Buitenrust (plantage)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Buitenrust was een plantage aan de Commewijnerivier in het district Commewijne in Suriname. Hij lag links bij het opvaren, stroomafwaarts naast plantage Johan Margaretha en stroomopwaarts naast plantage Frederiksdorp.

De plantage werd als een koffieplantage aangelegd door Johan Friederich Knöffel, de eigenaar van Frederiksdorp, die naast Buitenrust lag. Oorspronkelijk heette de plantage Knoffelsgift. Door de geringe oppervlakte werd hij in het ST pikien gron genoemd.

Knöffel had geen wettige kinderen, maar had wel een gezin opgebouwd met zijn slavin Grietje. Dit blijkt uit het testament waarin bijzondere voorzieningen werden getroffen voor hun kinderen Johanna Cornelia en Anna Dorothea van Frederiksdorff. Voor hen moest manumissie worden aangevraagd. Zij werden erfgenaam van Knoffelsgift, waarop een huis voor hen gebouwd moest worden, en een aantal slaven werd hen toegewezen. Voor hun opleiding werden zij naar Nederland gestuurd. Anna Dorothea trouwde met haar neef, Johan Kusel, een van de erfgenamen van Frederiksdorp. Na zijn overlijden hertrouwde zij met Hendrik Maurits Wolff. Johanna Cornelia trouwde met C. Duran. Deze was in 1793 eigenaar. Daarna kwam de plantage in het bezit van gouverneur Jurriaan François de Friderici.

In de periode 1825 tot 1834 was de weduwe Osborn de eigenaresse. De volgende was John Pickering, die plantage Leedhall aanlegde. In 1842 en 1843 was dit J.B. de Vries. Rond 1850 stond er op Buitenrust een centrale suikerfabriek waar de naburige plantages Mariënbosch, Johan en Margaretha, Maasstroom en Berlijn aan leverden. Dit was waarschijnlijk een van de drie fabrieken in Suriname die in die tijd een vacuümpan hadden. De andere twee waren Catharina Sophia en Waterloo. Bij de emancipatie in 1863 werd de plantage niet meer genoemd. Waarschijnlijk was zij toen al verlaten.