A la bonne heure

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
A la bonne heure
Land Suriname
Waterlichamen Commewijne
Produceert Koffieboon
Beschreven op www.surinameplantages.com

A la bonne heure was een koffieplantage in het Surinaamse district Commewijne. Deze plantage lag aan de Commewijnerivier naast de plantages Zoelen en Geertruidenberg.

Deze plantage, waarvan de geschiedenis relatief onbekend is, werd circa 1745 aangelegd door Abraham Lemmers[1] en opgeheven in 1885. De plantage werd oorspronkelijk Smaldoek, of in het Surinaams: smaradoekoe genoemd, een naam die vermoedelijk ontstaan is vanwege haar smallere en langere vorm. Volgens de kaart van Alexander de Lavaux was de echtgenote van Charles Godefroy, van plantage Alkmaar de volgende eigenaar.

De schatrijke Gideon Adriaan Diederik de Graaff werd In 1793 eigenaar van de plantage. Die bezat vier plantages en was administrateur van nog 27 andere plantages. Zijn zus was gehuwd met Pieter van der Werff Pieterz III. De eigenaar van de plantages “Dordrecht”en “Killenstein”. Vermoedelijk heeft de Graaff de naam van de plantage veranderd in “A la bonne heure”.

Daarna werd de plantage eigendom van het fonds Le Chevalier en Portielje, dat ook eigenaar was van de plantages Crommelinsgift, Dordrecht, Fakkertshoop, Leliëndaal en Tourtonne.

Het fonds verkocht de plantage op haar beurt aan Hendrina Johanna Francke, die er een indigoplantage van maakte. Deze teelt verdween snel door de opkomst van synthetische kleurstoffen. Er waren in 1834 in Suriname nog maar drie plantages die indigo teelden, wat waarschijnlijk de reden was dat Francke in 1834 de helft van de plantages verkocht aan Anthony Wildebroer.[2].

Gijsbert Christiaan Bosch Reitz werd de volgende eigenaar. Hij was ook eigenaar van de plantages Geertruidenberg en Zoelen. De plantage werd door Reitz' zoon Jean Philippe aangepast in een suikerrietplantage. Het suikerriet werd verkocht aan de centraalfabriek van Mariënburg[3].

Reitz richtte in 1882 samen met de bankier J.G. Sillem en de directie van de Nederlandse Handel-Maatschappij in Amsterdam de NV Landbouw Maatschappij Commewijne op[4]. De aandeelhouders stonden in 1884 al voor de keuze tussen liquidatie of kapitaalsuitbreiding. De maatschappij besloot toen om alle aandelen over te nemen en de exploitatie voor eigen rekening voort te zetten. Een jaar later besloot de aandeelhoudersvergadering om alsnog over te gaan tot ontbinding van de vennootschap.