Rust en Werk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Lithografie van Rust en Werk naar een schilderij van de zendeling Andreas Bau, tweede helft 19e eeuw

Rust en Werk was een koffieplantage in het district Commewijne in Suriname. De plantage lag tussen de plantages Lust tot Rust en Einde Rust aan de Commewijnerivier. Alle drie werden ze in 1750 aangelegd door Wigbold Crommelin. Ze daarna in gezamenlijk beheer gebleven. Bij elkaar hadden ze een oppervlakte van duizend akkers. Door de keuze voor de verbouw van koffieplantkoffie hoefde minder tijd en geld gestoken te worden in de aanleg van kanalen en trenzen (sloten), terwijl dit vergeleken met suikercultuur wel nodig zou zijn geweest.

Een jaar eerder was hij in het land aangekomen als commandeur der troepen. Hij was eveneens gouverneur ad interim van 1752 tot 1754 gouverneur van 1757 tot 1768. De plantage werd ook wel Granmangron genoemd vanwege zijn functie als gouverneur. Aan het eind van zijn gouverneursschap kreeg hij oneervol ontslag en een jaar later keerde hij terug naar Nederland. Pieter Constantijn Nobel kocht vervolgens in 1774 de drie plantages. De administratie werd gevoerd door J.F. Andree die het bewind had over bij elkaar 35 plantages. De drie plantages werden in 1783 uitgebreid met elk met 250 akkers.

Familie Gülcher[bewerken]

Nadat de weduwe van Nobel in 1808 overleed, ging het eigendom over aan haar dochter Constantia Gerhardina en haar man, de koopman-bankier Theodor Gülcher. In 1821 werden koffie en cacao verbouwd. De drie plantages hadden toen een oppervlakte van 800, 600 en 792 akkers, oftewel 2192 akkers bij elkaar. In 1843 werkten er 296 slaven aan de verbouw van koffie. Hierna werd voor een deel overgegaan op katoen.

Zijn oudste zoon Pieter Constantijn liet in 1844 een zendelingenschool op Rust en Werk inrichten door de Evangelische Broedergemeente. In het Teylers Museum is een door hemzelf geïllustreerd reisverslag van zijn reis naar Suriname in 1829 te zien. De zendelingen (hernhutters) werkten tussen de slaven. Ze werden niet als risico gezien, zoals de boeroes later, omdat ze aan de slaven christelijke waardes van werk, gezinsleven, discipline en kennis van de bijbel overbrachten. De zendelingen onderwezen later ook op andere plantages.

Oogst van suikerriet

Tijdens de emancipatie van 1863 verbleven 430 slaven op de plantage. Hierna werden 938 Hindoestaanse en 1401 Javaanse contractarbeiders aangetrokken. Dit aantal zou in de praktijk lager hebben kunnen gelegen, gezien er werd samengewerkt met de plantage Alliance en de Nederlandsche Handel-Maatschappij.

Na het overlijden van Pieter Constantijn wordt de plantage overgenomen door zijn neef Jan Marie. Hij richtte de Cultuurmaatschappij Rust en Werk op in 1889. Hij schakelde over op suiker en legde daarvoor een kanalen- en trenzenstelsel aan. Een dergelijke omschakeling gebeurde vaker wanneer de grond uitgeput was geraakt. Regelmatige bemesting werd in deze tijd nog niet gedaan. Er werd een suikerfabriek op de plantage opgericht die gebruik maakte van een vacuümpan. De kennis voor de suikerraffinage-technieken werd opgedaan door de familierelaties met Jan Marie Gülcher (neef van Jan Marie) die suikerondernemingen had in Nederlands-Indië. Carel Frederik Gülcher (broer Jan Marie) beëindigde de onderneming in 1934.

Jamin[bewerken]

In 1947 ging het bezit over naar de firma Jamin. De plantage ging op in de Verenigde Cultuur Maatschappijen N.V. waar ook een zestal andere plantages deel van uitmaakten. De bedoeling was om er cacao te verbouwen voor de chocolade-industrie. Deze poging liep uiteindelijk spaak door enkele droge seizoenen achter elkaar in de jaren zestig.

Van Alen[bewerken]

Armand van Alen kocht de plantage in 1979 die de grond van bij elkaar acht plantages exploiteerde als veeteeltbedrijf. Daarnaast had hij een experimentele viskwekerij met de naam Comfish: Commewijne Fish and Shrimp Culture Company. Eerst teelde hij hier tilapia en nadat de prijzen op de wereldmarkt in elkaar zakten ging hij over op garnalen.

Op de voormalige plantage worden rondleidingen met een gids gehouden (stand 2017). Dit kan per fiets of per huifkar. Er is nog een antieke sluis te zien en daarnaast zijn er moestuintjes aangelegd door Javaanse bewoners.[1]