Courcabo

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Courcabo was een suikerrietplantage aan de Commewijnerivier in Suriname. De geschiedenis van de plantage is erg gefragmenteerd en moeilijk te herleiden.

De plantage werd rond 1665 aangelegd door Abraham Schoors. Waarschijnlijk was dat in samenwerking met de toenmalige gouverneur Pieter Versterre, die als eigenaar vermeld staat op de kaart van Mogge uit 1667. Versterre bezat ook de plantages Imotapi, Sterrenburgh en een plantage aan de Para. In 1687 werd er op Courcabo een kerk gebouwd die daar tot 1721 blijft bestaan. Na het overlijden van Schoors hertrouwde zijn vrouw Dorothea Matson met Jeronimo Clifford. Clifford moest met schulden het land verlaten en de plantage werd daarom later in twee delen geveild. De eigenaar van het westelijk deel werd in 1732 Frans Laurens Wriedt, die het hernaamde tot Wrieddijk. De nieuwe eigenaar van het oostelijk deel werd Jan de Backer.

De volgende eigenaar was Jan Ridderbagh die getrouwd was met Maria Hardebil. Ridderbagh komt ook voor als eigenaar op de kaart van Walraven uit 1715. Zij kregen in 1692 een tweeling die zij Catharina en Johanna noemen. Na het overlijden van Ridderbagh hertrouwde Maria in 1696 met Willem Pedy. Deze was eigenaar van de nabijgelegen plantage Siparipabo. In de periode 1675 tot 1737 was Courcabo de grootste suikerplantage van Suriname, goed voor zes procent van de totale suikerproductie van Suriname.

In 1724 trouwde François Anthony Bleij met Geertruida de Backer. Zij kregen in 1726 één dochter: Anna Magdalena. Na het overlijden van Bleij hertrouwde Geertruida in 1730 met Charles Godefroij. De volgende eigenaar werd Pieter Mauricius, zoon van gouverneur Jan Jacob Mauricius door zijn huwelijk met Anna Magadalena. Zij werd berucht vanwege de wreedheid tegen haar slaven. Op de kaart van Lavaux uit 1737 is de plantage 900 akkers. Het land achter Courcabo hoort dan bij Siparipabo. Toen zij in 1757 scheidden bleef het grootste deel van het bezit in haar handen.

In 1762 hertrouwde Anna Magadalena met Martinus Lodovicus Whijts. Daarna werd de plantage in 1765 verkocht aan de firma Moesner en Compagnie. Elisabeth Buys die in 1766 getrouwd was met Jan Nepveu, kocht in 1771 de plantage op een veiling. Onderdeel van de plantage was een steenfabriek. Toen zij in 1775 overleed, werd het bezit overgedragen aan haar erfgenamen, waaronder Jan Nepveu en haar zoon Frederik Cornelis Stolkert, voormalige echtgenoot van de beruchte Susanna du Plessis. In 1793 stond Frederik Cornelis als eigenaar vermeld en werd er suikerriet geteeld. Dat gedeelte heette toen Stolkertsijver. Na de dood van Stolkert werd de plantage weer geveild en gekocht door Samuel Hananja de la Parra. Stolkertsijver produceerde nog tot 1821 suiker. Daarna werd de plantage verlaten. Het plaatsje Stolkertsijver bestaat nog wel.