Frederikslust

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frederikslust was een koffieplantage in Suriname, dat in het district Commewijne lag, aan het verlengde van de Warappakreek; het Warappakanaal.

De plantage van 500 akkers werd in 1758 aangelegd door Johan Friedrich Andree, afkomstig uit Grenzhausen waar zijn vader predikant was. De plantage had in het Surinaams de naam “Andree njan joe oppo”. Dit betekent “Andre eet je op” wat waarschijnlijk veel zei over de manier waarop hij zijn slaven behandelde. In 1780 en 1788 werd de plantage flink uitgebreid tot 1037 akkers en werd er , zoals de meeste plantages in dit gebied, ook katoen verbouwd. Johan Friedrich was getrouwd met Anna van Bijland. Zij kregen een zoon, Marinus Pieter. Deze zou zich later Wiltens-Andree noemen, naar de eerste man van Anna. Twee stiefzonen legden later de plantages Pieterszorg en Andreesgift aan.

De familie werd rijk als administrateur van plantages. Johan Friedrich was een van de drie afgevaardigden van een zeer grote kredietverstrekker, namelijk het handelshuis van Harmen van de Poll en Comp. te Amsterdam. In 1793 voerden vader en zoon de administratie van 35 plantages, vaak voor de in Nederland wonende eigenaren van wie zij een percentage van de omzet ontvingen. Johan Friedrich werd in 1772 benoemd tot Raad van Civiele Justitie en 1776 tot Raad van Politie en Criminele Justitie. Dit waren functies die alleen waren weggelegd voor de meest welvarende en aanzienlijke bewoners. Na het overlijden van Johan Friedrich komt de plantage in bezit van zijn echtgenote en later verdeeld onder de erfgenamen. In 1843 waren dit Anton Wharton White,voormalig administrateur van de plantage en getrouwd met Elisabeth, dochter van Marinus Peter. Een andere schoonzoon/eigenaar was Joachim Cooper Hayward die getrouwd was met Anna Maria Catharina. Een andere Hayward, kapitein Isaac Johnson Thomas, was getrouwd met Maria Elizabeth Lemmers, de weduwe van Marinus Pieter. De peetzoon van Johan Friedrich, Johan Frederik Hubert, was een andere eigenaar. Op dat moment was de plantage in volle bloei en een van de rijkste in Suriname. Er werkten toen 237 slaven.

Bij de emancipatie in 1863 was de eigenaar Wilhelm Eduard Rühmann. Deze was op dat moment eigenaar van de plantages Vierkinderen aan de Para, Groot Cuylenburg aan de Cottica, Halle in Saxen aan de Waymoekreek , Nieuwhoop en Pieterszorg aan de Commewijne en Waterland aan de Surinamerivier. Er werden 85 slaven vrijgelaten. Na zijn overlijden in 1872 werd de plantage het volgende jaar door zijn weduwe verkocht aan Alexander Stirling die een vergunning krijgt om er in 1875 een winkel te beginnen. Waarschijnlijk werd de plantage spoedig daarna verlaten.