De Goede Vriendschap

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Werk aan de winkel Dit artikel staat op een nalooplijst. Als je hebt gecontroleerd hebt of er geen auteursrechten worden geschonden, dan kun je dit sjabloon verwijderen.

De Goede Vriendschap was een suikerrietplantage aan de Commewijnerivier in het district Commewijne in Suriname. Hij lag links bij het opvaren, stroomafwaarts naast plantage Mariënbosch en stroomopwaarts naast plantage Schaapstede. De plantages Rijnberk, Schaapstede en de Goede Vriendschap waren ontstaan door verkaveling van 2 plantages van 500 akkers in 3 stukken.

De plantage werd omstreeks 1745 aangelegd door Wilhelm Carl Strube, eigenaar van de suikerplantage Hanover (voorheen Copimawabo) aan de Parakreek en de suikerplantage Groot-Chattillon aan de Surinamerivier. Hij was commissaris van kleine zaken en Raad van Civiele Justitie. Hij huwde in 1750 met Wilhelmina Hamburgerensis, de dochter van gouverneur Jan Jacob Mauricius, weduwe van de fiscaal N.A. Kohl. Strube overleed in 1757. Het jaar daarop overleden op jonge leeftijd ook zijn kinderen Johanna Jacoba en Jan Jacob.

De weduwe van Strube verkocht daarna de plantage aan Johannes Sohn en George Andries Kerman. Deze twee staan vermeld op de kaart van Alexander de Lavaux. Naar Sohn heette de plantage in het ST Zon. Sohn overleed in 1766 en werd begraven op de plantage. Hij liet zijn deel van het bezit achter aan de kinderen van Kerman. Zijn weduwe overleed in 1781 en de plantage werd verkocht aan N.J. Bagghen. Er werd toen koffie en katoen verbouwd. Blijkbaar gebeurde er later weinig op de plantage. Pas in 1835 werd zij weer genoemd als chirurgijnsetablissement. In 1843 werd er “Aan Brouwerslust” aan toegevoegd.

In 1897 werd de plantage in pacht afgestaan aan Van Genderen, die de pacht vervolgens overdroeg aan J.R.C. Gonggrijp, de eigenaar van plantage Kroonenburg. Er werd toen koffie en banaan geteeld. Gonggrijp verkreeg in 1901 het land in eigendom en verkocht het, samen met Kroonenburg, Rijnberk en Schaapstede in 1904 weer terug aan het Gouvernement. Er wordt dan tot 1938 citrus, cacao, koffie, koorn, rijst, aardvruchten en bananen geteeld.