Rijnberk (plantage)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Rijnberk was een koffieplantage aan de Commewijnerivier in het district Commewijne in Suriname. Zij lag links bij het opvaren, stroomafwaarts naast plantage Schaapstede en stroomopwaarts naast plantage Kroonenburg. De plantages Rijnberk, Schaapstede en De Goede Vriendschap zijn ontstaan door verkaveling van 2 plantages van 500 akkers in 3 stukken.

De koffieplantage van slechts 250 akkers werd omstreeks 1745 aangelegd door de klerk Johan Abraham Ingenlohe. Op de kaart van Alexander de Lavaux stond zij vermeld als Sylershoop. De volgende eigenaar was Pieter Berkhoff. In het ST heette de plantage dan ook Berkoffoe. Het is niet bekend wanneer de plantage Rijnberk is gaan heten en of er een relatie is met het plaatsje Rijnberk. Berkhoff was afkomstig uit Rotterdam en ook hij was (gezworen) klerk. Daarnaast vervulde hij de functie van ontvanger der modique lasten. Zijn dochter Anna Margaretha trouwde met de bekende administrateur Unico Wilkens.

In 1793 was de plantage in het bezit van het negotiatiefonds van Marcus van Arp en comp. In 1821 was dat J. Abendadon. De oppervlakte was toen 362 akkers. In 1825 werd R.P. Nebled vermeld. Vervolgens waren dit S. en J. Abendadon. De familie Abendadon bezat verscheidene plantages. Daarna ging het bezit over naar Alexander Ferrier en Thomas Buttler Parry, de eigenaren van plantages Alkmaar en Frederiksdorp. De plantage was toen blijkbaar al verlaten, want in 1835 en 1842 stond zij vermeld als kostgrond. Als laatste eigenaar werd in 1842 Henry Maggy Tull genoemd.

In 1875 werd een overeenkomst gesloten tussen de N.V. Cultuurmaatschappij (eigenaar van de plantages Anna Catharina, Kroonenburg en Wederzorg en onderdeel van de bank Insinger) enerzijds en J.A.E. Sander en H. Berckhoff anderzijds over het beheer van de plantages Wederzorg, Anna Catharina en Kroonenburg met de daaraan toegevoegde gronden Rijnberk en Schaapstede.

In 1897 werd de plantage in pacht afgestaan aan Van Genderen, die de pacht vervolgens overdroeg aan J.R.C. Gonggrijp, de eigenaar van plantage Kroonenburg. Er werd toen koffie en banaan geteeld. Gonggrijp verkreeg in 1901 het land in eigendom en verkocht het samen met Kroonenburg, Rijnberk en Schaapstede in 1904 weer terug aan het Gouvernement. Er werd tot 1938 citrus, cacao, koffie, graan, rijst, aardvruchten en bananen geteeld.