Chinese schilderkunst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rustig luisteren naar de wind in de dennen
- Ma Lin (vóór 1246), gewassen inkt en kleur op hangende rol van zijde

De Chinese schilderkunst is een van de oudste tradities in de kunstgeschiedenis. Schilderen in de traditionele stijl wordt in het Chinees guóhuà (traditioneel Chinees: 國畫; vereenvoudigd Chinees: 国画) genoemd, letterlijk 'nationale schilderkunst', waarmee het verschil wordt benadrukt met de westerse schilderskunst.

Traditioneel zijn Chinese schilderwerken uitgevoerd in de gedetailleerde gongbi-stijl of in gewassen inkt. Deze laatste techniek wordt ook wel 'literati-schilderkunst' genoemd, daar schilderen in gewassen inkt een van de 'vier kunsten' was waar de geletterde literati zich in bekwaamden. In de loop der geschiedenis hebben zich diverse genres ontwikkeld in de Chinese schilderkunst. Met name shan shui-landschappen namen een prominente plaats in in de Chinese kunstgeschiedenis.[1] Andere populaire genres waren historische en religieuze taferelen, vogel- en bloemschilderingen en bamboeschilderingen.

Kenmerken[bewerken]

De meest gebruikte materialen om op te schilderen zijn papier en zijde. Een afgerond werk wordt meestal tentoongesteld op rollen, zoals hangende rollen en handrollen, of op albumpagina's, lakwerk of kamerschermen. In de loop der tijd ontstond de gewoonte om schilderwerken te voorzien van een gekalligrafeerd gedicht, opdracht of commentaar. Ook werd het gebruikelijk voor een kunstenaar om een aantal persoonlijke rode zegelafdrukken aan te brengen als signatuur. Verzamelaars hadden hun eigen zegels die zij aanbrachten. Deze zegels doen de waarde van een kunstwerk niet noodzakelijkerwijs dalen, vooral niet als ze een voornaam persoon vertegenwoordigen.

Techniek[bewerken]

Traditioneel schildert men in China alleen met Oost-Indische inkt en pigmenten;[* 1] olieverf wordt niet gebruikt. Veelkleurige vogel- en bloemschilderingen en verhalende thema's zijn vaak geschilderd in de gongbi-stijl (工筆). Door zeer precieze penseelstreken worden kleurvlakken begrensd door fijne donkere lijnen, om vervolgens met pigment te worden ingekleurd. Deze techniek laat minder ruimte voor expressie dan het schilderen in gewassen inkt (水墨, shui-mo: 'water en inkt'), een populaire techniek die veel overeenkomsten vertoont met Chinese kalligrafie. Door met water aangelengde inkt te gebruiken, beïnvloedt elke nieuwe penseelstrook de onderliggende inktlagen. De techniek werd gebruikt voor uiteenlopende genres, waaronder bamboeschilderingen en landschappen. Een variant op schilderen in gewassen inkt is de mogu-techniek. Hierbij worden zowel inkt als pigmenten op de ondergrond 'gewassen'.

Zowel de gongbi-techniek als schilderen in gewassen inkt vereisen een grote vaardigheid en concentratie. Oorspronkelijk werd de schildertechniek van een leermeester net zo lang gekopieerd, bestudeerd en geoefend tot het een instinctmatige handeling werd. In de moderne tijd is deze techniek regelmatig bekritiseerd door kunstenaars die innovatie en expressie belangrijker vinden dan perfectie.

Geschiedenis[bewerken]

Fresco van een ruiter in een koninklijke graftombe van de Westelijke Han-dynastie (202 v.Chr.-9 na Chr.)

De vroegste Chinese schilderingen waren vooral decoratief. Keramiek werd bijvoorbeeld beschilderd met spiralen, zigzaglijnen, stippen of gestileerde dierfiguren. Naar verluidt trachtten Chinese kunstenaars pas in de Periode van de Strijdende Staten (475–221 v.Chr.) de wereld om hen heen af te beelden. Zij gebruikten een penseel van dierhaar en zwarte inkt, gemaakt van roet van een den gemengd met dierlijke lijm. Schilderijen hadden een vergelijkbare culturele status als kalligrafieën, beiden werden bevestigd op rollen en ter decoratie opgehangen. In de beginjaren van de Chinese kunstgeschiedenis werd vooral op zijde geschilderd. Na de uitvinding van het papier in de 1e eeuw na Chr. werd steeds vaker voor dit goedkopere alternatief gekozen.

