Geertruidenberg (plantage)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Geertruidenberg was een koffieplantage aan de Commewijnerivier in het district Commewijne in Suriname. Zij lag rechts bij het opvaren, stroomafwaarts naast plantage A la bonne heure en stroomopwaarts naast plantage Mariënburg.

De plantage werd in 1745 aangelegd door de Amsterdamse koopman Dingeman Broen. Hij heeft nooit in Suriname gewoond, maar investeerde vanuit Nederland in de plantage. Broen noemde de plantage naar zijn echtgenote Geertruida Nobel. In het Surinaams werd de plantage echter naar hem genoemd: Broen of Brun. Na zijn dood in 1747 ontwikkelde Geertruida Nobel in de twintig daaropvolgende jaren de plantage tot een goed renderende, grote koffieplantage. Zij overleed in 1767 in Amsterdam. Geertruida was de tante van Pieter Contantijn Nobel die in 1774 de tegenovergelegen plantage Rust en Werk kocht.

De volgende eigenaar was Bartholomé Muilman. Hij was getrouwd met Magdalena Johanna de Hoy, een oudere zus van de echtgenotes van de gebroeders Faesch, de eigenaren van plantage Mariënburg. De familie De Hoy was al eigenaar van de plantage Hooyland aan de Hooikreek. Muilman was koopman, voornamelijk in Spaanse wol, in de firma Bartholomé Muilman Senior & Junior. Hij stichtte in 1761 met Anthony van Hemert en Gerrit Baerlman de firma van Hamert, Muilman & Baerlman, kooplieden op Engeland, de West en de Levant. Na zijn overlijden werd zijn echtgenote de eigenaresse van de plantage. Na haar overlijden werd de plantage in 1842 verkocht[1].

De plantage werd overgenomen door Gijsbert Christiaan Bosch-Reitz, een andere koopman uit Amsterdam. Een paar jaar later kocht hij ook de naastgelegen plantage Zoelen. Bij de emancipatie in 1863 kregen 74 slaven de vrijheid en staat zijn echtgenote, Geertruida Elisabeth Kuvel als eigenaresse vermeld. In 1889 werd de plantage geveild[2] en werd J.M. de Vries de eigenaar. Zoals zoveel plantages langs de Commewijne was Geertruidenberg in die tijd een cacaoplantage.

De plantage werd opgekocht door de Nederlandse Handel-Maatschappij en was tot 1964 onderdeel van de Suikeronderneming Marienburg. In dat jaar werd de onderneming verkocht aan de Rubber Cultuur Maatschappij Amsterdam. Deze verkocht daarna het bedrijf aan de Surinaamse overheid.