Alkmaar (plantage)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Plantage Alkmaar, 18e-eeuwse gravure
'Nijd en Spijt' en 'Alkmaar' circa 1860
Plantage Alkmaar omstreeks 1885
Plantage Alkmaar omstreeks 1885

De Surinaamse plantage Alkmaar, in de volksmond Goede-Vrouw, Goedoefrouw of Godefroy genoemd,[1] ligt aan de Commewijnerivier in het district Commewijne. De plantage ligt links bij het opvaren, stroomopwaarts naast plantage Nijd en Spijt en stroomafwaarts naast Sorgvliet.

Achttiende eeuw[bewerken]

De plantage is in 1745 aangelegd door de landmeter Jacob Hengeveld (1696-1746). Hij noemde de plantage naar de stad Alkmaar waar hij in 1696 was geboren. Hengeveld overleed al snel na de aanschaf. Zijn vrouw, Catharina de Lies, hertrouwde in 1747 met Charles Godeffroy die in 1704 in Berlijn was geboren. Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde Godeffroy in 1758 met Elisabeth Danforth. Zijn broer Isaac legde tegelijkertijd de plantage Mariënbosch aan, aan de overkant van de rivier. Godeffroy overleed in 1773. In 1796 wordt zijn weduwe als eigenaresse vermeld. Er wordt dan koffie en cacao verbouwd.

Negentiende eeuw[bewerken]

Elisabeth overleed in 1796. In 1811 was Willem Benjamin van Panhuys eigenaar, hij werd in 1816 gouverneur-generaal, maar overleed nog hetzelfde jaar. Zijn vrouw, Louise van Panhuys was een begaafd botanisch- en landschapschilderes. De volgende eigenaren waren de heren Ferrier en Parry. Op de grote plantage van 1495 akkers werd in die tijd suikerriet verbouwd. In 1834 en 1835 werkten er 165 slaven en in 1843 zelfs 611. Van der Aa noemt het een voorname plantage en vermeldt het gebruik van een stoommachine voor de suikerbereiding. Bij de emancipatie in 1863 kwamen 445 slaven vrij. Alkmaar was toen in het bezit van de erven Ferrier die in Glasgow woonden en George Henry Barnet Lyon, een in Paramaribo geboren Nederlander. Laatstgenoemde was op dat moment ook eigenaar van Jagtlust, Frederiksdorp (voor de helft) en Garciaskamp. Zijn vader, Joshua Lyon, was eigenaar van Susanna’s Daal en Vriendsbeleid en Ouderzorg.

Om zo veel mogelijk de kleine landbouw te bevorderen en de Hindoestaanse immigranten, van wie de contracten waren afgelopen, voor Suriname te behouden, werden hen gronden in gebruik afgestaan. Uit die tijd stamt de vestigingsplaats Alkmaar, waar ook een school en een geneeskundige dienst gevestigd werden. In 1910 was de plantage eigendom van de overheid. Er werd toen vooral cacao verbouwd, maar ook rijst en bananen. Er werkten toen 587 arbeiders.

Twintigste eeuw[bewerken]

In 1935 besloeg de plantage 840 hectare, waarvan 516 in productie. Er werd nu ook citrus verbouwd. De leiding was in handen van de heer Reeberg. In 1938 bestond de productie uit 17 000 kg cacao, 11 000 kg koffie, 5200 kg mais, 4000 sinaasappels, 613 000 kg ongepelde rijst (padi), 76 900 kg aardvruchten, 8000 trossen banaan en 30 800 kg pinda.