Aanvankelijk werden vrijwel alleen mensen geschilderd in een historische of religieuze setting. Begraafplaatsen werden voorzien van zijden rollen, gelakte voorwerpen en fresco's. Deze schilderingen werden geacht de doden te beschermen en hen naar het paradijs te vergezellen. Ook werden schilderingen gebruikt om situaties in het dagelijks leven af te beelden of de leringen van de Chinese filosoof Confucius te illustreren.

Zes Dynastieën en Sui-dynastie (220-618)[bewerken]

Nimf van de rivier de Luo, 13e-eeuwse kopie van een schildering van Gu Kaizhi

In de beginjaren van de Zes Dynastieën (220–589) maakte de Chinese schildertraditie een nieuwe ontwikkeling door. Mensen begonnen schilderwerken steeds vaker te waarderen om hun schoonheid. Schilderijen waren niet langer puur functioneel, maar ook een kunstobject. Vanaf deze periode zijn ook de namen van individuele kunstenaars bewaard gebleven, zoals Gu Kaizhi (344–406) en Zhang Sengyou (actief ca. 500–550). Ook zij maakten functionele schilderwerken, zoals illustraties van confucianistische morele lessen, maar probeerde de personen zo bevallig mogelijk af te beelden.

Vanaf de Jin-periode (265–420) werden zowel de schilderkunst als de Chinese kalligrafie gerekend tot de hoogst gewaardeerde kunsten. Beiden werden aan het keizerlijk hof beoefend door zowel ongeschoolde aristocraten als door de klasse van de literati, ambtenaren die hun functie hadden verkregen middels het Chinees examenstelsel. Functionarissen aan het hof kregen genoeg vrije tijd om hun techniek te vervolmaken, zodat de beide kunsten een grote bloeiperiode doormaakten.

Rond 550 stelde de historicus Xie He de 'Zes principes van de Chinese schilderkunst' op. Hoewel deze principes vooral in zijn tijd werden gebruikt om een schilderij te beoordelen, weerspiegelen zij nog steeds de Chinese kijk op de schilderkunst. De zes principes zijn:[2]

  1. 'Resonantie van de geest', ofwel de vitaliteit van een werk. Volgens Xie heeft een werk zonder voelbare stroom van energie geen enkele waarde.
  2. 'Beendermethode', ofwel de manier waarop het penseel is gebruikt. Niet alleen de textuur en de penseelstreek wordt beoordeeld, maar ook het nauwe verband tussen het handschrift en de persoonlijkheid van de kunstenaar. In zijn tijd werd kalligrafie en schilderen als behorend tot dezelfde kunst beschouwd.
  3. 'Overeenstemming met het object'. Hierbij wordt beoordeeld of het object op de correcte wijze is weergegeven. Hierbij worden ook de gebruikte vormen en lijnen getoetst.
  4. 'Geschiktheid naar type', ofwel de juiste toepassing van kleur, hoeveelheid inkt of pigment en de gebruikte tint.
  5. 'Verdeling en ontwerp', ofwel de opzet van een schilderwerk. Hierbij wordt de compositie, ruimtelijkheid en diepte van een werk beoordeelt.
  6. 'Overdracht door kopiëren', ofwel de vaardigheid van het kopiëren van een model of een antiek werk.

Tang-dynastie (618–906)[bewerken]

Zevenentachtig goden, handrol door Wu Daozi[* 2]
Zevenentachtig goden, handrol door Wu Daozi[* 2]

