Hooyland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hooyland is een voormalige suikerplantage aan de Hooikreek in het Commewijnedistrict in Suriname. In de volksmond wordt de plantage Di Hooi genoemd. De plantage grenst stroomopwaarts aan plantage Schoonoord en stroomafwaarts aan de monding van de Commetewanekreek. De plantage is opgericht door David de Hoy, die in 1695 in Leiden geboren werd als zoon van dominee Aegidius de Hoy. Samen met zijn broer Carel kwam hij omstreeks 1715 naar Suriname. Carel richt de plantage Onverwacht op en noemt, net als David, de naastgelegen kreek naar zichzelf. David trouwt eerst met Anna Prothers en later met Maria de la Jaille, dochter van Gabriel de la Jaille en Sara Lodge, de eigenaars van de nabijgelegen plantage Nieuwzorg. Maria de la Jaille richt in 1745 de plantage Mariënburg op. Uit dit huwelijk komen twee dochters: Catharina Maria (1740-1770) en Adriana Elisabeth.

Familie Faesch[bewerken]

Beide dochters trouwen met zoons van de familie Faesch. Deze familie komt oorspronkelijk uit Basel en was onder andere commissionair voor Leidse handelsfirma's. Catharina trouwt met Johann Jacob (1732-1796) en Adriana trouwt met Johannes. De oom van de broers is Isaac Faesch, directeur van de West-Indische Compagnie op de Antillen. Na het overlijden van Johannes in 1768 is Johann Jacob eigenaar van de plantages. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Jean Jacques. In 1827 moet de familie Faesch een groot deel van de bezittingen wegens financiële problemen overdoen aan Moyet. De diverse Surinaamse Almanakken noemen als bezit van de familie Faesch verder nog Voorburg, Leyerdorp en Weltevreden. Het Fonds Faesch bezit gedurende enige tijd de plantage Mon Trésor.

De plantage is 2170 akkers groot en er werken in de periode 1843-1863 tussen de 200 en 220 slaven. Van der Aa noemt in zijn boek het aantal van 247. Daarnaast noemt hij het Land van Hooyland dat grenst aan de Commewijne en stroomopwaarts aan plantage Salzhalen. Bij de emancipatie in 1863 staan er 636 slaven vermeld en wordt als eigenaar Hugh Wright uit Paramaribo genoemd.