit soort kabinetten heeft Nederland nog niet gekend.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]