Dankzij de economische bloeiperiode tijdens de Tang-dynastie groeide de grandeur van het keizerlijk hof. Kunstenaars als Zhou Fang (ca. 730-800) verdienden hun geld met natuurgetrouwe schilderingen van de keizers, hofdames en zelfs de keizerlijke paarden. Veel van deze schilderingen werden zeer kleurrijk en gedetailleerd uitgevoerd in de gongbi-techniek. De kunstschilder Wu Daozi (actief: 710–760) echter schilderde enkel met zwarte inkt. Hij bracht de natte inkt met vrije penseelstreken op het doek aan en creëerde zo schilderingen die uitblonken in expressiviteit. Regelmatig verzamelde zich een grote menigte rond Wu als hij aan het werk was. Vanaf dit moment werd inkt niet langer alleen gebruikt om te schetsen of kleurvlakken te omlijnen. Het schilderen in gewassen inkt werd als een aparte kunstvorm gerekend tot de 'vier kunsten', naast het bespelen van de guqin, de vaardigheid in het bordspel go en kalligrafie.[* 3]

De berg Kuanglu door Jing Hao (ca. 900)

In de Tang-periode kwam ook de traditie van de landschapsschilderkunst tot bloei. Vooral populair waren de shan shui-werken (山水, 'berg' en 'water'), waarin bergen en rivieren een centrale plek in namen. Deze landschappen waren beladen met taoistische symboliek, zoals de hang naar de natuur en het zoeken naar een evenwichtig balans.[3][4] De eerste shan shui-werken waren gedetailleerd uitgevoerd, voornamelijk in groene en blauwe pigmenten. In navolging van Wu Daozi paste Wang Wei (699–759) gewassen inkt in zijn landschappen toe. De meeste landschappen uit de Tang-periode kunnen worden gecategoriseerd als 'blauwgroen landschap' (青綠山水) of behorend tot de school van Wang. Met het ineenstorten van de Tang-dynastie gebruikten veel literati de shan shui-schilderkunst om te kunnen ontsnappen aan de chaos die hiermee gepaard ging.[5]

Vijf Dynastieën (906–960)[bewerken]

Gedurende de korte roerige periode van de Vijf Dynastieën werden bontgekleurde vogel- en bloemschilderingen (huaniao hua) populair aan de keizerlijk hoven. Het schilderen van bijvoorbeeld bamboe en chrysanten was al een onderdeel van het Chinees examenstelsel, maar de kunstschilders Huang Quan (ca. 900–965) en Xu Xi (937–975) legden de basis voor een eigen genre van planten en dieren.[* 4] Terwijl Huang deze in de precieze gongbi-techniek uitvoerde, werd Xu bekend om zijn vogel-en bloemschilderingen in gewassen inkt en kleur, bekend als de mogu-techniek.[6]

Noordelijke Song (960–1127)[bewerken]

Toen de Song-dynastie in 960 aan de macht kwam, werd China voor het eerst sinds de val van de Tang-dynastie in 907 herenigd. Politieke idealen betreft het herstellen van de orde in het grote rijk had zijn weerslag op de schilderkunst van de literati. Zij borduurden voort op de stijl van landschapsschilders als Dong Yuan (ca. 934–ca. 962) en schilderden grootse, vredige landschappen met bergen die zowel macht als bestendigheid uitstraalden. De shan shui-kunst werd in de beginjaren van de Song-periode verder ontwikkeld door literati als Juran en Wang Ximeng (1096–1119) en nam zo haar prominente plek in in de Chinese kunstgeschiedenis. Landschappen werden bezien als de hoogste kunstvorm tijdens de Song-periode, maar ook portretten, taferelen en vogel- en bloemschilderingen waren nog steeds populair aan het hof. Vogel- en bloemschilderingen waren bijvoorbeeld een specialiteit van keizer Song Huizong, de laatste keizer van de Noordelijke Song.

Onder literati als Su Shi (1036–1101) en Mi Fu (1051–1107) ontstond de gewoonte om in kleine gezelschappen bij elkaar te komen en te discussiëren over elkaars schilderwerken, kalligrafieën en gedichten. Zowel werken van oude meesters als eigen werken werden onderling geruild of uitgeleend om ze te kunnen bestuderen en kopiëren.[7] Su pleitte in deze kringen voor het combineren van de 'drie perfecties': de dichtkunst, kalligrafie en schilderkunst. Naar verluidt waren de dichters Du Fu (712–770) en Li Bai (701–762) de eersten die een schildering met een gekalligrafeerd gedicht op één doek samen brachten. Vanaf de Song-periode werd deze combinatie steeds meer gemeengoed. De combinatie van de 'drie perfecties' werden 'geluidloze gedichten' genoemd, daar ze de kijker de ervaring van geluid, zicht, reuk, tastzin en emoties tegelijk zouden geven.[8] Aan een aantal oude schilderstukken werden voor dit doel zelfs colofons bevestigd, zodat gekalligrafeerd gedichten de werken konden perfectioneren. Dergelijke colofons werden ook gebruikt voor commentaar op het gedicht en voor het plaatsen van zegels van verzamelaars.

Su Shi promootte ook het idee van een schilderwerk als een vorm van expressie, geen natuurgetrouwe afbeelding van de werkelijkheid. Een schildering moest volgens Su vooral inzicht geven in de emoties en ideeën van de maker, een gedachte die een fundamentele principe van de literati-schilderkunst werd.[5] Een typisch voorbeeld van expressieve schilderkunst is de bamboeschildering. Technisch gesproken viel bamboe onder de vogel- en bloemschilderkunst, maar de werken van Wen Tong (1019–1079) legden de grondslag voor een apart genre in de Chinese schilderkunst.[9] De bamboe werd reeds in de dagen van Confucius bezien als een voorbeeld van morele kracht. Dit maakte de bamboeschildering als een geliefd medium voor zelfexpressie.

Dansende en zingende boeren keren terug van hun werk door Ma Yuan

Zuidelijke Song (1127–1279)[bewerken]

Na de inval van de Jurchen viel het noorden van China in 1127 in handen van de Jin-dynastie (1115-1234). Het keizerlijk hof vluchtte naar het zuiden en stichtte in Hangzhou hun nieuwe hoofdstad. De veranderde politieke situatie had onder andere een zichtbare invloed op de shan shui-landschappen. De literati waren meer geïnteresseerd in de neo-confucianistische filosofie van het opbouwen van de maatschappij vanaf de basis. Zij promootten bijvoorbeeld kleine privé-scholen die de grote, door de staat bestuurde academies zouden vervangen. Schilders als Ma Yuan (ca. 1160–1225) en Xia Gui (1195–1224) plaatsten gedetailleerde, intieme taferelen op de voorgrond die scherp contrasteerden met de massieve bergpartij op de achtergrond. De bergcontouren waren uitgevoerd in vervagende inktranden, zodat de indruk werd gewekt dat de bergen in een oneindige ruimte verdwenen. Aan dit idee van mystiek en onbereikbare grootsheid lag een Chinese filosofie ten grondslag; het taoïsme leert dat mensen slechts kleine vlekjes zijn vergeleken bij de weidse kosmos. De bergstroom diende als een schakel met zowel het afgebeelde tafereel als de kijker zelf.

Albumblad door Yi Yuanji (ca. 1000–ca. 1064), een hofschilder die met name om zijn afbeeldingen van gibbons werd geprezen.[10]

Tijdens de Song-periode werden kleine ronde schilderingen populair die in albums konden worden verzameld. Naast het schilderwerk kon een gedicht worden gekalligrafeerd die overeenkwam met het thema en de sfeer. In navolging van Su Shi streefde een groeiend aantal kunstschilders naar een vrije uiting van hun gevoelens en het proberen weer te geven van de innerlijke geest van het onderwerp, niet de uiterlijke verschijning. Zo ontstond er een nieuwe klasse van schilders die minder geschoold waren in schildertechnieken als trompe l'oeil, zoals onderwezen werd aan de gerenommeerde kunstacademies. Sommigen ontbeerden zelfs de vaardigheid van de schilders die leefden van de verkoop op marktplaatsen. Ondanks hun simpele schilderstijl bekritiseerde deze nieuwe klasse de hof- en beroepsschilders om hun perfectie en het feit dat zij geld ontvingen voor hun werk. Een dergelijke manier van schilderen was in de ogen van de minder geschoolden geen echte kunstvorm en niet beter dan het werk van slagers of ketellappers op de markt.[11]

Ondanks de opmars van de expressievere, minder technische schilderijen waren de technisch bekwame hofschilders nog steeds populair aan het keizerlijk hof. Een van hen was Zhang Zeduan (1085–1145), schilder van de handrol Langs de rivier tijdens het Qingmingfestival. Dit schilderwerk wordt door veel kunstcritici beschouwd als het beste werk van de Chinese schilderkunst en derhalve ook wel "China's Mona Lisa" genoemd.[12]

Yuan-dynastie (1279–1368)[bewerken]

Bamboe en rotsen door Li Kan

Nadat de Mongoolse Yuan-dynastie in 1279 aan de macht was gekomen, schafte zij het Chinees examenstelsel af en werden veel literati van hun post ontheven. Desondanks bloeide de schilderkunst nog steeds. Daar kunstenaars niet langer aan de strenge conventies van het examenstelsel waren gebonden, werden de schilderijen expressiever dan voorheen.[5] In deze tijd werd de gewoonte om een schilderij van een gekalligrafeerd gedicht te voorzien gemeengoed. Veel Mongoolse kans en hun families hadden grote bewondering hadden voor de Chinese kunst. Buyantu Khan, die met name een liefhebber was van de werken van Zhao Mengfu (1254–1322), voerde in 1315 het examenstelsel opnieuw in. Jayaatu Khan, die van 1329 tot 1332 over China regeerde, werd zelf een verdienstelijk schilder en kalligraaf in de Chinese traditie.

Huang Gongwang (1269–1354) en Wu Zhen (1280–1354) behoorden in deze periode tot de eerste generatie van schilders en werden gerekend tot de Vier Meesters van de Yuan-dynastie. Zij maakten shan shui-landschappen waar niet de nadruk lag op realisme, maar op expressie. Hun natte, grove penseelstreken in gewassen inkt resulteerden in de bijna impressionistische stijl die voortborduurde op de werken van Dong Yuan en Juran. De twee andere Meesters van deze periode, Ni Zan (1301–1374) en Wang Meng (1308–1385), waren vernieuwend in het shan shui-genre.[13] Ni onderscheidde zich door zijn ingetogen landschappen, terwijl Wang naam maakte met zijn uitbundige, complexe landschappen in stroperige penseelstreken.[14]

De bamboeschilderkunst had in de Yuan-periode haar grootste bloeiperiode. Bamboe was symbool komen te staan voor flexibiliteit, empathie en integriteit, deugden die hoog aangeschreven stonden bij de confucianistische keizerlijke familie.[15][16] Schilders als Li Kan (ca. 1245–1320), Guan Daosheng (1262–1319, echtgenote van Zhao Mengfu) en Gu An (ca. 1289–na 1365) wijdden vrijwel hun hele artistieke loopbaan aan het schilderen van bamboe.

Ming-dynastie (1368–1644)[bewerken]

Vertrek van een voorbode, een handrol van een anonieme schilder. In een weids panorama reist keizer Xuande (regeringsperiode 1425−1435) en zijn escorte van Beijing naar de nabijgelegen koningsgraven
Vertrek van een voorbode, een handrol van een anonieme schilder. In een weids panorama reist keizer Xuande (regeringsperiode 1425−1435) en zijn escorte van Beijing naar de nabijgelegen koningsgraven

In 1368 verdreef de Chinese rebellenleider Zhu Yuanzhang de Yuan uit China en stichtte hij de Ming-dynastie. In deze periode, die te boek kwam te staan als "een van de grootste periodes van ordelijke regering en sociale stabiliteit in de menselijke geschiedenis",[17] werd aan het Chinese hof verder geborduurd op de oude schildertradities uit de Song-periode. Zhu Yuanzhang moest niets hebben van de individuele creativiteit die zo kenmerkend was voor de Yuan-periode, maar wenste technische perfectie. Met name vogel- en bloemschilderingen in de gongbi-stijl, shan shui-landschappen in de stijl van de late Song-meesters en kleurrijke, verhalende taferelen waren populair aan het hof.

Landschap in de stijl van Wang Wei door Dong Qichang

Niet alle literati konden zich vinden in de strenge conventies van het Chinees examenstelsel en het hof. Dai Jin (1388-1462) stichtte in Hangzhou de Zhe-school, een stroming van beroepsschilders die vrijere normen hanteerde bij het schilderen in de Song-tradities. Shen Zhou (1427-1509) en zijn leerling Wen Zhengming (1470-1559) specialiseerden zich in shan shui-landschappen in de stijl van respectievelijk de Yuan- en de Tang-traditie. Zij waren de grondleggers van de Wu-school, waarin een contemplatieve levenswijze, liefde voor de natuur en zelfexpressie centraal stonden. Ook de schilder en kalligraaf Dong Qichang (1555-1636) was een voorvechter van de belangeloze literatenkunst (wenrenhua). Hij maakte een onderscheid tussen de perfectionistische Noordelijke School van de hofschilders en de expressieve Zuidelijke School van onafhankelijke literati, waarvan hijzelf naar eigen zeggen de belangrijkste vertegenwoordiger was. Tot ver in de Qing-dynastie bleef een duidelijk onderscheid tussen beide scholen bestaan.

Tang Yin (1470-1523) en Qiu Ying (ca.1494-ca.1552) waren beide bevriend met Shen Zhou en When Zhengming. Gezamenlijk werden zij reeds in de Ming-periode tot de Vier Meesters van de Ming-dynastie gerekend, al waren Tang en Qiu geen geschoolde literati. Tang kon niet deelnemen aan het examenstelsel, daar hij van fraude werd beschuldigd. Hij legde zich toe op de schilderkunst en was bedreven in een groot aantal genres, van landschappen tot bamboeschilderingen. De autodidact Qiu was vooral geroemd om zijn kunstige shan shui-landschappen.

Twaalf planten en kalligrafie door Xu Wei

Tijdens de Ming-periode ontwikkelde de bamboeschilderkunst zich als een van de meest abstracte schilderkunsten in China. Chen Lu (14e eeuw), Wang Fu (ca. 1362-1416) en Xia Chang (1388–1470) werkten de bamboestengels en bladeren uit met een techniek die sterk geleek op die van de Chinese kalligrafie. Een andere bamboeschilder die een grote invloed had op het genre was Xu Wei (1521–1593). Hij haalde de onderste graad in het examenstelsel, maar slaagde er niet in om de hogere graden te behalen.[18] Xu werd bekend om zijn "spetterende",[19] schijnbaar nonchalante schilderkunst. Hierdoor wordt hij door sommige kunstkenners beschouwd als een van de grondleggers van China's moderne schilderkunst.[20]

Qing-dynastie (1644–1911)[bewerken]

Keizer Qianlong jaagt op een hert door Giuseppe Castiglione

Nadat Mantsjoerije in 1644 Peking had veroverd, kwam de Qing-dynastie aan de macht. Het Chinese rijk werd in de Qing-periode meer dan tweemaal zo groot als in de Ming-periode, maar desondanks groeide de gemiddelde levensstandaard. Rond de beginperiode van de Qing-dynastie verschenen de eerste handboeken die in kleurendruk de schilderkunst en Chinese kalligrafie behandelden.[* 5] Hierdoor konden steeds meer Chinezen zich toeleggen op de schilderkunst. Aan het hof legden de schilders van de Noordelijke School zich toe op werken die de keizers gunstig stemden, zoals portretten van de keizerlijke familie en taferelen van overwinningen in veldslagen. Er werden ook Europese schilders aan het hof ontboden, zoals Giuseppe Castiglione in 1715. Zij introduceerden elementen als perspectief en clair-obscur in de Chinese schilderkunst.

In de Zuidelijke School was men van mening dat deze vernieuwingen afbreuk deden aan de vitaliteit van een schilderij. Maar ook deze school maakten een eigen ontwikkeling door. Er ontstonden twee verschillende stromingen, een orthodoxe en een progressieve. Vertegenwoordigers van de orthodoxe school borduurden in navolging van Dong Qichang voort op de stijl van schilders uit de Yuan-periode. Hiertoe behoorden onder andere de Zes Meesters van de vroege Qing-periode: Yun Shouping (1633–1690), Wu Li (ca. 1632–1718), Wang Shimin (ca. 1592–1680), Wang Jian (ca. 1598–1677), Wang Yuanqi (1642–1715) en Wang Hui (1632–1717).[5] Met name de 'Vier Wangs' waren bekend om hun originele en kunstige shan shui-landschappen. Yuns elegante, vitale bloemschilderingen in de mogu-stijl legde de basis voor de School van Changzhou, een orthodoxe stroming van realistische schilderkunst.

Reizigers op ezels door Bada Shanren

De progressieve school bestond in de beginjaren van de Qing-periode voornamelijk uit Ming-loyalisten die zich verzetten tegen de in hun ogen buitenlandse heerschappij. Veel literati gaven hun positie aan het hof op en werden zwervers, monniken of kluizenaars. Dit waren bijvoorbeeld de zogenoemde 'Vier Monniken': Hong Ren (1610–1664), Kun Can (1612–1673), Bada Shanren (1626–1705) en Shitao (1642–1707). Hun werken in gewassen inkt weerspiegelen de onafhankelijke en persoonlijke stijl die steeds gangbaarder werd onder de literati van de Zuidelijke School.[5] Ook de Acht Excentriekelingen van Yangzhou[* 6] verwierpen de orthodoxe opvattingen over de schilderkunst ten bate van een expressiever stijl. Zij lieten zich daarbij inspireren door oude meesters die in hun tijd als vernieuwend te boek stonden, waaronder Xu Wei.[22]

Atelier van de schilder Tingqua door Guan Lianchang, ca. 1855. Dit pand in Kanton verkocht een groot aantal Chinese schilderijen voor de export

In de 18e eeuw groeiden belangrijke Chinese steden als Kanton, Yangzhou en Shanghai uit tot kunstcentra. Rijke kooplieden namen kunstschilders onder hun hoede en moedigde hen aan tot het maken van steeds gedurfdere werken. Eind 19e eeuw nam de invloed van de westerse steeds meer toe doordat kunstenaars studiereizen maakten naar Europa. Desondanks bleef de Chinese schilderkunst zijn identiteit bewaren. Een van de bekendste moderne schilders uit China was Qi Baishi (1864–1957), een van oorsprong arme boer die voortborduurde op traditionele thema's. Hij maakte vooral naam met zijn afbeeldingen van bloemen en kleine dieren. Volgens hem moest een schilderij "het midden houden tussen gelijken en niet-gelijken".[23]

Moderne tijd (vanaf 1911)[bewerken]

Schilderij met cicade door Qi Baishi

In 1911 werd de laatste Chinese keizer van de troon gestoten en de Republiek China uitgeroepen. Al in de beginjaren van deze periode kwamen steeds meer kunstenaars in aanraking met westerse schilderstijlen- en technieken. Landschapsschilders als Gao Jianfu (1879–1951), zijn broer Gao Qifeng (1889–1933) en Chen Shuren (1884–1948) maakten studiereizen in Japan, waar de westerse kunst al wijdverbreid was. In de jaren 20 maakten jonge kunstschilders studiereizen naar Parijs en Duitsland en verwerkten terug in China allerlei westerse stijlen in hun eigen kunst. Zo liet Xu Beihong (1895–1953) het Chinese publiek kennis maken met het realisme, Liu Haisu (1896–1994) met het postimpressionisme en Lin Fengmian (1900–1991) de stijl van de fauvist Henri Matisse.[5] Zhang Daqian wordt door veel kunstkenners beschouwd als de meest toonaangevende Chinese kunstschilder van zijn tijd. Hij maakte zowel traditionele schilderijen als impressionistische en expressionistische werken.

De regering moedigde kunstenaars aan om op grote schaal schilderijen te maken in de stijl van het Russische socialistisch realisme. Deze trend zette zich tot in de jaren 50 voort. Na de campagne 'Laat Honderd Bloemen Bloeien' van premier Zhou Enlai in 1956 en 1957 kende de traditionele Chinese schilderkunst een kleine heropleving. Tijdens de Culturele Revolutie van 1966 tot 1976 werden kunstacademies echter gesloten. Kunsttentoonstellingen werden verboden en een groot aantal kunstwerken werden vernietigd. Na de arrestatie van de Bende van Vier in 1976 werden kunstacademies weer geopend. Door een groot aantal uitwisselingsprogramma's begonnen steeds meer Chinese kunstenaars westerse technieken en stijlen in hun schilderkunst te verwerken.

Zie ook[bewerken]